Deskundologie ~ Matthijs van Boxsel

Van Boxsel’s idee om een Encyclopedie van de domheid op te willen stellen, is prachtig. Maar het is de intentie die ik daarmee prijs en niet het resultaat. De drie tot nu toe verschenen delen zijn mij te duur voor wat ze bieden. En wat hij daarin schreef, wisselt te zeer in kwaliteit.

Goed, ik stel natuurlijk bij het lezen altijd mijn visie op de domheid tegenover de zijne. Ik heb me ooit grondig in de wetenschapsgeschiedenis verdiept, en zie dat toch vooral als een studie van onnozelheid en achterlijke beknottingsdrift. Niet dat er vindingen worden gedaan, is het nieuws. Dat er altijd zo veel krachten zijn om verbeteringen tegen te houden, tekent de domme menselijke natuur.

Ik zou dus zeggen: er ligt al enig materiaal klaar om gebruikt te worden in de encyclopedie. De stelling dat er zo weinig over domheid gepubliceerd werd, gaat volgens mij gewoon niet op.

Dat Van Boxsel al dit negeert, is zijn goed recht. En zeker spannend. Maar het maakt wel dat ik wat hij schreef, ga afzetten tegen wat hij had kunnen schrijven. Die vergelijking pakt in zijn nadeel uit. Mij stoort dan de pretentie.

Dit deel over de Deskundologie gaat ook meer over de ‘domheid als levenskunst’ dan over de gevaren van specialisering; om maar een andere uitleg bij de titel te bedenken. Van Boxsel besteedt nogal ruim aandacht aan de levensinstelling van wat provo’s in de jaren zestig. En aan mij was dat allemaal niet zo besteed.

Daar tegenover biedt een ander deel in het boek het beste wat ik Van Boxsel heb zien brengen, tot nu toe. Daarin bestrijdt hij effectief de idée fixe dat Nederlanders zo veel bereikt hebben in hun strijd tegen het water. Want, wij zijn zelf schuld dat dit eeuwige gevecht nodig is, zo stelt de auteur. Hadden onze voorvaderen het land maar niet zo dom moeten bebouwen dat het inklonk, en lager dan de zee kwam te liggen.

De aandacht voor de ‘Darwin-awards’ en de ‘Ig-nobelprize’ in dit boek is natuurlijk terecht, maar weer niet van het unieke niveau dat ik verwacht.

En zo blijft mijn oordeel eeuwig half-half. Een encyclopedie brengt deze auteur niet, en het zal ongewijfeld dom van mij zijn dat nog te willen geloven. Maar knap dat hij al sinds 1995 van het exploiteren van domheid kan leven.

Matthijs van Boxsel, Deskundologie
Domheid als Levenskunst
[De Encyclopedie van de domheid]

280 pagina’s
Uitgeverij Querido © 2006

Encyclopedie van de domheid ~ Matthijs van Boxsel

Geen mens is intelligent genoeg om zijn eigen domheid te begrijpen, schreef Matthijs van Boxsel. En wie deze wijsheid kent, neemt vervolgens bijvoorbeeld altijd weer waar hoe voorspelbaar de meeste maatschappelijke discussies verlopen.

Teveel mensen hebben er geen enkel benul van hoe weinig ze eigenlijk weten.

Van Boxsel [1957] begon lang terug, tijdens zijn studie al, met systematisch onderzoek naar domheid. Daarover verschenen in de jaren negentig drie deeltjes van een Encyclopedie van de domheid in eigen beheer.

De aflevering die ik herlas van De encyclopedie van de domheid kwam in 1999 uit, bij een serieuze uitgever. En ik voelde me indertijd behoorlijk bekocht aan dit dure boek. Want weliswaar is de vormgeving prachtig. Er staat alleen zo weinig in. Voor een Encyclopedie is 160 pagina’s tekst nogal bescheiden. Ik had er nogal wat meer verwacht.

Ging in mijn herinnering een ontstellend groot deel ook nog over zoiets triviaals als gezichtsbedrog in de Franse en Engelse tuinarchitectuur eeuwen terug.

Herlezing nu stemde milder. Ook al omdat er sindsdien twee andere delen verschenen zijn van de encyclopedie — Morosofie, en Deskundologie — en ik nu dus wel weet dat deze uitgave niet de enige is.

Bleek het met die tuinarchitectuur vervolgens wel mee te vallen. Die neemt slechts een bescheiden hoofdstuk in, uit zo veel meer.

Deze aflevering van De encyclopedie van de domheid bestaat, goed beschouwd, uit drie onderdelen. Er is een soort algemene inleiding. Er zijn wat capita selecta. En het slotstuk is het lange laatste hoofdstuk VII — ‘Over de noodzakelijke domheid van de constitutionele monarchie’ — dat nog weer verschillende subhoofdstukken telt.

Dat slotdeel sprak me ditmaal het meest aan; want veel uit het begin van het boek was mij nu wel bekend.

Het slotdeel is opgedragen aan ‘W.A. van B.’ — het pseudoniem waaronder de toenmalige kroonprins ooit de Elfstedentocht schaatste — en het bood hem nog wat instructies voor als hij tot een hoger ambt geroepen zou worden.

Van Boxsel wijst daarbij onder meer fijntjes op de paradoxale kanten van de constitutionele democratie.

tijdens de verkiezingen die erop gericht zijn de volkswil te bepalen, valt het sociale gebouw uiteen in een verzameling asociale idioten. Bij de verkiezingen gaat het niet om de kwaliteiten van het individu, maar om het zuiver kwantitatieve mechanisme van het tellen. De burger wordt gereduceerd tot een onderdeel van een louter numerieke verzameling. Kortom: het enige moment dat het volk daadwerkelijk macht uitoefent, houdt het als eenheid op te bestaan.

En bij uitzondering bedreef iemand hier eens filosofie die me beter laat kijken.

Mijn probleem met de parlementsverkiezingen in Nederland is gebaseerd op pure praktijkervaring. Er verandert nooit wat, als de bevolking gestemd heeft. Altijd komt er een partij in het kabinet terug die er de vorige keer ook al inzat. En tijdens de coalitievorming blijken verkiezingsbeloften altijd weer loze praatjes te zijn geweest, om stemvee te paaien. Dit maakt de verkiezingen tot nogal loze exercities.

Het spel kaarten dat door de bevolking opnieuw geschud moet worden, is domweg vals.

Matthijs van Boxsel neemt aan dat W.A. van B. een goede koning zal worden:

De vorst moet slim genoeg zijn zich van de domme te houden. Bij publieke optredens dient hij zich als een marionet te gedragen, een houten Klaas, om duidelijk te maken dat hij een rol speelt. Hij mag geen oprechte gevoelens tonen, zijn ouders alleen formeel eren. Het ultieme bewijs van zijn geschiktheid is het onwillekeurig tonen van schaamte. Maar om te voorkomen dat zijn neus al te zeer opvalt, moet hij zijn optredens kort houden.

Uit de interviews met de kroonprins blijkt dat Willem-Alexander uit het juiste hout is gesneden. Zijn houterig gedrag, zijn gemeensplaatsen (‘langue de bois’), zijn hardhoofdigheid (inzake de jacht, de godsdienst, het huwelijk) maken hem bij uitstek geschikt voor de functie van constitutioneel monarch. [158]

Een principieel verschil tussen Van Boxsel en mij is dus dat hij verschijnselen benadert vanuit een vergelijking, een metafoor, of een andere abstractie. Waar ik liever de werkelijkheid als uitgangspunt neem.

Mijn beschrijving van de toneelstukjes die dagelijks worden opgevoerd rond de komst van de koning, of toen nog kroonprins, bestaat uit waarnemingen van wat er volgens mij plaatsvond.

Van Boxsel daarentegen gebruikt het sprookje van ‘De nieuwe kleren van de keizer’ om iets uit te leggen over wat de aanwezigheid van het Koningshuis met alle omstanders doet.

Zijn aanpak is niet per se beter dan de mijne. Maar omdat de werkwijze van Matthijs van Boxsel me van nature niet eigen is, kan deze soms even indruk maken. Ineens.

Op andere momenten zie ik niet waar hij heen wil, want dan lijkt de auteur met veel omhaal van woorden te bewijzen dat water nat is, of een dergelijke gemeenplaats meer. Dan staat me domweg de pretentie tegen van de schrijver. Een lot dat vele filosofen met hem delen.

Matthijs van Boxsel, De encyclopedie van de domheid
184 pagina’s
Em. Querido’s Uitgeverij, 1999

Leven zonder God ~ Harm Visser

De meeste van de mannen in deze interviewbundel schrijven zelf. De grote vraag voor mij was daarom: bieden de gesprekken nog iets extra’s? Zijn deze schrijvers al pratend tegen een ander niet heel veel minder dan in alleenspraak met het papier?

Dat viel erg mee. Visser kreeg er als interviewer genoeg uit.

Natuurlijk kan dit soms ook wel. In dialoog worden mensen soms gedwongen zich duidelijker uit te spreken dan ze uit zichzelf op papier hadden gedaan.

Een voordeel was verder dat er een duidelijk gespreksthema is. De religie. Want ook al heet dit boek Leven zonder God, het gaat natuurlijk toch over religie; hoe zeer de geïnterviewden dat geloven een dwaalweg mogen vinden.

Volgens Visser vertolken ze daarmee een minderheidsstandpunt. Dat wel zijn grote sympathie heeft.

Vraag ik me toch af voor wie dit boek bedoeld is. Goed, het is geen voorwaarde om te geloven om voor eigen parochie te kunnen preken. Het zijn wel boeiende gesprekken. Merkwaardig genoeg, vooral boeiend als ze niet rechtstreeks over religie gaan. Deze uitspraak van Matthijs van Boxsel bijvoorbeeld zette me even tot nadenken aan:

Veranderingen voltrekken zich bovendien traag, wat te maken zal hebben met het feit dat ieder mens van nature geneigd is zich tegen veranderingen te verzetten. Zo heeft onderzoek uitgewezen dat er een positieve correlatie bestaat tussen intelligentie, gemeten via de standaard IQ-test, en het vermogen een standpunt te verdedigen. Tussen intelligentie en het vermogen alternatieven onder ogen te zien, bestaat daarentegen een negatieve correlatie. Alsof we een ingebouwd filter hebben tegen overdonderende nieuwsgierigheid. Daardoor zoeken we bij voorkeur naar bevestigingen van een hypothese. [171]

Harm Visser, Leven zonder God
Elf interviews over ongeloof

192 pagina’s
Uitgeverij L.J. Veen, 2003


Morosofie ~ Matthijs van Boxsel

Van de drie delen Encyclopedie van de domheid draagt deze aflevering de titel encyclopedie het meest terecht. Van Boxsel biedt namelijk in de laatste helft een ruim overzicht van de vele Belgen en Nederlanders die er een interessant waanidee op nahielden, en daarover hebben gepubliceerd.

Deze opsomming varieert van de gebruikelijke complotdenkers en perpetuum mobile-makers, die elke journalist weleens aan de telefoon heeft gehad, tot serieuze wetenschappers die waarschijnlijk oprecht meenden ook inhoudelijk te kunnen bijdragen aan ontwikkelingen buiten hun vak.

Nog ruimer aanwezig zijn de mooipraters, die klassieke Griekse teksten per se in Nederland wilden plaatsen, of de tallozen die bijvoorbeeld Friesland meer wilden laten zijn dan een plattelandsvlakte met koeien, en er daarom een heroïsch verleden voor bedachten.

Van Boxsel is vooral aanwezig in de ruime inleiding, en doordat hij voor dit boek de term morosofie heeft gemund; een nieuw gebied van de kennisleer waar alle miskende theorieën horen:

Morosofen worden aangetrokken door het mysterieuze; ze opereren bij voorkeur op terreinen waar gegevens schaars zijn en hun verbeelding vrij spel heeft. Ze willen zaken ordenen die zich juist kenmerken door hun onherleidbaarheid. Favoriet zijn de vraagstukken die het falen van de rede aan het licht brengen. Overal waar de logos het laat afweten grijpt de mythos in. Iedere wetenschap kent een hoekje waar morosofen opduiken. [40]

Het boeiendst vond ik Van Boxsel’s ondersteunende teksten onderaan de pagina over de psychologie achter gangbare denkfouten. Al was het maar omdat hij daarin zo veel meer zegt over hoe wij allemaal denken, en wat daarin verkeerd kan gaan, dan honderd lemma’s over kleurrijke morosofen doen.

Matthijs van Boxsel, Morosofie
Dwaze wijzen en wijze dwazen in Nederland en België
De encyclopedie van de domheid

258 pagina’s
E. Querido’s uitgeverij, 2002

Ueber die Dummheit ~ Robert Musil

Belangrijkste reden om deze toespraak nog eens te bekijken, is Matthijs van Boxsel. Vaak als diens Encyclopedie van de domheid ter sprake komt, volgt er die verwijzing naar deze tekst van Robert Musil. Daarmee begon diens belangstelling indertijd voor een onderwerp dat tot levenstaak lijkt te zijn uitgegroeid.

Van Boxsel verkondigt inmiddels het standpunt dat er zonder domheid geen nieuwe inzichten mogelijk zijn. Wat we menen zeker te weten, staat heel makkelijk de toegang tot nieuwe kennis in de weg. Relativering blijft nodig. Omdat geldt:

Geen mens is intelligent genoeg om zijn eigen domheid te begrijpen.

En het was dom van mij, om deze gedachtenexercitie van Musil via Van Boxsel te benaderen. Wat Musil aan ideeën zaaide over het onderwerp, is inmiddels door zijn navolger gepreciseerd, verbeterd, en uitgebreid. Kennis over wat Van Boxsel geschreven heeft, maakte me blind voor wat uniek was aan Musil’s benadering.

Enfin. Deze lezing uit 1937 las wel prettig, dankzij de satirische ondertoon, en ondanks alle bij zo’n voordracht horende retoriek.

Waar ik wel op gespitst bleef, was of Musil’s achtergrond als ingenieur zich nog in de tekst openbaarde. Omdat ik zelf ooit bijna ingenieur was, is me bijvoorbeeld iets bekend over hoe deze mensen de vele onzekerheden hanteren die samenhangen met het bouwen en ontwerpen van zaken.

De Wet van behoud van ellende is bijvoorbeeld ooit als eerste door een ingenieur opgesteld. Elke technische oplossing creëert elders weer een nieuw probleem. En zo blijft men bezig. Wat trouwens niet altijd dom hoeft te zijn; ook ingenieurs willen werk houden.

Maar Musil introduceerde zich allereerst als dichter bij zijn publiek. En als iemand die ook regelmatig fouten maakte. Hij had het verder niet alleen over domheid, hij stelde daar toch ook slimheid tegenover. Hoewel de vraag wat wijsheid is maar in een andere lezing beantwoord zou moeten worden.

Voornaamste conclusie van dit stuk? Dat de belangrijkste boodschap die Van Boxsel heeft — domheid blijft nodig, als antigif tegen de verstarring door al te stellige zekerheden — veel minder extreem ook al bij Musil aanwezig is. Bovendien ziet deze de verstarring ook al optreden als mensen niets doen, uit angst om fouten te maken, en dus dom te doen.

Gelegentlich sind wir alle dumm; wir müssen gelegentlich auch blind oder halbblind handeln, oder die Welt stünde still; und wollte einer aus den Gefahren der Dummheit die Regel ableiten: “Enthalte dich in allem des Urteils und des Entschlusses, wovon du nicht genug verstehst!”, wir erstarrten! Aber diese Lage, von der heute recht viel Aufhebens gemacht wird, ist ähnlich einer, die uns auf dem Gebiet des Verstandes längst vertraut ist. Denn weil unser Wissen und Können unvollendet ist, müssen wir in allen Wissenschaften im Grunde voreilig urteilen, aber wir bemühen uns und haben es erlernt, diesen Fehler in bekannten Grenzen zu halten und bei Gelegenheit zu verbessern, wodurch doch wieder Richtigkeit in unser Tun kommt. Nichts spricht eigentlich dagegen, dieses exakte und stolzdemütige Urteilen und Tun auch auf andere Gebiete zu übertragen; und ich glaube, der Vorsatz: Handle, so gut du kannst und so schlecht du mußt, und bleibe dir dabei der Fehlergrenzen deines Handelns bewußt! wäre schon der halbe Weg zu einer aussichtsvollen Lebensgestaltung. [61-62]

Of Musil’s oproep om niet te verstarren nog in die tijd van de redevoering gezien moet worden, is overigens wel een vraag die hangen blijft na lezing. Evenals het daaropvolgende idee dat Van Boxsel’s Encyclopedie weleens kan zijn voortgekomen uit een te enge interpretatie van een verholen protestrede tegen de dreigende Anschluß.

Robert Musil, Über die Dummheit
Vortrag auf Einladung des österreichischen Werkbundes
Gehalten in Wien am 11. März 1937 und
wiederholt am 17. März 1937

63 pagina’s
Alexander Verlag Berlin 2001, oorspronkelijk 1937