Golden Age of Handbuilt Bicycles ~ Jan Heine & Jean-Pierre Pradères

► door: A.IJ. van den Berg

Er is iets vreemds voor mij aan het kijken naar fietsen. Het lijkt er namelijk op of me enkel de fietsen bevallen waar ik zelf zo op zou kunnen wegrijden.

Alleen ben ik wel een zoon der Friezen in deze; een lang end uit het volk van grote mensen. De frames van de fietsen in mijn eigen stal zijn aan de grote kant vergeleken met de doorsneemaat; helemaal internationaal gezien. Pas als de zitbuis 61 centimeter meet of meer — hart tot hart, bij een horizontale bovenbuis — wordt een fiets interessant.

Helaas gaat de aandacht zelden uit naar zulke voor mij normale maten. Dus is het met boeken of websites over fietsen vaak alsof ik de schoonheidsidealen van een ander volk te bewonderen heb, die ik dan niet helemaal deel.

Terwijl ik me, als het om andere kunsten gaat, inmiddels toch ook heb aangewend een stuk neutraler te kijken. Ik hoef echt niet verliefd te worden op de vrouwelijke hoofdpersoon om een roman positief te kunnen beoordelen. Al is voor mij het benul van een auteur wel weer vrij bepalend voor het oordeel over een boek.

En tegelijk ben ik ook zo iemand die Italiaanse sportauto’s bekijkt met de vraag: hoe komen die ooit over de verkeersdrempels in mijn straat?

Dus was het lezen van dit boek vol glamourfoto’s van fietsen nu weer een dubbel genoegen. Want, ja, verstandelijk kan ik zeker de inspanningen waarderen die de bouwers hebben geleverd vroeger. Hun creatieve vondsten. Of hoe zij beetje bij beetje de fiets steeds bruikbaarder hebben weten te maken. Alleen, als ik niet een keer of wat hebberig word tijdens het kijken, is er verder niet echt veel aan zo’n uitgave te beleven.

The Golden Age of Handbuilt Bicycles gaat over fietsen van een hele reeks Franse constructeurs; waaronder René Herse en Alex Singer in het bijzonder. Nadruk daarbij ligt op de periode na de Tweede Wereldoorlog. Toen auto’s aanvankelijk nog veel te duur waren voor de meesten, en de wegen veel te slecht. Toen het bezit van een goede fiets even een statussymbool kon worden onder de Fransen.

Ging het daarbij ook nog vooral om fietsen waarop comfortabel einden te rijden was. Modellen die later weleens toerfietsen gingen heten; om ze van de racefiets te onderscheiden. Lichtgewicht sportieve fietsen met spatborden, versnellingen, en verlichting ook. Dure fietsen.

De wondertuigen waarop vederlicht aluminium beetje bij beetje de plaats kon overnemen van staal, of gietijzer zelfs.

Al besteedt Jan Heine in het boek tegelijk aandacht aan tandems, en zogeheten porteurs — fietsen die welhaast vergelijkbaar zijn met wat de schooljeugd tegenwoordig in Nederland rijdt, door het bagagerek boven het voorwiel.

Mij ging het deze maal bij het lezen vooral om die toerfietsen, en hun eigenschappen. Niet eens per se alleen om de geschiedenis die het boek aanbrengt. Vooral omdat me ineens opviel dat al deze fietsen zo’n enorme lange wielbasis hadden.

Die konden dus heel goed en comfortabel rechtuit rijden.

Voeg daar alleen de ietwat plompe banden aan toe, de luie geometrie vanwege de algemene wens om bagage boven het voorwiel mee te nemen, en de zonder meer opvallend klein uitgevallen frames — de Fransoosjes van vroeger zijn geen Friezen — en het lukte me werkelijk niet om de schoonheid te vóelen van al die klassieke unikaten.

Konden ze nog zo mooi glimmen op de foto’s.

Intellectueel beredeneren wat er bijzonder was aan zo’n fiets is dan ook iets heel anders.

Nu zijn nogal wat oude racefietsen voor grote mannen al evenmin aardig om te zien. De internationale wielerbond UCI heeft heel lang aan de absurde eis vastgehouden dat wedstrijdfietsen slechts een wielbasis van 100 centimeter mochten hebben. Dus van de weeromstuit hebben al die oude hoge raceframes iets naar gedrongens.

Hadden Heine en Pradères kortom meer fietsen in mijn maat kunnen vastleggen, dan was mijn waardering voor hun werk anders geweest. Dan had ik — om de fijne lange wielbasis — menig exemplaar onmiddellijk mooi gevonden dat nu vrijwel onopgemerkt passeerde.

En ik weet best dat elke lezer zichzelf mee brengt bij het openslaan van een boek. Maar zo aanwezig hoefde al die eigendunk nu ook weer niet te zijn. Die maakte deze uitgave tot porno; plaatjesporno die toch niet prikkelen kon.

Jan Heine & Jean-Pierre Pradères, The Golden Age of Handbuilt Bicycles
Craftmanship, Elegance and Function

167 pagina’s
Rizzola Internation/Vintage Bicycle Press 2009, oorspronkelijk 2005

illustratie uit het besproken boek

[x]opgenomen in het dossier: ,


© Boeklog 2005-2018. Alle rechten voorbehouden