Wij zeggen hier niet halfbroer ~ Henk van Straten

► door: A.IJ. van den Berg

Hoog op de lijst van boeken die ik liever niet meer lees, staan de romans waarin de schrijver een schrijver opvoert als belangrijkste personage. Zelfs al bestaan er wel degelijk memorabele uitgaven van dat soort. Zo’n roman als bijvoorbeeld La Superba gaat alleen over zo veel meer nog dan enkel de auteur.

Extra haat is er bij mij als zo’n boek eveneens, of vooral, over de kinderjaren van een schrijver gaat. Omdat die situering vervolgens altijd dient om zo’n auteur als extra sensitief wezentje af te schilderen; dat al veel te jong geslachtofferd is door een bestaan tussen barbaren op school.

Niet alleen zijn zulke boeken, of passages, tot cliché geworden. Ze lezen doorgaans ook als niet zo heel waar.

Want zo ik iets bezit, dan toch een geheugen van het ijzeren soort — dat me bij gelegenheid soms met de onnozelste herinneringen uit mijn diepste jeugd kan opzadelen. Puntgaaf. En ik meen daardoor ook gauw eens te kunnen zien of een verhaal over iemands kinderjaren een te schoongewassen reconstructie biedt, achteraf, of juist niet.

En deze autobiografie van Henk van Straten [1980] over zijn jeugd was nogal anders dan de doorsnee. Alleen al omdat al die jaren op school, waartoe de leerplicht ons dwingt, geen enkele rol spelen. Het verhaal deugt ook, dat is al een andere kwaliteit. En meer nog klopt dit boek omdat hij, zeker in het eerste deel over de kindertijd, tot 13 jaar, zo goed iets wist te vangen van de talrijke redeloze onzekerheden die een kind kunnen kwellen.

Nu heeft Van Straten ondertussen zelf ook jonge kinderen. Zoontjes. Dus wellicht dat die hem geholpen hebben om te weten hoe het was om wel hevig te voelen, en nog niet de taal te hebben om te kunnen omschrijven wát.

Alleen, dan nog. Het besef over hoe het geweest kon zijn, komt nog altijd eerst bij deze schrijver vandaan.

Kinderen hebben een andere logica. Punt. Dus is het nogal een kwaliteit als een auteur iets weet over te brengen van hoe anders en onlogisch de wereld daardoor in elkaar kon steken, ooit, en wat dit betekende.

Wij zeggen hier niet halfbroer is het verhaal van een nakomertje. Zijn moeder had al drie zonen, toen ze scheidde, en hem kreeg bij haar nieuwe man.

Alleen konden die drie oudere broers niet bij hen intrekken, op dat kleine flatje in Rotterdam. Waarop de merkwaardige constructie ontstond dat moeder met al haar kinderen doordeweeks in Eindhoven woonde, bij haar ex. En in het weekend ging zij dan met haar jongste naar haar nieuwe man.

Dus voelde het voor dat jongetje in Eindhoven alsof hij daar tegenover een grote permanente tegenstand stond. Want er waren de drie broers, die al zes jaar langer aan elkaar hadden kunnen wennen, en samen éen front leken te vormen. Plus dan was er hun vader nog, zijn stiefvader, over wie het elke avond afwachten was met welk humeur hij nu weer thuiskwam.

De positie van het kind daar, dat zich zo kwetsbaar voelt, en daarop overlevingstactieken ontwikkeld, is heel goed in woorden gevangen. Waardoor, misschien van de weeromstuit, het tweede boekdeel, over de puberteit van Henk van Straten, veel meer op afstand bleef voor mij. Hoe eerlijk de schrijver daarin ook is over zijn zucht al jong naar geestverruimende middelen — waarmee hij trouwens alle ruimte had om daar mee te experimenteren, als enigst kind thuis nadat zijn broers het huis uit waren gegaan.

Verslavingen bestaan, en daarmee de bijbehorende drang om middelen te scoren, alleen is het waarom van dat alles achteraf niet meer uit te leggen, waarschijnlijk; aan iemand die dezelfde druk om in de roes te vluchten nooit heeft gevoeld, tenminste.

Viel me toch ook op dat dit boek als boek weliswaar een heel passend einde kreeg, waarin de vier broers elkaar dan als vanzelfsprekend bijstaan in voor- en tegenspoed. En dat ik als lezer dat zo netjes rondbreien van het levensverhaal tot-dan-toe eigenlijk niet nodig had gehad. Want mij was al duidelijk geworden dat het gevecht zo jong tegen die broers allereerst projectie was geweest van dat nakomertje; gevoed door de eeuwige angst minder te zijn.

Henk van Straten, Wij zeggen hier niet halfbroer
Een jeugd

240 pagina’s
Nijgh & Van Ditmar, 2017

[x]opgenomen in het dossier:


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden