dit is het dossier:

Greet Andringa

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

Ikarusblau ~ Greet Andringa

Nog niet eens zo lang geleden veranderde er iets fundamenteels aan de hele mensheid. Pas sinds het einde van 2008 wonen er meer mensen in de steden dan op het platteland. En dat is een verandering die goed te begrijpen valt. Zelfs de allerarmsten hebben een beter leven in de stad dan op het platteland, omdat ze er meer voorzieningen met anderen kunnen delen. Want die voorzieningen zijn daar tenminste.

De ontwikkeling dat mensen naar de steden trekken is ook niet nieuw. Stadsleven was alleen al die duizenden jaren lang zo ongezond dat de meeste mensen er te vroeg dood gingen. Steden konden pas in de twintigste eeuw in grootte exploderen, toen er zoiets elementairs als schoon drinkwater beschikbaar kwam, het riool werd uitgevonden, en er goedkope methoden waren bedacht om het eten hygiënisch te bewaren.

Ik heb nog altijd het idee dat dé grote Friese roman, zo die ooit geschreven kan worden, iets met dit oerthema zou moeten doen. En over die trek van de periferie naar het centrum hoort te gaan. Simpelweg omdat schrijvers vaak intelligent genoeg zijn om iets gestudeerd te hebben, en zo’n studie voor een Fries al gauw betekent dat hij of zij de provincie uit moet, eenmaal achttien jaar geworden. Waarna het voor de meesten vervolgens vrijwel onmogelijk blijkt te zijn om terug te keren. En er toch die emotionele verhouding tot de geboortegrond blijft bestaan. Er die taal kan zijn, bovendien, van thuis, die nergens anders nog nut heeft.

Iets van dit ideaal zag ik terug in de Friestalige roman Ikarusblau, van Greet Andringa (1971), maar dan toch heel anders dan gedacht. En gelukkig ook maar.

Deze uitgave is al haar vierde boek. Nadat ze met een verhalenbundel debuteerde, de roman Libben reach publiceerde 2008, en het geschenkboek schreef voor de Maand van het Friese boek in 2010.

Ikarusblau biedt een terugkeer naar het Friese platteland uit een jeugd. Alleen waren de omstandigheden daar niet helemaal Fries, en zeker niet eeuwig; eerder slechts typisch voor de jaren zestig en zeventig. Eén van de kernvragen in het boek is namelijk hoe het erom toe ging in een commune vol idealisten in een boerderijtje buitenuit. En hoe een kind daar opgroeit tussen mensen die allemaal een tik van de zweefmolen lijken te hebben gehad. Waarbij vader er telkens nieuwe vriendinnen op na houdt, niet zelden zelfs meer dan éen tegelijk, en moeder vooral omgaat met iemand die vader niet is.
 

Zonder kwaal geen verhaal
De hoofdpersoon in dit boek heet Tys. En Tys is geen gelukkige man. Hij werkt als wiskundeleraar op een middelbare school in de stad. Dat werd hij niet uit roeping. Ooit waren er grote plannen om een baanbrekende dissertatie te schrijven. Alleen bleef dat erbij, en werd die ambitie begraven.

Bovendien is Tys minder gezond dan zou kunnen. Hij kropt zijn onvrede op, waardoor hij weleens onmachtig wordt door hyperventilatie.

Overigens is er met vrijwel alle mannen in de roman wel wat mis. Wat enerzijds natuurlijk nodig is om een verhaal te krijgen. Maar anderzijds alle vrouwen wel erg praktische en grootmoedige wezens maakt.

Tys heeft een lief, genaamd Immy. En zij zorgt ervoor, met zachte hand, dat Tys eindelijk eens met zijn vader gaat praten over dat verleden, in die commune. Die plek waar alles mocht, en iedereen welkom was, en de liefde vrij werd rondgedeeld.

Tegelijk weet Tys heel goed niet uit een paradijs te komen. Ooit leefde er namelijk een ander kind in de commune. Een jongen met de naam IJsbrand, die iets ouder was als hem. En die toch even makkelijk weer werd uitgestoten, toen hij niet leek te deugen, als hij was opgenomen. Het jong had zijn naam ook niet mee. [1]

Bovendien ligt er het harde feit dat Tys zijn moeder jong gestorven is. En dat hij dit zijn vader verwijt. Omdat hij met zijn gezweef haar de gang naar de dokter belette. Waardoor een op zich simpele kwaal, die tegenwoordig met een injectie voorkomen kan worden — zoals Andringa opmerkt, die in het dagelijks leven dokter is — tot baarmoederhalskanker leidde. En daarmee de dood.

Daarmee scharniert het boek om een confrontatie, tussen vader en zoon. Bovendien zet Greet Andringa daarbij twee uitgesproken tegenpolen tegen over elkaar — wat op zich al veel zegt. Tys, de man die alles opkropt en niet over zijn emoties praten kan, en nu ineens toch wil. En Wouter, de ooit zo charismatische communeleider, die altijd zo makkelijk woorden vindt dat hij daarmee steevast iedereen betoveren kan.

Dat deze ontmoeting in het boek dan niet spettert, viel me in eerste instantie wat tegen. Terwijl ik me later bedacht dat confrontaties in werkelijkheid zelden heel groots uitpakken. Eerder is een verregaande lulligheid te verwachten. Dat mensen om de zaak heen praten, en van elkaar wegkijken, is aanzienlijk waarheidsgetrouwer. Greet Andringa heeft dus het realistische scenario gevolgd.

Het is ook heel moeilijk om een confrontatie goed te beschrijven, of om die geloofwaardig te filmen. Misschien gaat het hier wel om de meesterproef voor elke schrijver of regisseur. Misschien is het daarom geen wonder dat confrontaties, waarin het ene personage werkelijk lijnrecht tegenover het andere staat, meestal vermeden worden in fictie. Let daar maar eens op. Zulke scènes bepalen te veel; die zijn al gauw alles wat iemand van een boek of film herinnert. Die worden het duel met revolvers in de verder lege hoofdstraat, als de zon zijn hoogste punt bereikt. Een tumbleweed waait langzaam voorbij.

 
Het contract tussen lezer en auteur
In de roman komt het uiteindelijk wel goed met Tys, nadat er een aantal nieuwe mensen in zijn leven bijkwam. En die tournure naar ontspanning en verbetering van zijn leven zet al zo halverwege de roman in. Waardoor zich in de tweede helft van het boek misschien wat weinig nieuwe ontwikkelingen voor doen.

Ik had ook een wat valse start met de roman, waarna het eigenlijk niet meer goed kwam. Al zegt dit allereerst iets over mij, en pas dan iets over de kwaliteit van het boek.

De eerste hoofdstukken zetten mij te zeer tot nadenken aan. En door zulk denken begint eigenlijk de kritiek al meteen, en de neiging om de auteur te willen corrigeren op zijn of haar wegen.

Zo vielen me de eerste regels op die het eigenlijke begin van het boek zijn, na een korte proloog over een vrouw op zolder.

Us húshâlding telt seis soannen, doar ik no wol hast te sizzen. Stik foar stik binne it grutte keardels dy’t op harren heit lykje. Stik foar stik hawwe se harren eigen ferhaal, lykas alle minsken dat hawwe fansels. Mar it ferhaal fan ien fan dy mannen, fan Tys, is dochs krekt wat oars as oars, […] [2]

Geen regels zijn doorgaans belangrijker dan die waar het boek mee begint. Want over geen passage in het boek zal langer zijn nagedacht. Bij films is dit overigens net zo. Het begin vertelt veel meer over wat komen gaat, dan de meeste mensen beseffen.

Alleen had ik dus enkel mijzelf met deze wetenschap.

Toen iets verderop in de roman bleek dat de moeder van Tys al jong gestorven was, botste dit namelijk met de kennis uit die eerste regels. Maar, dit gegeven kwam later allemaal nog goed.

Veel storender was voor mij hoe in het boek de discussie begon over de afkomst van Tys. Want in het dorp, dat vriendelijke terpdorp, speelt al sinds Tys en Immy daar gingen wonen anderhalf jaar eerder, het gerucht dat hij toch wel erg op iemand lijkt. En die gelijkenis valt dan op omdat verder niemand in de streek zo donker van haar is als Tys, en daarbij zo wit van vel.

Daardoor werd ik bladzijde 8 al buiten het boek gegooid. De stilzijgende afspraak tussen de schrijver van fictie en de lezer dat alles wat in het boek staat voor nu even waar is, werd doorbroken. Omdat ik me direct moest afvragen waar in Nederland dan de bevolking nog zo puur en ongemengd is dat de mensen er aan de houding en het uiterlijk van iemand meteen ook diens stamboom aflezen.

En het boek speelt in deze tijd, de personages gebruiken internet.

Bovendien bracht de schrijver enkele hoofdstukken later een voor mij veel aannemelijker gegeven in om die zoektocht naar Tys’ verleden te motiveren. En dat wordt niet gebruikt. Immy raakt dan zwanger. En wat zou er dan logischer zijn om haar, nadenkend over de toekomst, in haar nesteldrang met de vraag te laten spelen wat haar vriend voor vader zal worden. Straks. Want wat heeft hij aan voorbeeld gehad?

Maar dit zijn details, die waarschijnlijk slechts de heel kritische lezers opvallen; de mensen die het boek niet alleen om het verhaal lezen. En ik moet deze aanmerkingen ook maken om iets op te merken te hebben. De boeken van Greet Andringa zitten namelijk heel goed in elkaar. Zelfs al vertellen haar romans hun verhaal nooit in éen keer rechtuit, en hebben de boeken meer van Russische matroesjka-poppen, waarin bij het openen altijd nog éen laag meer zit opgeborgen dan wel gedacht.

Ook speelt mee dat Andringa zo goed kan schrijven dat ik nog meer verlang. Dat ze een pakkend verhaal weet te maken over wat mensen elkaar aandoen, is na drie boeken wel duidelijk. Alleen verandert mijn wereldbeeld bijvoorbeeld niet door de wetenschap dat ook de meeste idealistische communes in de jaren zeventig leiders kregen die allereerst van anderen profiteerden. En dat daardoor mensen vernield zijn.

Als Greet Adringa toch nog iets meer aan wereld in haar boeken deed als deze keer, en wat daarin speelde. Zoals haar wel lukte in het geschenkboek Los sân. De thema’s liggen er. De vragen zijn er.

* Een Friestalige variant op deze tekst verscheen in de papieren uitgave van Ensafh, 4e jaargang nr.1

Greet Andringa, Ikarusblau
176 pagina’s
Friese Pers Boekerij/Uitgeverij Noordboek, 2011
ISBN 9789033009938
Prijs: € 17,50
  1. in Ikarusblau is de naam IJsbrand verfriesd tot Ysbrân []
  2. Onze huishouding telt zes zonen, durf ik nu wel haast te zeggen. Stuk voor stuk zijn het grote kerels die op hun vader lijken. Stuk voor stuk hebben ze hun eigen verhaal, zoals alle mensen dat hebben natuurlijk. Maar het het verhaal van éen van deze mannen, van Tys, is toch net wat anders dan anders. […] []

Libben reach ~ Greet Andringa

Libben reach, de debuutroman van Greet Andringa, zet stevig in. Het boek opent in het ziekenhuis. Waar Geeske aan het bed zit van haar tweejarige dochtertje Tjitske. Dat ligt in coma. En meteen is de vraag of dit kwam omdat ze van de trap viel, of doordat ze geduwd werd door haar moeder.

Geeske heeft dan net een zoontje gekregen. Het kan zijn dat ze daarom aan een postnatale depressie lijdt, en niet verantwoordelijk is voor eigen daden. Of misschien is het anders, en gebeurde alles in een vlaag van woede, omdat ze nu een keer zo in elkaar zit. Wellicht was het gewoon een ongeluk.

De schrijfster gebruikt deze onzekerheid vervolgens om motieven aan te reiken. En daarvoor duikt ze in het verleden. Dat maakt deze roman ook tot een bijzondere familiegeschiedenis, van drie generaties Wiggersma’s — al wordt vrijwel alles via de vrouwen in de familie verteld, en weet ik niet of die altijd deze achternaam zullen hebben gehouden.

Achterin het boek staat een geslachtsregister, om bij het lezen te helpen wie nu precies wie is. En dat is vooral in het begin nodig omdat vrijwel niets rechtstreeks verteld wordt in het boek. In de familie is nogal eens iets gebeurt, waar dan zelden openhartig over werd gepraat. Familieleden krijgen lang niet alles te horen — als ze tenminste nog met elkaar praten — of op zijn best in gedeelten, over een lange tijd verspreid. In Libben reach [‘Leven(d) spinrag’] weerspiegelt de vorm van de roman de inhoud. De hoofdstukken zijn fragmentarisch, en soms krijgt haast ongemerkt ineens iemand anders als Geeske even het woord.

Tegelijk krijgt de lezer op deze manier ook een tal andere opvallende geschiedenissen aangereikt. Zo komt in flarden het intrigerende verhaal van Gauke en Gertrud aan bod, de grootouders van Geeske. Hij werd tijdens de oorlog in Duitsland te werk gesteld, en woonde na 1945 een tijd in de DDR. Dat zijn zo al twee gegevens waar in Nederland nauwelijks of geen boeken over bestaan, laat staan dat er in fictie over geschreven werd. Rijk is de schrijver die zulke verhalen achteloos kan rondstrooien in het psychologische portret van een ander, en zo een verlangen oproept naar meer.

Greet Andringa [1971] is redacteur van het literaire blad Ensafh, en schrijft dit jaar het geschenk voor de maand van de Friese literatuur, die in september wordt gehouden. Ze debuteerde in 2003 met de verhalenbundel De diggels fan Che. In het dagelijks leven is ze arts bij de Verslavingszorg Noord-Nederland.

Haar roman Libben reach werkte voor mij op meerdere niveaus. Er is dat portret van die ene vrouw, dat gekleurd wordt doordat zij haast alles verteld. Er is die nuancering van dat privé-verhaal door die familiegeschiedenissen. En ook zag ik er een studie in naar het ‘Nature or nurture-debat’; die eeuwige vraag of mensen geprogrammeerd zijn tot bepaald gedrag, of dat ze zo worden gemaakt. Andringa is dan weer slim genoeg om haar verhalen in een familie te plaatsen. Waardoor zowel de genen een rol zullen spelen, als de omstandigheden van buitenaf gedrag kunnen triggeren.

Uiteindelijk heb ik slechts twee niet heel zwaarwegende bedenkingen bij het boek. De eerste is dat de taal soms onnodig aandacht voor zichzelf opeist. Korte zinnen. Staan er dan. Heel vervelend. Bij het lezen. Terwijl Andringa’s taal nu juist veel registers heeft die wel effectief zijn, haar taal dan wel daardoor de verhalen ten dienste staan; ongemerkt voor de oppervlakkige lezer.

En met dit debuut is het Greet Andringa nog niet helemaal gelukt om het stilzwijgende contract te vervullen dat een schrijver sluit met de lezer. Bij lezen, of welke andere vorm van hoge of lage cultuur ook, gelden namelijk voorwaarden voor de ruil. Het publiek schenkt zijn tijd en aandacht. En de kunstenaar komt de beloften na waarmee het publiek de voorstelling werd binnen gelokt.

Als een boek dus begint met iets vreselijks, en zo’n roman besteedt vervolgens veel ruimte aan het uitpluizen van motieven, dan moet het einde heel stevig zijn. Dat is een simpele vertelwet, die rechtstreeks voortkomt uit de keuze van de opening.

Libben reach heeft in opbouw geen andere structuur dan bijvoorbeeld het detective-verhaal — en trouwens niet het detectiveverhaal alleen. Ik bedoel dit overigens in het geheel niet denigrerend. Er bestaan namelijk slechts enkele manieren om een verhaal boeiend te vertellen van begin tot eind. Niets uit te sluiten is zelfs dat wij mensen slechts denken volgens een beperkt tal narratieve structuren. Het is daarom raar dat zo veel schrijvers denken dat zulke wetten niet voor hun gelden.

Maar anders dan een detective biedt deze roman geen opzienbare tweede climax, na die eerste zo hevige probleemstelling. Er is wel een soort van openbaring aan het eind, maar die viel me eerlijk gezegd wat tegen. Dus bleef er direct na het lezen toch onvrede hangen over wat dit boek bewerkstelligde. Ook al omdat de schrijfster heeft laten zien dat ze de ambachtelijke beheersing bezit om een roman onvergetelijk te maken.

Die onvrede trok overigens betrekkelijk snel weg. Daarvoor was dit een te goed boek.

Greet Andringa, Libben Reach
256 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 2008
ISBN 978 90 330 0669 2
prijs: € 18,50

Los sân ~ Greet Andringa

Van de drie boeken die ik tot nu toe las van Greet Andringa beviel me dit het best. Terwijl het een kadoboek was, voor de maand van Friese boek in 2010, en aan zulke geschenken toch zo vaak kleeft dat het slechts tussendoortjes zijn.

Misschien kwam het omdat ditmaal de vertelling gewoon tamelijk rechtuit verliep.

Misschien was het omdat het verhaal exotische kanten had, die tegelijk volkomen geloofwaardig bleven.

Los sân is samengevat het verslag van een verblijf in Egypte, van de jonge arts Welmoed, die er een ziekenhuisstage gaat doen. Mede om het Tijdelijk feest dat artsen in armere & warmere landen ziektegevallen te behandelen krijgen die in Nederland alleen nog in de leerboeken staan.

Alleen gaan mensen anders met elkaar om, in een Islamitisch land. Al heb ik dan wel nogal wat ergere beschrijvingen gelezen over hoe de mannen daar naar een jonge blonde vrouw kijken, en wat ze ondertussen met hun handen doen.

Aan achtergrond in het verhaal speelt er vooral de relatie van Welmoed met de jonge boer Evert. En er gebeurt wel wat in het leven van de vrouw waardoor daarin iets kan veranderen.

Maar ondertussen vond ik vooral de beschrijvingen aardig van wat de jonge vrouw meemaakte. Wat slechts illustreert dat schrijven helemaal niet zo moeilijk hoeft te zijn. Plaats iemand gewoon maar in omstandigheden die voor de lezer ook nieuw zullen zijn. Toon hoe zij zich daarbij redt. Welke zekerheden daarbij niet te handhaven zijn. Waarin ze wel toe moet geven.

Het volstaat.

Greet Andringa, Los sân
Kadoboek 2010 Moanne fan it Fryske Boek

104 pagina’s
Friese Pers boekerij, 2010