Kunst van het dalen ~ Martin Bons

► door: A.IJ. van den Berg

Er bestaat éen getal dat veel wielertoeristen bovenmatig interesseert en mij vrijwel niet. Daarbij gaat het erom wat het snelst is dat ze ooit hebben gereden op hun fiets.

Die maat zegt namelijk niets over iemands lichamelijke vermogens. Vrijwel niemand zal die eeuwige topsnelheid op het vlakke hebben bereikt. Nee, hard fiets je pas als de weg bergaf loopt. En bij het rijden van afdalingen gaat het ineens om durf, en daarmee het beheersen van angst.

Ik weet enkel wat de omstandigheden waren waaronder ik in elk geval gevoelsmatig ooit het snelst een berg af reed. Dat was eind jaren tachtig, in de Vogezen, waar je indertijd wegen had, die, zonder ooit de mogelijkheid te bieden om ergens af te slaan, als vanzelf in een autoweg eindigden. Vierbaans. Waardoor ik op mijn vakantiefiets met alle bagage plots op een rijbaan terechtkwam tussen de doordenderende vrachtwagens en auto’s met caravans.

Bergaf, en in het zog van zulk groot verkeer, kan het dan heel hard. Gelukkig ligt het zwaartepunt bij bepakte fietsen lager dan bij racers, wat ze daarmee ook stabieler maakt.

Alleen regende het ook, en blonken mijn remmen onder die omstandigheden niet uit in remkracht.

Angst over die paar kilometer in dolle vaart bergaf was er pas veel later, met terugwerkende kracht, vele jaren nadien, want ooit voelde ik me vrij onkwetsbaar op de fiets. Om goede redenen ben ik later automobilisten gaan wantrouwen.

Helemaal gelijk krijgt Martin Bons van mij niet, als hij in zijn boek stelt dat aandacht voor het afdalen altijd onderbelicht is gebleven. Tuurlijk, dat mag misschien zo in het professionele wielrennen zijn; en daarmee ook voor iedereen die op zijn fiets in gedachten zo graag voor profwielrennertje speelt. Maar in het mountainbiken is afdalen juist het enige wat iedereen belangrijk vindt.

Mountainbikers hebben het probleem dat je om een afdaling te kunnen rijden, doorgaans eerst zo vervelend langzaam een helling op moet ook. Bij wielrenners gaat juist alle aandacht uit naar de beklimming, waardoor Bons inderdaad kon zeggen dat De kunst van het dalen een onderbelicht aspect is aan de sport.

Met dit boek probeert hij iets aan dat gemis recht te zetten — vanuit het besef dat hij zelf een slechte daler is. Wat dan gebeurt door opnieuw tal van verhalen over wedstrijden te hervertellen waarin juist de afdaling de overwinning had bepaald. Veelal gaat het hierbij om etappes in historische afleveringen van de Tour de France; een enkele keer om een rit uit de Giro.

Die anekdotes worden afgewisseld met wijsheden van zeer goede dalers, waarbij Rini Wagtmans de voornaamste zegman van de schrijver lijkt te zijn geweest. En helemaal geloven doe ik al die verhalen niet — al maken trouwens genoeg andere zegslieden in het boek eenzelfde voorbehoud.

Het is namelijk helemaal niet gezegd dat de echt goede dalers altijd voorin reden. De oud-prof José de Cauwer heeft in zijn commentaren toch iets te vaak opgemerkt dat hij noodgedwongen wel een heel goede afdaler moest zijn, omdat hij zo matig klom, en daardoor in etappekoersen anders altijd het gevaar liep om buiten tijd aan te komen; en dan niet meer verder had gemogen.

Martin Bons, De kunst van het dalen
224 pagina’s
Thomas Rap, 2015

[x]opgenomen in het dossier:


© Boeklog 2005-2018. Alle rechten voorbehouden