Marathonloper ~ Abdelkader Benali

Abdelkader Benali werd geïnspireerd om te gaan hardlopen door de TV-beelden die hij zag van Saïd Aouita. Dat was een Marokkaanse atleet die in de jaren tachtig internationaal domineerde op de middellange afstand.

Voor mij gold een beetje hetzelfde. Op mij maakte de marathonloper Gerard Nijboer een bepalende indruk. Eerst door zijn overwinning in Amsterdam, in 2.09. Toen door zijn eeuwigdurende achtervolging door de eindeloos lange en verlaten grijze straten van Moskou, tijdens de Olympische Spelen in 1980.

Ik ging middenafstandlopen, Benali marathons. Nadat hij het eerst geprobeerd heeft op de tien kilometer. En toch is dat hardlopen gemeenschappelijke ervaring genoeg om te telkens te vergelijken hoe hij het beleefde, en wat ik me ervan herinner.

Wat het lezen van dit boek ook raar maakte, is dat ik niet meer kan hardlopen door een slepende knieblessure. Maar het soms wel vreselijk kan missen.

Meestal lees ik romans over mensen waarvan ik blij ben niet zoals zij te zijn.

Maar door die eeuwige vergelijking met mijn eigen ervaringen viel me ook op waarover Benali niet schrijft. Hij blijft behoorlijk netjes bijvoorbeeld. Heeft het alleen expliciet over de marteling die het lopen van lange afstanden voor zijn voeten is. Terwijl hardlopen met het hele lichaam gedaan wordt, waarvan alle onderdelen kunnen reageren op de inspanning.

Enfin.

Dit boek is uit hoofdstukken opgebouwd zoals de marathon afstandsaanduidingen heeft. Iedere kilometer staat aangegeven, net als het punt halfweg. En Benali gebruikt ieder hoofdstuk om iets te vertellen over zijn ervaringen op dat moment tijdens het lopen van de marathon van Amsterdam. Maar omdat dit alleen een erg saai boek op zou leveren, zijn de hoofdstukjes aangevuld met fragmenten uit Benali’s hardloopleven.

Het zijn die opmerkingen naast dat wedstrijdverslag die dit boek voor mij interessant maken. Over hoe het voelt om te hardlopen, hoeft mij dan ook niets te worden verteld. In elk geval las ik daarover niets nieuws. Maar waarom gaat iemand in hemelsnaam hardlopen? Het is een erg zelfzuchtig genoegen.

Benali geeft daarover aan:

‘Is schrijven net als hardlopen niet een egoïstisch genoegen?’
‘Hardlopen is egoïstischer, want in plaats van hard te lopen kan je ook iets schrijven wat anderen zouden kunnen lezen.’ [115]

Abdelkader Benali, Marathonloper
164 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderpers, 2007

Mijn rondje ~ Pieter Cramer & Lean Hodselmans

Ooit werd ik vlak voor een lokale fietsbrug ingehaald door de wielerprof Pieter Weening. Hij reed niet veel harder dan ik. En al evenmin klom hij sneller. Daardoor kreeg ik even de tijd om naar de magerte te kijken van de benen en de kont van een beroepswielrenner. En daar toen eigenlijk wel wat van te schrikken.

Eén dijbeen van mij was zo al dikker dan twee van de zijne.

Weening’s aanwezigheid daar, waar ik die nu net niet verwacht had, liet alleen wel de vraag rijpen wat zoal de lokale routes zouden zijn die de serieuze renners reden. En Bauke Mollema was de eerste die me daarop een soort van antwoord gaf — want de jaarlijks georganiseerde Mollematocht zou naar verluid over wegen voeren waar hij vaak heeft getraind; nee, zelfs zijn lievelingsroutes tonen. En tegenwoordig is er het sociale netwerk Strava. Dat legt automatisch een hittekaart aan van de wegen die elk jaar de meeste snelle fietsers trekken.

Speelt er vanzelfsprekend nog zo veel meer bij de keuze voor een trainingsroute.

Voor de interviewbundel Mijn rondje hebben Pieter Cramer en Lean Hodselmans met 32 fietsers gepraat over een route die zij vaak hebben gereden vanuit thuis. Daaronder zijn actieve wielerprofs, zoals Wout Poels, Steven Kruijswijk, en Laurens ten Dam. En Marianne Vos en Annemiek van Vleuten niet te vergeten.

Nog net wat interessanter waren evenwel de gesprekken met oud-wielrenners. Zoals Peter Winnen, Maarten Ducrot, Joop Zoetemelk, of Fedor den Hertog. Omdat in hun verhalen ook het verleden een dimensie is, waarin ze de dingen toch soms heel anders deden.

Zijn de rest van de interviews gevoerd met Nederlanders die bekend zijn geworden om iets heel anders, en die het fietsen enthousiast er bij doen.

Deze persoonlijke verhalen worden in de tekst afgewisseld met stukken van de routebeschrijving. Waarna zo’n hoofdstuk besluit met een simpel kaartje, en een verwijzing naar een website, die niet meer online lijkt te zijn.

Mijn rondje biedt kortom doelgroepproza van het soort waarvoor ik toevallig heel erg doelgroep was. Alleen vielen zelfs mij na een paar gesprekken al de constanten op. De interviewers wilden namelijk steevast precies dezelfde dingen weten:

Fiets je dat rondje het liefst alleen, of met anderen?
Rijd je altijd eerst tegen de wind in?
Ga je ook fietsen als het slecht weer is? Als het regent?
Wat neem je aan eten en drinken mee?
Stop je weleens onderweg, voor koffie?
Leg je de geleverde prestatie vast? En zo ja, met welke elektronische middelen?

En dat zijn allemaal volstrekt legitieme vragen — in interviews kan de vraag ook vaak niet simpel genoeg zijn om de gesprekspartner tot praten te verleiden. Alleen maakten de auteurs er ook een kwestie van of de fietsers wel een bel hebben. En of ze niet weleens de zonde begaan om met spatborden te rijden.

Toegegeven, de regels waaraan ‘echte fietsers’ zich hebben te houden gaan nog een paar stapjes verder. De interviewers hadden ook nog kunnen informeren of hun gesprekspartners altijd wel keurig witte sokjes aantrokken voor hun rit. Helaas vind ik veel van dat geneuzel al gauw interessantdoenerij. Maar op al mijn fietsen moet het dan ook mogelijk zijn om comfortabel de hele nacht door te rijden, met licht op, desnoods in hondenweer.

Voor mijn eigen rondjes had dit boek overigens amper waarde. De geïnterviewde fietsers wonen in heel andere delen van het land. Enkel Lieuwe Westra reed in Friesland rond. Alleen was diens vaste trainingsrondje er éen richting de kale leegte. Hij reed dan vanuit de Mûnein naar Harlingen, om vandaar over de Waddenzeedijk en Sint Anne terug te fietsen. En die hoek van de provincie is me doorgaans echt te onherbergzaam om me daar vaker dan éen, twee keer in het jaar te wagen. Bovendien hóef ik niet tegen de wind in te trainen om beter te worden, anders dan een prof.

Was het verder heel aardig om over de liefde van oud-schaatser Erben Wennemars te lezen voor de Lemelerberg — want in dat verhaal wist ik tenminste wat hij bedoelde met de lange kant, en de korte kant van die heuvel.

Voor de rest is er als fietser nog heel wat Nederland te ontdekken, voor mij. Enkel de omgeving van de Zevenheuvelenweg, bij Berg en Dal, uit het verhaal van Peter Winnen, kende ik ook. Alleen was dat door het hardlopen ooit. En daardoor nam ik later die route vaak aan het eind van de eerste dag van een fietsvakantie. Om alvast wat te wennen voor als het echt omhoog zou gaan, in de Ardennen.

Pieter Cramer & Lean Hodselmans, Mijn rondje
Trainingsroutes van profrenners en bekende wielerfanaten

280 pagina’s
Nijgh & Van Ditmar, 2013

Schrijvers op reis ~ Privé-domein gaat op vakantie

Een kleine honderd deeltje privé-domein zijn er inmiddels geboeklogd. En dat had een reden kunnen geven om eens een wat langere beschouwing aan deze serie egodocumenten te wijden. Alleen lukt me dat niet. Over een serie is weinig anders meer te melden dan dat niet elk deel dezelfde kwaliteit heeft.

Bovendien is de betekenis van de serie privé-domein al even verandert — wat misschien mede komt omdat de uitgever de reeks heeft laten versloffen. Het meest recente deel, Schrijvers op reis, waarin een reeks aan Nederlandse en Vlaamse auteurs die toevallig een band hebben met De Arbeiderspers een verhaal of fragment publiceren, is op geen enkele manier een hoogtepunt te noemen.

De ondertitel ‘Privé-domein gaat op vakantie’ lijkt me zelfs leugenachtig. In weinig verhalen speelt vakantie namelijk een rol. Een verblijf even elders, à la. Daarmee houdt het gauw op.

Vrijwel geen van de auteurs is trouwens ook onderweg — voor mij altijd het belangrijkste deel van een vakantie — bijna iedereen is al op zijn of haar bestemming; en gauw ietwat losgeslagen daar, doordat in den vreemde zo veel vertrouwds van thuis moest worden losgelaten.

Privé-domein diende me ooit om schrijvers te leren ontdekken. Opname in de reeks alleen al was een aanbeveling. Lang geleden.

Vandaar toch dat ik Schrijvers op reis probeerde. Wellicht dat uit deze verzameling een interessante nieuwe stem zou opklinken die me naar een tot nu toe genegeeerd oeuvre leiden kon. Maar zo’n ontdekking zat er niet bij.

En ja, dat zegt evenveel over mij als lezer, of meer wellicht, dan over de opgenomen auteurs.

Dus blijf ik de deeltjes privé-domein koesteren die me kennis lieten maken met iets, in de jaren tachtig, dat me toen de toegang ontsloot tot wat veel groters. Canetti’s Wat de mens betreft. Handke’s Last van de wereld.

Dus is er de wetenschap ook dat er deeltjes privé-domein bestaan die ik nooit zal lezen, omdat ik die uitgaven al in de oorspronkelijke taal bezit; en daardoor nooit als onderdeel van die Nederlandse reeks heb kunnen zien.

En dus staat de vervelende constatering nog altijd die al deze jaargangen boeklog me bracht: dat heel veel deeltjes privé-domein merkwaardig bescheten bloemlezinkjes zijn van veel grotere egodocumenten. Wat het ook heel moeilijk maakt om nieuwe uitgaven in de reeks werkelijk nog onbevangen in huis te halen.

Schrijvers op reis
Privé-domein gaat op vakantie

264 pagina’s
De Arbeiderspers, 2013
Privé-domein nr. 276

Wie kan het paradijs weerstaan ~ Abdelkader Benali & Michaël Zeeman

Onbetrouwbare vertellers zijn er in fictie volop, maar hoe zit het met auteurs die de geadresseerde telkens overbluffen in brieven? Zijn dat ook onbetrouwbare vertellers? Of moet hen enkel imponeergebas worden verweten…

Het waren telkens opmerkingen van niets in dit boek, tussenwerpsels zelfs, onnodige toevoegingen, waar ik bij aarzelde. Zinnetjes waar geen mens over zou struikelen, maar die mij telkens behoedzaam maakten; als waren het toch dampende drollen op een sneeuwwit tapijt.

Michaël Zeeman vond ik eerder pas interessant toen hij aan een gelijke schreef. Toen hij het ineens niet nodig had om indruk te maken.

Van de weeromstuit lees ik misschien te veel in de mails die hij aan Abdelkader Benali schreef. Michaël Zeeman zag hem nog niet als een gelijke, zo leek me — terwijl Benali wel bezig was aan een oeuvre te schrijven, anders dan hij. Zeeman gaf namelijk telkens les. Ook in de gesprekken die hij en Benali hadden buiten de brieven om.

Zeeman was in 2003-2005, de periode van de e-mailwisseling, correspondent voor de Volkskrant in Rome. Daarvoor was hij bij de krant ontslagen als redacteur. Het fijne over die affaire is nooit naar buiten gekomen. Nog net wel dat Zeeman in het redactiesysteem had ingelogd op andermans account.

Benali had indertijd Italiaanse verkering, kwam daarom met regelmaat in het land.

En de toon van de mails in Wie kan het paradijs weerstaan is doorgaans licht spottend. Roddel over het literaire leven in de Nederlandse hoofdstad volop. En mooi is ook dat de heren elkaar telkens schrijvers en boeken aanraden. Nooit zijn dat overigens boeken van Nederlandse auteurs — want daar wordt niemand meer vrolijk van.

Bovendien brengen de mails directe reacties op actuele zaken van toen. Zoals het optreden van Ayaan Hirsi Ali bij Zomergasten. Zoals de moord op Theo van Gogh daarvan het gevolg.

Dus was het bijna interessant om deze doorgaans vlotte briefwisseling te lezen.

Behalve dan dat me dus telkens van alles opviel aan wat Zeeman schreef. Beweringen ook nog van niets waren dat doorgaans, die helemaal niets toevoegden aan zijn verhaal.

[…] oog in oog met Ayaan Hirsi Ali verdampt alle kritische zin. Omdat ik haar enigszins ken begrijp ik dat wel, maar ik veracht het tegelijkertijd. Alles wat ik tot dusverre aan haar verhalen controleren kon bleek gelogen. Let op mijn woorden: binnen twee jaar hebben wij hier de nieuwe Tara Singh Varma. [147-148]

Is een heel sterke claim, met de suggestie van bewijs, waarbij geen enkel bewijs geleverd wordt. Terwijl buitengewone beweringen nu eenmaal enkel gestaafd kunnen worden met het bijbehorende buitengewone bewijs.

De Herald Tribune is, ten slotte, de beste krant ter wereld. Die toon wordt natuurlijk veroorzaakt door zijn Amerikaanse komaf: de redacteuren en de commentatoren van die krant communiceren inderdaad met de politici die het voor het zeggen hebben in de wereld. Ik lees die krant al vanaf mijn zestiende en heb hem nog bijna geen dag overgeslagen. [163]

Gesteld dat de International Herald Tribune in Dokkum te krijgen was, waar Zeeman op z’n zestiende school ging, wat me niet heel waarschijnlijk lijkt, maar kan, was het ook toen al een soort knipselkrant. Deels gevuld met werk van een eigen redactie, maar grotendeels bestaande uit het beste van de New York Times en de Washington Post toen nog.

Er nog van afgezien dat elke krant een onmogelijk product is, lijkt het me vreemd om een dagblad te bewonderen om zijn commentatoren en redacteuren als de meeste van deze mensen zelf denken voor een heel ander blad te schrijven.

Gisteravond werd bekend dat Czeslaw Milosz gestorven is en dus moest ik een necrologie van hem schrijven. Ik verdwaalde vervolgens in zijn Geboortegrond: ken je dat? Ik ken de contreien waaruit hij afkomstig is tamelijk goed, dus ik kan zo’n boek, eenmaal opgepakt, niet meer wegleggen, ook al heb ik het al gelezen en herhaaldelijk geraadpleegd. [139]

Zeeman beweert hier dus in de goed tien jaar sinds de Sovjet-unie uiteenviel niet alleen Litouwen bezocht te hebben — en dat waarschijnlijk meermaals want waar komt die tamelijk goede kennis anders weg — maar ook de Poolse, Wit-Russische, en Russische gebiedsdelen in de buurt — allemaal éen land nog in Czesław Miłosz’ jeugd, allemaal beschreven in Geboortegrond; zij het betrekkelijk summier. Heeft daarbij blijkbaar geen enkel moeite gehad om visa te krijgen. Wat voor Belarus heel erg bijzonder is. Elders heeft hij het alleen nooit meer ergens over deze regio.

Ik ken de contreien waaruit hij afkomstig is tamelijk goed, […]

Ik herken de bluf die deze man hanteert tamelijk goed. Ook al omdat ik die wat lachwekkend vind. Zeeman wordt er zo’n stakker door. Dus laat me hier maar ophouden voorbeelden te geven. Daar wordt niemand beter van.

En misschien ben ik zelf te zeer geneigd om mijn licht onder de korenmaat te zetten. Ik heb in gesprekken nimmer de neiging om anderen te overbluffen met mijn belezenheid, laat staan hen te verbeteren op hun fouten of misverstanden. Wat ik daarbij denk, is ook beter om voor me te houden.

Alleen moest zo veel hoffelijkheid op boeklog toch maar niet.

[ wordt vervolgd ]

Abdelkader Benali & Michaël Zeeman
Wie kan het paradijs weerstaan
Romeinse brieven

237 pagina’s
De Bezige Bij, 2007