Been in de IJssel ~ Joris van Casteren

Of het een typisch journalistenkwaaltje is, weet ik eigenlijk niet. Maar in dat vak kun je op kleine raadsels stuiten waar dan nooit een sluitend antwoord op volgt. Minuscule vragen die toch onthouden worden, omdat ze zich om éen of andere reden wel met weerhaakjes in je geheugen vastzetten. Waardoor ze later nog ineens weer kunnen opduiken ook.

Zo zijn er een paar rechtszaken die ik meemaakte als verslaggever en nooit vergeten zal, omdat ze zo onbegrijpelijk waren.

Want, waarom ging die ene vrouw bijvoorbeeld nu net in het zicht van een politiecontrole achter het stuur van een auto zitten, in plaats van de man die tot dan toe had gereden? Terwijl zij niet eens een rijbewijs had? Waarom pleegde ze daar vervolgens in de rechtszaal ook nog meineed over?

Joris van Casteren zag in 2005 in een TV-uitzending — Opsporing Gezocht wellicht — dat er een los linkerbeen gevonden was in de rivier de IJssel, ter hoogte van het dorp Wijhe. Een misdrijf kon niet worden uitgesloten. Geïntrigeerd belde hij later met de plaatselijke politie, om dan te horen dat die geen enkele tip ontvangen had over het been.

Desalniettemin schreef Van Casteren een stukje in het weekblad waar hij toen voor werkte over het raadsel. Om dat vervolgens niet helemaal te vergeten.

Pas in april 2011 leest hij in de krant dat inmiddels bekend is aan wie het been vermoedelijk heeft toebehoord. Een Duitser, die voor het laatst in Düsseldorf gezien was. Driehonderd kilometer verderop. Stroomopwaarts.

In de krant staat ook dat DNA-onderzoek een match heeft opgeleverde, terwijl Van Casteren nu net zelf in zijn stuk had beweerd dat het been te lang in het water had gelegen om nog bruikbare DNA te kunnen opleveren.

En dat zal voor de schrijver mede reden zijn geweest om te onderzoeken hoe zijn raadsel zes jaar later toch nog een antwoord opleverde.

Het been in de IJssel biedt daarmee enerzijds een reconstructie van hoe de instanties in Nederland omgingen met die rare vondst van dat losse been. Waaruit dan blijkt dat de gedrevenheid van een enkeling uiteindelijk nogal wat verschil kan maken. Later.

Anderzijds had Joris van Casteren dus nu ook een naam, en daarmee een leven, en probeert hij in het boek te reconstrueren wie de man was aan wie dat onderbeen met die knie ooit toebehoorde.

Ging de schrijver zelf, tenslotte, ook nog te voet van de IJssel bij Wijhe naar de plek in Düsseldorf waar de man vermoedelijk van een Rijnbrug in het water was gestapt, om later door een scheepsschroef vermalen te zijn — al geloofde een ex-vriendin van hem in 2011 dat deze nog altijd in leven was.

En wat dit boek dan zo rijk maakt, is dat het laat zien hoeveel mensen even met een raadsel zaten. Voor sommigen was dat een los been dat zomaar opdook, bij anderen verdween er ineens een heel mens uit hun leven. En dat allen met onbeantwoorde vragen bleven zitten. Tot er een schrijver langs kwam, die zo goed en kwaad hij kon alle losse eindjes tot een geheel probeerde te vlechten.

Van Casteren profiteerde daarbij vanzelfsprekend ook van het vele werk — beyond the call of duty — dat anderen al hadden verricht. Dan nog kreeg zijn queeste vorm doordat er een boek over te schrijven was — want mede omdat boeken aan zekere eisen hebben te voldoen, kwam er antwoord op een vraag in de vorm van een reeks verhalen.

Joris van Casteren, Het been in de IJssel
281 pagina’s
Prometheus 2014, oorspronkelijk 2013

In de schaduw van de Parnassus ~ Joris van Casteren

Voor hij vergeten romanschrijvers opzocht, had Joris van Casteren al eens een reeks vergeten dichters gesproken. Maar veel minder dan bij de fictie-auteurs is deze bundel met interviews het totaalportret van een merkwaardige sekte — de dichters lijken allemaal een hoogst persoonlijke reden te hebben gehad om met taal te boetseren.

Tegelijk laat poëzie niets gebeuren, om Auden weer eens te parafraseren.

Van Casteren debuteerde in de periode van deze interviews zelf met een bundel gedichten. Grote Atomen geheten. Hij kon toen nog niet weten of hij lotgenoten bezocht, of dat hij wel een doorbraak zou beleven.

In de inleiding van het interviewboek schildert hij de wereld van de Nederlandse poëzie af als een kring van hoogstens duizend kenners. Die ook allemaal publiceren. Of op zijn minst ambities in die richting koesteren.

Dat wereldje is voor mij al eens genadeloos ontmaskerd. Door Herman Brood nota bene. Toen deze gedichten voordroeg op een poëzie-avond en daarbij kil ontvangen werd. Als een buitenstaander die er niet hoorde. Terwijl geen kenner in het publiek was opgevallen dat Brood voornamelijk werk van Lucebert had voorgedragen.

Joris van Casteren nam alles aanzienlijk serieuzer.

Elk interview in de bundel In de schaduw van de Parnassus werd vergezeld door een vers van de geportretteerde. En geen enkele daarvan maakte nieuwsgierig naar meer.

En ik geloof niet dat mijn onverschilligheid voor deze poëzie kwam door de context. Als van een dichter geen werk meer wordt uitgegeven dan hebben anderen ook al eens negatief geoordeeld. Maar alle gedichten in dit boek kwamen nu net uit bestaande bundels.

Niets is mij moeilijker gebleken, terwijl boeklog toch mogelijkheden genoeg heeft geboden, om te begrijpen en vervolgens uit te leggen waarom het ene gedicht mij wel iets doet, en 99,2% van de rest op zijn best onverschilligheid oproept. Walging en afschuw over een vers zijn misschien nog te verklaren. Maar die ontbreken nu net ook. Schouderophalen schrijft lege zinnen.

Zo weinig de schone strofen me deden, zo verging het me ook met het gezelschap van hun dichters. Aardige mensen lijken het doorgaans, die vergeten dichters. Alleen is het de tijd allang niet meer om groots en meeslepend dichter te kunnen zijn. Dat scheelt nogal in de beleving.

In de schaduw van de Parnassus biedt wel een paar inzichtelijke tijdsbeelden. Het portret was aardig, van de arbeider-dichters uit de jaren zeventig Pierre van Vollenhoven en Wim de Vries. Ook al omdat bij hen duidelijk was waarom ze schreven. De titel van hun gezamenlijke bundel luidt ook: M’n woord een wapen van verweer.

En het verhaal van de ‘De Nieuwe Wilden’ wordt verteld. Voor wie dat interesseert. Want dat er ooit een gezelschap mevrouwen onder deze bendenaam dichtte, is geen feit waarover online veel te vinden is.

Joris van Casteren, In de schaduw van de Parnassus
Gesprekken met vergeten dichters

224 pagina’s
Prometheus, 2002

Lelystad ~ Joris van Casteren

Sinds vorige maand stopt de sneltrein uit het Noorden naar de Randstad er ineens. Lelystad. Een jonge plaats op de bodem van een voormalige zee. Het gedroomde centrum ooit van een heel nieuw polderrijk.

Ruim 75.000 inwoners heeft Lelystad tegenwoordig. Het hadden er allang minstens 100.000 moeten zijn. Zo ruim is het stad in het oorspronkelijk ontwerp ook opgezet. De wegen zijn er breed, en heten dreven. Maar het ging al mis toen de mannen van de Rijksdienst hun stad in de jaren vijftig planden in het midden van helemaal niets. Zonder dat er industrie of andere nijverheid was in de buurt. Zonder dat er een fatsoenlijke ontsluiting was via een snelweg of spoorverkeer.

Ging daarna de inpoldering van de Markerwaard ook nog eens niet door, zodat Lelystad niet langer een logische centrumpositie innam, maar gewoon een roerloos stadje werd ver weg aan het water.

In het boek Lelystad van Joris van Casteren wordt een deel van de wonderlijke ontstaansgeschiedenis van de plaats geschetst. Maar daar doorheen is de rijke autobiografie van zijn jeugd in deze stad gewoven.

Wat daarbij allereerst opvalt is de kurkdroge toon. Van Casteren schrijft volkomen laconiek de meest verschrikkelijke zaken op. Want toevallig viel zijn jongste jeugd samen met de jaren zeventig; het meest idealistische en merkwaardige decennium van de afgelopen eeuw.

Zijn ouders kwamen ook uit idealisme vanuit Rotterdam naar de polder. Vader zou schoolhoofd worden op een basisschool, en al gauw merken dat fijne ideeën over zelfexpressie van het kind slecht samengaan met etters van kinderen die nooit enige opvoeding hadden genoten.

Lelystad was namelijk een tijd de plek waar Amsterdam zijn moeilijke gezinnen dumpte. De werkloosheid was er mede daarom navenant hoog. Om van de criminaliteit nog te zwijgen. Laat staan alle overige sociale problematiek. Dat de gemeente halfweg de jaren tachtig failliet ging, hielp ook al niet mee.

Het percentage echtscheidingen in Lelystad lag hoger dan elders. Ook Van Casteren’s ouders gingen al snel uit elkaar. En moeder werd vervolgens lesbisch, en vegetarisch, zoals dat in de jaren zeventig en tachtig ging. Maar zijn ouders bleven altijd wel met elkaar praten, anders dan hij om zich heen zag gebeuren.

Ging hij vervolgens dingen doen die alleen jongens onder elkaar stoer vinden, en ieder ander ‘vandalisme’ noemt.

Maar zelfs al groei je op in Lelystad, dan blijft dat nog altijd wel de plaats waar je je van alles bewust werd. Het merkwaardige aan een jeugd valt pas op als de mogelijkheid er is om te vergelijken.

Van Casteren redde zichzelf misschien wel uit de rottigheid doordat hij de poëzie ontdekte in zijn puberteit. En toen zelf dat schrijven probeerde.

En in dit boek lees ik toch ook de poëzie. Waar een ander misschien vooral de ellende rondom ziet, die zo droogklotig beknopt gepresenteerd wordt dat die juist grappig wordt.

Lelystad bestaat uit twee stukken. In het lange eerste deel beschrijft Joris van Casteren zijn jeugd tot het moment dat hij naar de school voor journalistiek in Utrecht vertrekt. Het tweede deel gaat over een terugkeer, vijftien jaar later, als hij oude vrienden en vriendinnetjes opzoekt; en wat criminelen ook uit zijn kennissenkring van toen waar hij benieuwd naar is. Als Van Casteren research doet ook naar de idealen van de mensen die Lelystad hebben opgezet. Want dat kan nu eenmaal. De pioniers van toen er niets was, leven nog.

En publicatie van dit boek in 2008 leverde tumult op. Een van de straatvriendjes van een hofje waar Van Casteren ooit woonde, eiste dat het boek uit de handel gehaald zou worden. De man komt op zijn best terloops voor in de tekst. Ambtenaren van de gemeente dreigden in hun gekrenkte trots een signeersessie in de lokale boekhandel te verstoren, waarop die sessie werd afgelast. Zo meen ik.

Maar tegenwoordig worden er weleens rondritten met gids georganiseerd, om buitenstaanders per bus langs locaties in het boek te leiden.

En wat zou het mooi zijn als er over alle stops op de route van de sneltrein even zo wonderlijk doorleefde boeken zouden bestaan.

Joris van Casteren, Lelystad
335 pagina’s
Prometheus 2010, oorspronkelijk 2008

Man die 2½ jaar dood lag ~ Joris van Casteren

Scherven zijn het, die Joris van Casteren de lezer aanbiedt in deze bundel. Reportages over gewone mensen, die toch ook gebruikt hadden kunnen worden als illustratie van grotere problematiek. Alleen blijft dat grotere verhaal nu net uit dit boek weg. Het is daarmee een mozaïek waarin delen ontbreken.

In het titelverhaal van De man die 2½ jaar dood lag bijvoorbeeld gaat het daarom vooral om deze man. Van Casteren moet nogal wat moeite gedaan hebben om diens leven te kunnen reconstrueren. Gegeven dat deze van heel zijn familie vervreemd was geraakt, en de buren in zijn portiek hem nauwelijks hebben kunnen leren kennen. De deur deed hij bij leven niet open.

En zijdelings komt dan weliswaar ook aan de orde dat het niet eens een record meer is, om tweeënhalf jaar lang ergens ongemerkt dood te liggen. Omdat alle grote steden in Nederland met vergelijkbare leed kampen — al speelt het probleem ook op het platteland. Alleen blijft het in deze bundel dus bij dat terloopse signalement. Nagaan wat de mogelijke oorzaken kunnen zijn, gebeurt namelijk niet.

Tegelijk verschenen alle reportages eerder in de opiniebladen De Groene Amsterdammer en Vrij Nederland. Dus helemaal onschuldig zijn ze daarmee ook weer niet. Zo’n context kan de verhalen wel degelijk tot politieke statements maken.

Joris van Casteren toonde zich een goede leerling van Gerard van Westerloo met deze bundel. Die was dan ook even zijn hoofdredacteur. Dus is de kwaliteit van het gebodene gemiddeld hoog, terwijl het tegelijkertijd bedrieglijk simpel lijkt wat er allemaal plaatsvindt op papier.

De verslaggever was ergens en keek. En zijn medium gaf hem vervolgens de ruimte om uit te schrijven wat er was waargenomen.

Mijn idee is nog altijd dat heel wat journalisten dit minstens zo goed kunnen als Van Casteren of wijlen Van Westerloo. Wat daarmee ook direct de vraag oproept waarom dit dan zo weinig gebeurt. Waarom zo weinigen de tijd nemen om een verhaal te schrijven van een paar duizend woorden of meer. Waarom ik het eigenlijk altijd in andere talen moet zoeken om vergelijkbare reportages te kunnen lezen.

Zelfs al is dat verhaal dan slechts misschien een illustratie bij grotere problematiek.

Aan journalistiek die te zeer leeft bij abstracties, en slaafs de holle woorden blijft doorbrieven van politici alleen, heb ik zo weinig. En niet enkel ik.

Bevat De man die 2½ jaar dood lag overigens ook stukken die gewoon tijdloos humoristisch zijn. Waarin de auteur alvast toont dat het soms al volstaat om enkel de mensen te laten praten, om ze daarmee toch in al hun naaktheid te tonen. Later werd hij zelfs nog beter in deze haast sarcastisch lijkende manier van commentaar, die tegelijk niet sarcastisch is noch commentaar.

Dat verhaal van de motorclub, die uit toeren ging in Brabant bijvoorbeeld, biedt zo’n beeld.

Joris van Casteren, De man die 2½ jaar dood lag
Berichten uit het nieuwe Nederland

260 pagina’s
Prometheus, 2003

Requiem voor een pitbull ~ Joris van Casteren

De Telegraaf zal mijn favoriete krant nooit worden. Ik hoor dan ook niet tot de doelgroep van de sensatiepers. En toch ben ik ooit radicaal anders over dit dagblad gaan denken toen iemand me eens fijntjes wees op éen grote kwaliteit van Telegraaf-journalisten.

Als er ooit eens iets bijzonders gebeurde met een gewone Nederlander — zeg een man struikelt in de sneeuw, kan niet meer opstaan, en wordt dan warm gehouden door zijn hondje — dan had de Telegraaf het verhaal van zo iemand altijd als eerste. En groot. Met dan natuurlijk de foto van zo’n man in zijn ziekbed, recht in de camera kijkend, met die hond op schoot.

Dat is vakwerk.

In de reportagebundel Requiem voor een pitbull doet Joris van Casteren wat de Telegraaf dus ooit als exclusieve kwaliteit had, alleen dan beter. Voor veel van de stukken in het boek zal een los artikel in de krant aanleiding zijn geweest. Waarna hij op onderzoek uitging, en zo’n petite histoire in context zette.

Dus leert de lezer het verhaal kennen over de verwarde man die de Maastunnel dreigde op te blazen met een kussen.

Of dat van de Friese boer met zijn illegale Nigeriaanse bruid.

Of het verhaal van de politiebeambte die zich een overdosis snoof op een Wasteland-party.

Of de geschiedenis van de pitbull die dood moest, vanzelfsprekend.

En zo nog zeventien verhalen meer. Daarover is te zeggen dat ze doorgaans ambachtelijk heel goed in elkaar zitten. Positief is helemaal dat Van Casteren zijn verhalen ook buiten de Randstad Holland zoekt. Maar dan weegt ook gauw nog iets anders mee. En dat is Joris van Casteren’s toon.

Het is duidelijk zijn keuze geweest om de woorden van zijn gesprekspartners droog en zakelijk weer te geven. Alleen is het dan zeer afhankelijk van de context, hoe die natuurgetrouwe citaten overkomen.

Journalisten hebben voor mij ook een taak om kwetsbare mensen tegen zichzelf in bescherming te nemen — en de meeste mensen die nooit met de media in contact komen, zijn zo kwetsbaar, omdat ze simpelweg de mogelijke impact van hun uitspraken niet kunnen inschatten.

En Van Casteren wist voor mij toch nog niet altijd de juiste balans te vinden tussen pure registratie, en iets dat neigt naar leedvermaak.

Soms lukt de toon hem wel perfect, bijvoorbeeld als een griend aanspoelt op Schiermonnikoog, en ineens allerlei instanties iets willen en zullen met het kadaver van dat beest. Elkaar dan tegenwerken ook.

En soms maken mensen zich belachelijk, doordat Van Casteren ze niet tegen zichzelf beschermt, zoals geldt voor de buitengewoon opsporingsambtenaar die permanent op homojacht is in ‘zijn’ recreatiegebied. De man wil een vuurwapen kunnen dragen tijdens zijn dienst, en krijgt almaar geen wapen.

Maar misschien is dit verhaal ook wel dé uitzondering in deze bundel. ‘Een hete zomerdag aan het Henschotermeer’ laat een vertegenwoordiger aan het werk zien van onze autoriteiten. Eentje die zichzelf groter maakt dan hij is, in zijn verantwoordelijkheidsbesef. Nogal wat andere reportages gaan juist over mensen in hun machteloze confrontatie met onpersoonlijke instanties. En deze zeggen wat dat betreft per stuk meer dan menige roman.

Dus zou ik liefst nog tientallen van deze reportages lezen — in de wetenschap dat Joris van Casteren al doende waarschijnlijk nog beter zou worden om ze te schrijven. Lelystad bewees dat ook al, in de zakelijke gedeelten.

Joris van Casteren, Requiem voor een pitbull
263 pagina’s
Prometheus, 2007

Station ~ Joris van Casteren

Geen mooiere plek in Amsterdam dan het Centraal Station, zoals de versleten grap luidt. Want de trein naar huis vertrekt van daar, uit de overvolle hoofdstad weg.

Treinstations zijn ook merkwaardige plaatsen. Zo veel meer een decor om te negeren en snel doorheen te lopen, dan een plek om te verblijven.

Al heb zelfs ik weleens, om het gemak, afspraken gehad op een station.

En Amsterdam Centraal is zeker niet mijn favoriete treinstation. Net als Joris van Casteren arriveerde ik er in de jaren tachtig voor het eerst. Om daarbij toen meteen een wel heel vieze en grimmige transitzone te betreden. Dat het leven in de grootstad anders was dan op het platteland liet zich daar meteen al zien. Uitgemergelde heroïnehoertjes en rondhangende rotjochies volop — waarvan me dan later verteld werd dat het waarschijnlijk broodpoten waren.

De stad en de Spoorwegen vonden dit station al evenmin een visitekaartje. Waarop in de jaren negentig een schier eindeloze verbouwing begon. En hoewel er tegenwoordig zelfs een winkelstraat in het gebouw te vinden is die een luxe uitstraling wil hebben, om de nutteloze maar dure merkartikelen er aangeboden, is het nog altijd niet goed tussen Amsterdam CS en mij.

Ik ben daar liever niet.

Tenzij in een boek. Op veilige afstand.

Joris van Casteren schreef, mede naar aanleiding van het 125-jarig bestaan van het Centraal Station, een boek over dit gebouw en zijn geschiedenis. Dat monument. Grotendeels bestaat deze uitgave daarbij uit reportages. Van Casteren praatte dan met iemand voor wie CS nu net een werkplek was, en geen decor. Van lokettist tot omroeper, van schoonmaker tot manager, hij sprak ze allemaal.

Al is er een stationmanager, en ook nog een stationbeheerder — het bestaan van twee verschillend benaamde functies zegt de goede verstaander veel — van wie hij beide afzonderlijk een rondleiding kreeg door het gebouw en de catacomben. Ging hij verder op stap met verschillende politie- en bewakingsdiensten.

Waren er ook de niet officiële bewoners en gebruikers nog, van het station. De mensen zonder eigen plek; die wel zo’n publieke ruimte moeten gebruiken; en daar dan zo makkelijk als overlast kunnen worden gezien. En die toch ook een verhaal hebben.

En mede door die reportagevorm, waarin ik Van Casteren domweg erg goed vind, was dit een erg prettig boek om te lezen.

Al heb ik er wel vragen bij. De schrijver gebruikt bijvoorbeeld in zijn beschrijvingen van de geschiedenis van het gebouw onbekommerd het begrip ‘perronkaartjes’. En daarvan weet ik best dat die er ooit waren om te beletten dat iedereen zo de perrons op kon lopen, om daar dan in de treinen te stappen.

Alleen zijn die perronkaartjes ooit afgeschaft. Van Casteren negeert dit. Net als dat hij negeert dat de meest recente verbouwingen van Amsterdam CS dienden om het publiek vrije doorgang te bieden naar de De Ruyterkade, met de veerponten, terwijl de rest van het station ontoegankelijk zou worden gemaakt met poortjes; die alleen open gaan voor de houders van een OV-Chipkaart.

Er zijn kortom meer constanten te benoemen over het beheer van zo’n station dan hij deed — waarover ideeën dan weleens veranderen. Dat grote verhaal is buiten het boek gebleven. Net als er nu enkel gehint wordt naar vervelend gedoe door NS, of een nevenbedrijf, die de exploitant van de eersteklasrestauratie op perron 1 weg willen hebben, of de vrouw wier familie al die tijd de toiletten beheerden op perron 2b.

Niettemin, net als met zijn boek over de provincieplaats Lelystad, bekroop me weer het gevoel hoe goed het is als de geschiedenis van een plek geschetst wordt door een droog formuleerde auteur, met een afstandelijke blik; onafhankelijk van wat hij daarbij verkiest te beschrijven. Hoe zonde het daarom is dat dit zo weinig gebeurt: dat vastleggen van iets, op een gegeven moment in de tijd. Omdat zo velen die denken geroepen te zijn toch liever de zoveelste overbodige roman schrijven.

Joris van Casteren, Het station
160 pagina’s
Bas Lubberhuizen, 2014

Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf ~ Joris van Casteren

De belangrijkste vraag wordt nooit gesteld in deze bundel met schrijversinterviews. Waarom kozen de auteurs ervoor om lange fictiewerken te gaan schrijven?

Want iedereen met genoeg verhalende kracht om meerdere romans uitgegeven te krijgen kan zo veel andere dingen doen met dat taalgevoel. Of met de bewezen zelfdiscipline om langdurige verplichtingen succesvol af te ronden.

Maar voor Joris van Casteren sprak het blijkbaar vanzelf dat schrijvers romans schrijven. Zelfs als daar helemaal niemand meer op te wachten zit.

Blijkbaar zit onze cultuur zo in elkaar.

In de bundel Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf komen auteurs aan het woord die het na een soms veelbelovende start uiteindelijk niet maakten. Hun boeken verkochten niet, of niet meer. De uitgeverij weigerde een volgend manuscript. Andere uitgeverijen waagden zich al evenmin meer aan hun werk.

Voor een aantal was dit teken om iets nuttigers te gaan doen met hun leven. Eén werd postbode. Anderen gingen goudgeld verdienen in een wereld die al evenzeer aan elkaar hangt van schijn. Zoals de marketing. Zoals de spiritualiteit.

Weer anderen blijven doorschrijven. Aangevend niet anders te kunnen. Hopend op een late of postume doorbraak. Is de literatuur niet een kunst waarin boeken plots herontdekt kunnen worden? Reputaties veranderen.

Van de geïnterviewde schrijvers bleek ik er opvallend veel van naam te kennen; zeker als ze nog iets in de jaren zeventig en tachtig hadden gepubliceerd. Wat niet heel vreemd is. Ooit las ik alles.

En van sommigen, zoals Peter Andriesse, Ben Borgart, en Anton Quintana staan, of stonden, er zelfs boeken in mijn kast. Die romans achtte ik dus ooit de moeite waard om te bezitten. Dat maakte het alleen al aardig om te zien wat ze op het moment van het interview, rond 2005, aan het doen waren.

Anton Quintana was zelfs mijn lievelingsschrijver toen ik een jaar of tien was. En voor hij boeken ging schrijven met thema’s die mij te zweverig werden.

En alleen de geschiedenis van Quintana ook, die eigenlijk Kuyten heet, zal me bijblijven. Omdat die intrigeert. Omdat die afwijkt van het stramien in het boek. En omdat ik die niet geloofd zou hebben als iemand het gegeven had gebruikt om daar een roman over te schrijven.

Want ooit waren er twee broers. Een tweeling. De oudste met een klein geboortedefect aan zijn gezicht, en de jongste helemaal mooi en gaaf.

De jongste, André, ging het helemaal maken in de letteren. Leek het. Een tijd.

De oudste, Anton, scharrelde wat en reisde. En toen ook hij begon te schrijven verzocht zijn broer hem om dat onder hun moeder’s naam te doen. Quintana. Bovendien mocht hij geen romans uitbrengen.

Maar Anton Quintana schreef wel romans, die hij evenwel kinderboeken noemde. En die ik eenmaal volwassen nog altijd zeer leesbaar vond.

Het grootste publieke succes oogstte Quintana evenwel als scenarist voor een aantal TV-series in de jaren zeventig. Terwijl zijn broer toen al een tijd aan zijn neergang bezig was. Hooggeschreven in de jaren zestig wist André de verwachtingen niet waar te maken; waarop de critici zich tegen hem keerden.

Verder bood deze bundel geen opvallend nieuwe inzichten in de aard of de onzekerheden van schrijvers. Dit ligt overigens niet aan Van Casteren. Dat komt mede door mijn boeklog. Want ze hebben allemaal contact met me opgenomen in de loop der jaren via deze site. De dorpsgenieën. De aandachteisers. De miskenden. De gebutste ego’s. De geklutste ego’s. De gekwetste ego’s. De beterweters, en de zekerweters. De dronkaards en de grofbekken.

Nooit ligt er ook maar iets aan hen.

Joris van Casteren, Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf
Portretten van vergeten schrijvers

200 pagina’s
Prometheus, 2006

Zusje van de bruid ~ Joris van Casteren

Als in een roman een liefde voorkomt, hoe eenzijdig ook, gaat zo’n boek vervolgens enkel over die liefde. Elders heb ik al eens wat gedachten gewijd aan dit merkwaardige fenomeen. En daarbij onder meer geconcludeerd dat de meest beklijvende verhalen over gedwarsboomde liefdes lijken te gaan.

Het zusje van de bruid is zo’n boek over een gedwarsboomde liefde. En toch hikte ik er tegen aan om ook dit boek van Joris van Casteren te lezen; ondanks dat zijn overige werk me beviel.

Zo is dit geen roman, maar een terugblik om een periode in zijn eigen leven. Van toen hoe nog voor een Amsterdams opinieweekblad werkte, en dus collega’s had, die geanonimiseerd in het boek voorkomen.

Daarom was er nog een relletje om Het zusje van de bruid bij verschijning, omdat de omstandigheden op die redactie, en de hobby’s van collega’s daar, voor sommigen niet genoeg waren geanonimiseerd.

Die reuring interesseerde me overigens niet. Mij stond tegen dat het boek zou gaan over Van Casteren’s liefde voor iemand waar onmogelijk mee te leven was. Een borderline-patiënte. Die aan allerlei roesmiddelen verslaafd was, en daar niet vanaf zou komen. Dat het mis zou gaan tussen beide is ook meteen aan het begin van het boek duidelijk.

En het is nog daar aan toe dat hij verliefd op haar kon worden — al wordt een woord als dat nooit gebruikt in het boek; de lezer kent de emoties als het goed is, die vult daarbij zelfs alles toch al in.

Zij was mooi, en erudiet. En bovendien stamde ze uit een milieu met een rijkdom die Van Casteren helemaal niet kende.

Alleen al dat hij door haar naar een grachtenpandje kon verhuizen, in plaats van in een gehorig hok in Slotervaart te moeten wonen, bracht een prettige verandering.

Behalve dan dat het vervolgens altijd weer afwachten was in welke gemoedtoestand zijn lief nu weer was — al werd op een gegeven zeker dat ze altijd weer zou terugvallen tot zelfdestructie.

Opvallend genoeg bleek bij het lezen dat juist de stemmingswisselingen en de bijbehorende veranderingen in het karakter van de jonge vrouw het boek memorabel maken.

Normale liefde wordt al gauw klef; hoe goed ook beschreven. Maar de vreedzame scènes uit een onmogelijk relatie houden iets teers en kwetsbaars; omdat die toestand zo instabiel is en hoogstens even kan duren.

En juist door die tijdelijke vreedzaamheid blijft er telkens de hoop ook dat het ooit toch nog goed zal komen — omdat het ooit even goed wás.

Ofwel, Het zusje van de bruid had heel makkelijk een larmoyant boek kunnen zijn. Dat werd het niet. Omdat de schrijver, zelfs in het beschrijven in een periode van zijn eigen leven begin eenentwintigste eeuw, toch ook de laconieke afstand hield die zijn overige boeken zo kenmerkt.

Joris van Casteren, Het zusje van de bruid
Relaas van een onmogelijke liefde

220 pagina’s
Prometheus, 2011