Ogen van de ander ~ Christien Brinkgreve

Niets merkwaardiger dan om een boek te lezen waarin de auteur zich verdiept in wat mij al decennia boeit. Zo’n werk is nauwelijks neutraal te bekijken. Alleen al omdat de schrijver gedaan heeft wat ik al die tijd heb nagelaten. En dus wordt het onmogelijk zo’n werk tekortkomingen te verwijten. Het boek bestaat. In tegenstelling tot wat mijn immer goede voornemens hebben opgebracht.

Kern van de persoonlijke zoektocht bij veel van mijn lezen, bestaat uit de vraag: ‘wat is normaal?’

Een belangrijke toespitsing van die vraag, is mijn studie naar de geschiedenis van het ik. Daar heb ik elders, maar ook op boeklog vaker melding van gemaakt.

Om voor de verandering nu eens mijzelf te quoten:

Mij fascineert het hoe de tijd alles anders maakt. En dan niet alleen hoe ik woon, werk, of reis. Onze cultuur heeft ook mijn ambities vormgegeven; en de wensdromen die ik heb. Of mijn ideeën over waar ik recht op kan laten gelden, en waar ik me maar naar te schikken heb.

Wat er allemaal moet.

Maar nog belangrijker, dat wat ik ‘ik’ noem, bepaalt ook heel erg wie dan ‘wij’ zijn, of ‘zij’. En hoeveel ruimte er bestaat om iets in die posities te laten veranderen.

Ik ga niet zo ver om dit een samenvatting te noemen van De ogen van een ander. Maar Christien Brinkgreve houdt zich in dit verkennende essay wel met precies dezelfde ideeën bezig. Daarbij meestal redenerend vanuit een sociologisch kader, dat mede aangereikt wordt door Elias en De Swaan. Al neemt ze ook overwegingen mee uit psychologie, geschiedenis, en romanliteratuur.

Mij verbaasde alleen wat hoe weinig verrassend de literatuurlijst was die ze de lezer daarmee voorzet.

Mij verraste ook aan dit essay met hoe weinig andere vragen Christien Brinkgreve komt dan ik hierboven al stelde. Overigens is dat geen verwijt aan haar. Bij mij leidt deze vaststelling slechts tot de constatering dat de hele probleemstelling van dit fenomeen dus terloops in een paar tellen is te formuleren. En dat antwoorden, die weer nieuwe vragen oproepen, nauwelijks te geven zijn; zelfs al heeft iemand daar d’r hele werkzame leven over nagedacht.

De ogen van een ander ordent wel verschillende benaderingen die er zijn geweest om tot antwoorden te komen. Laat ook zien wat er verschoven is in de tijd. Weliswaar zijn het nog altijd eerst de anderen die ons tot ons vormen, tegelijk komt deze tijd met meer gelegenheid dan ooit om onszelf tot iets te maken. En dit schept vervolgens geheel nieuwe problemen.

Momenteel is er daardoor bijvoorbeeld weer wat weinig ruimte voor verlegen mensen; want enige assertiviteit wordt nu wel gewenst.

En dan kun je meer met zo’n opmerking doen; die bijvoorbeeld veralgemeniseren, en de jaren nul van de eenentwintigste eeuw een tijdperk van extravertie te noemen; of dat soort kul. Brinkgreve doet dat overigens niet. Maar je zou de schrijvers de kost moeten geven die wel meteen naar zulk soort labels toe redeneren.

Ik vind de waarom-vraag in deze ook wel interessant. Wat maakt dan dat verlegen mensen op het moment worden weggedrukt? En in hoeverre is zo’n trend nog te keren; in hoeverre komt er nog weer een tijd waarin mensen wel op prestatie worden afgerekend, en niet allereerst op presentatie?

Enfin. ‘Wat is normaal, en waarom dan wel?’, blijft een boeiender onderzoeksvraag. Maar zonder een toespitsing af en toe kan die ook weer niet.

Toch, hoe verandert iemands ‘ik’ wel niet in de loop van het leven? Brinkgreve heeft het er nauwelijks over. Bij Douwe Draaisma is die vraag al bijna de kern van diens werk.

Christien Brinkgreve, De ogen van de ander
De sociale bronnen van zelfkennis
143 pagina’s
Augustus, 2009