dit is het dossier:

Herman Chevrolet

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

Feest van list en bedrog ~ Herman Chevrolet

Wat maakt het wielrennen tot de enige sport die de moeite waard is om te volgen? Volgens Herman Chevrolet is dit, omdat we niets weten van wat er eigenlijk gebeurt. In andere sporten wint doorgaans de sterkste. Maar in de koers kan het heel goed zijn dat de sterkste renner en zijn ploeg zo veel tegenstand oproept dat iedereen mag winnen, behalve hij.

Dus is vrijwel elke wielerwedstrijd een verhaal, een vertelling geladen met geschiedenis.

En daarom gebruikt Chevrolet methoden uit de literatuurkritiek om de vaste elementen van dat verhaal te isoleren, en nader te onderzoeken. Helaas benoemt hij die methoden ook telkens. En dat bleek een kunstgreep die mij irriteerde en afbreuk deed aan het boek — anders had ik het zonder meer hier opgenomen in categorie aanbevolen.

Het feest van list en bedrog is een boek vol wielergeschiedenis, maar nu eens compleet anders. Wielrennen is nu eenmaal een profsport. En profs weten heel goed dat ze nog jaren samen verder zullen moeten. Dus kan niet altijd dezelfde winnen. Al hoeft het publiek dat verder niet te weten.

Die zakelijkheid, en het gegeven dat bedrog er bij hoort, zit al vanaf het begin in de sport — ook al omdat zo veel wedstrijden georganiseerd werden door kranten, die het liefst goede verhalen brachten.

Dus begint dit boek met de oerversies van de Tour de France, waarin nogal wat deelnemers delen van etappes aflegden met de trein. En komen er vele anekdotes langs over dopinggebruik, zoals hoe verontwaardigd renners waren toen er controle werd ingevoerd, in de jaren zestig.

Chevrolet schuwt daarbij ook de controverse niet. Zo stelt hij vraagtekens bij de Tourwinst van Jan Janssen in 1968. Voor Vlaamse wielerkenners is het overigens nooit een vraag geweest dat hun landgenoot Herman van Springel indertijd geflikt is, tijdens de laatste tijdrit. Maar Nederland heeft heel wat minder grote winnaars. Dus is Janssen hier heilig, en mag niet aan die heiligheid worden getwijfeld. Hoewel de cijfers laten zien dat Janssen geen enkele keer sneller heeft gereden in een tijdrit dan Van Springel. Op die slotrit na dan, van de Tour in 1968.

De suggestie daarbij luidt dat de Tour-organisatie liever geen onbeduidende Vlaming zagen winnen, en daarom slechts aan diens tegenstanders liet doorschemeren dat er voor hen geen dopingcontrole zou zijn, die dag.

Ook het laatste gedeelte van het boek, over de periode die ik toch vrij intensief heb gevolgd, bracht me nieuws. Zelfs al kan ook Chevrolet weinig anders doen dan vraagtekens stellen bij de overmacht van Lance Armstrong, bij diens Tour de France-overwinningen. Slechts van al zijn belangrijke tegenstanders staat inmiddels vast dat ze EPO gebruikten. Immers.

Maar het aardigste van Het feest van list en bedrog is het ontbreken van enige verontwaardiging, over wat er gebeurt en heeft plaatsgevonden — anders in dan zo veel ander boeken die relatieve buitenstaanders hebben geschreven over de sport.

Uitleggen hoe het zit, is immers altijd interessanter dan vertellen hoe het zou moeten zijn.

Herman Chevrolet, Het feest van list en bedrog
Een sinistere geschiedenis van de wielersport

390 pagina’s
Het Spectrum, 2011

Kunst van het winnen ~ Herman Chevrolet

Wielrennen op de weg is een merkwaardige sport, omdat de races verreden worden door teams, terwijl daaruit toch één individuele sporter wint. Zijn of haar naam wordt dan geheiligd. Maar die renner kan best een sprinter zijn, die de hele dag uit de wind is gehouden door ploeggenoten, en alleen de laatste meters van de wedstrijd helemaal vooraan heeft gereden.

Zijn die wedstrijden ook nog meer dan tweehonderd kilometer lang; als het om klassiekers gaat.

Wielrenners kunnen daarnaast profiteren van al het werk dat andere ploegen verrichten, voor hun kopmannen. Wie in de windschaduw mee kan rijden, verbruikt een aanzienlijk lagere hoeveelheid energie. Winstpercentages tot wel 30% worden hierover opgegeven. Dus loont het om zo lang mogelijk niets te doen dan meerijden.

Vandaar dat de huidige wereldkampioen Peter Sagan bij de professionele wielrenners nu zo’n fenomeen is. Niet alleen wint hij vaak: hij heeft daar dan niet eens het werk van een eigen ploeg voor nodig. Zijn teams stellen nooit iets voor.

Voordien was het juist eerder wet dat de beste wielrenner in een koers niet won. Sinds er een sterk doorgevoerde ploegentactiek bestaat dan. Waarbij ik niet precies kan aangeven wanneer die er kwam. Zeker is dat de introductie van mobiele communicatie nogal wat versjteerd heeft voor mij bij het kijken naar de koers op TV; omdat ploegleiders daarmee vanuit hun auto’s de wedstrijd kunnen controleren; door hun renners aan te sturen alsof het robotjes zijn.

Rondes als de Tour de France volg ik daarom amper meer; omdat daarin te vaak éen ploeg alles domineert, en niemand wil verliezen, waardoor er geen etappe nog spannend verloopt.

Professioneel wielrennen is mede om al dit een sport van verhalen — de uitslag hoeft niets over de race te zeggen — zodat er ook na een wedstrijd gauw eens na te praten valt over wat er nu echt allemaal gebeurd is. En die verhalen zijn dan ook nog eens op verschillende manieren te vertellen.

Herman Chevrolet zette daartoe voor De kunst van het winnen een gimmick in. Hij ziet tijdens koersen de ploegleiders nogal elementaire fouten maken, in hun blinde wil om te winnen. Bovendien is wielrennen vanouds een professionele sport. Chevrolet legt daarom aan de wielerploegen voor om eerlijkheid voortaan te vergeten.

Hij ergert zich er ook aan dat, vooral Nederlandse renners, altijd enkel hopen op een goed resultaat. Terwijl deze aan de start horen te komen met een absolute wil tot winnen; anders zal het nooit wat worden.

Chevrolet raadt het de leiders van de niet-dominante ploegen daarom aan om hun intelligentie te gebruiken, en listigheid in te zetten. Slimme tactiek kan nogal lonen.

De kunst van het winnen is daarmee de toepassing geworden van oude Chinese kennis over de krijgskunst, zoals het werk van Sun Tzu, op de wielersport. Daartoe heeft de schrijver vijfentwintig wetten geformuleerd.

Prettig aan dit boek is daarbij dat elk hoofdstuk van het algemene naar het bijzondere gaat. Zo’n wetmatigheid blijft een abstract iets. Maar Chevrolet lukte het toch ook om steeds een wedstrijdsituatie te vinden uit de doorgaans recente wielergeschiedenis waarmee zo’n krijgslist dan ineens volkomen logisch lijkt, en een positieve uitwerking heeft.

Leerde ik daardoor zelfs nog wat over oude koersen — bijvoorbeeld hoe Jan Jansen de Tour de France van 1968 kon winnen; hij sloop telkend zo onopvallend mogelijk mee met de kop van de wedstrijd. Al gold bij die ronde ook dat Eddy Merckx dat jaar niet mee wilde doen, omdat de Tour van 1968 de laatste was die met landenploegen verreden werd; en anders dan z’n eigen profteam was de Belgische landenploeg niet per se horig aan Merckx.

Blijft alleen wel staan dat Chevrolet’s manieren om te winnen over de werkelijkheid geprojecteerd werden; en altijd constructies achteraf zijn.

Herman Chevrolet, De kunst van het winnen
Strategieën voor de moderne wielrenner

152 pagina’s
De Arbeiderspers, 2015