Denken over geld en waarde ~ Karim Benammar sam.

Ergens aan de rand van het auteursrecht; daar waar de boekuitgevers nog altijd geld willen zien, maar leerkrachten en docenten dat domweg niet hebben, strekt zich een wat omstreden gebied uit. Een gedoogzone zo u wilt, waar onderwijsinstellingen doorgaans verblijven door slechts een generieke kopieerbelasting te betalen aan éen van die vele vage inningsorganisaties die in Nederland actief zijn.

Voor mijn studie geschiedenis werden nogal wat teksten gebruikt die in kopie met andere teksten in een bandje waren gestopt. Readers heten deze bloemlezingen bij ons. Klappers, zo heten ze elders. En dan zijn er vast nog meer benamingen voor ook — want zulke bundels met altijd wat onwelriekende en grijze kopietjes komen overal in het onderwijs voor.

En zelden zal de opgenomen auteurs om toestemming zijn gevraagd.

Des te meer valt het op dat serieuze uitgevers zich eigenlijk zo zelden aan dit genre wagen — dat ik eenmaal afgestudeerd vrijwel geen reader meer zag.

En geven ze toch een klapper uit, dan wordt veel moeite gedaan om de schijn op te houden dat er een eenheid in de opgenomen teksten zit. Dus staat er een essaytje vooraf in van de samensteller, die de inhoud alvast zo’n beetje samenvat. Of de lezer aangeeft waarop te letten.

Denken over geld en waarde is voor de verandering een als boek uitgegeven reader. Dus, hoera, alle opgenomen teksten zien er grafisch hetzelfde uit. 23 sleutelteksten met een wat afstandelijker kijk op economie dan normaal bevat het boek, volgens samensteller Karim Benammar.

De samenstelling op zichzelf is al een statement over economie en recht, zo lijkt me.

En de opgenomen teksten zijn nogal kort — enkele pagina’s op zijn hoogst. Bovendien heeft Benammar daar dan ook nog weleens in gesnoeid.

Kort is weliswaar goed om leuk even een harde paukenslag te krijgen, maar doet vervolgens toch verlangen naar wat meer context — die een docent dan had gegeven.

Vervelender voor mij nog was dat ik een vrij groot deel van de opgenomen teksten al gelezen had. Want waren de passages niet bekend, dan op zijn minst hun schrijvers wel. Dus had ik het boek niet gelezen waaruit de samensteller een gedeelte had gekozen, dan kende ik wel een vergelijkbaar boek van dezelfde gebloemleesde auteur, of waren hun ideeën me opgevallen door alle media-aandacht daarvoor. En Krugman, Taleb, of Adam Smith? Die komen zelfs al op boeklog voor.

Dus bleef er vrij weinig over dat nieuw was, en, belangrijker nog, dat mij nieuwsgierig maakte naar een onbekende auteur. Want, weliswaar is bijvoorbeeld nuttig dat Muhammad Yunus het microkrediet heeft bedacht, eenmaal met het verschijnsel bekend valt daar toch vrij weinig meer over te zeggen.

Econoom Jan Pen moest ik nodig eens lezen, zo maakte een column van zijn hand over ‘het genoeg’ me duidelijk. Alleen zou dat altijd al.

[ wordt vervolgd ]

Karim Benammar sam., Denken over geld en waarde
23 sleutelteksten
175 pagina’s
Parrèsia, 2013

Nieuws ~ Alain de Botton

De merkwaardigste schrijvers zijn de auteurs die je met hun eerste boek overrompelen, en bij wie deze emotie vervolgens nooit weer terugkeert. Sterker nog, wier boeken je later het viezige gevoel geven eerder besodemieterd te zijn.

Alain de Botton [1969] is voor mij éen van deze schrijvers.

Al geldt bij hem ook dat mijn teleurstelling over hem al heel lang geleden optrad. Toen How Proust Can Change Your Life uitkwam, in 1997, waarschijnlijk. Want waar ging dat boek nu eigenlijk over?

Sindsdien is de balans al bijna weer de andere kant opgeslagen. Als anderen tegenwoordig De Botton afkraken — zoals veelvuldig gebeurt, bijvoorbeeld over zijn bijdragen aan het Rijks museum — denk ik al bijna automatisch: jongens, zo erg is het nu ook weer niet wat hij doet.

De Botton heeft nu eenmaal filosofie gestudeerd. En hij heeft zich vervolgens de houding aangemeten van zoveel filosofen, die voor mij vrijwel alle filosofie nutteloos heeft gemaakt.

De auteur beschrijft de werkelijkheid niet zo goed als hij kan. Nee, hij heeft allereerst ideeën over deze werkelijkheid, en schrijft vervolgens op hoe de werkelijkheid van dit ideaal afwijkt. En dat is een andere manier van kijken dan ik nastreef.

Ik vind dat De Botton’s manier van denken vrijwel altijd tot intellectueel vals spel leidt.

In Alain de Botton’s bezigheden komt telkens vraag terug wat nu precies goed leven is. Doet hij dan zijn trucje voor het Rijks museum, dan kan Kunst ineens helend werken. Schrijft hij over journalistiek, zoals in Het nieuws, dan wordt een vraag waarom de nieuwsmedia zo weinig bijdragen aan ons geluk.

Het simpele antwoord op deze vraag is dat nieuwsmedia vrijwel altijd commerciële media zijn, die iets in de verkoop hebben, waar eeuwig vraag naar moet blijven. Dus krijgt geen nieuwsconsument ooit een volledig verhaal — ten eerste kan dat complete verhaal niet gegeven worden, en ten tweede moet er die vraag blijven naar meer.

Alleen, dat wist ik al. Deze mechanismen zijn tientallen keren eerder op boeklog en elders door mij beschreven.

Het nieuws is een boek dat geheel vanuit de nieuwsconsument beschreven werd; hij noemt het ook een gebruikershandleiding. Daarbij maakt De Botton, zoals te doen gebruikelijk, nuttige observaties zowel als dat hij talloze dooddoeners biedt.

Dat hij geen oog heeft voor de productiekant van de nieuwsmedia vind ik het grootste gemis aan dit boek. Daardoor ontbreekt in deze uitgave bijvoorbeeld aandacht voor het grootste dilemma waar de media voor staan op het moment.

Want, in hoeverre moeten zij partij gaan kiezen, nu de vroegere schaarste aan nieuws voorbij is, en het o zo duidelijk is dat zij niet zo onpartijdig kunnen zijn als ze zich voordoen? In tijden waarin overduidelijk is dat democratisch gekozen overheden al hun burgers afluisteren, en derhalve zien als terroristen? Op het moment waarop duidelijk werd dat de media niet kunnen claimen de waakhond te zijn van democratie — want het nieuws over dat afluisteren kwam niet van hen…

Neem nu een willekeurig bericht op de Nederlandse Teletekst, van woensdag 27 augustus 2014. Van de honderdduizenden doden die deze dag te betreuren waren, werd er éen als vrijwel de allerbelangrijkste gezien door de Teletekst-redactie. Een klein meisje ergens schoot haar schietinstructeur dood. Met een Uzi.

Een commentator op Twitter beschreef dit ongeval net iets anders.

Negenjarige dochter van verschrikkelijk domme ouders schiet een domme man dood in het land met de idiootste ideeën over vuurwapens op aarde.

En hoe gekleurd deze alternatieve visie van het nieuwsbericht dan ook zijn moge, die biedt in minder woorden toch meer context dan het bericht op Teletekst.

Kijk alleen eens hoeveel nieuwsredacties het niet zelf aandurfden om de conclusie te trekken dat een Uzi niet het meest geschikte speelgoed is voor een meisje van negen; hoe schrikbarend vaak daartoe deskundigen werden lastiggevallen, uit wie dan een citaat werd gemolken.

Enfin, zo is vrijwel elk nieuwsbericht te gebruiken als springplank voor een beschouwing over de nieuwsmedia. Alain de Botton maakte in zijn boek wat andere keuzes. Hij vroeg zich onder meer af waarom wij positief denken over sommige personages uit de roman- of toneelkunst. Terwijl bijvoorbeeld een man die in de krant als pedofiel wordt beschreven, en zijn leven verwoest ziet, misschien wel minder ergs heeft uitgehaald dan Hamlet, of Madame Bovary.

Ook reist hij bijvoorbeeld naar Oeganda, om eens te zien waarom dat land toch zo oninteressant wordt geacht door Britse mediaconsumenten — waar hij ook in een onbeschreven uithoek van zijn eigen land had kunnen blijven, zo lijkt me.

Maar, hoe raar ik deze uitgave verder ook mocht vinden. En hoe weinig ik er waarschijnlijk aan over houd. De Botton begint Het nieuws wel met een Binsenwahrheit die iedereen zich zou moeten aantrekken:

Het blijft merkwaardig dat niemand al jong geleerd wordt om goed om te gaan met het dagelijkse nieuws.

Alain de Botton, Het nieuws
een gebruiksaanwijzing
265 pagina’s
Atlas Contact, 2014
vertaling door Harry Pallemans van: The News, 2014

Ode aan de arbeid ~ Alain de Botton

Mijn kennismaking met de Britse schrijver Alain de Botton verliep alweer lang geleden via de roman Kiss & Tell. Dat was een liefdesgeschiedenis, die vermomd werd als biografie van een doodgewone jonge vrouw. En juist de tegenstelling tussen dat pompeuze literaire begrip biografie, en dat meisje waarin alleen die verliefde biograaf iets bijzonders zag, leverde een heel prettig en nieuw soort boek op.

Geen van De Botton’s andere boeken vermocht iets van dat allereerste enthousiasme op te roepen. Hij kan schrijven, dat is het punt niet. Hij kan ook goed inzichten van anderen overbrengen. Of enthousiast over zijn voorkeuren vertellen. Bijzonder wordt hij daarbij alleen nooit. De Botton laat telkens het vanzelfsprekende als vanzelf spreken. Dat is soms nuttig. Maar daarvoor lees ik normaal geen boek.

En zo ook was mijn reactie op deze Ode aan de arbeid. Die bestaat uit een boek van 352 pagina’s in vertaling, dat desondanks binnen het uur uit was, omdat tweehonderd pagina’s gevuld zijn met foto’s, en de tekst groot gezet is.

De Botton leek me vooraf aan het lezen een aantal zeer wezenlijke vragen aan de orde te stellen over werk, in deze tijd. Ons werk is zo belangrijk dat we er een groot deel van onze identiteit aan ontlenen. We zeggen zelfs ons beroep te zijn. Tegelijk zal veel van wat mensen doen op anderen betrekkelijk zinloos overkomen.

De knapste koppen brengen hun beroepsleven door met het vereenvoudigen of versnellen van buitengewoon banale handelingen. Ingenieurs schrijven dissertaties over de snelheid van scanmachines, en bedrijfsadviseurs wijden hun carrière aan minieme beperkingen van het aantal bewegingen dat vakkenvullers of vorkheftruckbestuurders moeten maken. [47]

En dan zit er telkens wel wat vervreemding in de tekst, maar naar mijn smaak blijft die veel te voorspelbaar. Elk werk lijkt raar voor wie dat niet dagelijks doet, maar dit lijkt me niet het meest wezenlijke punt. En dat werken gauw een last kan zijn, is dit al evenmin.

Het boek bestaat uit reportages, waartoe De Botton tien verschillende werkkringen bekeek. Die variëren onder meer van een koekjesfabriek in Wallonië, tot een accountantskantoor in Londen, een beroepskeuzekantoortje aldaar, of het leven van een kunstschilder — die na twee jaar ploeteren op schilderijen van telkens dezelfde boom ongeveer het inkomen binnenhaalt van een slechte loodgietersknecht — en ook was hij onder raketspecialisten in Guyana, bij een lancering.

Waren de gesprekken met de zelfstandig ondernemers aan het slot op zich het leukst; al koos De Botton er voor om alleen met uitvinders en andere luchtfietsers te praten, en zonder commentaar hun onhaalbare ideeën te laten passeren. Wat dit stuk daardoor alleen al wat een naar dédain gaf.

En dus was het met dit boek weer als vanouds. De Botton schrijft soepel. Sommige passages in dit boek waren zelfs amusant. Maar waar hij iets wezenlijks van deze tijd had kunnen raken, bleef het toch bij oppervlakkigheden; en kwam er niets langs wat ik niet zelf al had bedacht. Waarom nu juist deze tien beroepen zijn uitgekozen, werd uit het boek niet duidelijk. Wat de ene reportage over de andere zegt, of daaraan toevoegt, al evenmin.

Alain de Botton, Ode aan de arbeid
352 pagina’s
Atlas, 2009
vertaling door Jelle Noorman van The Pleasures and Sorrows of Work, 2008