Markt van welzijn en geluk ~ Hans Achterhuis

Delen van dit boek zijn inmiddels achterhaald. Nergens in Nederland zal de Marxistische Andragogie nog worden bestudeerd, al weet ik natuurlijk niet precies wat er allemaal in de Oost-Groninger dorpshuizen gebeurt. Die manier van naar de werkelijkheid kijken is inmiddels wetenschapsgeschiedenis geworden, en de kritiek daarop helemaal.

Bovendien is niet vreselijk boeiend dat Hans Achterhuis veel ruimte neemt om enkele boeken van Ivan Illich en Michel Foucault in eigen woorden na te vertellen. Illich schrijft beter dan Achterhuis, het is prettiger om die zelf te lezen. Zijn conclusies lijken ook onverkort overgenomen te worden. Weliswaar legt Achterhuis uit wat die in de Nederlandse verhoudingen betekenen, maar hij kijkt daarbij niet of Illich’s constateringen wel helemaal houdbaar blijven, en of er misschien ook accenten verschuiven.

Voor mijn speurtocht naar ideeën over De Nederlandse Identiteit was het lezen van dit boek nauwelijks van waarde.

En toch.

Wat priester/filosoof Illich aan de orde heeft gesteld in boeken als The Medical Nemesis of Deschooling Society is van zo’n fundamentele waarde, dat er nooit genoeg aandacht aan geschonken kan worden. Ondanks alle verwijzingen naar Marx.

Samengevat komt dit er op neer dat eenmaal gevormde instituties kunstmatig vraag gaan creëren om hun bestaan te rechtvaardigen, en andere maatregelen nemen om het systeem dat zij vertegenwoordigen te versterken. Als het eenmaal regel geworden is dat kinderen onderwijs op een school krijgen, wordt thuisonderwijs strafbaar.

Onderzoek naar de effectiviteit van zulke ontwikkelingen wordt zelden verricht; daarvoor worden ze als te normaal gezien.

Illich heeft het ook over iatrogene ziekten; aandoeningen die door de geneesheer ontstaan zijn vanwege verkeerde medicatie, of zelfs simpelweg de diagnose. Het sterftecijfer daalt ook altijd behoorlijk als doktoren ergens staken.

Overigens beseft Achterhuis nu toch wel dat onmogelijk vol te houden is dat het aanbieden van nieuwe vormen van zorg alleen maar slechte kanten heeft. Eisen onder de bevolking veranderen; wat als normaal wordt aanvaard verandert in de loop der tijd.

Het aardigste aan dit boek was voor mij de opmerking dat ‘het prostitutiemodel’ het best werkt om de hulpverlening te beschrijven. Klanten mogen even heel dichtbij komen, daar betalen ze ook voor, en in ruil krijgen ze een momentje professioneel begripvolle aandacht. Het klinkt ook logisch.

Voor de rest maakte dit boek een merkwaardig gedateerde indruk voor een werkje van amper vijfentwintig jaar oud.

* zie ook de Illich citaten en verwijzingen op mijn weblog

Hans Achterhuis, De markt van welzijn en geluk
Een kritiek van de andragogie

271 pagina’s
Uitgeverij Ambo, 1980

Met alle geweld ~ Hans Achterhuis

Boeklog is een vrijwel dagelijks verslag van mijn fascinatie voor geweld. En nee, dat wist ik ook niet. Geen idee zelfs. Pas na het lezen van Met alle geweld drong dit gegeven tot mij door. Te veel schrijvers, en boektitels, die de filosoof Hans Achterhuis in dit grote werk behandeld heeft, kwamen de afgelopen jaren ook op boeklog langs.[1]

Dit maakte het lezen van dit boek tot meer dan een passieve bezigheid. Ik merkte de afgelopen jaren onbewust toch een groot aantal ideeën te hebben gevormd over macht en onmacht, en daarmee over geweld. En misschien daarom ook overtuigde Achterhuis me uiteindelijk niet.

Hoe dik Met alle geweld ook zijn mag, het mist voor mij iets. Er ontbreekt een kern. Als literatuurstudie van wat er relatief recent in romans, door filosofen, of door primatologen geschreven werd over bijvoorbeeld agressie mag dit een voorbeeldige uitgave heten. Maar er ontbrak me te zeer een synthese. Het leek of Achterhuis het hele onderwerp te verschrikkelijk vond om over na te denken, en daarom liefst alleen beschreef wat hij op een afstand kon houden.

Hans Achterhuis bleef problemen houden om vast te stellen waarover hij nu eigenlijk schrijven zou. Een heel hoofdstuk uit het begin van het boek heet ook: ‘Op zoek naar een definitie’. En hij komt dan uiteindelijk via een geleend citaat tot een soort werkhypothese bestaande uit vier elementen:

Geweld bestaat dan in ‘het min of meer intentioneel toebrengen of dreigen toe te brengen van schade aan mensen of voorwerpen’. [78]

Maar vervolgens bleef hij het mij toch te veel in extremen zoeken. Als oorlog. Of moord. En volgens mij zocht hij daarmee randverschijnselen op. Uitersten. Waarover lang niet altijd uitspraken van een algemenere aard zijn te doen. Behalve dan misschien dat Achterhuis telkens probeert te schrijven over wat er gebeurt als alle normale regels wegvallen, en alleen een recht van de sterkste regeert. En probeert te verklaren waarom dit kan voorkomen.

En ja, ik zie dat Hans Achterhuis daarbij het onderscheid handhaaft dat Hannah Arendt ooit bedacht, tussen geweld en machtsuitoefening door de staat. Maar ik vind dat verschil te clean theoretisch. Voor mij begint geweld al op een heel wat onschuldiger lijkend niveau. Waarbij er ook al schade optreedt.

Zo kan dit boeklogje als een verbale gewelddaad gezien worden, omdat ik afdoe aan wat Hans Achterhuis heeft geschreven. En wie ben ik dan wel om dat te zeggen?

Tegelijk, als ik in het koor meezing dat het boek al bejubeld heeft, buig ik onder een bepaalde maatschappelijke druk — zoals vertegenwoordigd in al die blij verheugde critici — die luidt dat een emeritus hoogleraar filosofie, met een grote bibliografie, bij voorbaat al gelijk heeft.

Ook al omdat dit boek zo dik is.

Die collectieve druk ervaar ik als gewelddadig. Al leidt die nu dan niet tot zelfcensuur, omdat ik hier wel hardop durf te blijven nadenken; en omdat Hans Achterhuis niet van mijn woorden zal wakker liggen. Maar in vergelijkbare gevallen zal ook ik wel degelijk aan deze krachten toegeven. En me dan op de vlakte houden. Of gewoon alle uitspraken vermijden. Omdat meelopen naar waar de menigte heen wil meestal zo veel makkelijker is.

Het is niet helemaal toevallig dat ik dit boeklogje publiceer aan de vooravond van 9 november; daags voor herdacht wordt dat de Muur viel in Berlijn, en spoedig het failliet van het Communisme kwam. Omdat mij het leven in het toenmalige Oostblok ook veel zegt over welke vormen van geweld er bestaan om mensen te dwingen tot gedrag.

Komt er in het ‘vrije westen’ evenzogoed dwang voor; al dan niet met fluweel bekleed.

Zoals er een banaliteit van het kwaad bestaat, is er voor mij ook iets als een banale vorm van geweld. En ik denk dat ook die de duidelijkste manifestatie krijgt in blind druk uitoefende bureaucratie; waaronder het zo makkelijk is om misvormd te worden. Hoeven de ambtenaren nog niet eens corrupt te zijn; kunnen ze zelfs menen mij zo goed mogelijk van dienst te zijn, binnen alle beperkingen van het wettelijk kader.

Laat me dicht bij het thema blijven. Juist dat ik weigerde om tot moordenaar opgeleid te worden, de militaire dienstplicht verwierp, en de procedure om tot gewetensbezwaarde erkend te worden in al zijn krankzinnigheid meemaakte, heeft me als niets anders doordrongen van mijn intrinsieke machteloosheid, zodra de overheid met al zijn instanties, regels, en procedures iets met mij wil dat ik vertik. Waarbij alle willekeur nog eens extra schrijnde. Vrouwen niet twee jaar van hun leven hoefden op te offeren aan het leger, tweederde van de jongens geboren in mijn jaar al evenmin.

Teleurstellend vond ik ook dat Achterhuis pas in de epiloog de notie lijkt op te pikken dat geweld weleens nut kan hebben. Dat geweld alleen daarom al niet uit te roeien is. En dat inzicht komt dan ook nog bij anderen weg. Uit een programmaoverzicht van de NWO pikt hij op dat:

conflicten en strijd een onontkoombaar deel uitmaken van de menselijke werkelijkheid. Te vaak worden ze alleen maar negatief gezien en probeert men ze totaal uit te bannen. Dat wordt volgens het eerste uitgangspunt van het programma juist omgedraaid: ‘Onderzoek en theorievorming kunnen veel baat hebben bij een sterkere gerichtheid op andere dan alleen de destructieve functies van conflicten.’ Wie oog krijgt voor de positieve mogelijkheden van conflicten, zo luidt een tweede utgangspunt, krijgt ook de mogelijkheid om de-escalerend te werken, […] [717-718]

Hoeveel ondernemers nemen zich niet voor om de concurrentie te beschadigen, en ontlenen daar hun motivatie aan? Hoeveel menselijke vooruitgang is er niet te denken aan gesublimeerde agressie? Uit de wil om radicaal te willen veranderen wat er niet deugt?

En goed, dan is er natuurlijk een grens in wat er kan om die gewenste veranderingen te bewerkstelligen. Alleen wordt het vervolgens moeilijk om te definiëren waar zo’n grens ligt. En daarbij lijken mij de inzichten van filosofen, en wat zij aan redeneermethoden hebben ontworpen, nu juist nuttig gereedschappen.

Politici, bijvoorbeeld, hebben het in dit namelijk makkelijker. Voor een politica als Margaret Thatcher was Nelson Mandela tot vlak voor zijn vrijlating van Robbeneiland altijd nog gewoon een terrorist.

Tegelijk zijn er bibliotheken gevuld met filosofische teksten over politieke theorie, en de betekenis van geweld daarin. En dit maakt het zo vreemd dat Hans Achterhuis daar vrijwel alles van negeert; en bijvoorbeeld slechts Abram de Swaan aanhaalt, als autoriteit die het heeft over wat een Staat zijn burgers kan aandoen.

Alsof in klassieke tijden al niet de vraag gesteld werd wanneer tirannicide geoorloofd is.

Alsof er nooit is nagedacht over de betekenis van het juridische begrip dat een staat het geweldsmonopolie heeft. Neem bijvoorbeeld alleen de uitspraak van Russell, dat ja, een overheid zo een macht moet hebben. Maar tegelijk nooit een goede overheid kan zijn, tenzij dit machtsmiddel hoogst zelden wordt ingezet.

Alsof ambtenaren niet met de beste bedoelingen levens grotesk kunnen beïnvloeden, zoals ik hierboven al schreef. Of politici, die al helemaal bij waan van het moment leven.

Nogmaals, voor mij begint geweld niet bij de extremen. Neem nu maar een actueel voorbeeld, over het schaduwbestaan van u en mij in allerlei overheidsdatabases. Als een overheid mij op deze wijze burgerrechten afpakt, of die ernstig beperkt, puur omdat deze overheid dit kan, ervaar ik dat als een gewelddaad. Kan de Tweede Kamer daar honderd keer mee hebben ingestemd. En dat de kabinetten Balkenende zulke maatregelen invoeren met als argument zo beter de terroristen te kunnen bestrijden — omdat Nederland dagelijks nog immer grote gevaren loopt, volgens diezelfde overheid, die twee keer de agressor meehielp bij invasies in moslimlanden — is daarbij helemaal een gotspe.

Enfin, filosofen houden zich op een veel abstracter niveau met de actualiteit bezig. En boeken moeten nooit besproken worden op wat erin ontbreekt. Is er dan werkelijk niets goed over Met alle geweld te zeggen?

Nu ja, wat Hans Achterhuis beschrijft, doet hij goed. Dat hij probeert te begrijpen waaruit geweld voortkomt, is telkens zichtbaar. En zelfs hoe hij boeken leest, is interessant om mee te krijgen.

En tegelijk werd voor mij bovenal duidelijk dat ik het als leek zo veel makkelijker heb om gedachten te vormen dan hij, als autoriteit. Dat Achterhuis eens zijn licht opstak bij Frans de Waal, om te kijken hoe de andere primaten geweld hanteren, is niet vreemd. Wel is opvallend dat het lijkt of hij nu pas, in zijn emeritaat, die vrijheid nam om buiten de door filosofen platgetreden paden te gaan.

Want zoals al gezegd, zelfcensuur, zoals het negeren wat andere wetenschappen aan nuttige kennis kunnen bergen, is voor mij toegeven aan een vorm van geweld. En zo geredeneerd wordt voor mij al interessant om na te gaan waarom ik dan toch soms bewust beperkingen opleg aan mijzelf.

Hans Achterhuis, Met alle geweld
Een filosofische zoektocht

793 pagina’s
Lemniscaat, 2008
  1. Achterhuis bekeek onder meer werk van Noam Chomsky, J.M. Coetzee, Charles Darwin, Richard Dawkins, Daniel Dennett, J.A.A. van Doorn, Wijnand Duyvendak, Norbert Elias, Marjolijn Februari, Theo van Gogh, John Gray, Eric Hobsbawm, Milan Kundera, Michel de Montaigne, Abram de Swaan, Dubravka Ugresic, Frans de Waal, en Koos van Zomeren. Waarbij ik twee keer nog zo veel namen had kunnen noemen, maar dit nalaat omdat wat op boeklog over hen staat, geen verband heeft met Achterhuis’ boek. []

Opdracht van de politiek ~ Dirk de Schutter

Dit boekje biedt de weerslag van de eerste Hannah Arendt-lezing, zoals die in 2006 in Nijmegen werd gehouden. Ik heb het tamelijk blind uit een bibliotheekcatalogus gekozen, omdat het als een mij onbekende publicatie bij de auteur Hans Achterhuis vermeld stond.

Maar Achterhuis was ditmaal slechts co-referent.

Belangrijkste spreker bleek Dirk de Schutter te zijn geweest; en dat is niet iemand waarvan ik nog eens iets uit mijzelf zal lezen. De man denkt nogal slordig, en misschien daardoor opvallend schril en extreem. Het was zelfs een straf hem bezig te zien de denkbeelden van de filosofe Arendt uit te leggen, zoals die bijvoorbeeld beschreven staan in Origins of Totalitarianism. Wat hij daar aan eigenheid inlegde, klonk mij in de oren zoals een haperend krijtje op een schoolbord piept.

Achterhuis blijft beleefd in zijn reactie op die lezing. Dodelijk beleefd. Dat was dan nog wel aardig om te lezen.

Zoals Achterhuis eerder betoogde in Politiek van goede bedoelingen reikt Arendt ons nuttige middelen aan om onderscheid te maken in wat overheden allemaal aan het doen zijn. Om gradaties van erg aan te brengen, zoals ik dat zelf altijd wat gemakzuchtig formuleer. Alleen door ziend te kijken, zijn we tot adequate reacties in staat. Dit klinkt als het intrappen van een open deur. Maar alleen diagnoses die gebaseerd zijn op kennis van de symptomen, leveren iets op — en die vereisen wel een vaardigheid om te weten waarop te letten. Hannah Arendt heeft bijvoorbeeld ooit een heel bruikbaar onderscheid aangebracht in de verschillen tussen machtsuitoefening en geweld. En hoewel haar denkwijzen een groot nut hebben om tot eigen inzichten te komen — Achterhuis raakte ooit zelfs verliefd op haar ideeën — zijn ze toch ook weer niet geheel zaligmakend.

De Schutter verklaart haar misschien wel al te zeer heilig, dat is ook een probleem.

meer Achterhuis op boeklog

Dirk de Schutter, Hans Achterhuis, en Erik Borgman,
De opdracht van de politiek
Hannah Arendt over totalitarisme en bureaucratie

88 pagina’s
Damon, 2007

Politiek van goede bedoelingen ~ Hans Achterhuis

Dit essay van de filosoof Achterhuis is van even na de luchtoorlog tegen Kosovo, eind jaren negentig. Toen Nederland zich van de ene dag op de andere ineens in een oorlog bevond, elders in Europa. Dit gaf Achterhuis aanleiding genoeg om zich af te vragen waarom hij die betrokkenheid instinctief afwees.

Welke doelen werden er eigenlijk nagestreefd met die vijandelijke inmenging? Hoeveel daarvan waren enkel holle retoriek? Bühnepraat, en anders niet…

En wat werd er dan wel met die oorlog bereikt? Of anders gezegd, wat waren precies de negatieve gevolgen?

Achterhuis baseerde zich in dit essay vooral op het werk van Hannah Arendt, en Machiavelli. Al blijkt hij ook nog aardig wat prijzenswaardigs aan een boek van de geschiedtheoreticus Ankersmit te kunnen ontlenen. En met dit filosofische instrumentarium ontleedt hij dan onbarmhartig de uitspraken van de boven ons gestelden, om zo het doorgaans totale gebrek aan visie dat daar uitspreekt aan te kunnen tonen.

In die zin is dit een somber stemmend boekje. Politiek is de showbusiness van de lelijkerds en de talentlozen, ik heb dat hier vaker betoogd. Maar het blijft pijnlijk om te zien hoe die lelijkerds en talentlozen zich het nieuws inwringen als zij iets hebben waarmee zij zich daarmee kunnen profileren als krachtige persoonlijkheid.

Maakt niet uit als daarmee internationale verdragen eenzijdig worden opgezegd. Maakt niet uit als daardoor elders doden gaan vallen.

En zelfs als politieke liefdadigheid wel goede bedoelingen heeft, dan nog kent die smerige kanten, al was het maar door de afhankelijkheid die het kweekt.

Zo bekeken laat Achterhuis ook zien welke mechanismen zullen hebben gespeeld bij de beslissing van Balkenende’s CDA om mee op kruistocht te gaan met die wedergeboren Christen uit het Witte Huis. Of hoe de retoriek ontstaat die ons kabinet nu weer bezigt om een langer verblijf in Uruzgan te rechtvaardigen, zonder dat daarbij ooit wordt uitgelegd hoe lang de stammenstrijd in die regio al woedt. Want Afghanistan is een bedacht land, maar geen politicus die zich ook maar enige rekenschap geeft van dat gegeven.

Hans Achterhuis, Politiek van goede bedoelingen
144 pagina’s
Boom, 1999

Utopie van de vrije markt ~ Hans Achterhuis

Achterhuis heeft veel vaker over de aantrekkingskracht van utopieën gepubliceerd. Wat mede komt omdat hij niet altijd even weerbaar was tegenover denkers met absolute ideeën. Maar over de utopie van het ongebreidelde kapitalisme, die staande houdt dat de markt zich immer zelf zal corrigeren, schreef hij niet eerder.

Een probleem lijkt me ook om te ontdekken waar deze gedachte voor het eerst postvatte.

Bovendien moest er eerst een wereldwijde financiële crisis komen, voor dit onderwerp actueel werd. Of misschien beter: tot er weer eindelijk publiek te vinden zou zijn voor oppositie tegen de blinde marktverheerlijking. Marx leek met de val van het Communisme doodverklaard.

Hans Achterhuis koos ervoor dit onderwerp te benaderen via een ander boek. In 1997 had hij namelijk het werk van de Russisch-Amerikaanse schrijfster Ayn Rand ontdekt, via haar voornaamste roman Atlas Shrugged. Hij vond dat meteen al een meeslepend boek; hij geeft het na herlezing zelfs nog steeds vier van vijf mogelijke sterren.

En deze Ayn Rand zou grote invloed hebben gehad op Alan Greenspan. Dat is de voorzitter van de Amerikaanse Federale bank, onder wiens leiding zo veel beperkingen op riskante financiële constructies werden afgeschaft, en zulke onmogelijke bubbles ontstonden. En dat waren nu net de redenen voor de crisis.

Rand heeft verder onder meer het Objectivisme als filosofie gegrondvest. Achterhuis meent dat de ideeën van deze denkrichting — die bijvoorbeeld stelt dat de mens zijn eigen geluk moet najagen door een rationeel egoïsme — een veel grotere uitwerking hebben gehad op de Amerikaanse samenleving dan wij Europeanen beseffen. Atlas Shrugged geniet enorme populariteit in de VS, zij het alleen niet in academische kringen. Uitleggen waar dit boek voor staat, maakt het daarmee ook mogelijk een heel gedachtegoed te karakteriseren.

Vandaar dus dat de roman uitvoerig aandacht krijgt in De utopie van de vrije markt. Ja, haast als leidraad dient voor het hele boek.

Ik moet zeggen dat ik daar om enkele redenen enorme moeite mee heb. Alsof in de VS al niet altijd een ‘frontier’ mentaliteit bestond die uitgaat van totale zelfredzaamheid. Voeg daar enkel een vleugje Weberiaans calvinisme aan toe, en ineens valt op dat Rand slechts varieert op wat er al leefde.

Mijn tweede bezwaar bestaat uit een instinctief, en dus emotioneel wantrouwen. Ik leerde de naam Ayn Rand al ruim voor 1997 kennen, en mijn associatie daarbij is nog altijd niet goed. Want als er in een interessante discussie online iemand onbedaarlijk bot en hondsvervelend dom het eigen gelijk ging zitten tamboereren, was dat altijd een trol die dan Rand als goddelijke autoriteit citeerde.

Ayn Rand heeft felle en actieve missionarissen. Maar Achterhuis beseft dat veel te weinig. Hij denkt bijvoorbeeld dat het iets zegt dat Atlas Shrugged en The Fountainhead zo hoog scoren op de lijst met publieksvoorkeuren van The Modern Library. Terwijl die ranglijst via een internetverkiezing tot stand kwam, en ieder ander dus meteen duidelijk is dat deze door een campagne van Rand’ters vertekend werd. Want, wie anders heeft zo’n actieve fanclub online? [Ook dat wordt trouwens perfect duidelijk uit de lijst: Scientology. Nog zo’n sekte.]

Achterhuis constateert zoiets als dat de Jehova’s getuigen verreweg de grootste en belangrijkste religie in Nederland zijn, omdat die het vaakst bij hem aanbellen.

De voor mij enig interessante vraag, waarom Rand’s ideeën zo aanslaan bij mannen die zo graag de psychopaat uithangen online, of andere volstrekte idioten, zoals een Pamela Geller en haar ‘Atlas Shrugged’-weblog, stelt hij helaas niet. Terwijl dat me toch wezenlijke punten lijken. Het is merkwaardig om een ideologie niet te willen beoordelen op zijn fundamentalisten.

Dat leidt me tot een derde en wezenlijker bezwaar. Omdat ik De utopie van de vrije markt rijkelijk ahistorisch vind. Alsof in de zeventiende eeuw niet al ineens rondom wereldlijke leiders beperkingen op de markt wegnamen, want daar groeide de welvaart zo prettig van. Alsof er niets geschreven is over vrije marktwerking toen het Verenigd Koninkrijk ineens toch handelsbeperkingen en andere restricties ging invoeren in de negentiende eeuw. Alsof er nooit iets gezegd is over de verhouding tussen markt en staat in de periode voordat politici de noodzaak van enige breidel inzagen — of de macht daartoe kregen.

En helemaal in de depressie van de jaren 1930, bijvoorbeeld in de tegenstand tegen Roosevelt’s New Deal-beleid, werd door velen toch duidelijk steevast fel de zegen van vrije marktwerking verkondigd. Zelfs als was die dan misschien gekleurd door een weerzin over wat als een opgedrongen staatssocialisme werd gevoeld.

Ayn Rand’s eerste roman The Fountainhead kwam pas uit in 1943.

Dat ze als auteur ideeën heeft opgepikt die speelden in haar tijd, en zij als immigrante — uit een Communistisch geworden land met een planeconomie nota bene — belangrijk achtte, lijkt me niet vreemd. Maar om haar dan met terugwerkende tot een grondlegster te benoemen van het ongebreidelde marktdenken, is hoogst merkwaardig.

Hans Achterhuis kijkt in de tweede helft van het boek ook veel te oppervlakkig naar wat een select rijtje aan andere denkers aan ideeën over de economie hebben voortgebracht. Iemand als Hayek behandelt hij daarbij wel, maar te terloops — omdat diens The Road to Serfdom nu net na 1989 in politieke kringen aantoonbaar meer invloed heeft gehad dan Rand. Zwijg ik nog over al die economen samen, die een klimaat creëerden waarin zij een status als onfeilbare zieners kregen; als er ergens utopisten aan te wijzen zijn, dan toch zeker onder deze lieden wel. Maar Achterhuis interesseert het te weinig hoe economieën zich historisch ontwikkeld hebben door technologische vindingen, dogmatische raadgevers, en politieke besluiten. Voor hem volstaat het de wereld te verklaren vanuit het idee dat Alan Greenspan weleens Ayn Rand heeft gelezen. En met zijn projectie van ideeën op een werkelijkheid, en het dan alleen behandelen van die ideeën, krijg ik dus steeds meer moeite.

Ja, als model werkt dat misschien. En dus als een manier om onwetenden te kunnen onderwijzen. Achterhuis zal werkelijk menen de beste metafoor te hebben gevonden om de kracht van éen ideeëngoed te kunnen toelichten. Maar verder?

Achterhuis zou eens moeten nadenken over de utopie dat wijsbegeerte de beste vragen stelt.

Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt
319 pagina’s
Lemniscaat, 2010

Werelden van tijd ~ Hans Achterhuis

In 2003 deed dit essay me niet zo veel. Nu keek ik of een herlezing me wat tegenwicht kon bieden tegen Gleick’s boek over de haast in deze tijd. Gleick is een journalist, die opmerkingsgave paart aan een toegankelijke manier van communiceren. Alleen was zijn boek uiteindelijk toch wat luchtig. Achterhuis zou me meer zicht kunnen bieden op de belangrijke grote lijnen, zonder dat ik nu al te grote verwachtingen had erg door hem vermaakt te zullen worden.

Dit idee kwam redelijk uit.

Mooi is namelijk dat Achterhuis het prettig ruim ziet. Eeuwen zijn niets voor hem, en de wereld is een kibbelend dorp vanuit dat perspectief.

Jammer alleen was dat hij een invalshoek koos die ik niet heel bijzonder vond. Er is vaker geschreven over dat discipline maakte dat Europese landen als Nederland zo succesvol werden in de wereld, bijvoorbeeld als koloniale macht. Nogal wat boeken over de geschiedenis van de technologie ook gebruiken de klok of de tijdrekening als voorbeeld, om aan te geven hoe mensen door de eeuwen heen hebben gepoogd meer greep te krijgen op hun bestaan. En hoe zij zich al doende, disciplines oplegden.

Tegelijkertijd staat er genoeg in dit boekje dat mij tot verder denken aanzet. Zelfs al zijn sommige ideeën volgens mij betwistbaar, omdat hij die op de werkelijkheid projecteert, zonder dat deze daar ineens eenvoudiger door te verklaren wordt.

Zo onderscheidt Achterhuis de ‘lege tijd’ van nu; waarin er geen culturele of religieuze bezwaren bestaan om bepaalde uren in te vullen. Die plaatst hij tegenover de ‘gevulde tijd’ van religies en premoderne culturen; waarin wel die taboes bestaan. Winkelen mag dan niet op zondag, eten is overdag tijdens de Ramadan verboden, en nog zo wat meer.

Ik voel me anders nog steeds bezwaard onder kantoortijd niets te doen, en vrolijk buiten te wandelen. Zelfs al is het mijne een vrij beroep zonder vrije weekenden of doorbetaalde vakanties.

Zwart-wit indelingen bestaan bijna nooit.

Hans Achterhuis, Werelden van tijd
79 pagina’s
Maand van de filosofie © 2003