Over de noodzaak van tuinieren ~ Gerrit Komrij

► door: A.IJ. van den Berg

Er is éen betoog in het immense oeuvre van Gerrit Komrij waar ik werkelijk nooit iets van begrepen heb. Al kan dit komen omdat het me waarschijnlijk tot nu toe nimmer lukte om die tekst uit te lezen zonder niet voortdurend in gedachten af te dwalen. Uit verveling.

Komrij hield in 1990 de Huizinga-lezing te Leiden. Waar enige prestige aan kleeft.

Volgens hemzelf sprak hij daarbij over het probleem voor de kunstenaar van een wereld zonder God. Want daardoor ontbrak er samenhang. Zonder Schepper kan daarom geen dichter scheppen — en de schrijver, schilder, en de beeldhouwer al evenmin.

En waarschijnlijk gaat het bij dit ene uitgangspunt al mis voor mij. Bijvoorbeeld omdat ik toevallig iets weet over de negentiende wetenschapsgeschiedenis, en daarover op zijn minst te zeggen is dat het met onderzoek pas wat werd toen God als vanzelfsprekende verklaring eindelijk verdwijnen zou.

Volhouden dat de wetenschap sinds die tijd niets bereikt heeft, doen tegenwoordig alleen griezelige politici nog, en andere fanatici met een ontembare bedilzucht.

Wisten die wetenschappers zelfs weleens iets van ordening aan te brengen, in hoe de wereld bekeken worden kan. Bijvoorbeeld door nuttige beperkingen aan te brengen in wat ze gingen onderzoeken.

Cynisch gedacht alleen kan het best zijn dat Komrij, voor de keuze geplaatst om iets te vertellen dat enige binding had met het werk van de historicus Johan Huizinga, hoe vaag ook, het eerste gepakt heeft dat hij daarbij tegen kwam — ondanks dat hij dit overigens stellig ontkende.

Huizinga heeft zijn collega-geschiedkundigen namelijk nog eens aangespoord om toch eens andere onderwerpen te kiezen als doorgaans gebeurde. En eens te schrijver over:

de tuin als cultuurvorm, of van den weg, de Markt en de Herberg, het Paard, den Hond en den Valk; van den Hoed of van het Boek in hun cultuurfunctie.

Komrij gebruikte de metafoor van de tuin onder meer om aan te geven waar hij in zijn eigen werk naar zocht, want blijkbaar al tijden onbewust naar op zoek was geweest.

Alleen wordt het dan vaag:

Op het terrein van de symboliek en de allegorie glijdt men licht uit; er vindt in de loop der eeuwen een verraderlijke osmose plaats tussen mythen en metaforen; de grens tussen een noodzakelijke veelduidigheid en een zich prostituerende toepasbaarheid is niet altijd goed te trekken; het is het oude probleem in de godsdienst- en cultuurgeschiedenis van het syncretisme en de synthese; symbolen werden onvermijdelijk — al blijft vaak onduidelijk waar en wanneer precies — sjablonen, zoals topoi cliches werden, met alle krachteloze ornamentiek vandien; en men beseft voortdurend dat men zich niet mag laten verleiden om, in een hoera-stemming, tot de conclusie te komen ‘dat alles met alles samenhangt’.

Nut heeft deze lezing voor mij dan ook hoogstens om te verduidelijken dat ‘de tuin’ eeuwenlang, in tal van culturen, gebruikt is als metafoor om de wereld mee te kunnen duiden. Alleen is die metafoor nog vrij plotseling geheel in onbruik geraakt.

Maar ook als ik er langer over nadenk, begrijp ik Komrij’s verlangen niet goed. De man werkte toch vooral in taal? En brengt taal al niet direct enorme restricties aan? Want is alles wel in woorden te vangen, of over te brengen?

Gerrit Komrij, Over de noodzaak van tuinieren
Huizinga-lezing 1990

84 pagina’s
Bert Bakker, 1991

[x]opgenomen in het dossier:

nauw gerelateerd op boeklog:


© Boeklog 2005-2018. Alle rechten voorbehouden