Ik bestaat uit twee letters ~ A.H.J. Dautzenberg

► door: A.IJ. van den Berg

Het is al een tijd geleden dat een autobiografisch boek me nog eens zo wist te grijpen. Maakte het zelfs niet uit dat Ik bestaat uit twee letters een dikke pil mag heten. Integendeel.

In deze uitgave doet A.H.J. Dautzenberg een vrijwel dagelijks verslag van zijn vijftigste levensjaar. Zijn kroniek daarover begint op 13 december 2016, zijn 49ste verjaardag, en eindigt 12 december 2017, op de vooravond van wat dan onvermijdelijk is geworden.

Dat maakt Dautzenberg dus iemand uit 1967, net als de huidige minister-president, of de koning, of ik.

Hij vond Willem-Alexander er trouwens als een oude man uitzien, toen deze rond diens verjaardag geïnterviewd werd op televisie. En ik moest toegeven de koning doorgaans ook zo te bekijken; als een soort lakmoestest van een parallel door de tijd lopend leven. Want hoeveel rimpels heeft hij nu, en waar, en hoeveel aan overgewicht?

Toch was Ik bestaat uit twee letters verder geen boek van de feestelijke herkenning. Ik vermoed vooral onder de indruk te zijn gekomen van de permanente worsteling van Dautzenberg met de vorm van dit soort autobiografie; en wat het genre allemaal zegt over identiteit; en dat soort vage begrippen.

Hij breekt ook weleens met de strikte ik-vertelling. Bijvoorbeeld door episodes uit zijn jeugd op te schrijven als zeer korte verhalen (zkv‘s). En in het verslag van de zomervakantie op Malta vermijdt hij bewust het woord ‘ik’ te gebruiken — een stijlfiguur die hem daarmee dwingt tot een verhaal in losse zinnen, schijnbaar zonder dat daar dan een verband tussen bestaat.

Want, wie is die ‘ik’ nu helemaal? Als die ik zo vaak een ik is in reactie op het gedrag van iemand anders?

A.H.J. Dautzenberg is bovendien niet in de eerste mystificatie gestikt, en heeft ook onder andere namen gepubliceerd.

Nog een anekdote. Peter Nijssen: ‘Anton, bij de volgende vraag moet ik je diep in de ogen kijken.’ Ik draaide me naar hem toe en keek hem belangstellend aan. ‘Ben jij de schrijver Joubert Pignon?’ Daar wordt volgens hem over gespeculeerd in letterenland. [1]

Komt daar voor deze kroniek bij dat Dautzenberg sinds kort gestopt is met de anti-depressiva, waarmee het leven nu ongefilterd bij hem binnenkomt.

Meest principiële gegeven bij dit alles zal zijn dat hij er éen is van een twee-eiige tweeling. De jongste. En dat zijn broer Hub een heel ander iemand werd, ondanks het vergelijkbare genenpakket, en precies dezelfde opvoeding.

Een groot deel van dit boek gaat over de permanente worsteling met het onverantwoordelijke gedrag van Hub, die zijn eerste vrouw verliet toen het tweede kind er kwam; waardoor zijn beide zonen nooit een vader aan hem hebben gehad. Ondertussen puberen ze al, en hebben beide problemen op school.

Is er daarnaast zijn bestaan als kleine zelfstandige in de Nederlandse letteren. Het eeuwige geworstel met projecten waarbij andere instanties zijn betrokken, omdat hij nu eenmaal een uitgesproken schrijver blijft, waaraan bij voorbaat al aanstoot wordt genomen.

En er is het contact met collegaschrijvers, dikwijls per brief. Waarbij Ted van Lieshout na enige tijd via zijn uitgever de eis oplegt dat er geen enkel woord van hem in deze kroniek mag worden opgenomen; te bang als hij is om verkeerd begrepen te worden.

Enkel het briefcontact met de schrijver Gerbrand Bakker blijft plezierig robuust — hoewel die tegelijk zelden ingaat op wat Dautzenberg aan hem vroeg. En dan is er Diederik Stapel nog, met wie hij plannen heeft om opnieuw iets in het theater te gaan doen, met wie het dan toch ook weer gaat schuren.

Wonderlijk genoeg komen er van alle anderen eigenlijk alleen de vrouwen en enkel Theo Sontrop er goed vanaf in dit boek. Misschien doordat deze uitgever-in-ruste doodgaat, en Dautzenberg herinneringen aan hem ophaalt, en dat allemaal goede herinneringen zijn, voor het moment dat hij als éen van de dragers Sontrop’s kist naar de laatste rustplaats brengt.

En misschien is het dat dan wel wat dit boek zo intrigerend maakte. Wij mensen passen ons allemaal een ietsje aan in het contact met een ander, zo zijn we nu eenmaal groot geworden, alleen blijven er daarbij ook grenzen die overschreden kunnen worden — het moment waarop het contact plots minder aangenaam of vanzelfsprekend is.

Voorrecht van de schrijver in Ik bestaat uit twee letters bestaat er dan uit dat hij het kan laten lijken of het telkens die anderen zijn die daarbij onredelijk werden. Dit is zijn tekst. Gelukkig voor de balans in het boek staat er genoeg zelftwijfel naast de zekerheid dat al die anderen wel heel makkelijk en egoïstisch alles naar zichzelf toe redeneren.

Ik bestaat uit twee letters zou simpel te omschrijven zijn als een pijnlijk openhartig boek. Alleen lijkt me dat als samenvatting net te makkelijk. Juist dat de schrijver ervoor koos om andermans vreemdheden niet te bagatelliseren, of gewoon weg te laten, maakte het tot zo’n wonderbaarlijk rijke leeservaring. Hoe onprettig dat mogelijk ook zijn mag voor al die anderen die met naam en toenaam geportretteerd worden in het boek.

A.H.J. Dautzenberg, Ik bestaat uit twee letters
720 pagina’s
De Arbeiderspers, 2018
privé-domein nr. 298
  1. zie ook hier []

[x]opgenomen in het dossier: ,