Tom Bouden
Belang van Ernst

0

Dit boek vertelt het klassieke blijspel van Oscar Wilde na in stripvorm, met de vertaling van Gerrit Komrij als tekst. Het verhaal is wel verplaats naar deze tijd, en de twee liefdesparen uit het stuk bestaan ditmaal alleen uit mannen. Net als de tekenaar zich verder nog een aantal vrijheden permitteert om het verhaal wat homosueler te maken.

Dat maakt niet uit. Wilde’s teksten zijn op zich sterk genoeg om zo’n interpretatie te overleven. Blijft alleen de vraag over of de farce ook werkt in de vorm van een strip.

Bij mij lukt dit niet. Dat ligt deels aan de tekenstijl van Bouden, die de klassieke klare lijn hanteert [denk aan Kuifje]. Dit geeft de personages weinig expressiemogelijkheden, hun ogen zijn meestal twee stipjes. Verder kent deze uitgave alleen pure zwart-wit tekeningen met slechts een grijze steunkleur. Dat maakt het visueel allemaal ook niet zo bijzonder.

Maar ik denk ook dat The Importance of Being Earnest voor mij alleen als toneelstuk te verteren is. Acteurs moeten mij met hun expressiviteit door het verhaal slepen. Anders blijft het weinig meer dan een gezocht spel van vergissingen en omdraaiingen.

zie ook alles van Gerrit Komrij op boeklog

Oscar Wilde/Tom Bouden: Het Belang van Ernst
80 pagina’s
uitgeverij Atlas, 2004

Gerrit Komrij
Boze oog

Van Komrij’s fictie begrijp ik weinig. Maar zelfs zijn essayistische werk, dat doorgaans wel mijn bewondering heeft, kent voor mij ontoegankelijke boeken. Daarvan is dit het duidelijkste voorbeeld.

In Het boze oog staat een reeks artikelen over architectuur, die eerder in Vrij Nederland verschenen, begin jaren tachtig. De voor het betoog zo noodzakelijke foto’s zijn van Bert Nienhuis.

Het punt is alleen dat Komrij zich buiten dit boek aanmerkelijk pregnanter heeft uitgedrukt over architectuur en hun architecten. Zo verzameld valt daarom op dat hij eigenlijk niet zo veel heeft mee te delen. Tekstueel weet de auteur nog weleens te verrassen, terwijl hij me inhoudelijk snel verveelt. Sinds architecten de rechte lijn hebben ontdekt, deugt er geen gebouw meer dat nog wordt gebouwd. Dat is het voornaamste argument. Da capo.

Had Komrij het onderwerp maar even iets breder getrokken, en het ook eens over volkshuisvesting gehad, of desnoods over ruimtelijke ordening. Dan had hij zijn gif evenzogoed kwijt gekund. En zo’n boek had tenminste het voordeel gehad aan de grootste politieke taboes van de afgelopen vijftig jaar te raken; dat de overheid zich meent maar overal mee te moeten bemoeien, en er alleen daarom al lelijk en fantasieloos gebouwd wordt in Nederland.

Maar het kan gewoon ook zijn dat ik het onderwerp niet snap. Huizen zijn lelijk van buiten, en kantoren helemaal. Dat vind ik een vaststaand gegeven. Dus zie ik die lelijkheid niet meer.

Gerrit Komrij, Het boze oog
193 pagina’s
Uitgeverij de Arbeiderspers, 1983

Gerrit Komrij
Buitenkant

Dit boek is niet door Gerrit Komrij geschreven, maar toch is hij constant aan het woord. In De Buitenkant zijn uitspraken uit 66 interviews verzameld. Daarin toonde Komrij zich telkens een goed gastheer voor zijn ondervragers; hij heeft duidelijk de moeite genomen ze te vermaken.

Maar laat de schrijver daarmee ook nog iets van zichzelf zien? Of verdwijnt hij simpelweg achter zijn eigen woorden? Komrij verwacht zelf het laatste, gezien de titel die hij koos.

De buitenkant is het koekoeksjong in zijn oeuvre. Anderen hebben misschien nog even op zijn ideeën mogen broeden, hij heeft ze allemaal wel zelf uitgesproken. Daarbij ongetwijfeld profiterend van een ruime ervaring met het vraaggesprek. Want, ze zijn vrij makkelijk te sturen, die interviewers. Wie een paar keer ondergevraagd is voor iets, weet wat journalisten zeker zullen opschrijven in hun stuk. Komrij waarschuwt zelfs in dit boek nooit namen te noemen bij felle kritiek, want die komen altijd in de courant.

En ik, ach ik vind dit zo’n prettig bladerboekje. Het zijn net geen verzamelde aforismen, maar soms komen zijn uitspraken daar wel dicht bij.

Ondanks het feit dat ik een groot liefhebber van de Nederlandse literatuur ben — ik moet tenslotte beroepshalve twee tot drie romans per week lezen! — moet ik constateren dat het geen literaire wijn is die ik te proeven krijg. Nee, allemaal glaasjes prik. Emmers vol prik. Prik zonder prik bovendien.

blz 141

Gerrit Komrij, De buitenkant
Een abecedarium

201 pagina’s
Uitgeverij de Arbeiderspers, Privé-domein, 1995


Gerrit Komrij
Daar is het gat van de deur

Komrij schrijft tegenwoordig weer wekelijkse boekrecensies voor Vrij Nederland, en nooit komt er daarbij iemand goed af. Evenmin had hij als Patrick Demompere ooit een goed woord over voor wat hem onder ogen kwam.

Leest Gerrit Komrij weleens een boek dat hij wel kan aanbevelen?

Misschien nu niet meer, maar ooit wijdde hij lovende woorden aan Ethel Portnoy of het debuut van J.M.A. Biesheuvel. Neemt niet weg dat Daar is het gat van de deur interessanter is om wat hij ook toen al niet goed vond in boeken.

Slecht geschreven werd er namelijk altijd al. En dat heel matige boeken toch lovende recensies krijgen of prijzen winnen, is ook al nooit anders geweest.

Leve daarom de recensent die kaf en koren durft te scheiden, op wiens boekbesprekingen ik vertrouwen kan. Dat hij zijn afkeer daarbij geestig opschrijft, is enkel een plus. Ik heb op het instinct en de goede smaak van Komrij leren vertrouwen. Al lukt het mij tegelijkertijd nooit om een fictieboek uit te lezen dat hij zelf geschreven heeft.

Gerrit Komrij, Daar is het gat van de deur
Kritieken en essays

244 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1974

Gerrit Komrij
Demonen

Komrij intiem. Maar dan altijd nog met het voorbehoud dat hij heel goed weet hoe zeer een schrijver zich ook al blootgeeft als die over heel andere onderwerpen schrijft dan zichzelf.

Bij het herlezen stoorde me meer dan prettig was hoe veel persoonlijke informatie er uit dit boek wordt uitgelicht in dat onlangs verschenen Schrijversprentenboek. Daar gebeurt het onbarmhartig, waarmee de samensteller zich een onplezierig schel lachende roddelneef toont. Komrij is in Demonen tenminste nog zo kies geen namen te noemen als hij enkele vetes uit zijn leven beschrijft. Bovendien verwoordt hij vooral zijn teleurstelling en verwondering over het wangedrag van al die anderen.

Dat is ook niet raar.

In zijn hele werk klinkt teleurstelling door. Gerrit Komrij heeft een goed oog voor de morele corruptie van politici en de chronische gemakzucht van televisiemakers bijvoorbeeld. Of de gebreken bij schrijvers.

Ik schreef hier eerst: Komrij heeft hoge standaarden. Maar dat is de verkeerde formulering. Want als Gerrit Komrij teleurgesteld wordt in zijn verwachtingen dan komt dat niet eens omdat hij buitennissig hoge eisen heeft. Het is juist de rot overal die verbaast; de op niets gebaseerde zelfgenoegzaamheid die in Nederland nog altijd weer verder voortgekankerd is dan een redelijk mens zich voor kan stellen.

Met diezelfde bevreemde blik kijk ik ook. En als Komrij mij op zijn beurt weleens teleurstelt, ligt dat niet ook aan diens diagnoses, maar aan het ontbreken van analyse bij hem. Heel veel dieper dan de oppervlakte krabben zijn scherpe nagels meestal niet. Maar goed, misschien ligt mijn verwachtingspatroon in deze juist te hoog, omdat ik historicus ben en analyses verwacht.

Demonen hoort trouwens nu al wel tot éen van mijn favoriete boeken van hem, samen met Humeuren en temperamenten. Vanwege de mijmeringen vooral.

Gerrit Komrij, Demonen
Autobiografische verhalen

222 pagina’s
Uitgeverij De Bezige Bij, 2003

Korrie Korevaart en Peter Zonneveld red.
Dit is voor mij geschreven

Van sommige boeken weet ik niet hoe ze ooit in mijn bezit zijn gekomen. Dat geldt voor deze verzamelbundel bijvoorbeeld. Hierin staan gedeelten uit de Verweij-lezingen die elk jaar in Leiden worden gehouden, door de auteur die op dat moment gastschrijver is aan de universiteit daar. Maar de lezingen van auteurs die ik interessant vind, zijn ook gebundeld in boeken die onder hun eigen naam verschenen. Van Gerard Reve is dat Zelf schrijver worden, van Maarten ’t Hart Een dasspeld in Toela. Kristien Hemmerechts, Altijd met uw gezever, gij.

En die boeken heb ik ook.

Maar goed, niet dat het vervelend was de mij al bekende stukken nog eens te herlezen. De waarschuwing van Maarten ’t Hart hoe funest de interpretatie van universitair geschoolde letterkundigen uitwerkt op de romankunst blijft ook gewoon staan. Aan schrijvers die slechts schrijven om door anderen geïnterpreteerd te worden, heeft tenslotte slechts een incestueus klein groepje mensen wat.

Ook staat hier de lezing van Gerrit Komrij in hoe poëzie gelezen worden moet. Met daarin ook de constatering dat éen goed gedicht eerdere favorieten volledig overbodig maken kan.

En die conclusie geldt waarschijnlijk voor alle lezen. Voor wie eenmaal met kwaliteit geconfronteerd is, wordt het moeilijk nog plezier te beleven aan minder. Helemaal als dat minder pretendeert meer te zijn.

Korrie Korevaart en Peter Zonneveld red.,
Dit is voor mij geschreven
Vijftien schrijvers over literatuur

265 pagina’s
Uitgeverij Promotheus, 2000


Gerrit Komrij
Dunne Komrij

Ooit fietste ik Europa in een met mooi gebonden bundel gedichten van Rilke bij me. Op de onbedrukte linkerpagina’s had ik zelf mijn favorieten van andere dichters geschreven. En ’s avonds vertaalde ik aan menige tafel à l’improviste wat ik nu mooie regels vond.

Had ik toen maar deze bloemlezing gekend.

Mijn mooi gebonden boekje schimmelde op den duur dicht van het vocht onderweg, maar de meeste regels erin waren toen ook al versleten. Het lijkt me dat de poëzie van Komrij’s keuze langer houdbaar blijft.

In dit boek staat een verzameling die diende om een mooi aangeklede voorstelling te maken. Ze gaan over het leven, en dus ook over de dood. En bijna elk gedicht illustreert de kracht die het Nederlands in zich bergt.

Die dikke van Komrij kon weleens te veel pagina’s hebben, in vergelijking met deze keuze. Hoe was het ook weer, in de beperking toont zich de meester.

Gerrit Komrij red, De dunne Komrij
93 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker © 2004


Friedrich Nietzsche
Ecce Homo

Nietzsche las ik voor het eerst op een te jonge leeftijd. Net als Schopenhauer trouwens. Dat is een nadeel aan filosofen die ook een zin konden schrijven, en dus door anderen geciteerd worden dan alleen de kaste van beroepsfilosofen. Ze zijn daardoor breed aanwezig in de cultuur. Dit maakt dat het een noodzaak lijkt om hen te lezen.


Nietzsche las ik onder meer te jong omdat ik geen weet had van wat hij nu precies bestreed. Maar, misschien was dit minder erg dan altijd gedacht. Nu ik wel enigszins weet heb van het geestesleven in de negentiende eeuw. Nu ik bijvoorbeeld wel kan inschatten wat de invloed van religie was op wetenschap en maatschappij, interesseert het me niet meer in het bijzonder wat Friedrich Nietzsche daarover te zeggen had.

De onbevangenheid om hem puur om zijn taal te lezen is bovendien weg. Daarvoor is hij toch te veel een negentiende-eeuwer, met zijn omhaal van woorden, en de menigte aan gillende uitroeptekens die telkens weer bij hem opduikt.

Dus was het goed om Nietzsche gelezen te hebben, toen zijn filosofische hamer nog wel indruk maakte. Toen het nog leek dat er een waarheid aan mij geopenbaard werd in zijn boeken, waarvan het nuttig was om kennis te nemen.

Ik herlas Ecce Homo nu om een aantal verschillende redenen. Ten eerste is het een van Nietzsche’s kortste boeken. Verder was ik benieuwd of de vertaling die Pé Hawinkels indertijd maakte eigenlijk wel deugde [een steekproef leverde geen klachten op]. Bovendien geeft Nietzsche in dit boek een overzicht van wat hij zijn belangrijkste boeken achtte. Nam ik die kennis in éen moeite mee.

Alleen viel me dit autobiografische geschrift — dat onaf was toen Nietzsche tot krankzinnigheid verviel, en pas postuum werd uitgegeven — niet erg mee.

Hij probeerde er in de teleurstelling te bezweren. Hij probeerde uit te leggen waarin zijn boeken uitmunten; waarbij de angst om verkeerd begrepen te worden niet alleen onderhuids meespeelt. Het lijkt ook of hij doorhad dat zijn woorden ook net wat anders uitgelegd zouden kunnen worden, wat dan fatale gevolgen kon hebben.

Dus staan er hoofdstuktitels in als: ‘Warum ich so weise bin’, ‘Warum ich so gute Bücher schreibe’, of tenslotte: ‘Warum ich ein Schiksal bin’.

En vooral door dit laatste hoofdstuk, waarin Nietzsche zich de meest vreeswekkende mens noemt die ooit geleefd heeft, was mijn reactie er nog het meest éen van medelijden; en weinig anders.

Friedrich Nietzsche, Ecce Homo
Wie man wird, was man ist
127 pagina’s
Anaconda 2007, oorspronkelijk 1908 [1888]
 
Friedrich Nietzsche, Ecce Homo
Hoe iemand wordt, wat hij is
146 pagina’s
De Arbeiderspers, 1969
privé-domein nr. 13
vertaald door Pé Hawinkels, met een nawoord van Gerrit Komrij

Gerrit Komrij
Eendagsvliegen

Gerrit Komrij is verreweg de meest gerecenseerde schrijver op dit boeklog. Dat komt omdat ik gauw naar Komrij vlucht. Het is gewoon niet moeilijk het met hem eens te zijn, en hij formuleert altijd weer verrassend. Ook bij de zoveelste herlezing.

Toch kan ik lang niet alles van Komrij aan. Het lukt me niet zijn romans en verhalen zonder problemen uit te lezen.

Maar Eendagsvliegen is nu weer eens een boek waarmee Komrij me werkelijk plezier doet. Al vraag ik me tegelijkertijd af hoevelen dat plezier zullen delen. Eendagsvliegen is weinig meer dan een verzameling aantekeningen en dagboeknotities, van 1957 tot ongeveer nu. De schrijver noemt het zelf een ‘commonplace-book’:

waarin ideeën en citaten worden verzameld om er verder over na te denken en eventueel te gebruiken

oxford dictionary

Ik heb mijn weblog ook altijd als zo’n soort commonplace-book gebruikt. En, lang daarvoor, schriften volgeschreven met aantekeningen en gedachten die tijdens het lezen bij me opkwamen. Alleen dat al maakt me een groot liefhebber van dit in Nederland nauwelijks gepubliceerde genre; ik zie er zo goed het belang van in.

Eendagsvliegen biedt in de eerste honderd bladzijden wat juvenalia, en aantekeningen uit de tijd dat Komrij berooid in Griekenland was. Dat is ongetwijfeld heel boeiend voor iemand die het portret van de schrijver helderder krijgen wil, maar voor mij niet het meest spannende gedeelte. Ik vond dit boek pas na pagina 120 de moeite waard worden, waarbij ik op mijn beurt toch aardig wat aantekeningen heb gemaakt.

Das Gewicht der Welt van Peter Handke is ook zo’n schrijverskladboek, en daarin kon ik ooit precies aanwijzen wat die schrijver gebruikt had in het filmscenario van Himmel über Berlin. Dat maakte zowel boek als film meer waard voor mij. Ook in dit boek van Komrij staan fragmenten en zinnen die al ergens anders gepubliceerd zijn. Dat maakt het zo aardig om te lezen, vooral als de uiteindelijke formulering toch iets anders is geworden.

Want, dat moet wel opgemerkt worden. Tekenaars en schilders hebben er geen moeite mee ook hun schetsen te tonen, of zelfs te verkopen. Schrijvers willen ons blijkbaar doen geloven dat zij alles in éen keer onvergetelijk hebben weten te formuleren.

Wat dit betreft heb ik wel op Eendagsvliegen tegen dat het een selectie uit bijna veertig jaar betreft. Worden ons toch weer alleen de krenten uit de brei voorgeschoteld; alleen de gelukte schetsen maar en niet de achteloze droedels ook.

Maar goed, prettig aan dit genre is zeker dat ik een boek als dit elk jaar kan herlezen, om er toch iedere keer weer wat anders uit te halen.

Gerrit Komrij, Eendagsvliegen
303 pagina’s
Uitgeverij De Bezige Bij, 2005

** hier schreef ik al eens over een interview dat Komrij toestond, onder meer over dit boek


Gerrit Komrij
Erg!

Het blijkt toch gewoon Komrij te zijn, deze onbekende recensent die in de jaren negentig vanuit Humo de Vlaamse en Nederlandse literatuur met de gesel te lijf ging. Tot grote afschuw van de schrijvers trouwens. Niet dat het uitmaakt, die recensies hadden wat mij betreft werkelijk door een onbekende bediende uit een boekhandel geschreven mogen zijn.

Maar ‘Patrick Demompere’ volgt in dit boek wel een credo van Komrij:

Er verschijnen zoveel marginale boeken vol ziekenfondsproza en steungordel-poëzie dat een bezoek aan de literaire boekhandel nog het meest lijkt op een bezoek aan een strafinrichting.[...]

Gerrit Komrij, ‘De Literaire Misdadiger’ in: Vreemd Pakhuis, pag 130

In Erg! komt geen enkel werk er goed af, zelfs de schaarse positieve recensie besluit met een advies waar het boek beter voor te gebruiken zou zijn. Beargumenteerd schelden op niveau is het, deze zwaar bewapende bestrijding van het geliteratureluur.

Ik herlees deze verzamelbundel daarom zoal minstens éen keer per jaar. En dan nu eens echt voor mijn plezier.

Patrick Demompere, Erg!
Iets over de nieuwste literatuur

164 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 1999

** 3 maart 2005 – Als u Vlaming bent, en deze webpagina via Google gevonden hebt, zoudt u mij dan aub hier kunnen vertellen wat de aanleiding tot die zoektocht was?

update 7 maart 2005 – Ook het antwoord op de vraag die Humo stelt, is te vinden via bovenstaande link.


Onno Blom
Fabeldier dat Komrij heet

Aan de vormgeving van dit boek werd prettig veel aandacht besteed, bij de inhoud heb ik meer vraagtekens.

‘Schrijversprentenboek’, die titel van de reeks waarin het werk is uitgegeven, zal misschien ook wel de beste aanduiding zijn voor wat Het fabeldier dat Komrij heet inhoudt. Een echte biografie van Gerrit Komrij kan het niet zijn; daarvoor ontbreekt domweg een weging van wat hij allemaal schreef. En ook staan er wel erg veel gezellige plaatjes in van de man en zijn vriend, plus wie er zo al nog allemaal langswipte.

Blijft staan dat Gerrit Komrij een interessant genoeg leven heeft geleid om zelfs op keuveltoon besproken nog een aardig boek op te leveren. Zoals door die episode dat hij porno hielp uitgeven, of de strijd rond dat paleis in Portugal.

Verder biedt dit boek meer inzicht in een paar vetes die Komrij zelf veel beschroomder aanstipte in zijn laatste bundels opstellen Demonen en Vreemd pakhuis. Hier worden er wel namen genoemd.

Ook is er de onthulling dat Patrick Demompere, de Vlaamse boekhandelbediende die vernietigende boekrecensies schreef, wel degelijk een pseudoniem van Komrij was. Zoals trouwens al door deze en gene werd vermoed.

De belangrijkste waarde van dit boek voor mij is misschien wel nu weer reden te hebben delen uit Komrij’s oeuvre te herlezen. Maar eigenlijk deed ik dat ook zonder aanmoediging al.

zie ook alles van Komrij op boeklog

Onno Blom, Het fabeldier dat Komrij heet
Schrijversprentenboek 51

288 bladzijden
Uitgeverij de Bezige Bij, 2004

Gerrit Komrij
Gelukkige schizo

Gerrit Komrij houdt tegenwoordig ook een weblog bij. Al heb ik er enige twijfels over of het hem wel echt is. De weblogger daar lijkt nog het meest op een imitatie van de meester. Hij heeft een zeker gemak in het formuleren van zwierige zinnen. Alleen is die weblogger zo verschrikkelijk humorloos, grof, en op de man, vergeleken met bijvoorbeeld de Komrij uit deze bundel.

Maar wellicht dat context koning maakt.

In De gelukkige schizo, en het gelijknamige beginhoofdstuk, legt Komrij uit dat van hem nauwelijks principiële uitspraken verwacht mogen worden. Ideologieën hangt hij niet aan. Of, zoals hij het zelf met een paradoxje formuleerde:

Ik aanvaarde versplintering van de wereldbeelden als een godsgeschenk [11].

Tegelijk getuigt deze bundel, net als zo veel van zijn andere essays, dat Komrij wel degelijk onwrikbare uitgangspunten heeft. Bijvoorbeeld in zijn beschouwing van de vaderlandse cultuur. Probeer maar eens een prijzend woord over een Nederlandse politicus te vinden in Komrij’s oeuvre.

Ook werd op boeklog al eens eerder geconstateerd dat Komrij hoogstzelden onder de indruk is van wat er aan Nederlandstalige literatuur verschijnt. In deze bundel moet bovendien het niveau van de Nederlandse literatuurkritiek het ontgelden.

Een Nederlandse recensie lijkt vaak meer op de verslaggeving van een natuurramp dan op de bespreking van een boek. [191]

[W]ie serieus over slechte literatuur schrijft, dag in dag uit, schrijft zelf slechte literatuur. En als zich, héél toevallig, een goed boek aandient blijven ze in dezelfde trant doorschrijven, want hun hand is lusteloos, hun ziel vermolmd. [192]

Maakt dit Komrij niet wat voorspelbaar?

O, vast. En terugkomend op de titel, een deel van Komrij’s verontwaardiging zal ook vooral ritueel zijn. Het is bovendien aanzienlijk makkelijker om te vervloeken, dan om te prijzen.

Maar ik lees Komrij dan ook niet om zijn diepgaande analyses, of de scherpte van zijn intellect. Misschien had dat aspect van zijn werk ooit een vormende waarde, tegenwoordig probeer ik toch echt zelf na te denken. Nee, Komrij lees ik om diens toon en zijn taal.

Zoals je een overbekend klassiek werk toch gaat beluisteren in de concertzaal, omdat een virtuoos het nu eens uitvoert, zo moet ik mij nu en dan aan Komrij laven.

Gerrit Komrij, De gelukkige schizo
246 pagina’s
De Arbeiderspers, 1985

Gerrit Komrij
Gouden woorden

Ooit besprak een recensent het meesterwerk Humeuren en temperamenten met de woorden: alweer een bundel opgewarmde krantenstukjes van Gerrit Komrij. Ik weet niet of het daaraan ligt, maar sindsdien staat er nooit meer in zijn bundels of de inhoud al eens ergens eerder werd gepubliceerd. Terwijl Gouden woorden toch gewoon de naam van Komrij’s huidige rubriek op de achterpagina van NRC-Handelsblad is. Daarin beschouwt hij vrijwel iedere donderdag de actualiteit via een vaak opvallend dom citaat van iemand.

Er wordt ook nogal wat onnozels gezegd in de media.

De zeventig columns in deze bundel beslaan de actualiteit vanaf de flirt tussen PvdA en CDA bij de vorming van het kabinet Balkenende 2 tot en met de afslachting van Theo van Gogh. Daarbij zijn zowel citaat als kritiek steeds toegelicht met twee regeltjes nieuws. Maar een inhoudsopgave ontbreekt, evenals een register met eigennamen. Terwijl bij mij nu al niet altijd meer duidelijk was waarom iemand genoemd moest worden. De LPF-er Maas bijvoorbeeld?

Steeds maar reageren op de actualiteit heeft als grote gevaar dat de reacties bij bundeling al verouderd zijn. Dat speelde nu toch al degelijk een paar keer mee. Als de om niets opgestookte opwinding eenmaal afgekoeld is, wordt het later moeilijk om nog te zien waarom iets tot zo veel gekrakeel moest leiden.

Komrij redt zich dan vaak nog wel door zijn schrijfkunst, en toont bovendien een scherpe blik te hebben. Maar dat allemaal maakte op het moment zelf altijd een veel grotere indruk. Al hebben sommige woorden in dit boek op zich eeuwigheidswaarde:

Ik geloof dat ik hiermee de definitie van de Nederlandse politiek te pakken heb. De regering stelt te rooskleurig voor. Het parlement mokt. De regering belooft beterschap. Het parlement glundert.

Waarna van voren af aan.

Nee, dit is wel degelijk een bundel met opgewarmde krantenstukjes; kliekjes van wat me al eens voorgezet was. Niets ten nadele daarvan, zo pakt de schrijver tweemaal geld voor die ene inspanning, en dat is alleen maar slim. Maar waarom moest het allemaal zo liefdeloos bij elkaar geharkt op de markt komen? Had er tenminste een vergeetwoordenboek aan toegevoegd, zoals in Horen, zien en zwijgen.

Nu steekt het mij slechts wat oppervlakkige meninkjes te hebben gelezen. Een diagnose over de puistjes en de huidschurft van de patiënt Nederland te hebben gezien, zonder iets meer te weten te komen over de rot die onderhuids voortkankert.

Gerrit Komrij, Gouden woorden
Of de jongste vaderlandse geschiedenis

160 pagina’s
Uitgeverij De Bezige Bij, 2005

Gerrit Komrij
Horen, zien en zwijgen

Het is gevaarlijk de beste Nederlandse TV-recensies ooit meteen te lezen na een groot Brits-Australisch schrijver over televisie. Want, ineens vallen de kwaliteiten van Komrij minder op, terwijl zijn gebreken juist veel schrijnender zichtbaar worden.

Zoals ik eerder al eens ergens schreef, Komrij krabt in zijn formuleringen vaak raak en hard, maar raakt hij daarmee toch zelden meer dan het vernis.

Niet dat ik per se iets van een boek wil leren, maar als er nuttige informatie verstrekt wordt die juist vanwege de treffende formulering hangen blijft, is dat meegenomen.

Uit Horen, zien en zwijgen leer ik alleen dat de twee netten met Nederlandse televisie in het jaar 1976 zelden iets boden dat de moeite van het kijken waard was. En zo herinner ik me die tijd ook wel. Ongekend hoe veel kijkers het sprekende pak Fred Oster toen kreeg voor zijn gefrut met verloofde stellen.

Verbijsterend is wel hoe veel namen uit die tijd nog altijd het scherm ontsieren.

Anders dan Clive James schreef Komrij zijn recensies dagelijks. Dat hij er desondanks in slaagde toch een paar formuleringen te bedenken die mij hardop deden lachen, is daarmee een illustratie van zijn talent.

Toch is te vaak de diepe wanhoop zichtbaar die hem overvallen moet hebben na weer een avond te hebben gekeken naar helemaal niets. Komrij is dan zelf erg aanwezig, door liever surreëel zijn reacties te beschrijven dan het gebodene.

Maar deze recensies brachten ons wel het woord treurbuis. En zelfs als dat straks het enige is dat overblijft van dit boek, is dat nog van enorme waarde.

Gerrit Komrij, Horen, zien, en zwijgen
Vreugdetranen over de treurbuis

216 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1977

Gerrit Komrij
In liefde bloeyende

Dit is opnieuw een Komrij-bundel waarin de informatie ontbreekt dat alle stukken eruit al eens eerder elders verschenen. Op de achterpagina van NRC-Handelsblad. Toch vind ik dat in dit geval cruciale informatie. Deelvraag in het permanente onderzoek naar mijn leesgewoonten is ook of er artikelen zijn die ik in een krant wel lees, maar in een boek juist niet. Of andersom.

Ik herinner me de poëziebesprekingen die nu zijn opgenomen in In liefde bloeyende toendertijd met veel plezier gelezen te hebben. Komrij theoretiseert niet, en hamert er niet op waarom sommige regels uniek zijn en andere niet. Nee, hij doet verslag van zijn leeservaringen van wat favorieten uit alle poëziebloemlezingen en een groot tal onbekende gedichten uit de geschiedenis van het Nederlands. Honderd gedichten in totaal.

Maar, zo gebundeld werkte dat voor mij niet, hoewel ik me kan voorstellen iets aan dit boek als naslagwerk te hebben. Poëziebundels lees ik nu eenmaal ook niet lineair, van kaft tot kaft. Een gedicht af en toe blijft fijn. Maar zelfs door een meesterlezer besproken is te veel te veel.

Gerrit Komrij, In liefde bloeyende
379 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 1998

Gerrit Komrij
Kakafonie

Hoe lang was er al sprake van dat dit boek er zou komen? Mij viel op dat Komrij het op televisie kon aanprijzen met grapjes die hij ruim dertig jaar geleden al eens opschreef. Zoals de riedel dat hij zelf ook een petomaan is, maar wel éen met een bescheiden instrument. Daardoor lukt het hem niet om het volkslied te scheten.

Maar goed, het boek is er nu dus. En dat had ik toch niet verwacht. Mij scheen altijd dat Komrij er slechts mee dreigde. Zodat hij nog eens kon laten zien ook uit stront geld te kunnen maken. Of misschien, als bewijs uiteindelijk overal schijt aan te hebben, en aan de Nederlandse boekenwereld in het bijzonder.

In dit boek staan nogal wat vergelijkbare flauwiteiten verzameld. Laat ik daarom maar ophouden in dier voege mee te gaan, en deze encyclopedie kritisch proberen te beoordelen.

En dan moet ik zeggen dat dit boek me tegenviel. Weliswaar is het rijk geïllustreerd, en heeft Komrij uit vele bronnen geput, maar het is op zijn best een cultuurstudie. Zeker geen encyclopedie. En met het woord cultuurstudie ben ik nog mild. Een wat bijeen geraapte verzameling van krantenknipsels en overgetypte boekenpagina’s had ik ook kunnen zeggen.

Stront interesseert me als onderwerp niet eens bovenmatig. Toch miste ik nogal wat nuttige observaties in dit boek, die mij zo wel bekend zijn. Zo uit Elias’ Prozeß der Zivilisation te kopiëren is bijvoorbeeld hoe er vroeger gepoept werd, en hoe dat in de loop der eeuwen veranderde. Waardoor elke museumbezoeker voortaan anders naar al die tapijten in oude kastelen zal kijken.

Onder coprofagie mis ik bijvoorbeeld de opmerking dat stront eten tegenwoordig als gezond wordt beschouwd. Al gaat het dan om stront die verwerkt is in yoghurt, en daarna duur verkocht.

En ook ben ik in andere boeken wel andere verhalen tegengekomen, bijvoorbeeld over het moeten poepen, maar niet kunnen. Zeker in de sportliteratuur is dit geen onbekend onderwerp.

Goed, recensies horen niet te gaan over wat een boek mist, maar dienen zich te focussen op wat er wel in staat. En ik vind het boek merkwaardig oppervlakkig, doordat er zo veel in staat dat op een zelfde toon, of met dezelfde poging tot distantie geschreven is.

Dat het logo van De Bezige Bij op het omslag als pisvlieg gebruikt wordt, is misschien nog wel het drolligst.

Gerrit Komrij, Kakafonie
Encyclopedie van de stront
Omvattende de symbolische waarde, de kont,
het kakken, de kleur, de stank, de wind, het
sanitair, de liefhebbers, satire & nonsens, stront
en het boek, lexicografie, enz. enz.

328 pagina’s
Uitgeverij de Bezige Bij, 2006

Gerrit Komrij
Kijken is bekeken worden

Stond ook op mijn boodschappenlijstje, dit boek. Het is de catalogus van een tentoonstelling die Gerrit Komrij mocht samenstellen uit de collectie van het Stedelijk Museum in Amsterdam, aangevuld met essays van de schrijver over kunst, en kijken naar kunst.

kijken is bekeken worden omslag

De reacties op deze tentoonstelling waren indertijd verdeeld. De professionele kunstkritiek vond het maar niets, terwijl het personeel van het Stedelijk oprecht verbaasd was dat het museum zulke mooie stukken in de collectie had.

Ze waren de laatste decennia nooit te zien geweest, omdat figuratieve schilderijen nauwelijks meetellen in de ideeën over hedendaagse kunst.

Indertijd irriteerde me wat dat verreweg de meeste de schilderijen enkel in zwart-wit zijn afgebeeld in dit boek. Dat was toen reden om het niet te kopen. Maar zie, een kleine tien jaar later denk ik ineens dat als deze catalogus alles in luxe kleurendruk had getoond, het als boek onleesbaar was geworden.

Nu was het prettig Komrij’s ideeën te lezen, en hem ouderwets te zien klagen over het niveau van de kunstkritiek, bijvoorbeeld. Al blijft het moeilijk, woorden vinden om beeld en de uitwerking van beeld te beschrijven.

Gerrit Komrij, Kijken is bekeken worden
Uit de kelders van Het Stedelijk

198 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1996


Gerrit Komrij
Komrij’s canon

Gerrit Komrij moet éen van de vlijtigst recyclende schrijvers van Nederland zijn. Maar, heel groen is dat hergebruik toch niet, omdat er telkens bomen voor omgaan. Papier blijft nodig voor de volgende presentatie van weer hetzelfde.

De poëziebesprekingen uit deze canon stonden eerst afzonderlijk achterop NRC-Handelsblad. Vervolgens werden ze gebundeld in verschillende boeken. In Liefde Bloeyende, Trou Moet Blycken, en Kost en Inwoning. En nu zijn de honderd beste gedichten en besprekingen daaruit opgenomen binnen éen kaft.

Ik klonk misschien wat cynischer over dit initiatief dan ik ben. Want, dit is een prettiger bundel dan die drie losse uitgaven waren. Van dit boek kan ik geloven dat Komrij er de gedichten in behandeld die hem intrigeren, of op een andere manier raken. Bij de eerdere bundels was dit niet zo voor mij; daar stond weleens meer vulling in dan prettig was.

Komrij schreef al die stukken indertijd als toelichting op de keuzes in zijn grote poëziebloemlezingen. En ook in die zin is het prettig een persoonlijke canon naast een anthologie te kunnen plaatsen; want Gerrit Komrij is in zijn Nederlandse poëzie misschien wel wat al te gastvrij.

Wel viel me bij het lezen van dit boek op dat hij lang niet altijd iets directs te melden heeft over het uitverkoren gedicht. ‘Praten over poëzie wordt gauw leuteren over poëzie’, schrijft hij zelfs. En ach, dit mechanisme is mij ergens ook wel bekend; boeklogjes doen een besproken boek weleens in een terloopse alinea af. Maar dit betekent ook dat Komrij niet altijd even informatief over het gedicht is dat hij heeft uitverkoren.

Nu vond ik dat ditmaal prettig. Die keuze betekende dat ik mijn impressie van een gedicht tegenover de zijne kon zetten. En dat maakte het lezen tot een intensievere ervaring dan als Komrij van éen kant zijn visie aan mij had opgedrongen.

Zowiezo had ik natuurlijk te reageren op Komrij’s keuzes. Omdat hij in deze chronologisch geordende bundel wel wat evergreens opnam, maar uiteindelijk toch ook weer weinig.

En dan word ik vooral blij met zijn keuze voor gedichten die niemand anders heeft. Omdat geen bundel, bloemlezing, of poëziebespreking zonder verrassingen kan.

Sonnet voor Mieremet

Ik zag vandaag de mieremet
in actie met zijn heftelingen.
Zij droegen rood omhoosde bringen,
met kleine basibals bezet.

Daar gingen ze, die everdingen,
met brio en in vol bromet.
Ik kon van pure vreugd wel zingen:
Nu was het vaderland gered.

Waai uit, o Nederlandse vlag
en wapper mieremet gêndag
langs velden en in bossen.

Werelden gaan onder, komen op.
De hele boel staat op zijn kop.
Maar mieremet zal ons verlossen.

Carel C. Scheefhals (1915 – 1995)

Gerrit Komrij, Komrij’s Canon
In honderd gedichten

416 pagina’s
Prometheus, 2008

Gerrit Komrij
Lang leve de dood

Ietsje meer nog dan de inhoud van deze bloemlezing, intrigeerde me dat die is uitgegeven bij de Bezige Bij. Komrij’s Dikke, maar ook zijn Dunne, en die Afrikaanse poëziebloemlezing zijn bij Bert Bakker uitgebracht.

Komrij geeft zijn zelfgeschreven boeken op dit moment wel uit bij De Bezige. Vanzelf dat daar wat gemopperd is dat een concurrent toch wel erg leuke omzetjes maakt met al die gedichies.

Is de dood ook een leuk themaatje voor een boekje, want nogal vaak bezongen?

Makkelijke handel. Toch.

Neemt niet weg dat Komrij altijd een goede hand van kiezen heeft, en dat vormvaste verzen uit de negentiende eeuw vaak genoeg worden afgewisseld met later werk om een luchtige bundel op te leveren. Ondanks het thema.

Maar de dood in taal blijft een abstractie, hoe fraai de woorden ook gerangschikt staan. Emotie gaat pas woelen als er iets beschreven staat dat het eigen leven raakt.

Het zegt vast niet veel goeds over mij dat een cabarettekst van Jeroen van Merwijk het best is bijgebleven, uit wat ik in de loop van gisteren en vandaag allemaal las.

Veel is het niet

Je wordt geboren, je staat op
Leert lopen, groeit als kool
Je propt je vol met zoute drop
Dan vijftien jaar naar school
Veel is het niet

Dan naar de universiteit
Daarna een dikke baan
Je krijgt een vrouw, die raak je kwijt
Ze bieden je iets dikkers aan
Veel is het niet

Je komt steeds hogerop
Ze weten wie je bent
Je krijgt een dikke kop
Dan word je impotent
Veel is het niet

Dan word je ziek met een dieet
Je krijgt een afscheidsfeest
Dan ga je dood
En iedereen vergeet dat jij er bent geweest
Veel is het niet

Jeroen van Merwijk

Gerrit Komrij, Lang leve de dood
Een bloemlezing in honderd en enige gedichten
206 pagina’s
Uitgeverij de Bezige Bij © 2003


Gerrit Komrij
Meer gouden woorden

Toen ik met dit boeklog begon anderhalf jaar geleden was dat om op een paar vragen antwoord te krijgen. Wat lees ik zoal voor de lol? En waarom dan wel?

Heel veel lijn heb ik nog niet kunnen ontdekken inmiddels. Wel valt me op veel boeken te lezen die eigenlijk geen boeken zijn, maar bundels met stukjes die al eens ergens anders zijn gepubliceerd.

Ook dit boek is weer zo’n bundel, in dit geval met columns die Gerrit Komrij wekelijks schreef voor de achterpagina van NRC-Handelsblad. Een eerdere verzameling kwam hier ook al langs.

Aan deze columns valt op dat Komrij zijn inspiratie tegenwoordig vooral uit de Nederlandse politiek haalt. Volgens eigen zeggen omdat wij éen der treurigste episoden uit de politieke geschiedenis meemaken.

Niet eerder oordeelde hij ook zo onverbloemd hard en meedogenloos, lijkt me. En Komrij slijpt en wet het Nederlands zorgvuldig om er zo diep mogelijke kerven mee te kunnen slaan.

In een krant is dat zeer prettig om te lezen. Daar lucht het op als iemand zich niets aantrekt van de journalistieke pose objectief te zullen zijn.

Maar in zo’n dulle omgeving is het niet moeilijk om de aandacht te krijgen. Bij bundeling winnen Komrij’s columns ditmaal niet. Te vaak roert hij de luide trom van het overstatement, en uiteindelijk slaan zijn roffels daarom dood.

Voor lezing is daarom maat gevraagd. Misschien is éen column in de week een optie?

Gerrit Komrij, Meer gouden woorden
157 pagina’s
Uitgeverij De Bezige Bij © 2006


Gerrit Komrij
Met het bloed dat drukinkt heet

Gerrit Komrij schreef een tijd de wekelijkse rubriek ‘Gouden woorden’ op de achterpagina van NRC-Handelsblad. En ik begreep nooit zo goed waarom hij zich daarin zo druk maakte over de veelal politieke waan van de dag. Mij was bekend wat hij in dit boek geschreven had.

als een politicus veel namen van schrijvers noemt maakt hij nog enige kans om voort te leven, als een schrijver veel namen van politici noemt maakt hij alle kans snel te verouderen.

[148]

Maar juist door Met het bloed dat drukinkt heet te herlezen, begrijp ik die latere columnreeks wat beter. Wie eenmaal het naïeve idee kwijt is dat er iets nuttigs gebeurt in Den Haag, ergert zich makkelijk aan de eeuwige aandacht in media en huiskamer voor alle gebeuzel daar. En als het al decennia geen effect heeft om die afkeer in algemene bewoordingen op te schrijven, dan helpt het tenminste iets om dan maar gewoon lol te maken over de onbenulligheden in de politiek.

Ik lees en herlees Komrij bij wijze van hartversterking; als tonicum aan het einde van de dag, genietend onderuit gezakt. Ik weet wat er komen gaat, en dat is me goed. Wel gaat mij er daarbij inmiddels veel minder dan vroeger om Komrij’s gelijk, het gaat me nu vooral om zijn bewoordingen.

Dit is een bundel met mengelwerk, daterend uit de late jaren tachtig, vroege jaren negentig. Variërend van essays die van mij ook columns mogen heten, tot een afdeling Opperlandia, een hoofdstukje aforismen zelfs, en een verzameling krantenknipsels.

Het meest boeide me Komrij’s beschouwingen over de geringe kwaliteit van wat er in Nederland voor literatuur door gaat. Hem las ik altijd al. Hij is dus absoluut mede verantwoordelijk voor het besef dat je als lezer mag wantrouwen wat schrijvers je voorzetten aan slecht gelukt werk.

En die relativering is zo zeldzaam in Nederland. In veel kringen is het nog altijd verboden om zelfs maar enigszins badinerend te zijn over wat er zoal verschijnt. Maar het zal vaste lezers van boeklog misschien duidelijk zijn; ik schrijf hier niet anders dan over mijn verwondering dat het me vaak zo slecht lukt te blijven geloven wat er in fictie staat.

Een zin, een metafoor, een gedachte behelsde vaak meer dan dat hele bouwwerk van verzonnen werelden die men als spiegel van de werkelijkheid aan de man wilde brengen en roman noemde. Eerst zoog men het uit de duim en daarna verkwanselde men het voor echt.

[260]

Gerrit Komrij, Met het bloed dat drukinkt heet
286 pagina’s
De Arbeiderspers, 1991

Gerrit Komrij
Morgen heten we allemaal Ali

Gerrit Komrij geeft weleens een lezing. En de tekst daarvan wordt dan apart uitgegeven, of komt samengevat in de krant te staan. En ik ben liefhebber van Komrij genoeg om dit allemaal te verzamelen.

Gerrit Komrij geeft ook weleens een bundel uit, met elders al eens geopenbaard werk. Zo’n verzamelbundel is dit boek. Dat vernoemd werd naar een regel uit de essaybundel Dit helse moeras. Daarin eindigde het essay ‘La ilaha illah allah’ al in 1983 met de woorden: ‘Op een ochtend zullen we wakker worden en allemaal Ali heten.’

Dit samen maakte het raar om deze bundel aan te schaffen. Die is namelijk meer een diepte-investering dan iets anders. Pas over tien, twaalf jaar zullen de details zijn opgelost van al de losse publicaties en lezingen die ik al kende. Dan eerst zal Morgen heten we allemaal Ali lezen als een nieuw boek.

Deze keer was er eigenlijk niet zo veel mee aan te vangen. Zelfs al zouden alle teksten volgens Komrij herzien zijn. De nog zo frisse kennis over de eerste kennismaking stond onbevangen lezen in de weg. Of het nu om de Ruigoord-lezing ging waarin Komrij zijn generatie verketterde, die Albert Verwey-lezing over poëzie, de Mosse-lezing over cliché-homo’s, of de SLAA-lezing over populisme. Was er ook die tekst over Wagner nog die ik al in een aparte uitgave had.

Wat bracht dit boek dan verder? Er is een hoofdstuk met Tweets, die Komrij publiceerde op zijn Twitter-account; waarbij ik me altijd heb afgevraagd of die wel allemaal van hem waren. Er werden wat stukken opgenomen die ‘naast het essay hadden gelegen’ — de auteur doet namelijk in éen stuk moeite om aan te tonen dat zo’n genre-aanduiding onzin is.

Als ik me kwaad maakte over iets, redelijk of onredelijk — als ik in een vervloekte bui van goedhartigheid het kruis op mijn rug nam en mijn lotgenoten iets probeerde uit te leggen, geduldig of ongeduldig — dan hoorde ik plotseling beweren dat ik een essay had geschreven. Ik was me van geen kwaad bewust. In een geprikkelde bui, maar geheel naar waarheid, riep ik een keer uit dat ik ‘nooit van mijn leven’ een essay had geschreven. [160-161]

Interessantste gedeelte van dit boek voor mij, was het enige dat ik wel onbevangen lezen kon — het laatste boekgedeelte, dat het kopje ‘Verdwenen regenwoud’ draagt. En dit gaat toevallig over lezen. Waarbij Komrij opmerkt dat boeken hem weliswaar veel hebben gegeven, maar dat door het lezen toch ook wel wat verloren is gegaan.

Je gaat beseffen dat het merendeel van de boeken helemaal niet de moeite waard is. [261]

Lezen doet zelfs nog meer. Ik heb er ook kennis over de boekhandel door opgedaan. En weet nu hoe weinig de schrijvers aan hun boeken verdienen, relatief gesproken. Dus kan ik het Komrij niet kwalijk nemen zo’n boek als dit te publiceren. Ook al omdat er gedienstig al dat losse werk in werd samen gebracht.

Er zijn alleen niet zo veel auteurs waar ik nog iets van verwacht. Als een boek van Komrij teleurstelt, is dat ook omdat mijn verwachtingen over hem altijd zo vreselijk hoog zijn.

Mijn eerste indruk over dit boek was toch dat ik gestraft werd het werk van de man zo te appreciëren.

Gerrit Komrij, Morgen heten we allemaal Ali
Vrolijke bespiegelingen over de tijdgeest

303 pagina’s
De Bezige Bij, 2010

Gerrit Komrij
Nederlandse poëzie

Nee, ik zal niet beweren alle poëzie op deze 2280 pagina’s even aandachtig gelezen te hebben. Wel heb ik eerdere drukken van deze bloemlezing in bezit, zodat een groot deel van de inhoud me alwel bekend was. Alleen komt er zo iedere negen jaar een bijgewerkte versie op de markt, dus ging het me nu vooral om wat er bijgekomen was.

De druk die ik zelf bezit was nog in éen band.

En te zeggen is, aan gedichten kwam er veel bij, maar aan de andere kant viel het ook wel weer wat tegen. Alle dichters die sinds 1964 geboren zijn worden er in zo’n honderd pagina’s doorheen gejaagd. Mijn generatie is niet heel erg aanwezig, om over de huidige twintigers maar te zwijgen.

Maar goed, hoe lees ik zo’n bloemlezing als deze dan?

Ik zie het toch vooral als bladerboeken, om zo af en toe even willekeurig ergens open te slaan. Alles in de hoop regels te lezen die nooit eerder zo, in de stemming van het moment gezien werden, en daarmee opeens lading krijgen. Lezen is het, als zoektocht naar wat taal nog vermag.

En ik geloof ook wel dat Komrij op regels geselecteerd heeft. Zonder dat ik nu verder uitgesproken ideeën heb over waarom wat in deze bloemlezing terecht kwam. Hoogstens dat ik zie dat er opvallend veel gedichten zijn die van afstand gaan over wat poëzie al dan niet is.

Enfin. Prettig is dat ik nu weer een paar nieuwe namen heb, al hoop ik dat Komrij niet de enige regels uit hun oeuvre heeft geplukt die de moeite waard zijn. Dat kan hij namelijk goed.

Gerrit Komrij, Nederlandse poëzie
van de 19de t/m de 21ste eeuw
in 2000 en enige gedichten

2280 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 2004 15e druk

Gerrit Komrij
Niet te geloven

De Boekenweek in 1997 had als thema ‘Mijn God’. De Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek had namelijk een opleving bemerkt van religieus gevoel, en zag mogelijkheden daar nog leuk iets commercieels mee te doen. Als schaamlap werd Gerrit Komrij aangezocht om het Boekenweekessay te schrijven. Was tenminste van te voren al zeker dat zo’n loodzwaar thema — in de Nederlandse beleving — nog enigszins gerelativeerd zou worden.

Ik herlas dit essay om de simpele reden dat ik eraan herinnerd werd door Schopenhauer’s tweegesprek tussen de ‘man van het volk’ en de ‘vriend van de waarheid’; zoals opgenomen in Het nut van vrome leugens.

Maar de overeenkomst tussen beide gesprekken beperkte zich vooral tot de vorm. Die natuurlijk ook vrij klassiek is. Teken op wat een onwetende aan gedachten uitwisselt met een wetende, en ook de lezer leert meer.

De tijden zijn alleen verandert sinds Schopenhauer. De macht van de christelijke kerken is hier nogal afgenomen. En in plaats van een herkenbaar geloof, belijden velen inmiddels een amorf ietsisme.

Komrij was zo slim daarom nog een derde stem in te brengen. Naast een religieus iemand en een tegenstander van geloof doet er ook nog een halfzacht ei mee aan het gesprek. Dit is de twijfelende auteur Grijphart — die zich vooral voelt aangetrokken tot het mysterie van het geloof, maar verder niet meteen iets heeft met de religieuze traditie.

En goed, dan heeft Komrij getracht om elke deelnemer aan het gesprek even goede teksten te geven. Maar zijn sympathie ligt duidelijk bij ongelovige Boksvoet — wat nog een oude naam voor de duivel schijnt te zijn — terwijl zijn afkeer het grootst is voor alle halfhartige praat.

Gerrit Komrij, Niet te geloven
Een prieelgesprek
64 pagina’s
Stichting CPNB, 2007

Gerrit Komrij
Onherstelbaar verbeterd

Waarom leest iemand poëzie? Dat is een vraag die ieder maar voor zich moet beantwoorden; ik weet op zijn best nog net wat ik in poëzie hoop aan te treffen, en daar zo zelden in vind. Mij gaat het in gedichten om de samenballing van taal in een paar woorden. Ik zoek naar kracht.

Vandaar dat ik meen dat iedereen in zijn jeugd een groot tal gedichten uit zijn hoofd zou moeten leren. Zelfs al komt het begrip voor de tekst misschien pas met de jaren, ondertussen is er wel iets geleerd over woorden, en klank, en ritme.

Maar, onze cultuur is er niet naar om anderen op te dringen iets uit hun hoofd te leren. Al generaties voor Google bestond, was uitgangspunt in het onderwijs dat het antwoord op de meeste vragen toch wel op te zoeken was.

En mede daardoor is dit prachtige boekje van Komrij te dun.

Om gedichten te kunnen parodiëren, is het wel nodig dat iedereen het origineel kent. En dit schort er nogal aan hier. Lullige leuzen uit de reclame volop die elk onthouden heeft. Rijmelarij genoeg in het collectieve geheugen, van al de zangers die met permanent gepijnigde blik hun clichés uitpersen. Poëzie is daar alleen nauwelijks bij.

Komrij schreef de parodieën op het schaarse tal overbekende gedichten in de jaren tachtig en negentig. Op mij hebben de variaties meer indruk gemaakt dan de originelen. De oerversies zijn daardoor nooit meer onbevangen te lezen. Alleen valt me ook op dat niet alle onherstelbaar verbeterde gedichten in deze derde en herziene bundel zijn opgenomen. Ik miste een reeks verbeterde beginzinnen, die op mij zo’n grote indruk maakte dat ik ze na eerste lezing voor altijd onthouden heb.

Adriaan Roland Holst schreef in het gedicht ‘Zwerversliefde’:

Laten wij zacht zijn voor elkander, kind
want o, de maatloze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie’ in de oude wind.

Komrij maakte daar van:

Laten wij zacht zijn voor elkander, kind
tot ik de pot met vaseline vind,

En zo zijn er meer geweest. Veel meer. Die dus niet in deze bundel staan, en waar ik graag van weten zou wat wel de vindplaats is.

Gerrit Komrij, Onherstelbaar verbeterd
47 pagina’s
Uitgeverij C.J. Aarts 1994, oorspronkelijk 1981

Gerrit Komrij & Willem van Malsen
Paleizen van het geheugen

paleizen van het geheugen omslag

Ik moet dit boekje eerder gelezen hebben. Of misschien was het meer nog bekijken, omdat meer dan de helft van de pagina’s zijn gevuld met inkttekeningetjes van Willem van Malsen. Want, het stond op mijn lijstje van boeken die onmiddellijk moeten worden aangeschaft, mocht ik ze ooit eens ergens tegenkomen.

Dus was ik blij dit boekje te kunnen kopen. En is nu de vraag waarom toch ook alweer.

Komrij wijdt drie beschouwinkjes aan ‘de dingen’, en wat die voor ons betekenen. Hij blijft daarin wat in geïsoleerde associaties steken, waardoor het allemaal wat moeilijk leest.

Een opmerking aan het eind vond ik wel treffend. Over het verschil in betekenis die de dingen voor een kind hebben, en voor een volwassene ging het. Maar over de oorzaken daarachter — dat een kind niet alleen tijd heeft zich in iets te verdiepen, maar ook zo veel minder heeft om de uren mee te vullen — dan weer helemaal niets.

Ik ben waarschijnlijk te dom voor luxe boekjes als deze.

Gerrit Komrij & Willem van Malsen, De paleizen van het geheugen
80 pagina’s
Uitgeverij De Harmonie, 1983


Gerrit Komrij
Papieren tijgers

Begin dertig was Gerrit Komrij, toen hij de stukken schreef die in deze bundel mengelwerk zijn opgenomen. Half zijn leeftijd was ik toen het boek voor de eerste keer las. En daarmee ontdekte ik toen meer dan alleen een schrijver. Duidelijk werd ineens dat literatuur niet alleen bestond uit pseudo-gewichtig imponeergebasel. Maar dat een schrijver diens meningen ook helder uitdrukken kon, in prachtige volzinnen, vol spot nog daarbij.

Alleen die ontdekking al maakte dit tot een boek dat een leven veranderde.

Geheel neutraal nam ik Papieren tijgers dus niet meer ter hand bij deze herlezing. Als het tegenviel zou dat tegelijk een afscheid zijn aan wat ooit betekenis had.

Tegelijk kon ik weten dat het boek genoeg bevat dat later nog eens herdrukt is, in andere bundels. Het stuk bijvoorbeeld waarin de hypothetische vraag gesteld wordt of Harry Mulisch een groot schrijver is, anders dan in eigen ogen. De kaboutervete met Dirk Ayelt Kooiman kreeg een nieuwe aflevering, waarin Komrij nog weer prijzender was over het werk van de man, en de kongsie aan Kooiman-liefhebbers.

Kakafonie werd aangekondigd, terwijl het pas dertig jaar later zou verschenen.

En Gerrit Komrij schreef al polemieken tegen Scientology voordat de sekte breder bekend werd.

Verder toonde Komrij zich in zijn literaire stukken een paar keer onder de indruk van een boek. Voor de verandering. Opmerkelijk genoeg. Het debuut van Hotz werd geprezen als iets. En van Bob den Uyl’s verhalenbundel Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam vond Komrij zo waar dat daarin een schrijver aan het werk was geweest.

Ik weet niet meer of Den Uyl toen al tot mijn favorieten behoorde, of dat deze woorden mij aanzetten me eens in die boeken te verdiepen. Zeker is dat ik alles al van hem heb gelezen op de middelbare school, net als van Hotz.

Dit is trouwens éen reden waarom ik het soms zo jammer vind pas zo laat met boeklog te zijn begonnen. Het grote lezen gebeurde al lang geleden. De ware ontdekkingen zijn al een tijd terug gedaan. Alles waar ik nu nog over schrijf is op zijn best aardig, of goed geschreven, of inzichtvol, maar zal me nooit meer schokken tot in mijn kern.

Dus rest me ook weinig dan zo af en toe een boek uit de kast te trekken dat ooit iets aanstak in mij, om het over dat aspect van het lezen te hebben.

Gerrit Komrij, Papieren tijgers
233 pagina’s
De Arbeiderspers, 1978

Tysger Boelens & Gerrit Komrij (red.)
Perplexicon

Dit is typisch een boek dat ik in andere media lovend besproken zou hebben, maar waarover ik op dit meer persoonlijk geöriënteerde leeslog bedenkingen moet uiten. Sommige boeken hebben gewoon de pech te laat tijdens mijn leven te verschijnen. Voorzichtig geschat heb ik 70% van de inhoud uit deze bloemlezing aan nonsensproza en -poëzie zo al hier in de boekenkasten staan. De rest verraste evenmin.

Dus kan ik de samenstellers onmogelijk verwijten geen smaak te hebben gehad.

Tegelijkertijd wijst die enorme overlap misschien ook op enige gemakzucht hunnerzijds. Ik houd van humoristisch proza, en soms ook van absurd taalgebruik of nonsens, maar tegelijkertijd heb ik me er nooit in willen specialiseren.

Mooi is het wel om nu eens wat Nederlandse vertalingen te hebben, van zo uiteenlopende klassiekers als James Thurber’s verhaal ‘Walter Mitty’, Monty Python’s ‘Dead Parrot Sketch’, of Lewis Carroll’s gedicht ‘Jabberwocky’. Net als Hans Teeuwen’s bijbelverhaal uit het programma Hard & zielig in geen huishouden ontbreken mag. Onder nog veel meer.

En dan?

Uiteindelijk is dit boek nu voor mij vooral memorabel door de prachtige vormgeving van Piet Schreuders.

Goed, ik kan me heel wel voorstellen wat een genot het moet zijn om kinderen door een boek als dit kennis te laten maken met nonsensliteratuur. Omdat iedereen van de wetenschap kan profiteren dat taal ook iets is om eens op vakantie te sturen.

Maar het blijft raar, om tijdens het lezen van een boek vooral te kijken of de samenstellers niets gemist hebben, in plaats van blij door hun keuzes verrast te worden.

meer Boelens op boeklog

Tysger Boelens & Gerrit Komrij (red.), Perplexicon
Het abc van de nonsens

344 pagina’s
Nijgh & Van Ditmar, 2007


Gerrit Komrij
Poëzie is geluk

Twee openbare lezingen gaf Gerrit Komrij, toen hij in 1999 gastschrijver was aan de Leidse universiteit. De eerste kreeg als titel ‘Hoe lees je poëzie?’ en de tweede ‘Hoe schrijf je poëzie?’. Beide zijn verzameld in dit boek.

‘Hoe schrijf je poëzie?’ leverde een publieke les op, zoals ook Vestdijk ooit gaf, volgens De glanzende kiemcel. Komrij nam éen idee, en liet vervolgens de stappen zien om van die inval tot een sonnet te komen.

Niet geheel toevallig gaat dit gedicht, met de titel ‘Hogedruk’, over het schrijven van poëzie — en hoe het onmogelijk is te voorspellen of een korte sprint danwel een marathon het beste resultaat zal leveren; maar dit er niet toe doet. Informatief was wat Komrij terloops over het ambacht vertelde.

De versvoeten moeten worden geteld. Alles bestaat uit vijf voeten hier, dus bij elke regel gaan voor een routinecheck duim, wijsvinger, middenvinger, ringvinger en pink omhoog. De ringvinger stokt bij de vierde regel — [41]

‘Hoe lees je poëzie?’ bracht meer van het van Komrij bekende verbale vuurwerk. En ook behandelt hij de kwestie of er eigenlijk wel iets te zeggen is over wat poëzie ís. Dichters kunnen dat in elk geval niet. Terwijl literatuurwetenschappers ondertussen bibliotheken volschrijven met hun interpretaties; en er dus evenmin het laatste woord over te zeggen hebben.

Wat wel helpen wil, is om veel poëzie te blijven lezen.

Eén van de grote onbegrijpelijkheden voor Komrij is dat zo veel mensen nooit verder komen dan het werk van Nel Benschop, of Toon Hermans. Wat niet meer dan een leuk beginpunt is om van gedichten te leren houden, blijkt voor de meesten het eindpunt.

Terwijl poëzie toch zo veel kan brengen. Al is een nadeel ook dat wie veel dichters leest, telkens hogere eisen gaat stellen aan de volgende. Maar het raadsel zal tegelijk blijven.

Er is in poëzie — net als in muziek — iets wat niet onder woorden kan worden gebracht, en juist omdat poëzie iets van woorden is komt ons dat op het eerste gezicht bevreemdend voor, lijken we het eigenlijk niet te willen accepteren. Alsof ze iets niet kwijt wil wat ze ons wél zou kunnen geven.

Tot we ontdekken dat haar geheime reserves haar kracht zijn.

Er zijn gedichten die je meteen vergeet en er zijn gedichten die je steeds opnieuw kunt lezen. Zulke gedichten beroeren je iedere keer opnieuw weer even sterk, en iedere keer blijkt er iets over te zijn wat ze niet hebben prijsgegeven. Om dat ‘over’ gaat het in de poëzie. [21]

De voornaamste indruk die ik aan de lezingen overhield was: beter dan dit kan de poëzie toch nauwelijks verdedigd worden. Zelfs al heeft Komrij zichzelf zorgvuldig uit zijn betogen weggelaten — het lijkt of hij elk woord persoonlijk meende.

Gerrit Komrij, Poëzie is geluk
46 pagina’s
Bert Bakker, 2000

Gerrit Komrij
Vreemd Pakhuis

Deze verzameling opstellen viel me niet mee bij eerste lezing, dus helemaal onbevangen stond ik er niet tegenover bij deze tweede poging jaren later.

Maar misschien dat ik er te veel van verwacht had indertijd. Het was voor het eerst in tijden dat er weer eens een bundel met beschouwingen over algemene onderwerpen van Komrij verscheen. In de boeken Pek en zwavel en Lood en hagel was vooral oud werk herdrukt. Toegegeven, daarnaast verschenen ondertussen ook poëziebeschouwingen en wat verhalende prozaboeken van zijn hand. Maar ik kan Komrij’s romans of verhalenbundels niet zonder problemen uitlezen. Die zijn zo veel minder geslaagd dan zijn beschouwend werk. Zijn kracht ligt er niet.

Vreemd pakhuis verscheen ook bij een andere uitgever dan voorheen. En in die zin moet ik opmerken dat ik het papier van deze uitgave wel erg snel vind vergelen, en er mij ook te veel lettertekens per regel worden gebruikt.

Dat helpt allemaal niet mee.

Dus ja, mijn oordeel van die eerste lezing blijft staan. Het is niet zijn beste bundel, al betekent dat wel dat dit boek nog altijd heel wat meer fraaie verwoordingen en scherpe waarnemingen bevat dan bijna alles wat er verder verschijnt. Het is alleen net of ik die beschouwingen over bijvoorbeeld poëzie of die over poep elders al eens puntiger en beter bij hem heb gelezen.

Gelukkig maakte het recente boek Demonen veel meer indruk. Misschien had ik dat beter kunnen gaan herlezen.

Gerrit Komrij, Vreemd pakhuis
Verspreide stukken

274 pagina’s
Uitgeverij De Bezige Bij, 2001