Alle kroegverhalen ~ Simon Carmiggelt

Vijfentwintig jaar dood alweer. Simon Carmiggelt. Ooit éen van de bestverkochte auteurs in Nederland. Inmiddels niet of amper meer gelezen.

Alleen Sylvia Witteman meldt nog weleens zich af te zonderen met een bundel van hem.

Carmiggelt [1913 — 1987] was al een oude man toen ik zijn bundels ontdekte. Als tiener moet ik alles gelezen hebben wat er was. Daar kwam bij dat hij vele groeven in zijn smalle gezicht had, als hij een column voordroeg op televisie — want dat gebeurde toen nog, als dagsluiting — wat hem extra oud deed lijken.

Dus heb ik hem me waarschijnlijk altijd voorgesteld als een man op leeftijd. Door de wateren gewassen. Die minzaam, en al gauw met enige melancholie, het moeizame gescharrel van de mensen om hem heen aanschouwde. Wetende dat daaraan weinig verandert.

Maar de verhalen in de bundels Kroeglopen en Kroeglopen 2 — tezamen Alle kroegverhalen — zijn vrijwel allemaal geschreven voor 1962; en daarmee juist niet het werk van een man op leeftijd. Sommige werden zelfs veel eerder geschreven. Er zijn namelijk stijlbreuken zichtbaar in dit verzamelboek. Als jong auteur was Carmiggelt barokker, en deed hij ook aan mooischrijverij. Later werd het allemaal kariger. Bleef de toelichting weg. Beende hij uit.

En verhalen van beide soort staan door elkaar heen in dit boek.

Al heette wat Carmiggelt indertijd schreef niet verhaal maar cursiefje — want hij dateerde nog van ruim voor de column. En helemaal van voor het moment dat elke krant honderd columnisten had.

Wel kwam hij al op televisie toen de TV nog maar éen net had. En dat maakte voor de bekendheid uit.

In het tweede deel van de verzamelbundel, Kroeglopen 2, staat een verhaal met een strekking die ik me aantrok.

Carmiggelt vertelt daarin hoe hij voor een interview afsprak in een niet heel druk schemerig café. Op verzoek van de jonge vrouw die hem zou ondervragen, want zij genoot zo van de stukjes die zich in zulke ruimten afspeelden.

Ze vindt het er énig, en vraagt hem dan over de andere aanwezigen of dit nu de ‘mannetjes’ zijn waar hij altijd over schrijft. Carmiggelt beaamt dat dan, terwijl hij eigenlijk een hekel heeft aan de minachting die spreekt uit dat verkleinwoord.

En dan dacht ik weliswaar tot dan niet over zijn personages als ‘mannetjes’. Laat staan als ‘typetjes’. Maar er is natuurlijk wel iets met de mannen die even hoofdpersoon mochten zijn in een verhaal. Die bestaan zo niet meer. Als ze er ooit geweest zijn.

Waaschijnlijk ligt dat simpelweg aan de tijd waarin de stukken tot stand kwamen. De oorlog lang nog vers in de herinnering — al zal er nauwelijks over gesproken zijn. Ongehuwde mannen woonden nog op kamers, bij een hospita. En wie een kop koffie bestelde in het café zag de baas dan zuchtend vaak voor een tijd naar een achterkamer verdwijnen.

Tegelijk was het café voor vele hoofdpersonen in de verhalen hun huiskamer, waar ze iedereen kenden. Waar de uitbater precies wist wanneer er bijgevuld moest worden. Waar ze in de drank even verlossing vonden van God weet wat.

En het is de halfdronken melancholie van zulke mannen die deze verhalen doordesemd waardoor ze nog altijd goed te lezen zijn — al staan er tussen de honderd in de verzamelbundel ook die niet veel meer zijn dan opgepompte anekdotes.

Zelfs al is dat dan misschien een melancholie zoals er maar even was. Toen in Nederland een generatie leefde die bewust de Tweede Wereldoorlog had meegemaakt. Die misschien daardoor besefte dat hoe erg het nu misschien was in hun leven, het nog altijd zo veel erger zijn kon. En die daardoor ook nog weleens relativeerde.

Het ontbreken van dat zo eeuwig verongelijkte Amsterdamse gezeur valt in deze Carmiggelt op.

S. Carmiggelt, Alle kroegverhalen
251 pagina’s
De Arbeiderspers 1993, oorspronkelijk 1962, 1964

Boven het dal ~ Nescio

Regelmatig verwijst A.L. Snijders naar de Nederlandse schrijvers die hij hogelijk bewondert. Van éen daarvan begrijp ik dat. Willem Elsschot. Van de ander is voor mij altijd een raadsel gebleven wat daar nu precies aan is.

Nescio.

Dus heb ik de afgelopen weken tijd besteed om me te verdiepen in leven en werk van J.H.F. Grönloh [1882 – 1962]. Zo werd de recente biografie door Maurits Verhoeff gelezen. En hoewel de titel van die uitgave fraai is — Verlangen zonder te weten waarnaar — zette dat boek me niet aan om er hier nog eens op te reflecteren. Het raadsel werd er bijvoorbeeld niet kleiner door.

Evenmin deed het boekje van Simon Carmiggelt dat. Uit Van u heb ik ook een heleboel gelezen bleek vooral dat Carmiggelt éen enkele korte ontmoeting bij Grönloh thuis met regelmaat gerecycled heeft in een stukje voor de krant.

Dus restte weinig anders dan het oeuvre van Nescio nog eens te lezen. En dat kan ook best. Mede omdat dit altijd nog weer dunner is dan gedacht. De bekende trits De uitvreter, Titaantjes, en Dichtertje nemen in het Verzameld werk tezamen slechts 119 pagina’s in beslag.

Verhalen zijn het. En zeker geen novellen, laat staan romans.

Of ik de postume verhalenbundel Boven het dal ooit gelezen had, wist ik niet meer. Maar ook die telt maar een luttel tal pagina’s. Waarbij nog het meest opviel dat Nescio in deze verhalen telkens maar éen personage beschrijft. Terwijl hij in zijn meer bekende werk nu juist zo goed de wisselwerking tussen meerdere personages wist te treffen. Dus is Boven het dal wat vlak.

Op zich is het natuurlijk een wonder dat iemand die zijn beste werk voor de Eerste Wereldoorlog schreef nu nog te lezen is. En dat wonder zit hem dan waarschijnlijk vooral in de vele kale en laconieke zinnetjes die Nescio gebruikte. Regels zijn dat die zich met weerhaakjes vastzetten in het geheugen. Bij wie daar ontvankelijk voor is. Liefhebbers zullen die zinnetjes dan ook vaak gebruiken, als wisselgeld dat makkelijk voor het grijpen ligt in een conversatie.

Maar mijn theorette luidt alles overziend toch dat Nescio dan wel op de goede leeftijd gelezen moet worden. Als die ontvankelijkheid voor zijn flegmatische humor er nog helemaal is. Als de schrijver nog verrassen kan, omdat hij zo anders formuleert dan de meesten.

En dan kwam Nescio de eerste keer waarschijnlijk te laat in mijn leven om nog enige indruk te maken. Uit de biografie leerde ik bijvoorbeeld dat Grönloh in zijn jeugd graag de Britse humorist Jerome K. Jerome las. En die passeerde bij mij ook, en dan al lang voor Nescio langs kwam.

Ik was al bedorven door de ontregelende zinnetjes bij anderen om nog heel erg verontrust te worden door Titaantjes. Of De uitvreter. Toeval is het soms waardoor iets geliefd wordt, en het andere vrij onverschillig passeert.

Nescio, Boven het dal
82 pagina’s
© 1961
in: Nescio, Verzameld werk I
897 pagina’s
Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar
Uitgeverij G.A. van Oorschot, 1996

Carmiggelt ~ Henk van Gelder

Henk van Gelder had een probleem, als biograaf. En dit is dat de echt opmerkelijke gebeurtenissen uit het leven van Simon Carmiggelt zo’n beetje ophouden als de Tweede Wereldoorlog eindigt. Carmiggelt was op dit moment 31. Hij zou toen nog 42 jaar leven, en daarbij steeds bekender worden.

Goed, dan was er die drank. En het gezin Carmiggelt kon ook niet zo goed met geld omgaan, hoewel er genoeg binnen kwam. De laatste tien jaar van zijn leven had hij bovendien nog een verhouding met Renate Rubinstein — waar bijna niemand iets van wist.

En toch moet Van Gelder in het slotgedeelte van dit boek kunstgrepen toepassen, als hij het over die laatste veertig jaar heeft. Hij legt dan bijvoorbeeld de dagelijkse cursiefjes die Carmiggelt schreef voor Het Parool naast diens leven. Dat is enerzijds slim, maar ik vond het wat jammer.

Misschien is het wel het standaardprobleem voor biografieën van een schrijver. Sommige aspecten uit diens leven zijn al heel interessant door de man in zijn werk opgenomen. De portretteur rest dan weinig anders dan dit oeuvre te wegen op het waarheidgehalte. Want als Van Gelder had moeten beschrijven hoe Carmiggelt al die jaren elke dag achter zijn bureau zat te typen, had dit evenmin iets bijzonders opgeleverd.

Tegelijk ben ik blij dit boek te hebben gelezen. Over die eerste 32 jaar van Carmiggelt’s leven is het gewoon erg goed. Helder van toon, prettig gedaan. Bijvoorbeeld, als beschreven wordt uit wat voor een gezin hij komt, wat de betekenis van de zo briljante broer Jan in Simon’s leven is, en hoe het journalistieke leven in elkaar stak, zo voor de Tweede Wereldoorlog.

En wat ik ronduit niet wist, was dat Carmiggelt en zijn broer vrij snel na de capitulatie in 1940 hun baan als journalist opgaven. Voor hen was de oorlog al in 1929 begonnen, schrijft Van Gelder. Dit maakte het onmogelijk om voor een krant te werken die Duitsvriendelijk zou moeten zijn.

Die daad van de broers Carmiggelt vond verder vrijwel geen navolging onder collega’s. Nu goed, het Friesch Dagblad hield prompt op met verschijnen. Maar de rest bleef keurig aan het werk.

Over dit soort dapperheid moet ik weleens nadenken, nu zo veel kranten in problemen zijn, en krantenmensen vooral rondtrompetteren hoe veel armer de samenleving wordt als zij de democratie niet meer bewaken.

Wanneer bewaakten zij wat precies dan, behalve hun eigen werkplek?

Henk van Gelder, Carmiggelt
Het levensverhaal

379 pagina’s
Nijgh & Van Ditmar, 1999

Dwalen door Amsterdam ~ S. Carmiggelt

Amsterdam. De hoofdstad van Nederland. Ik kom er graag. Nog liever ga ik er weer uit weg. Er is namelijk zelden een reden om er lang te verblijven.

Amsterdam deelt daarmee eenzelfde status als nogal wat steden in West-Europa. Ik ken er altijd wel min of meer de weg. En tegelijk weet ik ook dat er vast pittoresker of handiger routes zijn om daar van A naar B te gaan. Alleen ontbreekt het altijd aan de tijd, of de gelegenheid, om de plaatsen wel zo intiem te leren kennen.

Daartoe moet je ergens wonen voor langere tijd, en er je dagelijkse besognes hebben. Of beter nog: er opgroeien en naar school toe gaan.

Simon Carmiggelt kwam pas op zijn dertigste naar Amsterdam — wat laat is voor iemand die in Nederland toch zo met deze stad vereenzelvigd wordt. Het was toen oorlog. En in de hoofdstad was het voor hem veiliger dan in Den Haag.

En hoewel hij later in zijn columns vaak over de hoofdstad schreef, nam hij de meest plaatsgebonden van deze verhalen lang altijd niet op in de verzamelbundels die jaarlijks verschenen — waarvoor dan vijftig teksten gekozen werden uit een corpus van ongeveer tweehonderd.

Zijn biograaf, Henk van Gelder, vond dat een omissie. Hij maakte een bloemlezing op thema uit eerder verzameld werk en nooit gebundelde columns uit Het Parool. Die daarbij onder meer leerden dat het Amsterdam van Simon Carmiggelt zich zo ongeveer beperkte tot de Grachtengordel en wat straten daar omheen.

Als hij aan de hoofdstad dacht, dacht hij nou nooit aan een wijk als Buitenveldert.

Maar voegde het vervolgens toe, die bundeling op thema? Maakte het uit dat ik van een redelijk aantal ‘Kronkels’ de locatie kon reproduceren?

Mij interesseerde eerlijk gezegd het tijdsbeeld meer dat Carmiggelt soms onbedoeld had vastgelegd. Zoals wanneer hij de straat oversteekt en daarbij het rode verkeerslicht negeert. Wat hem prompt op een boete komt te staan van twee gulden vijftig; contant te voldoen bij agent die de overtreding constateerde.

En dat hij dan wisselen gaat bij een kiosk, om gepast te kunnen betalen.

Zo ook is er een eerste rit met de metro — daar waar Carmiggelt meestal wandelde, de tram nam, of een taxi.

Over de opmars van de auto in de stad, of over hoe het is om er te fietsen evenwel niets.

Chroniqueurs is het ook zelden om een totaalbeeld te doen.

Dwalen door Amsterdam bleek interessanter om de columns die ik nog nooit eerder las — die doen vermoeden dat de archiefleggers van Het Parool schatten moeten verbergen — dan om de teksten die ik begroeten mocht als oude bekenden.

Onbekendheid met iets doet toch echt wel beter kijken. Vanwege de verrassing soms.

S. Carmiggelt, Dwalen door Amsterdam
samengesteld door Henk van Gelder
180 pagina’s
De Arbeiderspers, 2013

Gedundrukt ~ S. Carmiggelt

Hoeveel ‘Kronkels’ Simon Carmiggelt maakte, heeft Henk van Gelder nog eens proberen uit te zoeken. Alleen leverde deze zoektocht zulke perfect ronde getallen op, dat ik toch denk met een schatting van doen te hebben.

Om zekerheid te hebben, zou je domweg ook alle krantencolumns moeten lezen. Want Carmiggelt ging weleens op vakantie. Hij was weleens ziek. En er stonden ook weleens columns in de krant die geheel gevuld waren met bijdragen van lezers.

Vast staan hoogstens enkele feiten. Carmiggelt schreef vanaf 1948 een dagelijks cursiefje in dagblad Het Parool. Daar hield hij in 1980 mee op. Tot zijn dood schreef hij nog éen keer in de week een column. Maar voor het vaste ritme begon in ’48 had Carmiggelt toch ook al ervaring opgedaan met het schrijven van humoristische schetsen. Die werden tijdens de oorlog zelfs in de ondergrondse pers gepubliceerd; zo de overlevering wil.

Laat hem dus ruim tienduizend Kronkels hebben geschreven in zijn leven — wat een bescheiden schatting is, mede gezien de drieduizend boeklogjes die ik op 1 januari 2015 hier hoop te hebben staan; vrijwel allemaal geschreven in de marge van mijn normale bezigheden.

Omdat Carmiggelt van elk jaar zorgvuldig de vijftig beste columns uitkoos voor een bundel, betekent dit nog dat slechts een gering deel van zijn werk ooit buiten de krant in druk is verschenen.

Ik geef toe almaar benieuwder te worden naar dat volledige werk in dundruk.

Alleen is dat opvallend genoeg allereerst om het tijdsbeeld dat Carmiggelt terloops vastlegde — en wat hij vervolgens zorgvuldig uit zijn verzamelbundels probeerde te houden. Want al te tijdgebonden stukjes werden daar niet in opgenomen.

Toch zette ook de bloemlezing Gedundrukt onverwacht enkele luikjes naar het verleden open. Zo is in een vroege Kronkel sprake van gekafte bibliotheekboeken — wat mij er ineens aan herinnerde dat op de lagere school inderdaad de bibliotheekboeken een uniform papieren kaft hadden. Verdomd.

Gedundrukt was een onverwachte bestseller vorig jaar — ook al omdat de herdrukken van Carmiggelt’s eigen uitgever De Arbeiderspers nooit zo veel deden. En dat verkoopsucces kan komen omdat er over deze bloemlezing van ongeveer honderd columns gepraat werd.

Normaal ben ik vrij immuun voor andermans praat over boeken. Maar éen opmerking van iemand was toch blijven hangen. Carmiggelt’s zoon en de uitgever zouden in hun keuze opvallend vaak voor de verhalen hebben gekozen waarin het over de oorlog gaat.

Want dat bleek toch een ware constatering te zijn geweest. Eén die ook niet raar is, vervolgens, om Carmiggelt’s levensloop. Zij het dat die oorlog hoogstens om de vier vijf Kronkels terugkomt; en dan soms alleen in een citaatje.

En juist bij dit onderwerp viel me ook het tijdsbeeld op. Carmiggelt laat al in 1958/1959 vermoeide mannen in zijn verhalen zeggen dat de oorlog een tijd geleden is. En dat ze toch niet kunnen vergeten. Voor jongere lezers zou daar tegenwoordig toch een voetnoot bij moeten worden gezet, die verklaart dat er pas veel later publiek gepraat kon worden over deze tijd; die liever vergeten werd. En toen nog werd alle gepraat meestal gedaan door zij die niets hadden meegemaakt.

Carmiggelt liet zich overigens al evenmin rechtstreeks uit over die Tweede Wereldoorlog. Noch over enig ander persoonlijk onderwerp trouwens. Als portret is de eerdere bloemlezing Mag het een ietsje meer zijn dan ook beter; want daar staan de gedichten in, waarin hij wel fel kon worden.

Gedundrukt toont hoogstens wrange oorlogsherinneringen; de enkele maal dat het onderwerp direct aan bod komt.

Daarvan lijkt me de felste, maar tegelijk moest omfloerst verpakte klacht, het verhaal: ‘Dubbelportret’. Dit gaat over een oud joods echtpaar, dat de bezetting overleefd had. Dat kostte hen alleen wel hun kapitaal, te betalen aan de heren bij wie ze ondergedoken zaten.

Was er ook nog een huis, waar tijdens de oorlog een ander in ging zitten, die er na de bevrijding niet meer uit wilde — tot deze wel moest.

Voor hij het huis verliet heeft hij, geholpen door zijn dierbaren, alles wat zich daardoor leende grondig vernield. Maar goed, dat is hersteld en er staat weer een inboedel in. Nee, van de oorlog is niets meer te zien. Die leeft alleen nog in hun geest.

Carmiggelt kwam op een dag langs als er visite is. Een bleek jongmens zit in de kamer.

‘Dat is Joop,’ zei de oude mevrouw. ‘Joop is de zoon van een meneer bij wie we twee jaar ondergedoken hebben gezeten. Hè Joop?’

Het jongmens knikte.

‘Ach ja…’ vervolgde de oude mevrouw vriendelijk. ‘Hij was toen nog maar een jochie, hè Joop? En dan kwam hij wel eens bij ons, op zolder — want we zaten daar op zolder — en dan zei hij: “Jullie zijn joden, dat weet ik best. En als jullie me geen kwartje geven, ga ik het vertellen op school, want bij mij in de klas zit een nichtje van Mussert.”‘

‘Nee, een nééfje,’ verbeterde Joop.

Hij stelde er blijkbaar prijs op dat de vertelling er volkomen gaaf uit kwam.

‘O ja, een neefje,’ zei de oude mevrouw. ‘En dan betaalden we dat kwartje maar, hè Joop? Ach, hij was nog maar een kind.’

Joop lachte feestelijk, gelijk iemand die het middelpunt is van een aardige anekdote. […] [147-147]

Het eeuwige probleem in teksten van schrijvers die de Tweede Wereldoorlog niet bewust hebben meegemaakt, is dat deze zo vaak gaan hameren hoe erg het was. En dat we zoiets nooit meer moeten laten gebeuren.

Een probleem voor mij met zulke auteurs is dat zij blijkbaar enkel van een oorlog lang geleden vermogen te zien wat daar fout aan was. Dat ik ze daarom zo gauw wat onnozel vind.

S. Carmiggelt, Gedundrukt
Verhalen

309 pagina’s
Uitgeverij Van Oorschot, 2013

In gesprek ~ Gerard Reve en S. Carmiggelt

In Brands met boeken ging het over Carmiggelt [mp3], om diens geboortedag 100 jaar terug. En terloops werd daarbij verwezen naar een tweegesprek tussen Gerard Reve en hem, over het schrijversvak, dat ooit was afgedrukt in het tijdschrift Hollands Diep. In 1975 bleek dat te zijn.

Naspeuring leerde verder dat dit dubbelinterview vijf jaar later nog eens in een boekuitgave zou verschijnen; die wel te vinden was. In het boek is dat gesprek bovendien aangevuld met een interview waarin Simon Carmiggelt herinneringen ophaalde aan Gerard Reve — die immers ook de jongste medewerker was van de Parool-redactie ooit — en zich uitsprak over diens literaire werk; plus zijn bescheiden bemoeienis daarmee.

Nu kende ik de briefwisseling al die Reve en Carmiggelt eens gevoerd hebben. Waarin Gerard Reve geen éen keer rechtstreeks reageerde op iets dat de ander te berde bracht, en Carmiggelt juist wel zo vele ware woorden schreef.

Hoewel ik daarom hoopte dat een gesprek tussen de twee een andere dynamiek zou hebben, viel dat nog niet mee.

En aan Gerard Reve staat me inmiddels het teveel aan pose tegen.

Zijn oeuvre prijkt weliswaar grotendeels bij mij in de kast. Gelezen bovendien. Maar vrijwel alles kan ondertussen wel weer weg.

Juist Carmiggelt had ik gehoopt iets beter te leren kennen — alleen liet deze zich nu juist heel slecht kennen uit publieke optredens. Hij poseerde netzo goed. Maar hij speelde dan weer bescheidenheid.

Zoals ik schreef in mijn boeklogje over Mag ’t een ietsje meer zijn — in de boeken is alleen uit Carmiggelt’s gedichten iets te leren van wat de man echt kon raken. De cursiefjes in Het Parool waarin hij fel werd, haalden nu eenmaal de bundels niet, die aan het einde van het jaar werden samengesteld.

Wat bracht het lezen van In gesprek me daarom, bij eindjebesluit?

Een glimlach of wat. En herbevestiging van wat al bekend was.

scheiding

[Als Reve zichzelf tot de betere stilist uitroept, en Carmiggelt benoemt tot de betere dramaturg:]

Reve: […] ik heb met tweeëneenhalfduizend woorden geen moeite, maar als Hollands Diep zegt: duizend woorden… Dat is een opgave hoor. Tenzij je gewoon een oplepelaar bent. Die heb je wel, die als een soort slak een soort slijm afscheiden en als er dan weer een bepaalde hoeveelheid in dat bakje zit of in dat glas staat, maken ze er een eind aan en sturen het op. Dat is Remco Campert ín de Haagse Post bijvoorbeeld, hè.
Carmiggelt: Nou, hij schrijft best leuke stukjes, vind ik.
Reve: God, god, god, laten we maar zeggen dat het leuk is, ja…
Carmiggelt: Nou, ik vind het dikwijls heel leuk.
Reve: We moeten allemaal door de wereld heen, maar je kan beter dood zijn dan dat je Campert heet en zulke stukken schrijft… Ik vind het een van onze grootste jonge schrijvers, als ik hem maar niet hoef te lezen. Laten we maar zeggen: de grootste cultuurdrager sinds Erasmus, hè.
Carmiggelt: Wéér een. [34]

Gerard Reve en S. Carmiggelt, In gesprek
Opgetekend door Max van Rooy
en de redactie
van het tijdschrift
Menuet
72 pagina’s
Peter van der Velden, 1980

Mag ’t een ietsje meer zijn ~ Simon Carmiggelt

Op Wikipedia wordt het bestaan vermeld van De complete werken van S. Carmiggelt. En even dacht ik iets gemist te hebben. Was er toch nog een dundrukeditie verschenen van Carmiggelt’s werk? En was mij dit ontgaan?

Die Complete werken blijkt evenwel een bibliografisch overzicht te bieden, van alle uitgaven die er zijn verschenen. Ook nuttig. Alleen heel wat minder spectaculair.

Dus blijft de vraag of die Verzamelde Carmiggelt er toch echt nog eens moest komen. En dat is geen vraag die mij als lezer heel erg boeit. De kwestie lijkt me eerder iets voor literatuurwetenschappers en redderende cultuurmoedertjes. Maar die zullen waarschijnlijk menen dat er aan Carmiggelt niet zo veel eer is te behalen. Daar inspanningen voor doen levert weinig cachet op. Hij schreef erg begrijpelijk. En veel meer dan die cursiefjes, wat gedichten, en misschien nog wat cabaretteksten is er niet.

Punt blijft dan wel dat Carmiggelt’s sarcasme, geuit in de columns waarin hij andermans domme arrogantie feilloos doorziet, nooit in de bundels terecht is gekomen. Zijn kritische teksten vergaan, onbereikbaar in de leggers met de verzamelde jaargangen van Het Parool.

De dikke bloemlezing Mag ’t een ietsje meer zijn liet me misschien daarom wel zien dat veel Simon Carmiggelt niet per se hongerig maakt naar nog meer. Het heeft me een behoorlijke tijd gekost om dit boek uit te lezen. De verzadiging slaat gauw toe. Carmiggelt’s eeuwige ironie kan ook tegen hem werken.

Ineens kan er een verlangen ontstaan naar ongebreidelde emotie — een oprechte woede-uitbarsting in plaats van dat eeuwig toch nog gerelativeerde gevoel. Iets fellers en met meer contrast dan dat eeuwige geschilder in rustieke aardetinten met een ragfijn penseel.

Carmiggelt [1913 – 1987] schreef zijn eerste cursiefjes in 1936. toen hij als jongste verslaggever werkte voor het Haagse dagblad Vooruit. Begin 1940 kwam daar een eerste bundeling van uit, onder de titel Kleinigheden.

Daarop volgden zeker veertig bundels met columns en versjes, zoals hij zijn poëzie noemde. Daaruit zijn nog eens minstens zo veel bloemlezingen en verzamelboeken uitgegeven.

Mag ’t een ietsje meer zijn kwam uit als feestboek, bij zijn zeventigste verjaardag. Uitgevers feesten nu eenmaal wat af in het publiek met hun succes-auteurs. In de bundel werden ook gedichten opgenomen tussen de korte verhaaltjes. En aan die poëzie valt op dat Carmiggelt zich er soms rechtstreekser in uitspreekt dan hij in zijn cursiefjes deed — wat misschien kwam omdat ze oorspronkelijk onder pseudoniem verschenen.

Tegelijk biedt de poëzie eerder netjes maakwerk dan heel erg opmerkelijke gedichten. Als er rijkdom in te vinden is, blijft die beperkt tot regels, of hoogstens strofen; nooit is een heel vers spannend van begin tot eind.

Aan de cursiefjes vallen allereerst de vaste thema’s op. Verhalen volop over het cafébezoek, over kinderen en kleinkinderen, en ook over katten — een trek die was ik vergeten van hem.

Ook de Tweede Wereldoorlog komt in het boek vaker terug dan verwacht. Wat aan de persoonlijke keuze van Carmiggelt kan hebben gelegen.

Constante in alles is natuurlijk het eeuwige menselijke tekort.

Kees Fens schreef indertijd over deze verzameling dat de jonge Carmiggelt daarin een imitator lijkt van de oude. Alle stijlelementen zijn aanwezig, maar de maatvoering klopt niet helemaal. En aan die oer-recensie is weinig toe te voegen.

In Carmiggelt’s oevre is een eerdere bloemlezing opgenomen van persoonlijk gekleurd materiaal, samengesteld door een zoon, die Zelfportret in stukjes heet. Misschien is dat wel grotendeels hetzelfde boek als dit; de toon zal in elk geval dezelfde zijn. Ik ken slechts de titel van die uitgave. Ondertussen kan Mag ’t een ietsje meer zijn ook heel goed dienen als een zelfportret van de auteur. Waaruit weliswaar heel wat werd weggelaten dat wel in de biografie staat. Maar wat wel toont wáarmee de schrijver graag herinnerd wilde worden.

Dit is ondanks alles toch ook een verzameld werk in éen band.

S. Carmiggelt, Mag ’t een ietsje meer zijn
Een eigen keuze uit alle bundels
Geïllustreerd door Peter Vos

442 pagina’s
De Arbeiderspers 1989, oorspronkelijk 1983

Met de neus in de boeken ~ S. Carmiggelt & Peter van Straaten

Simon Carmiggelt schreef in 1979 het cadeauboek voor de jaarlijkse boekenweek. Dat heette Mooi kado. En normaal is de oplage van het boekenweekgeschenk zo groot, dat de auteur er vervolgens voor jaren niet meer aan verdienen kan. Maar Carmiggelt leek wat ontevreden over het geschenk. Zo had hij te veel materiaal aangeleverd, en moeten schrappen. Daarom verscheen al in 1983 een uitgebreide herdruk van Mooi kado, onder een andere titel, met nog meer columns van Carmiggelt, nog wat extra brieven die hij aan Gerard Reve had gestuurd, en meer illustraties.

En Met de neus in de boeken is van alle Carmiggelts éen van de meest houdbare gebleven.

Ik weet niet of er nog altijd geijverd wordt voor uitgave van de complete Carmiggelt in dundruk, maar dat zou toch geen reeks zijn waar ik blind voor inteken. Er is iets aan veel van zijn columns dat ze op het moment oud doet lijken. De wereld die erin beschreven wordt, en de mensen daarin, bestaat zo niet meer. Carmiggelt is misschien daarom ook razendsnel uit de belangstelling verdwenen na zijn dood.

Maar wellicht is dat idee over veertig jaar weer anders; en moet Carmiggelt eerst totaal verouderd zijn om weer nieuwe lezers te kunnen boeien.

De gedachten die hij intertijd optekende over boeken, en de anekdotes over hun schrijvers, zijn in elk geval niet zo gegeseld door de tijd.

Zo was voor mij nieuws dat A Moveable Feast indertijd, bij de verschijning, door velen een vreselijk boek werd gevonden. Die opinie steekt nogal af bij de eerbied waarmee een bewerkte heruitgave afgelopen zomer werd gepresenteerd. Simon Carmiggelt legde overigens nog weer een ander verband. Voor hem was de mislukking van dat boek, dat zo veel minder is als de rest van het oeuvre, een rechtstreekse aanleiding voor de zelfmoord — Hemingway besefte het niet meer te kunnen.

Interessantst aan Met de neus in de boeken waren Carmiggelt’s persoonlijke herinneringen aan schrijvers en boeken, de brieven aan Reve — al is de andere kant van de correspondentie misschien nog sterker; hoewel Gerard Reve daarin alleen uitzond — en toch ook wat hij aantekende uit het werk van anderen.

Maar daarmee is dit een boek geworden dat misschien wel vooral aanzet om andere boeken op te zoeken en gaan lezen. En beter kan een schrijver soms niet bewerkstelligen.

S. Carmiggelt & Peter van Straaten
Met de neus in de boeken
Een
Mooi kado zoals het eigenlijk
had moeten zijn
222 pagina’s
De Arbeiderspers, 1983

Mijn beter ik ~ Renate Rubinstein

Ooit was dit een schokkend boek. Postuum. Of, althans, er ging een geruchtmakende onthulling vooraf aan Mijn beter ik. Simon Carmiggelt, de meest getrouwde man van Nederland, bleek onverwacht een langdurige verhouding te hebben gehad met Renate Rubinstein. En daar had niemand iets van af geweten. Terwijl het hier toch om twee namen ging uit het wereldje.

Carmiggelt’s kinderen hebben ook nog geprobeerd deze uitgave verboden te krijgen. Er staan facsimiles in van enkele ansichtkaarten en briefjes die ‘S.’ aan Renate Rubinstein schreef. Daarop meenden zij de rechten te hebben.

Alle direct betrokkenen bij het verhaal waren inmiddels overleden. Renate Rubinstein stierf zelf in 1990, op 61-jarige leeftijd. Simon Carmiggelt [1913 — 1987] was haar een paar jaar vooraf gegaan. Zijn vrouw Tiny stierf vrij snel na haar man.

En Tiny speelt ook een grote rol in dit boek, hoewel ze er nooit rechtstreeks in voorkomt. Het was door haar vele problemen dat Carmiggelt zijn eigen gezondheid uiteindelijk verwaarloosde. Hij negeerde het suikerziekte te hebben, en kwam in 1987 vrij snel aan zijn eind.

Voordien had hij een vrouw die onder meer slechtziend was, en daarom bij alles hulp nodig had — als ze niet depressief op bed lag te treuren om haar blindheid. En hoewel Carmiggelt zelf al jaren gedwongen droog stond, was hij wel alle middagen kwijt om haar naar het café te brengen, waar ze dan leuk wijn ging drinken.

Tenminste, zo beschrijft Renate Rubinstein de situatie. En haar. De rivale. De vrouw die maakte dat ze Simon Carmiggelt nooit voor zichzelf alleen kon krijgen. Op wat gestolen uurtjes na dan. Eén keer per week.

Ondertussen kampte Rubinstein zelf met MS – een ziekte waarvan de gevolgen zich openbaarden toen het voor de eerste keer met Carmiggelt aanraakte in 1977. Tiny had weet van die eerste tijd, Simon Carmiggelt wilde toen nog niets geheim houden. In de jaren daarna moest hij ook altijd onmiddellijk thuis komen van bijeenkomsten waarvan zijn vrouw vermoedde dat Rubinstein er aanwezig kon zijn.

Ik las, of beter herlas, Mijn beter ik als tegenwicht op Carmiggelt’s autobiografie in stukjes. Om ook een andere blik te krijgen op deze man.

Daarbij las ik een opvallend licht en verliefd boek — alle vlotheid verdwijnt er meteen uit als Carmiggelt overlijdt in 1987. Renate Rubinstein schrijft dan ook dat ze door hun verhouding de ernst van haar eigen ziekte zich al die tijd nauwelijks bewust is geweest. Zelfs al kon ze bij het schrijven van dit boek op een gegeven moment niet meer vertrouwen op eerdere aantekeningen; want aantekeningen maken was toen al te vermoeiend geworden.

En misschien komt het door de afstand in tijd, maar ‘schokkend’ of ‘onthullend’ lijken me wel zo ongeveer de minst passende etiketten voor een boek als dit. Laat staan voor de verhouding die er in beschreven wordt.

Twee mensen hadden ooit even heel veel aan elkaar, zelfs al was dit dan vaak in gestolen uurtjes, tijdens periodes in hun leven die niet de makkelijkste zullen zijn geweest.

Eén van hen legde een verslag vast van de liefde. In dit boek. De ander had het gegeven toen al gebruikt in zijn krantencolumns — waarin het aantal mannen op leeftijd dat tevreden een nieuwe partner had gevonden plots enorm was toegenomen.

En dan veranderde Carmiggelt kleinigheden in die verhalen. Zoals hij gewoon was. Zodat de anekdotes niet op hem waren terug te leiden. Hij beschreef hun liefde dus ook, en openlijk – al was dit onbekend gebleven had niet Renate Rubinstein ons daarop gewezen.

Renate Rubinstein, Mijn beter ik
Herinneringen aan Simon Carmiggelt

148 pagina’s
© 1991 in:
Renate Rubinstein, Verzameld Werk 1952 – 1990
Uitgeverij Meulenhoff, 1995

Schrijven ~ Jan Brokken

Dertig jaar nadat Jan Brokken de belangrijkste schrijvers in Nederland interviewde — op Reve en Hermans na dan — zijn de meeste van hen dood of uitgeschreven.

Nu goed, Maarten ’t Hart publiceert nog weleens wat. Guus Kuijer ook. Mensje van Keulen. K. Schippers. En Remco Campert zelfs.

Toch maakte deze interviewbundel om een andere oorzaak een merkwaardig gedateerde indruk. Brokken was om éen of andere reden nogal gefascineerd door het materiaal waarmee de schrijvers hun ambacht uitoefenden. En eind jaren zeventig gebruikten auteurs hier nog geen computers.

Dus mocht Harry Mulisch zagen ‘het echte HB potlood’ te gebruiken voor de passages waar hij onzeker over is.

Wolkers legde uit vellen van zestig centimeter lengte in zijn typmachine te draaien.

Biesheuvel heeft zelfs een typmachine waarmee het schrijven eigenlijk te makkelijk gaat.

En Maarten ’t Hart kon maar met éen speciale pen schrijven, omdat hij van de andere kramp kreeg, ook als het werk per se nog door moest.

Zelden zal er zo veel aandacht besteed zijn aan zoiets onzinnigs. Ik bedoel, al zou een auteur elke ochtend een ader openrijten om het eigen bloed als inkt te kunnen gebruiken, dan nog is dat van secundair belang; en hoogstens interessantdoenerij.

Gelukkig had Brokken nog wel oog voor nuttiger informatie, zoals hoe vaak er herschreven werd; of hoe de auteurs de redactie inpasten in hun normale schrijfpatroon.

Ik herlas dit boek om het interview met Bob den Uyl, en knikte maar weer eens bij diens uitspraak:

Een verhalenbundel is een roman waaruit de vervelende stukken zijn weggelaten […]

Toen moest het gesprek met de zo zelden geïnterviewde F.B. Hotz ook maar. En voor ik het wist had ik tien van de negentien interviews gelezen, en moest het boek ook maar uit.

Maar waarom eigenlijk toch?

Jan Brokken, Schrijven
Interviews
230 pagina’s
De Arbeiderspers, 1980

* in het boek staan interviews met:

  • J.M.A. Biesheuvel
  • Willem Brakman
  • Remco Campert
  • S. Carmiggelt
  • Hugo Claus
  • Hella S. Haasse
  • Maarten ’t Hart
  • F.B. Hotz
  • Mensje van Keulen
  • Anton Koolhaas
  • Gerrit Krol
  • Guus Kuijer
  • Marga Minco
  • Harry Mulisch
  • Bert Schierbeek
  • K. Schippers
  • Bob den Uyl
  • Theun de Vries
  • Jan Wolkers