Jeroen Brouwers
Aardigste volk ter wereld

Een boek als dit roept toch achteraf gezien toch een aantal vragen op.

Had ik het gelezen als het van een ander was geweest dan Jeroen Brouwers? Bij wie het voor mijn plezier niet uitmaakt waarover hij schrijft, al was het in dit geval handig dat hij zelf ook in Brussel heeft verkeerd, en W.F. Hermans bewonderde?

Het antwoord is waarschijnlijk nee.

Omdat schrijversbiografieën zo makkelijk wegdrijven van dat waar het eigenlijk om gaat. Het werk. De boeken. En de Brusselse periode, aan het einde van Hermans’ leven was in dat opzicht niet vreselijk boeiend. Slechts éen boek heeft hij er geschreven. Ruisend gruis. En dat is geen boek om nog eens te herlezen. En, o ja, ook dat merkwaardige boekenweekgeschenk nog, uit 1993. Maar dit was al weer gebaseerd op een oud manuscript.

Brouwers besteedt dan nog wel handig aandacht aan wat andere gebeurtenissen die in Brussel plaatsvonden in Hermans’ leven. Zoals diens verblijf daar in 1945, als tolk voor de Canadezen. Of die keer dat er een toneelstuk werd uitgevoerd dat in Nederland nooit op de planken kwam. Brouwers is wel zo eerlijk daarbij om te melden dat het ook niet zo’n heel boeiend stuk is.

En dus dan lees ik zo’n boek als dit, zelfs nog met enig plezier, en dan is me ondertussen al duidelijk dat me niets van de inhoud zal bijblijven. Nu ja, Jeroen Brouwers bewees weer eens welk een nauwgezet onderzoeker hij zijn kan, door ook Hermans op de kleinste details te verbeteren. [Die buurman vloog niet bij Sabena, maar bij Belgian Air].

Verder vermoed ik dat Brouwers’ eigen problemen met de ademhaling hebben bijgedragen tot de opvallende aandacht voor Hermans’ homerische hoestbuien.

Maar dat was het wel.

Jeroen Brouwers, Het aardigste volk ter wereld
W.F. Hermans
Bijdrage aan zijn biografie

159 pagina’s
Uitgeverij Atlas, 1996

Jeroen Brouwers
Het is niets

De vraag die onwillekeurig bij me opkomt bij het herlezen van Het is niets is: waarom kan ik dit boek straffeloos om de zo veel jaar opnieuw inkijken, terwijl ik zijn romans met moeite uit krijg?

Ofwel: waarom vind ik Brouwers éen van de beste Nederlandse schrijvers wanneer hij zich tot aantekeningen en brieven beperkt, maar doet zijn literaire werk mij nauwelijks iets?

Misschien is het omdat de schrijver zich altijd zulke strenge vormeisen oplegt in zijn romans. Wat mij vooral aantrekt in Brouwers brieven en aantekeningen is de lenige losheid van zijn taal, die nog eens geaccentueerd wordt doordat hij vindt dat een schrijver alles moet durven schrijven.

Misschien is het omdat in zo’n boek als Het is niets fragmenten staan die met duidelijke emotie geschreven zijn, en dat daarom ook overbrengen.

Overigens brengt dit boek ook talloze passages over het droevige lot van een schrijver in Nederland die geen bestsellers weet te produceren. Ook al omdat Brouwers geen bijverdienste ophaalt uit het lezingencircuit blijven zijn inkomsten karig.

Maar vanuit diezelfde onderliggende positie doet hij dan weer venijnig scherpe waarnemingen over het universitaire letterenbedrijf. Waar de hooggeleerden prachtige salarissen trekken uit parasitair werk; op staatskosten boekjes mogen bestuderen die door een lagere klasse schrijfvolk gewrocht zijn.

Het voelt als echt, de woorden in dit boek. Misschien om de minimale redactie en de spontaniteit bij het schrijven. En echt is een groot goed bij schrijvers.

Jeroen Brouwers, Het is niets
152 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1993


Jeroen Brouwers
In het midden van de reis door mijn leven

Van Jeroen Brouwers lees ik bijna alles met plezier, behalve zijn romans. Hoewel de laatste twee minder gestileerd schijnen te zijn dan die daarvoor, heb ik ze nog niet ingekeken en ook geen plannen daartoe. Brouwers vind ik het interessantst als hij zich teugelloos in zijn taal laat gaan, niet als hij zich kwelt met zelfopgelegde stijleisen.

Dus lees ik het liefst zijn autobiografische geschriften. Dat heb ik hier eerder vermeld.

Dit boekje is een wat curieuze aanvulling op het oeuvre van Jeroen Brouwers, omdat het uit zo verschillende delen bestaat. In het eerste stuk kijkt de meester zelf terug op een periode in zijn leven, rond zijn dertigste. Het was in die tijd dat hij het bestaan in de goot toch maar eens opgaf, om rechtopstaand naar de sterren te kunnen reiken. Daarbij vult Brouwers wat biografische details in, die zijn vaste lezers al grotendeels hadden kunnen oppikken uit eerdere boeken. Maar mooi is dat het nu eens op een rij staat.

Na Brouwers zelf volgt een werkelijk stomvervelend stuk van een literatuurwetenschapper, of een ander soort kunstvlo, die de vroege boeken van Brouwers nader gaan duiden. En dan volgt na een inleiding, door weer een ander, het uiteindelijke doel van deze uitgave, de integrale publicatie van éen Brouwers’ oermanuscripten. Dit om zijn vaste lezers te kunnen tonen hoe weinig de meester verloren heeft laten gaan; hoeveel van de tekst uit die verzameling invallen en aanzetten uiteindelijk zijn boeken ook echt heeft gehaald.

Daarop volgt nog eens de herpublicatie van het deel uit de ‘De Exelse testamenten’ waarin inderdaad iets uit dat oermanuscript te herkennen is. De literatuurwetenschap staat toch maar weer voor niets, in deze.

Een curiosum was het derhalve, deze uitgave, dat voor mij alleen om het autobiografische stuk van Brouwers aan het begin de moeite van het lezen waard was.

Jeroen Brouwers, In het midden van de reis door mijn leven
Oerboek

192 pagina’s
Uitgeverij Atlas, 2006

Jeroen Brouwers
Kroniek van een karakter

Dit is al heel lang éen van mijn lievelingsboeken, en dat terwijl het slechts een ingekorte en gewijzigde versie van twee andere boeken is. Oorspronkelijk verschenen er in 1987 twee banden met brieven die Jeroen Brouwers schreef in de tien jaar daarvoor. Beide delen heb ik ook. Maar om een of andere reden herlees ik ze nooit. De pagina’s van deze boeken zijn te groot, en dit exemplaar is handzamer. En voor mijn gevoel staat alles hier wel in ook.

Merkwaardig aan dit boek is verder dat de schrijver nauwelijks van zijn erf in de Achterhoek lijkt af te komen, en toch enorm boeit. Hij schrijft in deze periode een hele reeks boeken en essays, en daarover breekt enkele malen veel krakeel uit. Tot zijn grote afschuw. Maar groots en meeslepend leeft hij verder niet. Veeleer toont Brouwers zich melancholisch. Angstig ook; helemaal als het om de promotie van zijn werk gaat.

Wel valt de enorme openhartigheid op waarmee hij allemaal schrijft. Zo komt de lezer bijvoorbeeld te weten dat hij liever het dochtertje niet had dat toch kwam. Al krijgt hij daar dan ook wel weer vrede mee.

Of zoals hij aan collega-auteur René Stoute meldt, in een beschrijving van wat hij allemaal voelde toen zijn kindje de sloot in fietste, en zich in een flard van een seconde besefte misschien zo wel van haar af te zijn:

Dit zijn complexe gedachten en gevoelens die zich in alle nuances, binnen één seconde voordoen en zich onmiddellijk vertakken naar allerlei andere centra van ‘het intellectuele bewustzijn’, als daar zijn ‘moraalbesef’, ‘geweten’ e.d. of weet ik veel. De échte schrijver schrijft wat écht zijn gedachten zijn, hoe verdorven ook, -daar is hij schrijver voor. [306]

Goed, bovenstaand citaat is wel tekenend voor de inhoud, maar niet voor de stijl. En, alleen voor de stijl van schrijven herlees ik dit boek om de anderhalf jaar. Brouwers schreef zijn brieven vaak als het echte werk erop zat voor de dag, en hij zich even niet meer hoefde te bekommeren om de vorm waartoe hij zichzelf normaliter dwong.

Het Nederlands lijkt dan ook vakantie te krijgen bij hem, en de taal mag dan even alles. Daardoor lukt hem veel meer dan in zijn serieuze werk, zo lijkt wel.

Ik ken geen boek dat zo veel invloed heeft gehad op mijn ideeën over wat een levend taalgebruik is. Bijna had ik hier geschreven: zo veel invloed op mijn eigen taalgebruik. Maar, dat zou wel erg hoogmoedig van mij zijn. Het schort nu juist te vaak aan levendigheid in mijn eigen teksten.

Jeroen Brouwers, Kroniek van een karakter
385 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers, Privé-domein, 1992, oorspronkelijk 1987


Jeroen Brouwers
Schemer daalt

Er zijn schrijvers die ik lees om hoe ze schrijven, en er zijn schrijvers die ik lees om hoe ze denken. En opvallend is dat die twee kwaliteiten vrijwel nooit samen vallen. Het is weinigen gegeven iets mooi te formuleren dat ook nog geheel waar blijkt te zijn, en verrassend, en nieuw.

Fictieschrijvers, en dan vooral de humoristen, zijn misschien heel wel in staat iets te bedenken dat op waarheid lijkt, maar dat is altijd een waarheid van het moment; een slechts even oplichtende vonk in de duisternis, die opmerkelijk snel uitdooft. Terwijl, als ideeënschrijvers en wetenschappers iets waars weten te formuleren, dit niet in hun taal gestold hoeft te blijven. Als zij iets goeds weten te brengen, leidt dat tot een begrip dat groter is dan de woorden alleen; dat zelfs op een andere manier van zeggen net zo waar kan zijn.

Dit gegeven maakt het grappig om een schrijver die ik om zijn taal bewonder — Jeroen Brouwers — te zien vitten op iemand die ik om zijn ideeën waardeer — Karel van het Reve.

Nu deed Brouwers dit al vaker. Hij wees er bijvoorbeeld op hoe Van het Reve dikwijls heel lelijk het woordje “dat” inzet; in sommige zinnen zelfs wel drie of vier keer. Lees zo’n zin hardop, en laat dit “dat” een beetje knallen, en de tekst klinkt meteen belachelijk.

Ik heb zelf ook een voorliefde om vaak en veel met “dat” te voegen of te verwijzen. Door Brouwers’ gehoon is dit hopelijk minder geworden.

Neemt niet weg dat ik veel van Brouwers’ kritiek op Van het Reve te zwaar vind aangezet. Of niet terzake vindt doen. Zo lanceert hij in De schemer daalt uit 2005 een frontale aanval op de tekst van een losse aantekening die Van het Reve ergens in de jaren zestig publiceerde. Niet dat ik Van het Reve’s werk zo goed ken, maar toevallig kwam ik hetzelfde citaat even later tegen in Marius wil niet in Joegoslavië wonen, dat hier overmorgen geboeklogd wordt.

Van het Reve is lui, zo vindt Brouwers. Hij moet alle verwijzingen die hij geeft verantwoorden, en die niet afdoen met vaagheden. Van het Reve is bovendien niet geestig, wat Brouwers heeft nooit ook maar éen keer om hem kunnen glimlachen.

Brouwers heeft niet helemaal begrepen wat Karel van het Reve voor schrijver was, lijkt me; zonder dat ik daarmee die man nu heilig wil verklaren. Veel van diens werk is zo meteen alleen voor historici nog interessant. Denkbeelden over en kritiek op het communisme zijn inhoudelijk niet vreselijk boeiend meer na de val de Muur; behalve als illustratie van een tijdsbeeld. Maar toch.

De schemer daalt is de zevende aflevering van Brouwers’ eenmanstijdschrift Feuilletons. Het bevat dezelfde mix aan autobiografische stukken, levensbeschrijvingen van anderen, en kritische collumnpjes van eerdere edities.

Jeroen Brouwers mag Van Het Reve dan verwijten dat die zo vaak thema’s recyclet, ook de onderwerpen in zijn eigen geschriften zijn voorspelbaar voor wie er meer dan éen heeft gelezen. Dat is enerzijds prettig — men weet wat in huis komt — maar anderzijds ook wat vermoeiend. Hoeveel werk er ook zit in Brouwers’ artikelen over schrijvers die zelfmoord pleegden, ik heb daar nu al te veel van gelezen die me werkelijk niets interesseerden.

Dat eeuwige terugkijken van hem gaat irriteren, op den duur. Al begrijp ik tegelijk ook wel waarom Brouwers die stukken schrijven moet. Wie in geschrifte iets doet met alle informatie in zijn geheugen, of wat er in aantekeningen begraven ligt, verrijkt die gegevens daarmee. Zulks is ook een belangrijke reden voor mij om boeklog te schrijven.

Ik vond in dit tijdschrift Brouwers’ beschouwing over het werk van Bob den Uyl aardig, al citeerde hij daarin wat veel. Ook enige autobiografische stukken had ik niet graag willen missen. Voor de rest was het wel erg marginaal waarover Brouwers zich boog, en daarmee uitermate makkelijk te vergeten.

meer Brouwers op boeklog

Jeroen Brouwers, De schemer daalt
Feuilletons 7

236 pagina’s
Uitgeverij Noli Me tangere, 2005

Jeroen Brouwers
Terug thuis

De zevende en laatste aflevering van het eenmanstijdschrift Feuilletons dat Brouwers in de jaren negentig volschreef was dit. De schrijver is inmiddels terugverhuisd naar België, en besteedt ditmaal veel aandacht aan een tal minder bekende tot zelfs vrij obscure Vlaamse auteurs. Van Ferdinand Victor Toussaint van Boelaere tot Wies Moens of Joris Vriamont. Namen die even oplichten door Brouwers belangstelling voor hen, maar die mij niet overtuigen moeite te gaan doen om hun werk te achterhalen. Van Vriamont bijvoorbeeld hoeft niemand ook meer te weten dan dat hij ondeugende verhaaltjes schreef die door de tijd achterhaald zijn geraakt. Of dat hij daarin ‘occiput’ gebruikte, of ‘de dekoratieven bladkroon uwer vulven’ als hij lyrisch van de kut reppen moest.

Boeiender waren voor mij enkele autobiografische aantekeningen over het hotel dat Brouwers’ vader indertijd in Maastricht heeft gedreven. Waarmee dat jongetje dat in een hotel woonde in het boek Zomervlucht ineens wat meer reliëf heeft gekregen.

Voor het overige hoort dit duidelijk tot de marginalia in zijn oeuvre, en zijn er veel interessanter boeken van Brouwers te lezen.

Jeroen Brouwers, Terug thuis
Verhalen, leerervaringen, voetnoten

176 pagina’s
Uitgeverij Noli me tangere, 1998

Karel van het Reve
Verzameld werk 4

Bij het vierde deel uit het verzamelde werk van Karel van het Reve is ondertussen duidelijk dat de reeks éen opvallend grote extra waarde heeft. De samenstellers gaan namelijk strikt chronologisch te werk. Daardoor bevat elke band naast de boeken die in een bepaalde periode verschenen ook een soms opvallend grote hoeveelheid niet eerder gebundeld werk.

Ditmaal is dat een groot genot, anders dan bij bijvoorbeeld het eerste deel.

Zo bevat Verzameld werk 4 een kleine 600 pagina’s met teksten die eerder in kranten en tijdschriften verschenen, maar anders waarschijnlijk in de archieven daarvan waren vergeten.

Deze aflevering bergt columns, essays, redevoeringen, en aantekeningen die Van het Reve schreef in de periode 1973 tot en met 1980. In deze jaren verschenen de boeken Uren met Henk Broekhuis, en Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes. Die ene titel is al eens geboeklogd, de andere zal ongetwijfeld nog eens volgen. Beperk ik me daarom tot wat het ongebundelde werk me zei.

En dat is veel. Deze verzameling maakte me blij, alsof me plots twee, drie volkomen onbekende boekdeeltjes Van het Reve geschonken werden, met nieuwe heldere waarnemingen. Daar, waar ik dacht alles van dat werk inmiddels wel te kennen.

Nu goed. Jeroen Brouwers schreef ooit hatelijk over Karel van het Reve dat zijn werk bestaat uit herhalingen van steeds hetzelfde. En heel negatief gesproken is inderdaad over dat ongepubliceerde werk te zeggen dat veel daarvan al bekend lijkt, uit de andere boekpublicaties. Maar voor mij werkte het eerder omgekeerd. Artikelen of redevoeringen die ik alleen in hun isolement kende, kregen ineens een verduidelijkend kader.

Zo bleek onder meer dat Karel van het Reve het pamflet van Jeroen Brouwers tegen de jongetjesliteratuur maar niets vond. Wat vervolgens Brouwers’ aanvallen ad hominem begrijpelijker maakten — en trouwens ook dommer.

En, hoe prettig ik Van het Reve’s uithalen tegen de literatuurwetenschap ook vind, in de Huizinga-lezing Het raadsel der onleesbaarheid. Eerder had ik hem toch niet gehoord over de onmogelijke theorieën van zijn universitaire collega’s. Maar Verzameld werk 4 gaf me zo al vier columns over een onleesbaar standaardwerk van Maatje, die steeds hilarischer werden.

Bovendien had ik weet van meerdere uitspraken die aan Karel van het Reve worden toegeschreven, en toch nergens in zijn boeken waren terug te vinden. Zo moest hij ooit de Nederlandse columnisten een zeldzaam hoog niveau hebben toegeschreven — misschien zo wel de aanleiding gevend voor het verschijnsel dat elke krant momenteel omkomt in de columnisten. In het Verzameld werk 4 las ik eindelijk zijn column met dit oeroordeel.

Interessant was verder onder meer dat ik Van het Reve’s oordeel een keer of wat rechtstreeks naast het mijne kon plaatsen. Wat dan nogal verduidelijkte hoe hij keek. Zo besprak hij Jacques de Kadt’s Politieke herinneringen van een randfiguur. Waarbij hij dan wel, anders dan ik, de kennis had om te beoordelen wat er waar was van die memoires, of waar De Kadt’s denken nog gekleurd werd door Marxistisch idioom. Tegelijk vonden we beiden dat het boek verreweg het interessantst was in de strikt persoonlijke herinneringen.

Mooier nog dan streng door Van het Reve op denkfouten of intellectuele luiheid te worden gewezen, is het om zonder het te weten zijn conclusies te delen.

Veel zegt het ook om zijn recensie naast de mijne te plaatsen, en die van hem in bepaalde opzichten wat lui te vinden. Kon hij nog zo goed schrijven, was het soms ook wel terecht als teksten niet werden gebundeld.

Karel van het Reve, Verzameld werk 4
1016 pagina’s
Uitgeverij G.A. van Oorschot, 2010