Bullet Park ~ John Cheever

De kwaliteit van Cheever’s korte verhalen staat voor mij buiten kijf. Maar zijn romans brachten mij nooit een vergelijkbare opwinding.

Inmiddels weet ik dat ik vele boeken op te jonge leeftijd heb gelezen. Zoals Cheever’s lange fictiewerken.

Ook zijn roman Bullet Park heeft een melancholie die waarschijnlijk pas overkomt bij een lezer die al wat levenservaring heeft opgedaan.

Weliswaar wist ik ook als jong mannetje met sardonische zekerheid al dat vrijwel alles vergeefs is. Met de jaren verdween toch dat kille en harteloze cynisme achter deze kennis.

Bullet Park bevestigt dat Cheever dé chroniqueur was van het lege bestaan in de Amerikaanse suburbs en slaapsteden. De roman beschrijft twee levens daar. Zoals dat van Elliot Nailles, die veel van zijn vrouw en zoon houdt. Wel heeft Nailles pillen nodig om de treinreis te overleven elke dag als forens naar New York.

Zijn tegenspeler heet Paul Hammer. Dat is een veel onvoorspelbaarder figuur. Te rijk voor zijn eigen bestwil is hij bijvoorbeeld, door een legaat van een grootmoeder — terwijl hij een nooit erkend natuurlijk kind is.

Hammer vertaalt op gegeven moment de poëzie van Montale. Maar als dan blijkt dat er al een vertaling bestaat, deert dit hem niet.

Merkwaardig aan de roman is dat je als lezer de hele tijd weet dat er een confrontatie moet gaan komen tussen die twee mannen. Hammer and Nailles. Hamer en spijkers. Maar Cheever biedt die confrontatie pas in de allerlaatste bladzijden, en is daar dan wel heel summier over. Wat er gebeurt, wordt nog net in wat droge zinnetjes benoemd. Maar dat was het dan.

En misschien dat ik voorheen teleurgesteld was over dit onverwachte einde, met zijn religieuze lading bovendien; over het plot dat nooit een plot was.

Ondertussen gaat het me allang niet meer om de onverwachtse ontknoping van de reis. Ik wil onderweg wat te beleven hebben. En deze roman bood opmerkelijk veel aan rijke taal in de beschrijving van die levens.

John Cheever, Bullet Park
256 pagina’s
Vintage Classics 1993, oorspronkelijk 1969

Cheever. A Life ~ Blake Bailey

Het werk van John Cheever [1912 – 1982] ontdekte ik eind jaren tachtig. Via de grote grijze verzamelbundel met zijn verhalen die bij De Arbeiderspers verscheen. Cheever was toen al een paar jaar dood, maar werd nog altijd veel gelezen. Vrijwel al zijn werk was in Nederlandse vertaling beschikbaar. En zijn Nederlandse uitgever nam in 1993 zelfs nog de moeite om een selectie uit zijn dagboeken uit te geven in de reeks privé-domein.

Dat boek was me toen veel te duur. Dus las ik dat in het Engels. Net als ik de gebundelde brieven van Cheever, die al eerder verschenen waren, in het Engels las.

Daardoor werd het de laatste jaren een vraag of ik ooit wel eens iets van diens literaire werk in de oorspronkelijke woorden had gelezen. Behalve de roman Falconer dan, die staat in een Engelse uitgave in de kast.

Nu is het op zich mooi dat ik weet heb van een oeuvre waarvan grote delen me indertijd wel bevielen. Dat er vele romans en verhalen klaarliggen om te herlezen; met als extra attractie daarbij eindelijk ongefilterd de woorden van de schrijver zelf te mogen zien. En tegelijk zijn er nog zo veel Amerikaanse grootmeesters die op een hernieuwde kennismaking wachten.

Deze toestand had nog jaren kunnen voortslepen, als in 2009 niet de biografie Cheever. A Life was verschenen. Die werd overal uitgebreid besproken. Dat boek kreeg daarbij alleen maar lof. John Cheever leefde weer even, in de publieke belangstelling. Zelfs al was een standaardopmerking over hem dat hij nauwelijks nog lijkt te worden gelezen, in de VS. Schrijversroem is vergankelijk. Ook als de auteur op het laatst van zijn leven al gauw eens ‘de Tsjechov van de suburbs’ werd genoemd.

Ik las de biografie in de hoop dat Blake Bailey verstandige woorden aan de boeken van Cheever zou wijden. Biografen doen dat soms. En die extra informatie zou het dan weer wat makkelijker maken om te beslissen welk werk van John Cheever ik zeker zou moeten herlezen.

Helaas bleek dit boek vooral de geschiedenis van een leven te tonen. Wat misschien een wat merkwaardige opmerking is over een vlot verteld, en zeer leesbaar boek. Cheever’s leven vind ik alleen niet zo heel boeiend.

Natuurlijk, er was dat enorme drankprobleem, met de bijbehorende ochtenddepressies. De man deed verder zijn hele leven stiekem over zijn bisexualiteit. Ook kende Cheever bij tijden grote geldproblemen; alleen is dat een standaardelement van vrijwel alle schrijversbiografieën. Wie nooit een bestseller heeft, krijgt het financieel moeilijk. Bovendien kende ik al deze problemen al uit de dagboeken, en de toelichting van Cheever’s zoon daarop. En waar die gegevens toen misschien indruk maakten, deden ze dat nu niet.

Goed aan deze biografie is wel dat Bailey aangenaam vlot de kindertijd en adolescentie van Cheever doorloopt. Daarna worden diens levensjaren met twee à drie per hoofdstuk behandeld. Tot 1964. Als het leven van Cheever blijkbaar interessant genoeg wordt om uitgebreider bekeken te worden.

Mij was wat onduidelijk waarom.

Ik hield daarom niet heel veel over van dit boek. Wat fait divers over de receptie van sommige boeken. Een inzicht of wat over de totstandkoming van een aantal verhalen. Of het gegeven dat John Cheever, zelfs toen hij nog niets gepresteerd had, veel nu nog beroemde schrijvers kende. Maar de lust om vervolgens snel een boek van Cheever te gaan lezen, bracht de biografie me niet.

Nu ja, een aantal verhalen zal ik wel gauw gaan herlezen. Al was het maar omdat ik altijd verhalen wil herlezen; om het wonder dat ze in slechts enkele pagina’s tot stand weten te brengen.

Blake Bailey, Cheever. A Life
771 pagina’s
Picador, 2009

Falconer ~ John Cheever

Een gevangenisstraf is nogal vervelend. Alle dagen worden er hetzelfde. En daarbij komt dat de gevangene nauwelijks zeggenschap heeft over hoe hij zijn tijd besteedt.

Tenminste, dat schrijft Peter Toohey in zijn boek over verveling. Waarin hij de gevangenisstraf belangrijk genoeg vond als zijnstoestand om er even aandacht aan te schenken.

De roman Falconer van John Cheever speelt zich af in een gevangenis. Sterker nog, het boek is genoemd naar deze gevangenis.

Daar wordt de hoogleraar Zeke Farragut in opgesloten omdat hij zijn broer na ruzie met een pook heeft geslagen; waarop deze ongelukkig neerkwam. Farragut is verslaafd aan de heroïne, en het zal dat die verslaving nogal tegen hem gewerkt heeft bij de rechtszaak. Hij is voor broedermoord veroordeeld — niet voor doodslag.

Cheever lijkt alleen niet zo geïnteresseerd in de juiste juridische details. Net als dat ik de beschreven gevangenis niet heel realistisch kon vinden. Zelfs al was ik blij dat de auteur dat aspect van die eeuwige verveling daar voor het gemak ook negeerde.

John Cheever gebruikte de locatie van zijn boek vooral om zo een aantal personages dicht op elkaar te zetten, en daarmee mensen te kunnen tonen op hun extreemst.

Daardoor kon hij bijvoorbeeld openlijk schrijven over de sex van de gevangenen onderling — zonder daarmee schijnbaar iets te zeggen over zijn geaardheid. Pas postuum werd publiek bekend dat John Cheever tijdens zijn leven [1912 — 1984] nogal worstelde met zijn bisexualiteit.

En waarschijnlijk zal ik deze roman moeten opvatten als een allegorie. De hoofdpersoon maakt nu eenmaal een ontwikkeling door in het boek – zelfs al vindt ook die plaats zonder dat de schrijver er nadruk op legt. Farragut raakt ‘in die hel’ zo maar van zijn heroïneverslaving af. En het lijkt een element dat er achteraf nog even is ingebracht.

Zoals hij steeds deed met de plots in zijn boeken.

Wat de romans John Cheever nogal eigenzinnig maakt.

In de korte verhalen – waar zijn meesterschap zat – valt het terloops ingebrachte maar toch allesbepalende detail niet zo duidelijk op als kunstgreep. In romans daarentegen lijken zulke schrijverstrucs voor mij eerder op slordigheden dan iets anders.

Grote schrijvers komen daar makkelijk mee weg is dus de les.

Falconer eindigt als Farragut uit de gevangenis komt — op een onverwacht optimistische noot bijna. En dat had dit boek wel nodig. Ik vond het deprimerend. En zeker niet het beste dat hij ooit schreef; zoals zijn dochter bijvoorbeeld wil.

John Cheever, Falconer
224 pagina’s
Vintage 1992, oorspronkelijk 1977

Oh What a Paradise it Seems ~ John Cheever

Bij Cheever [1912 — 1982] werd kanker ontdekt toen hij de novelle Oh What a Paradise it Seems schreef. Het boek verscheen nog net tijdens zijn leven. Maar zijn ziekte schijnt de ontvangst nogal gekleurd te hebben — recensenten namen de gelegenheid te baat om Cheever’s talenten te roemen, terwijl hij nog kennis kon nemen van hun woorden.

Misschien daarom wist ik niet beter dan dat Oh What a Paradise it Seems het beste was dat er is. Aan lange prozateksten dan, van John Cheever.

En helemaal begrijpen deed ik dat niet, bij eerdere lezing.

Evenmin was me iets bijgebleven van het boek.

Herlezing bracht een vergelijkbare ervaring als de herlezing van de eerdere roman Bullet Park. Cheever’s taal is soms prachtig. Er staan werkelijk adembenemend goed geschreven alinea’s in dit boek. Maar het hele plot wordt achteloos in een paragraaf afgedaan — en ditmaal nog niet eens aan het einde van het boek ook.

Tussendoor vermoordt Cheever ook nog even achteloos een milieu-activist; zonder verder aandacht aan deze misdaad te besteden.

Belangrijkste personage van het boek is dan ook geen mens, maar een water. Beasley’s Pond. En die plas wordt gebruikt als vuilstort.

Amerikaanse lezers weten dan, bij vuilverwerking speelt Maffia doorgaans een rol. En daarmee is er misdaad, en andere corruptie. Maar Cheever hint hoogstens naar dit gegeven in het boek. Zoals alles iets sprookjesachtigs blijft houden. Al is er een aardige scène waarin de burgemeester van de gemeente waarin Beasley’s Pond ligt aan de milieu-activist gaat uitleggen waarom watervervuiling de vooruitgang dient.

Wie iets van de Amerikaanse politiek heeft gevolgd, de afgelopen decennia, herkent dan alle drogredenen die worden aangevoerd voor het eigen standpunt. Zo kan die tegenstander alleen al geen deugdelijke tegenargumenten hebben omdat die anti-Amerikaans zouden zijn.

Absurdisme volop daarom in het boek, al is die zelden zo kritisch als in bovenstaand voorbeeld.

De milieuvervuiling is in het begin van het boek aangekaart door een man op leeftijd. Lemuel Sears. En vrijwel de hele novelle lang volgen we hem dan weer niet op zijn tocht naar gerechtigheid, maar juist op diens queeste naar liefde. En vanzelfsprekend ben ik geneigd om Sears’ oude-mannen-kwetsbaarheid direct te linken aan het gegeven dat John Cheever bij het schrijven wist dat hij ernstig ziek was, en ondertussen misschien wel opgegeven.

Cheever begint het boek ook sterk melancholisch.

This is a story to be read in bed in an old house on a rainy night.

En die toon kwam goed door. Alleen maken de schetsmatige trekken van het verhaal — de terloopsheid waarmee Cheever de belangrijkste verwikkelingen even afraffelde — dit een merkwaardig boek.

Maar, misschien is dat goed. Wellicht dat juist het achteloze vertoon van de macht die een schrijver over zijn personages heeft, maakt dat ik nu wel onthoud waar Oh What a Paradise it Seems over gaat.

John Cheever, Oh What a Paradise it Seems
112 pagina’s
Vintage 1992, oorspronkelijk 1982

Paris Review Interviews, III ~ Margaret Atwood (intr.)

Er is éen nadeel aan boeken als deze interviewbundel. Ik ben allereerst toch het meest geïnteresseerd in de gesprekken met schrijvers die me iets zeggen. Dus op een gegeven moment was ik in de delen éen, twee, en drie tegelijk bezig om eerst te zien wat mijn favorieten te melden hadden.

Het zijn bonbondozen, deze boeken, waarin op het laatst altijd de auteurs overblijven die me nog onbekend zijn, of waaraan ik wat een hekel heb.

Deel III bevat ook enige gesprekken die nogal afwijken van de interviews die mij het liefst zijn. Ik zie graag dat een auteur geïnterviewd wordt als hij of zij in de kracht van zijn leven is — het uitgangspunt om over iemands manier van werken te praten, wordt veel interessanter in de wetenschap dat het oeuvre nog niet af is. Maar de gesprekken met Dinesen, Rhys, en Mailer vonden aan het eind van hun leven plaats, toen vrijwel alle productiviteit al achter hen lag. En het gesprek met Waugh is voor de verandering een mislukt en afstandelijk interview.

undefined

Interviewer
Did you write these early novels with ease or–

Waugh
Six weeks’ work.

Interviewer
Including revisions?

Waugh
Yes.

Evelyn Waugh [1963]
undefined

Beschamend voor mij was dan weer dat ik blijkbaar altijd gedacht heb dat Ralph Ellison en James Baldwin éen en dezelfde schrijver was; ondanks dat hun namen toch duidelijk van elkaar verschillen. Zulke persoonssamenvoegingen komen anders alleen voor bij mensen die me niet wezenlijk interesseren, zoals mannelijke tennissers, of blonde presentatricetjes van op de TV.

Interessantste gesprekken voor mij uit deze bundel waren dan toch die met helden, als Cheever en Carver. Misschien niet eens per se om wat ze te zeggen hadden, maar omdat ik hun werk goed genoeg ken, om tussen de regels van hun antwoorden door te kunnen lezen.

Uit het gesprek met Ted Hughes pikte ik dan weer het idee op om eens na te denken over de vraag of het schrijfmateriaal de manier van formuleren beïnvloedt.

Wat willekeurige quotes:

undefined

Interviewer
What do you mean by ‘too literary’? What do you cut out, certain kinds of words?

Simenon
Adjectives, adverbs, and every word which is there just to make an effect. Every sentence which is there just for the sentence. You know, you have a beautiful sentence-cut it. Every time I find such a thing in my novels it is to be cut.

Simenon [1955]
undefined

I don’t work with plots. I work with intuition, apprehension, dreams, concepts. Characters and events come simultaneously to me. Plot implies narrative and a lot of crap. It is a calculated attempt to hold the reader’s interest at the sacrifice of moral conviction. Of course, one doesn’t want to be boring. . .one needs an element of suspense. But a good narrative is a rudimentary structure, rather like a kidney.

John Cheever [1976]
undefined

Journalism, particularly book reviewing, brings in another magnitude of difficulty. Fiction writing is basically what I want to do when I get up in the morning. If I haven’t done any all day, then I feel dissatisfied. If I wake up knowing that I have some journalism to write, then it’s with a heavy tread I go to the bathroom-without relish, for many and obvious reasons. You’re no longer in complete control.

Martin Amis [1998]

wordt vervolgd

The Paris Review Interviews, III
With an Introduction by Margaret Atwood
446 pagina’s
Picador, 2008

* in volume iii zijn de gesprekken opgenomen met:
[gelinkte namen verwijzen naar auteurs die al eens boeklogd zijn]