Aardigste volk ter wereld
Jeroen Brouwers

Een boek als dit roept toch achteraf gezien toch een aantal vragen op.

Had ik het gelezen als het van een ander was geweest dan Jeroen Brouwers? Bij wie het voor mijn plezier niet uitmaakt waarover hij schrijft, al was het in dit geval handig dat hij zelf ook in Brussel heeft verkeerd, en W.F. Hermans bewonderde?

Het antwoord is waarschijnlijk nee.

Omdat schrijversbiografieën zo makkelijk wegdrijven van dat waar het eigenlijk om gaat. Het werk. De boeken. En de Brusselse periode, aan het einde van Hermans’ leven was in dat opzicht niet vreselijk boeiend. Slechts éen boek heeft hij er geschreven. Ruisend gruis. En dat is geen boek om nog eens te herlezen. En, o ja, ook dat merkwaardige boekenweekgeschenk nog, uit 1993. Maar dit was al weer gebaseerd op een oud manuscript.

Brouwers besteedt dan nog wel handig aandacht aan wat andere gebeurtenissen die in Brussel plaatsvonden in Hermans’ leven. Zoals diens verblijf daar in 1945, als tolk voor de Canadezen. Of die keer dat er een toneelstuk werd uitgevoerd dat in Nederland nooit op de planken kwam. Brouwers is wel zo eerlijk daarbij om te melden dat het ook niet zo’n heel boeiend stuk is.

En dus dan lees ik zo’n boek als dit, zelfs nog met enig plezier, en dan is me ondertussen al duidelijk dat me niets van de inhoud zal bijblijven. Nu ja, Jeroen Brouwers bewees weer eens welk een nauwgezet onderzoeker hij zijn kan, door ook Hermans op de kleinste details te verbeteren. [Die buurman vloog niet bij Sabena, maar bij Belgian Air].

Verder vermoed ik dat Brouwers’ eigen problemen met de ademhaling hebben bijgedragen tot de opvallende aandacht voor Hermans’ homerische hoestbuien.

Maar dat was het wel.

Jeroen Brouwers, Het aardigste volk ter wereld
W.F. Hermans
Bijdrage aan zijn biografie

159 pagina’s
Uitgeverij Atlas, 1996

Gezichten, gestalten
Jeroen Brouwers

Zij gegroet, uitgeverij Atlas,

en dank voor het verzamelen van zo veel van Jeroen Brouwers’ schrijversportretten.

Brouwers heb ik hoog zitten als brievenschrijver, of als hij losse aantekeningen maakt. Alles, zolang hij bij het schrijven maar niet aan een al te strikte vormdwang gehoorzamen moet; delen van zijn romans worden daar zo gauw arm aan zuurstof door.

Zijn portretten, die ook gauw herinneringen zijn aan collega’s zijn, vind ik regelmatig tot de beste stukken in z’n werk behoren. Omdat daarin altijd meerdere kanten van de geportretteerde naar voren komen. Meestal staat dan wat Brouwers bewonderen kon aan het werk tegenover wat hij vervelend vond aan de persoon.

Soms ook toont zo’n schrijversportret allereerst oprechte bewondering voor man en werk. Oprecht bewonderen is heel moeilijk. En Brouwers geloof ik dan, in wat hij bijvoorbeeld schrijft over Boon, of Minne.

Maar, waarom moest de uitgave van Gezichten, gestalten op een koopje? Had er werkelijk niet even een hulpje of een stagiaire in een half uurtje een verantwoording kunnen tikken; over waar de portretten eerder zijn gepubliceerd?

De stukken in deze bundel dateren uit meer dan een half schrijversleven. Het oudste verscheen al in 1979, ergens, als ik me goed herinner. Er staat dan ook vrijwel geen portret in het boek dat ik niet al eerder, in een andere uitgave gelezen had.

De opening van deze bundel, ‘Het tuurtouw’, met de herinneringen aan Geert van Oorschot, verscheen zelfs al eens als los boek.

Nu is herlezen voor mij gauw het echte lezen, en zal Brouwers herlezen niet gauw een straf worden. En nogmaals, ik ben blij met de verzameling; vooral omdat het nu makkelijker is sommige stukken terug te vinden. Maar waarom kon er niet even een literatuurhistoricus bereid gevonden worden om voor een fles wijn in een beknopt essay wat kader te bieden bij de verzameling?

Met sommige auteurs, vooral de Vlaamse, had Brouwers meer gemeen dan dat ze dezelfde stiel uitoefenen.

Ook kan ik me indenken dat sommige portretten reacties hebben opgeroepen, en daarmee een geschiedenis hebben gekregen — terwijl dit boek net doet alsof ze speciaal voor deze uitgave geschreven zijn.

Uitgeverij Atlas, het is u geslaagd om prachtmateriaal op zo een armoedige wijze uit te brengen, dat dit de waarde van de teksten, als boek, ernstig vermindert.

Jeroen Brouwers, Gezichten, gestalten
299 pagina’s
Uitgeverij Atlas, 2011

* Gezichten, gestalten bevat portretten van Brouwers’ vader, en van:

  • Louis Paul Boon
  • Raymond Brulez
  • Cyriel Buysse
  • Jan Emiel Daele
  • Johan Daisne
  • Jef Geeraerts
  • Marnix Gijsen
  • Karel Jonckheere
  • Richard Minne
  • Rob Nieuwenhuys
  • Geert van Oorschot
  • Hugues C. Pernath
  • Paul Snoek
  • René/Renate Stoute
  • Herman Teirlinck
  • Freddy de Vree
  • Jan (‘Biorix’) Walravens

 


Het is niets
Jeroen Brouwers

De vraag die onwillekeurig bij me opkomt bij het herlezen van Het is niets is: waarom kan ik dit boek straffeloos om de zo veel jaar opnieuw inkijken, terwijl ik zijn romans met moeite uit krijg?

Ofwel: waarom vind ik Brouwers éen van de beste Nederlandse schrijvers wanneer hij zich tot aantekeningen en brieven beperkt, maar doet zijn literaire werk mij nauwelijks iets?

Misschien is het omdat de schrijver zich altijd zulke strenge vormeisen oplegt in zijn romans. Wat mij vooral aantrekt in Brouwers brieven en aantekeningen is de lenige losheid van zijn taal, die nog eens geaccentueerd wordt doordat hij vindt dat een schrijver alles moet durven schrijven.

Misschien is het omdat in zo’n boek als Het is niets fragmenten staan die met duidelijke emotie geschreven zijn, en dat daarom ook overbrengen.

Overigens brengt dit boek ook talloze passages over het droevige lot van een schrijver in Nederland die geen bestsellers weet te produceren. Ook al omdat Brouwers geen bijverdienste ophaalt uit het lezingencircuit blijven zijn inkomsten karig.

Maar vanuit diezelfde onderliggende positie doet hij dan weer venijnig scherpe waarnemingen over het universitaire letterenbedrijf. Waar de hooggeleerden prachtige salarissen trekken uit parasitair werk; op staatskosten boekjes mogen bestuderen die door een lagere klasse schrijfvolk gewrocht zijn.

Het voelt als echt, de woorden in dit boek. Misschien om de minimale redactie en de spontaniteit bij het schrijven. En echt is een groot goed bij schrijvers.

Jeroen Brouwers, Het is niets
152 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1993


In het midden van de reis door mijn leven
Jeroen Brouwers

Van Jeroen Brouwers lees ik bijna alles met plezier, behalve zijn romans. Hoewel de laatste twee minder gestileerd schijnen te zijn dan die daarvoor, heb ik ze nog niet ingekeken en ook geen plannen daartoe. Brouwers vind ik het interessantst als hij zich teugelloos in zijn taal laat gaan, niet als hij zich kwelt met zelfopgelegde stijleisen.

Dus lees ik het liefst zijn autobiografische geschriften. Dat heb ik hier eerder vermeld.

Dit boekje is een wat curieuze aanvulling op het oeuvre van Jeroen Brouwers, omdat het uit zo verschillende delen bestaat. In het eerste stuk kijkt de meester zelf terug op een periode in zijn leven, rond zijn dertigste. Het was in die tijd dat hij het bestaan in de goot toch maar eens opgaf, om rechtopstaand naar de sterren te kunnen reiken. Daarbij vult Brouwers wat biografische details in, die zijn vaste lezers al grotendeels hadden kunnen oppikken uit eerdere boeken. Maar mooi is dat het nu eens op een rij staat.

Na Brouwers zelf volgt een werkelijk stomvervelend stuk van een literatuurwetenschapper, of een ander soort kunstvlo, die de vroege boeken van Brouwers nader gaan duiden. En dan volgt na een inleiding, door weer een ander, het uiteindelijke doel van deze uitgave, de integrale publicatie van éen Brouwers’ oermanuscripten. Dit om zijn vaste lezers te kunnen tonen hoe weinig de meester verloren heeft laten gaan; hoeveel van de tekst uit die verzameling invallen en aanzetten uiteindelijk zijn boeken ook echt heeft gehaald.

Daarop volgt nog eens de herpublicatie van het deel uit de ‘De Exelse testamenten’ waarin inderdaad iets uit dat oermanuscript te herkennen is. De literatuurwetenschap staat toch maar weer voor niets, in deze.

Een curiosum was het derhalve, deze uitgave, dat voor mij alleen om het autobiografische stuk van Brouwers aan het begin de moeite van het lezen waard was.

Jeroen Brouwers, In het midden van de reis door mijn leven
Oerboek

192 pagina’s
Uitgeverij Atlas, 2006

Kroniek van een karakter
Jeroen Brouwers

Dit is al heel lang éen van mijn lievelingsboeken, en dat terwijl het slechts een ingekorte en gewijzigde versie van twee andere boeken is. Oorspronkelijk verschenen er in 1987 twee banden met brieven die Jeroen Brouwers schreef in de tien jaar daarvoor. Beide delen heb ik ook. Maar om een of andere reden herlees ik ze nooit. De pagina’s van deze boeken zijn te groot, en dit exemplaar is handzamer. En voor mijn gevoel staat alles hier wel in ook.

Merkwaardig aan dit boek is verder dat de schrijver nauwelijks van zijn erf in de Achterhoek lijkt af te komen, en toch enorm boeit. Hij schrijft in deze periode een hele reeks boeken en essays, en daarover breekt enkele malen veel krakeel uit. Tot zijn grote afschuw. Maar groots en meeslepend leeft hij verder niet. Veeleer toont Brouwers zich melancholisch. Angstig ook; helemaal als het om de promotie van zijn werk gaat.

Wel valt de enorme openhartigheid op waarmee hij allemaal schrijft. Zo komt de lezer bijvoorbeeld te weten dat hij liever het dochtertje niet had dat toch kwam. Al krijgt hij daar dan ook wel weer vrede mee.

Of zoals hij aan collega-auteur René Stoute meldt, in een beschrijving van wat hij allemaal voelde toen zijn kindje de sloot in fietste, en zich in een flard van een seconde besefte misschien zo wel van haar af te zijn:

Dit zijn complexe gedachten en gevoelens die zich in alle nuances, binnen één seconde voordoen en zich onmiddellijk vertakken naar allerlei andere centra van ‘het intellectuele bewustzijn’, als daar zijn ‘moraalbesef’, ‘geweten’ e.d. of weet ik veel. De échte schrijver schrijft wat écht zijn gedachten zijn, hoe verdorven ook, -daar is hij schrijver voor. [306]

Goed, bovenstaand citaat is wel tekenend voor de inhoud, maar niet voor de stijl. En, alleen voor de stijl van schrijven herlees ik dit boek om de anderhalf jaar. Brouwers schreef zijn brieven vaak als het echte werk erop zat voor de dag, en hij zich even niet meer hoefde te bekommeren om de vorm waartoe hij zichzelf normaliter dwong.

Het Nederlands lijkt dan ook vakantie te krijgen bij hem, en de taal mag dan even alles. Daardoor lukt hem veel meer dan in zijn serieuze werk, zo lijkt wel.

Ik ken geen boek dat zo veel invloed heeft gehad op mijn ideeën over wat een levend taalgebruik is. Bijna had ik hier geschreven: zo veel invloed op mijn eigen taalgebruik. Maar, dat zou wel erg hoogmoedig van mij zijn. Het schort nu juist te vaak aan levendigheid in mijn eigen teksten.

Jeroen Brouwers, Kroniek van een karakter
385 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers, Privé-domein, 1992, oorspronkelijk 1987

Kroniek van een karakter, deel 1
Jeroen Brouwers

Eerder benoemde ik hier eens een bloemlezing uit de brieven van Jeroen Brouwers [1940] tot lievelingsboek. Nochtans staat in die uitgave hoogstens een kwart van de tekst die de twee oerbundels, met dezelfde titel, aan epistels bevatten.

De bladzijden van de oeruitgaven zijn bovendien aanzienlijk groter dan in dat anthologietje uit de reeks privé-domein. En deze boeken zijn opvallend vol. In Deel 1 neemt bijvoorbeeld het jaar 1981 alleen al bijna honderd pagina’s in beslag aan correspondentie.

Hoe kan een bloemlezinkje uit die vermaledijde serie privé-domein dan meer te bieden hebben dan de bron? Heb ik op boeklog niet regelmatig geklaagd over de rare keuzes die de samenstellers van de delen privé-domein maken? Omdat die zo vaak wel heel veel wegsnijden uit een overvloed?

Ik vermoed dat mijn voorkeur voor dat enkele boek vooral te maken heeft met mijn leesgedrag. Die bloemlezing uit de Kroniek van een karakter levert een boek op dat me op een avond een paar heerlijke en intensieve uren lezen brengt. Alle emoties uit een klein decennium van een schrijversleven komen dan langs, in een levend Nederlands waar ik zeer van geniet. Zulk lezen is gelijk een achtbaanrit.

De oerboeken, met dezelfde titel, dwingen tot een veel langere en intensievere leesreis, met vele halteplaatsen onderweg. Waartoe er lang niet altijd lust is bij mij om verder te gaan.

Jeroen Brouwers acht ik hoog als schrijver — van brieven en andere spontane teksten weliswaar. Maar te veel Brouwers valt op een gegeven moment moeilijk meer weg te slikken. Hij is iemand met stevige stokpaarden, die bovendien zelden op stal blijven, en na een tijd is al bij opkomst voorspelbaar dat ze niet zullen huppelen, maar gaan stampen.

Desalniettemin werd het tijd om de beide oerbundels met brieven weer eens te lezen. Omdat mijn reactie op bepalende boeken als deze — want dat waren ze ooit zeker — ook iets zegt over mijn eigen ontwikkeling.

Zo knorde ik in 2011 ineens nogal op een polemisch geschrift van Brouwers — waarin hij uitlegde waarom hij de Prijs der Nederlandse Letteren uiteindelijk wel weigeren moest. Daardoor was mij duidelijk dat me inmiddels bij deze schrijver kon vervelen wat ik ooit erg aantrekkelijk aan zijn werk had gevonden.

Brouwers eeuwige klaagzang is dat hij onvoldoende gewaardeerd wordt. En dat ligt dan natuurlijk niet aan hem. Terwijl bijvoorbeeld deze boeken nu juist illustreren dat Brouwers zich in brieven en andere teksten weliswaar duchtig weert. Maar verder komt hij nauwelijks het erf af, van zijn woning in de Achterhoek.

Tegelijk weet hij heel goed dat hij om een bestseller te scoren — volgens mij de enige erkenning hem nooit ten deel gevallen — ook een handelsreiziger in zichzelf moet worden. Elk hoofd dat met regelmaat op televisie verschijnt, verkoopt beter dan een schrijver die slechts een naam op een kaft blijft; zelfs al kan dat televisiehoofd geheel niet schrijven.

Brouwers acht zich karakterologisch niet tot zulke publieke optredens in staat.

Het herlezen van deze bundels was voor mij een test. Ooit hebben Brouwers’ brieven voor mij een toon gezet. Hij was zoals ik meende dat een schrijver zijn moest. Zijn sterke opinies over het vak hebben mijn blik gevormd. Zo zal ik nooit een woord van Jan Siebelink kunnen lezen, zonder daarbij de vloek te horen die Brouwers uitsprak over deze auteur. Siebelink was al een onbetrouwbaar ijdel klootzakje geworden door deze boeken, voor ik bijvoorbeeld wist had van zijn plagiaat.

Thans nader ik bovendien al aardig de leeftijd die Brouwers had in 1986, toen hij deze verzameling correspondentie bundelde. Dit maakt dat ik zijn woorden anders lees dan een kleine vijfentwintig jaar geleden. Tegenwoordig zit er bijvoorbeeld minder strijd in mij. Niet omdat ik geen fel uitgesproken ideeën meer zou hebben — het tegendeel is eerder waar. Maar eerder omdat ik ervaren heb dat sommige ergerniswekkende zaken nooit zullen veranderen; wat het dan onnozel maakt om er energie aan te verspillen.

Dat zo vaak de meeste aandacht van het publiek uitgaat naar iets dat die attentie niet waard is, daar kan ik me niet meer druk om maken.

In 1976, bij het begin van Kroniek van een karakter had Jeroen Brouwers redenen genoeg om zich een miskend schrijver te voelen. Zijn hele oeuvre was net daarvoor kansloos verramsjt bij De Slegte. En hij was in eigen land nog zo onbekend dat velen meenden dat hij een Vlaams auteur zou zijn; mede omdat hij lang in België had gewoond.

De boeken beginnen met zijn terugkeer naar Nederland. Als hij zijn vorige vrouw en kinderen verlaten heeft, en een nieuwe stap zet, met een andere echtgenote.

Beide brievenboeken vallen uiteindelijk prettig genoeg samen met de tijd waarin de schrijver eindelijk doorbrak. Hij zal een paar bepalende boeken schrijven. [1] Zijn naam wordt ook buiten literaire kringen bekend vanwege een stevige polemiek.

wordt later vandaag vervolgd

Jeroen Brouwers, Kroniek van een karakter. Deel 1
1976 – 1981
de Achterhoek

400 pagina’s
Uitgeverij H, 1986
  1. De nieuwe Revisor (pamflet), 1979
    Kladboek (essays), 1979
    Het verzonkene (roman), 1979
    De bierkaai. Kladboek 2 (essays), 1980
    Bezonken rood (roman), 1981
    De laatste deur (essays), 1984
    Winterlicht (roman), 1984
    De levende stilte van Stig Dagerman (essay), 1985
    Hélène Swarth: haar huwelijk met Frits Lapidoth, 1894-1910 (essay), 1985
    De zondvloed (roman),1988 []

Kroniek van een karakter, deel 2
Jeroen Brouwers

[is een vervolg van hier]

Er waren indertijd bij eerste lezing verschillende zaken die me heel erg aanspraken in de brieven van Jeroen Brouwers. Al zijn mijn herinneringen aan die eerste kennismaking niet helemaal zuiver terug te halen. Mede omdat ik de bloemlezing uit Kroniek van een karakter inmiddels zo vaak herlezen heb.

Vast staat wel dat Brouwers me ervan overtuigde dat schrijven een eenzaam ambacht was. Elke auteur moet ook zijn hardste criticus durven zijn. En dat ontbreekt er nogal eens aan, in het métier.

Wie wil weten wat eenzaamheid is, moet schrijven. Hoe intelligenter hij schrijft, hoe groter de kans is dat hij slecht wordt gelezen, hoe eenzamer hij is, hoe maar stront hij naar zijn hersens krijgt en op loyaliteit hoeft hij niet te rekenen. […] [deel 1, 63]

Tegelijk kleven er ook vele romantisch ideeën aan het schrijven; vooral rakend aan het cliché dat de grootste kunstenaars in hun tijd niet begrepen worden.

Maar Brouwers had het allemaal al eens meegemaakt. Lange tijd werkte hij bij een uitgeverij — Manteau — en al die tijd had hij het schrijversvolk moeten begeleiden.

Schrijvers, dat is plat, vulgair, karakterloos, gemeen gespuis. Een paar uitzonderingen daargelaten. [deel 1, 131]

Brouwers is dan in zijn brieven nog prettig rechtlijnig. Tekenend voor hem lijkt me onder meer het contact dat er ontstond met Gerrit Komrij. Deze twee mannen herkenden iets in elkaar, dat andere auteurs zo deerlijk ontbeerden. Zij durfden wel de heilige huisjes aan te vallen, om polemiek te bedrijven, en zo vijanden te maken.

Maar ja, waar zitten de polemisten? Er is veel bangigheid. Me baantje! Me kans op een prijsje! Me stipendiumpje! Me nieuwe Boek dat ik welgaarne in alle kranten geprezen zie! Nietwaar? [deel 1,163]

Dus proberen ze tot een geregelde correspondentie te komen. Waarbij Komrij al vrijwel meteen bezwijkt onder de absoluutheden in Brouwers’ uitspraken; zodat er nooit een constante stroom aan brieven op gang komt.

Waar de éen vriendschap zocht, of desnoods geestesverwantschap, ontwaarde de ander een medestrijder tegen de platheid van alles. Zelfs al vindt Brouwers Komrij ook wat naïef. Deze meende namelijk dat er wel Kamervragen zouden rijzen over het gebrek aan kwaliteit bij de publieke omroep, waar hij een jaar lang TV-kritieken aan had gewijd.

Waarom Brouwers met anderen een geregelde correspondentie onderhield, is me niet altijd even goed duidelijk. Zo zijn in de eerste jaren veel brieven gericht aan de literatuurcritici Tom van Deel en Jaap Goedegebuure. En die keuze kan toevallig zijn, omdat de mannen elkaar lagen. Maar wellicht was Brouwers toch ook duidelijk dat het wel een mooi ideaal was om een eenzame wolf te zijn als schrijver. Alleen volstaat het niet om een boek of pamflet te wrochten. Er moet vervolgens ook welwillende aandacht zijn voor zo’n geschrift. En dan helpt het in de publiciteit om geïnformeerde medestanders te hebben.

Dus is alleen al een vraag van wie het initiatief kwam tot de brievenwisseling.

Tegelijk verwijt Brouwers Van Deel uiteindelijk wel mandarijnengedrag te vertonen, met zijn gewrik om leuke positietjes te krijgen. Ook al omdat dit tegen zijn eigen principes ingaat.

Beter is: Dwarskijk. Inderdaad. Nergens bijhoren, aan niks meedoen, kappen met de hap zodra je merkt dat je wordt ingelijfd, niet redaktie, forum, kransje, boekenbespreekhoek, niet naar schrijversbijeenkomsten, nooit ingaan op fanmail. Voordat je het weet ben je ‘belangrijk’, doktorandus, ja zelfs neerlandicus. [deel 1, 43]

Een boek op verschillende momenten lezen in een leven kan veel met de inhoud doen.

Zo begrijp ik pas sinds een paar jaar waarom Brouwers zijn vriend Harry Prick telkens beschrijft wat Boudewijn Büch had gedaan in diens boekenprogramma. Hoe jennerig die brieven eigenlijk zijn, gezien de geschiedenis tussen Prick en Büch; daar waar ik lang niets anders dan pret had gelezen.

Inmiddels kijk ik ook anders aan tegen Brouwers absolutismen. Mede omdat ik mensen die niet anders doen dan schrijven tegenwoordig vaak zie als mensen die zichzelf in een hoekje hebben vastgepind.

Het zal best dat iedereen een roman in zich heeft. Of desnoods twee. Maar dan is het werkelijk oorspronkelijke materiaal toch wel zo’n beetje uitgeput. Dan moet iemand die de pech heeft om als auteur te worden gezien aan de slag om verse inzichten te kweken. Ik bedoel, je zou maar Joost Zwagerman heten, en na wat goed verkochte jeugdwerkjes het idee hebben de wereld iets te melden te hebben, omdat je toevallig weleens een leesbare zin weet te produceren.

Brouwers schrijft zelf, aan Maarten ’t Hart:

Het gaat er, tenslotte, niet meer om ‘waarom’ je schrijft […] maar waarom je jaar in jaar uit blijft schrijven, – al is ‘het vuur van weleer’ allang gedoofd, zijn de jeugdambities allang verwezenlijkt en is de hunker naar erkenning allang bevredigd. Men blijft schrijven omdat men, in de meest letterlijke zin van het woord, niet anders kàn. Schrijvers-die-niets-anders-zijn-dan-schrijvers beoefenen het schrijfambacht doodgewoon met plichtvervulling: ‘als ik niet schrijf, komt er geen geld binnen.’ [deel 2, 183-184]

Jeroen Brouwers heeft zich mede hierom naast zijn romans gewijd aan vertalingen, Maar bovenal bedreef hij de biografie, en dan ook nog eens de schrijversbiografie. Wat me typisch een genre lijkt dat het ambacht van schrijver groter en heiliger maakt dan het is.

Zijn non-fictie vind ik vooral erg goed geschreven. Alleen lukt het Brouwers evenmin als de meeste anderen om de beperkingen van de biografie als genre te overwinnen. Daarom heb ik zeker lang al zijn schrijversportretten niet gelezen.

Terugkijkend op mijn eigen leesgeschiedenis zie ik een duidelijke ontwikkeling. En misschien loopt die samen met een ander deel van mijn leven; het gegeven dat ik ooit journalistiek heb gestudeerd, en geschiedenis, en daarom talloos veel malen zelf grote hoeveelheden informatie heb moeten terugbrengen tot een leesbaar verhaal.

Ooit was de roman ook voor mij de hoogste vorm van schrijven. Dat Jeroen Brouwers romans schreef waar ik behoorlijk wat moeite mee had, lag daarmee aan mij.

Vervolgens ben ik heel andere kwaliteiten gaan waarderen in auteurs. Zoals helderheid. Zoals verrassing. En misschien wel het belangrijkst van al: zoals het vermogen om het schijnbaar bekende toch in een nieuw licht te kunnen zetten.

Veel fictie-auteurs bleken zo bezien wel bijzonder weinig te melden te hebben, omdat hun voornaamste schrijfkracht zat in een oninteressant soort krullendraaierij. Mulisch’ bekende uitspraak dat men het raadsel dient te vergroten, wordt onzinnig voor wie beseft hoe weinig wij mensen zeker weten.

Brouwers’ zelfgekozen stijldwangbuis maakt zijn romans voor mij vrijwel onleesbaar. En ik denk al een tijd niet meer dat zijn fictie mij meer zou bieden als ik me er echt in zou onderdompelen.

Dus, waar ik ooit dacht in de brieven, met hun lenige Nederlands, een toegangspoort te hebben tot de rest van dat werk, is me nu duidelijk dat er geen boeken van Brouwers zijn die me ooit meer kunnen geven.

Zelfs al volstaat die bloemlezing dan wel, in plaats van deze twee dikke oerbundels.

elders: Zoals lezen het leven voedt, verrijkt leven het lezen

Jeroen Brouwers, Kroniek van een karakter
Deel 2
1982 – 1986
de oude Faust
445 pagina’s
Uitgeverij H, 1987

Schemer daalt
Jeroen Brouwers

Er zijn schrijvers die ik lees om hoe ze schrijven, en er zijn schrijvers die ik lees om hoe ze denken. En opvallend is dat die twee kwaliteiten vrijwel nooit samen vallen. Het is weinigen gegeven iets mooi te formuleren dat ook nog geheel waar blijkt te zijn, en verrassend, en nieuw.

Fictieschrijvers, en dan vooral de humoristen, zijn misschien heel wel in staat iets te bedenken dat op waarheid lijkt, maar dat is altijd een waarheid van het moment; een slechts even oplichtende vonk in de duisternis, die opmerkelijk snel uitdooft. Terwijl, als ideeënschrijvers en wetenschappers iets waars weten te formuleren, dit niet in hun taal gestold hoeft te blijven. Als zij iets goeds weten te brengen, leidt dat tot een begrip dat groter is dan de woorden alleen; dat zelfs op een andere manier van zeggen net zo waar kan zijn.

Dit gegeven maakt het grappig om een schrijver die ik om zijn taal bewonder — Jeroen Brouwers — te zien vitten op iemand die ik om zijn ideeën waardeer — Karel van het Reve.

Nu deed Brouwers dit al vaker. Hij wees er bijvoorbeeld op hoe Van het Reve dikwijls heel lelijk het woordje “dat” inzet; in sommige zinnen zelfs wel drie of vier keer. Lees zo’n zin hardop, en laat dit “dat” een beetje knallen, en de tekst klinkt meteen belachelijk.

Ik heb zelf ook een voorliefde om vaak en veel met “dat” te voegen of te verwijzen. Door Brouwers’ gehoon is dit hopelijk minder geworden.

Neemt niet weg dat ik veel van Brouwers’ kritiek op Van het Reve te zwaar vind aangezet. Of niet terzake vindt doen. Zo lanceert hij in De schemer daalt uit 2005 een frontale aanval op de tekst van een losse aantekening die Van het Reve ergens in de jaren zestig publiceerde. Niet dat ik Van het Reve’s werk zo goed ken, maar toevallig kwam ik hetzelfde citaat even later tegen in Marius wil niet in Joegoslavië wonen, dat hier overmorgen geboeklogd wordt.

Van het Reve is lui, zo vindt Brouwers. Hij moet alle verwijzingen die hij geeft verantwoorden, en die niet afdoen met vaagheden. Van het Reve is bovendien niet geestig, wat Brouwers heeft nooit ook maar éen keer om hem kunnen glimlachen.

Brouwers heeft niet helemaal begrepen wat Karel van het Reve voor schrijver was, lijkt me; zonder dat ik daarmee die man nu heilig wil verklaren. Veel van diens werk is zo meteen alleen voor historici nog interessant. Denkbeelden over en kritiek op het communisme zijn inhoudelijk niet vreselijk boeiend meer na de val de Muur; behalve als illustratie van een tijdsbeeld. Maar toch.

De schemer daalt is de zevende aflevering van Brouwers’ eenmanstijdschrift Feuilletons. Het bevat dezelfde mix aan autobiografische stukken, levensbeschrijvingen van anderen, en kritische collumnpjes van eerdere edities.

Jeroen Brouwers mag Van Het Reve dan verwijten dat die zo vaak thema’s recyclet, ook de onderwerpen in zijn eigen geschriften zijn voorspelbaar voor wie er meer dan éen heeft gelezen. Dat is enerzijds prettig — men weet wat in huis komt — maar anderzijds ook wat vermoeiend. Hoeveel werk er ook zit in Brouwers’ artikelen over schrijvers die zelfmoord pleegden, ik heb daar nu al te veel van gelezen die me werkelijk niets interesseerden.

Dat eeuwige terugkijken van hem gaat irriteren, op den duur. Al begrijp ik tegelijk ook wel waarom Brouwers die stukken schrijven moet. Wie in geschrifte iets doet met alle informatie in zijn geheugen, of wat er in aantekeningen begraven ligt, verrijkt die gegevens daarmee. Zulks is ook een belangrijke reden voor mij om boeklog te schrijven.

Ik vond in dit tijdschrift Brouwers’ beschouwing over het werk van Bob den Uyl aardig, al citeerde hij daarin wat veel. Ook enige autobiografische stukken had ik niet graag willen missen. Voor de rest was het wel erg marginaal waarover Brouwers zich boog, en daarmee uitermate makkelijk te vergeten.

meer Brouwers op boeklog

Jeroen Brouwers, De schemer daalt
Feuilletons 7

236 pagina’s
Uitgeverij Noli Me tangere, 2005

Sisyphus’ bakens
Jeroen Brouwers

Brouwers moet brieven schrijven of polemiseren, zo schreef ik ergens. Dan lees ik hem het liefst. En tegelijk is dit een halve waarheid. Van de vloekschriften die Jeroen Brouwers uitbracht vanaf 1996 heb ik slechts enkele gelezen.

Deze pamfletten kampen namelijk telkens met het probleem dat ze veel te lang zijn. Wat paradoxaal genoeg maakt dat de kracht van de aantijging behoorlijk verzwakt. Schrijvers mogen verder alles, maar ze motten niet gaan zeuren. En door de lengte van zijn scheldpartijen, plus alles wat hij er bij haalt om tot die lengte te komen, speelt zelfs een Brouwers met het risico om stomvervelend te worden.

In 2009 verscheen van zijn hand Sisyphus’ bakens. Dit strijdschrift is zijn toelichting om alle rumoer dat ontstond rond de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren. Die hem was toegedacht in 2007. In naam is dit dé meest prestigieuze bekroning die een auteur ten deel kan vallen. Al was het maar omdat de laureaat de prijs ontvangt uit handen van een staatshoofd. In de praktijk blijkt alleen dat de prijsverlener er daarom ook vanuit gaat dat de bekroonde auteur bedremmeld alles over zich heen laat komen, overdonderd door de eer.

Jeroen Brouwers aanvaardde de bekroning aanvankelijk. Al wees hij er in zijn acceptatiebrief wel op dat het hem toegedachte prijzengeld aan de lage kant was, voor iets dat zo prestigieus heette te zijn.

Daarop ontstond buiten hem om gesteggel tussen Belgische politici die het met Brouwers eens waren, en Nederlandse politici die vonden dat het prijzengeld zeker verhoogd mocht worden, maar dan wel bij een volgende gelegenheid; want regeltjes zijn nu eenmaal regeltjes.

Dus, toen Brouwers leerde dat het de toenmalige minister Plasterk (PvdA) persoonlijk was die een hoger prijzengeld aan hem geblokkeerd heeft, bedankte hij voor alle eer.

Al kwam daarbij dat het contact met de Taalunie, en alle plichtplegingen rondom de prijsuitreiking, al eerder weinig vreugde verschaft hadden. Waarom was er bijvoorbeeld ongevraagd een filmer aangezocht die voor veel geld wat bij elkaar fröbelde waar Brouwers diep droef van werd?

Dit alles is prettig om te lezen, vanwege de hoon waarmee zulke verwikkelingen beschreven staan — en omdat ik vermoed dat het in Nederland altijd zo knullig gaat met zulke zaken. Maar dan is Brouwers me ook te veel de miskende schrijver in dit boek. Die, nu het einde nadert van zijn loopbaan, nog altijd moet constateren dat zijn werk hem niet genoeg geld oplevert om rustig van te leven.

En daar spreekt iets verwends uit dat ik moeilijk zetten kan. Het droeve lot van het onbegrepen genie, dat zich weigert aan te passen, en er snel overheen praat waarom, dat is nu eenmaal geen lot waar ik medelijden door krijg.

Jeroen Brouwers, Sisyphus’ bakens
Vloekschrift
Feuilletons 8
173 pagina’s
Atlas, 2009

Terug thuis
Jeroen Brouwers

De zevende en laatste aflevering van het eenmanstijdschrift Feuilletons dat Brouwers in de jaren negentig volschreef was dit. De schrijver is inmiddels terugverhuisd naar België, en besteedt ditmaal veel aandacht aan een tal minder bekende tot zelfs vrij obscure Vlaamse auteurs. Van Ferdinand Victor Toussaint van Boelaere tot Wies Moens of Joris Vriamont. Namen die even oplichten door Brouwers belangstelling voor hen, maar die mij niet overtuigen moeite te gaan doen om hun werk te achterhalen. Van Vriamont bijvoorbeeld hoeft niemand ook meer te weten dan dat hij ondeugende verhaaltjes schreef die door de tijd achterhaald zijn geraakt. Of dat hij daarin ‘occiput’ gebruikte, of ‘de dekoratieven bladkroon uwer vulven’ als hij lyrisch van de kut reppen moest.

Boeiender waren voor mij enkele autobiografische aantekeningen over het hotel dat Brouwers’ vader indertijd in Maastricht heeft gedreven. Waarmee dat jongetje dat in een hotel woonde in het boek Zomervlucht ineens wat meer reliëf heeft gekregen.

Voor het overige hoort dit duidelijk tot de marginalia in zijn oeuvre, en zijn er veel interessanter boeken van Brouwers te lezen.

Jeroen Brouwers, Terug thuis
Verhalen, leerervaringen, voetnoten

176 pagina’s
Uitgeverij Noli me tangere, 1998

Verzameld werk 4
Karel van het Reve

Bij het vierde deel uit het verzamelde werk van Karel van het Reve is ondertussen duidelijk dat de reeks éen opvallend grote extra waarde heeft. De samenstellers gaan namelijk strikt chronologisch te werk. Daardoor bevat elke band naast de boeken die in een bepaalde periode verschenen ook een soms opvallend grote hoeveelheid niet eerder gebundeld werk.

Ditmaal is dat een groot genot, anders dan bij bijvoorbeeld het eerste deel.

Zo bevat Verzameld werk 4 een kleine 600 pagina’s met teksten die eerder in kranten en tijdschriften verschenen, maar anders waarschijnlijk in de archieven daarvan waren vergeten.

Deze aflevering bergt columns, essays, redevoeringen, en aantekeningen die Van het Reve schreef in de periode 1973 tot en met 1980. In deze jaren verschenen de boeken Uren met Henk Broekhuis, en Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes. Die ene titel is al eens geboeklogd, de andere zal ongetwijfeld nog eens volgen. Beperk ik me daarom tot wat het ongebundelde werk me zei.

En dat is veel. Deze verzameling maakte me blij, alsof me plots twee, drie volkomen onbekende boekdeeltjes Van het Reve geschonken werden, met nieuwe heldere waarnemingen. Daar, waar ik dacht alles van dat werk inmiddels wel te kennen.

Nu goed. Jeroen Brouwers schreef ooit hatelijk over Karel van het Reve dat zijn werk bestaat uit herhalingen van steeds hetzelfde. En heel negatief gesproken is inderdaad over dat ongepubliceerde werk te zeggen dat veel daarvan al bekend lijkt, uit de andere boekpublicaties. Maar voor mij werkte het eerder omgekeerd. Artikelen of redevoeringen die ik alleen in hun isolement kende, kregen ineens een verduidelijkend kader.

Zo bleek onder meer dat Karel van het Reve het pamflet van Jeroen Brouwers tegen de jongetjesliteratuur maar niets vond. Wat vervolgens Brouwers’ aanvallen ad hominem begrijpelijker maakten — en trouwens ook dommer.

En, hoe prettig ik Van het Reve’s uithalen tegen de literatuurwetenschap ook vind, in de Huizinga-lezing Het raadsel der onleesbaarheid. Eerder had ik hem toch niet gehoord over de onmogelijke theorieën van zijn universitaire collega’s. Maar Verzameld werk 4 gaf me zo al vier columns over een onleesbaar standaardwerk van Maatje, die steeds hilarischer werden.

Bovendien had ik weet van meerdere uitspraken die aan Karel van het Reve worden toegeschreven, en toch nergens in zijn boeken waren terug te vinden. Zo moest hij ooit de Nederlandse columnisten een zeldzaam hoog niveau hebben toegeschreven — misschien zo wel de aanleiding gevend voor het verschijnsel dat elke krant momenteel omkomt in de columnisten. In het Verzameld werk 4 las ik eindelijk zijn column met dit oeroordeel.

Interessant was verder onder meer dat ik Van het Reve’s oordeel een keer of wat rechtstreeks naast het mijne kon plaatsen. Wat dan nogal verduidelijkte hoe hij keek. Zo besprak hij Jacques de Kadt’s Politieke herinneringen van een randfiguur. Waarbij hij dan wel, anders dan ik, de kennis had om te beoordelen wat er waar was van die memoires, of waar De Kadt’s denken nog gekleurd werd door Marxistisch idioom. Tegelijk vonden we beiden dat het boek verreweg het interessantst was in de strikt persoonlijke herinneringen.

Mooier nog dan streng door Van het Reve op denkfouten of intellectuele luiheid te worden gewezen, is het om zonder het te weten zijn conclusies te delen.

Veel zegt het ook om zijn recensie naast de mijne te kunnen plaatsen, en die van hem in bepaalde opzichten wat lui te vinden. Kon hij nog zo goed schrijven, was het soms ook wel terecht als teksten niet werden gebundeld.

Karel van het Reve, Verzameld werk 4
1016 pagina’s
Uitgeverij G.A. van Oorschot, 2010