Paginainhoud: [click om te navigeren]

© Boeklog 2005-2009. Alle rechten voorbehouden

 

Richard Dawkins
Blind Watchmaker

Non-fictie heeft voor mij twee mogelijke nadelen; vooropgesteld dat de auteur zijn ambacht tenminste beheerst. De stand van de wetenschap, of de techniek, kan een boek opvallend snel laten verouderen. En ook komt het voor dat ik nauwelijks iets lees dat nieuw voor me is, waardoor het boek te weinig verrassingen biedt.

Dit boek van Richard Dawkins over natuurlijke selectie had beide problemen. Zo is het hele hoofdstuk over taxonomie alleen in theorie nog boeiend, omdat DNA-technologie het inmiddels mogelijk maakt om soorten duidelijker dan ooit van elkaar te onderscheiden, en daarbij hun afstamming beter zichtbaar te maken. Voorheen moest dit allemaal op het oog — en dat is niet de betrouwbaarste manier om verschillen vast te stellen; zo is al gebleken.

Bovendien is de evolutietheorie de laatste jaren opvallend vaak in het nieuws geweest. Meestal omdat een gristen, of een groep gristenen, het wereldbeeld van wat nomadische bronstijdvolkjes hoger acht dan de wereldwijde wetenschappelijke consensus van het moment, en de media vervolgens helaas menen daar aandacht aan te moeten besteden. Maar toch. Alle problemen die mensen kunnen hebben met wat Charles Darwin schreef, en hoe zijn ideeën moeten worden uitgelegd, zijn telkens weer met engelengeduld weerlegd. Door velen.

Dus hoefde Dawkins dat van mij niet per se ook nog eens te doen.

Ik herlas dit boek tijdens een lange treinreis, maar waarschijnlijk met andere redenen dan de schrijver bedoeld had. Inhoudelijk viel er voor mij niet vreselijk veel aan te beleven. Daarom keek ik vooral hoe Dawkins te werk ging; hoe hij de informatie presenteerde.

Viel me toch ook op dat dit boek voor een Amerikaans publiek geschreven schijnt te zijn; met een groot godsgeloof, en een weerstand tegen de onzekerheden in feitelijk gepresenteerde informatie. En tot dat publiek hoor ik niet.

Richard Dawkins, The Blind Watchmaker
419 pagina’s
Penguin Books 2000, oorspronkelijk 1986

John Cornwell
Darwins engel

Waarom zou iemand een boek als dit lezen, waarvan de inhoud en argumentatie zonder het te openen al te voorspellen is?

Om dat te verklaren, moet ik eerst uitleggen waarom Richard Dawkins’ God Delusion [God als misvatting] me interesseerde indertijd. Desondanks. Zelfs al was over Dawkins hetzelfde op te merken als over Cornwell. Ik wist van tevoren heel goed dat Dawkins nogal eenzijdig tegen religie te keer zou gaan. Maar de man komt weleens met een humoristische formulering om zijn gelijk te halen. En mijn lezen moet ook gewoon een plezier zijn.

Dus interesseerde me niet de inhoud van wat Dawkins schreef, maar welke argumentatie hij gebruikte. En welke argumenten hij daarbij wegliet ook.

Precies dat laatste gold vooraf voor Cornwell’s boek. Ik wilde gewoon weten wat hij op Dawkins aan te merken had — en vooral dan welke retorische trucs hij daarbij inzette.

En dat bleken er nogal wat te zijn.

Allereerst geeft Cornwell aan blij te zijn met de publicatie van God als misvatting. Niet om dat hij het met de inhoud eens zou zijn. Maar omdat het boek tot zo’n brede discussie leidde, in alle media.

Zoiets is meteen al ontstellend kwezelig. Cornwell huichelt. Dawkins’ succes stelde hem bovendien in staat leuk een antwoordboekje te schrijven. Als er ineens vraag naar boeken over geloof en ongeloof blijkt te bestaan, spelen uitgevers daar vanzelfsprekend op in. Dat weet hij best.

John Cornwell is katholiek, en hij keerde na twintig jaar twijfel toch weer terug in de schoot van de moederkerk. Dit zijn beide geen triviale opmerkingen. Iemand die uiteindelijk niet zonder geloof kon leven, is het per definitie oneens met kritiek op religie. Hoe legitiem de argumenten daarin misschien ook zijn; uiteindelijk schiet die kritiek altijd tekort.

Dat Cornwell een glibberige manier van denken heeft, was me al opgevallen zonder dat ik iets over zijn achtergrond wist. Zo veegt hij regelmatig alle atheïsten op éen hoop, alsof ook zij tot éen kerk zouden horen. En vervolgens zijn dan de misdaden van Hitler, Stalin, en Mao bij hem uitermate atheïstische wandaden. Alleen mag hij dat niet zeggen, vindt Cornwell zelf, na het daarvoor toch gezegd te hebben.

Zoiets is niet alleen een jezuïetenstreek, er is ook behoorlijk wat op af te dingen — al ontbreekt alle behoefte daaraan, bij mij.

Mede omdat Cornwell er voor kiest om telkens heel selectief toe te lichten welk aspect uit Dawkins’ beter had gekund, ontbreekt in zijn eigen boek verder alle roer en richting. Ik vond de schrijver na een tijdje bovendien een laffe humorloze lul, excuseer me de uitdrukking. Al heb ik er enig plezier aan beleefd om zijn retoriek te ontleden.

John Cornwell, Darwins engel
Een repliek op God als misvatting

175 pagina’s
Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2008
vertaling van: Darwin’s Angel. An Angelic Reposte to the God Delusion, 2007

Richard Dawkins
God Delusion

Dit boek leek een verplicht nummer op de lijst, in eerste instantie. Iedereen las het, en dus werd ook mijn mening weleens gevraagd. The God Delusion bleek als hardcover vorig jaar een onverwacht koopsucces te zijn. Zo zeer zelfs dat verschillende internetboekhandels het boek mij met de kerst aantrekkelijk geprijsd te koop aanboden. Dat liet ik passeren. Maar waarom?

Ik had het even gehad met boeken over het geloof. Mee speelde ook dat Max Pam er zo enthousiast over schreef. Er bestaat namelijk zoiets als een Max-parallax, hier al eens eerder gesignaleerd. Die houdt in dat ik het met vrij grote waarschijnlijkheid eens ben met wat mijnheer Pam afkeurt. Daarentegen is het even waarschijnlijk dat ik alles wat hij van harte aanbeveelt met onverschilligheid bezie.

Het is heel nuttig om op zulke bakens te kunnen koersen, die schelen enorm aan tijd.

Maar de paperback van The God Delusion kwam uit, met een nieuw hoofdstuk, en ondertussen waren er bij mij toch ook wel weer wat vragen bij mij gerezen over religie. Hoe komt het bijvoorbeeld toch dat alles gelovig zo onaantastbaar hoog in aanzien blijft staan, ondanks de aantoonbare ridiculiteit?

Zo is de belangrijkste wereldleider van dit moment een mislukt zakenman, die een tijd aan alcohol en cocaïne verslaafd was. Hij overwon deze laatste problemen naar eigen zeggen doordat hij Jezus ontmoette. Onder zijn bezielende leiding viel niet alleen zijn land, maar een heel stel schijnbaar willoze andere staten, de autonome naties Afghanistan en Irak binnen. Terwijl God toch alleen maar aan hem verteld had, dat dit moest.

Dawkins won mijn belangstelling voor dit boek door al snel met precies hetzelfde voorbeeld aan te komen dat ik vaak gebruikt heb om de bizarre status van religie in onze samenleving aan te geven. In de tijd dat ik de militaire dienst weigerde, werd ik begeleid door iemand van de Doopsgezinde kerk. Die deed, heel pragmatisch, alle moeite om iets kerkelijks te ontdekken aan mij. Wie de Commissie gewetensbezwaarden kon vertellen dat Jezus het hem persoonlijk verboden had wapens te gebruiken, had namelijk aanmerkelijk meer kans om erkend te worden dan bijvoorbeeld een ongelovige hond die net cum laude gepromoveerd was op een briljante dissertatie over de uitwassen van blinde gehoorzaamheid in het leger.

Het is door dit soort signaleringen dat dit boek de moeite waard wordt. Tegelijk schiet Dawkins in cultuurhistorisch opzicht ook te kort. Hij blijft aan de observerende kant, en signaleert vooral wat niet aan geloven deugt en er ook nooit aan deugen kan. Tegelijk loopt hij wat te makkelijk weg voor de vraag waarom zo veel mensen zich altijd in een religie organiseren.

Ja, ouders doen het hun kinderen aan. Van Dawkins leer ik dat maar éen op de twaalf gelovigen erin slaagt zich aan de ouderlijke indoctrinatie te ontworstelen. En ja, religies kunnen ook nieuw ontstaan, zoals de cargo-cults in Micronesië; die daar ontstonden om het wonder van de invliegende Amerikanen te kunnen verklaren.

Maar Dawkins doet geen moeite om, zoals een Elias of een Goudsblom wel probeerden, te verklaren waarom mensen zo graag zo’n onproductieve groep mensen als priesters in hun midden tolereren. En daardoor kan hij maar gedeeltelijk de vraag beantwoorden wat er dan zo prettig aan is om alles voorgeschreven te krijgen, en dus niet zelf na te hoeven denken.

Niettemin, ondanks de makkelijk te signaleren gebreken is dit een uiterst geestig en intelligent geschreven boek, dat zeker geen straf was om te lezen.

Richard Dawkins, The God Delusion
463 pagina’s
Black Swan Books 2007, oorspronkelijk 2006