Lucifers bij de brand ~ Luc Devoldere

Van lezen komt lezen. Weinig kans dat ik deze bundel met aantekeningen had opgezocht als Cyrille Offermans het werk van Luc Devoldere niet zo positief had besproken. En dat was toch een gemis geweest.

Al ben ik misschien nog blijer met de ontdekking dat niet enkel anderstalige auteurs boeken met aantekeningen publiceren.

Voor mij was Peter Handke’s verzameling Das Gewicht der Welt een bepalend boek lang geleden. Waarvan de invloed is samen te vatten met de zin: dwing jezelf om te kijken in taal.

Op Luc Devoldere dan weer maakte de onbarmhartige eerlijkheid in de Carnets van Henry de Montherlant grote indruk; in het Frans naar ik aanneem, en om de originele uitgaven, niet door het bescheten bloemlezinkje dat nog eens verscheen in de reeks Privé-domein.

Devoldere begon voor het eerst met het maken van notities op zijn zestiende, in mei 1973, om dat net geen tien jaar vol te houden. Begin deze eeuw kwam er de beslissing om toch weer systematisch aantekeningen vast te leggen, met als doel van deze zinnen een boek te maken. Een werkplaats van een boek. Alles zou erin moeten kunnen, en mogen. De verzameling zou een lopend commentaar zijn op wat hij las, en wat er in zijn leven plaatshad.

Zo schrijft Luc Devoldere in zijn verantwoording.

Waarbij hij toch ook éen aspect uit beeld houdt. De vraag waarom hij precies de moeite neemt om niet alleen te leven, logischerwijs, maar om daar achteraf dan ook nog eens aantekening over te maken. Om zichzelf op te zadelen met dat oneindige pak huiswerk.

Zelf heb ik gemerkt dat boeklog tegenwoordig fungeert als mijn aantekeningenschrift. Omdat er mij iets aan de vorm van de losse notitie begon tegen te staan. Losstaande aantekeningen zijn zo vaak een start en een stop al ineen.

In lopende teksten, zoals mijn boeklogjes, is het tenminste nog eens mogelijk om een aanloopje te nemen vóor de afzet en de sprong. Is er soms zelfs een landing die nog een waarneming oplevert of wat. Een verhaalvorm als deze werkt tegenwoordig beter voor mij om zinnen te schrijven waarvan ik het bestaan nooit had kunnen vermoeden, dan het vastleggen van losse notities.

Omgekeerd is er een zelfde probleem met het lezen van aantekeningen — eerder gesignaleerd bij Canetti’s verzamelde aantekeningen.

Hoe lees je een boek met een vrijwel onleesbare vorm? Waarin elke mededeling los kan staan van die er vooraf kwam, of al wat er na komt? Een uitgave die op elke pagina verschillende malen opnieuw kan beginnen?

Canetti leerde me om zo’n boek gewoon op een normaal leestempo door te nemen. Omdat de enorme hoeveelheid aan losstaande zinnen toch al maakt dat niet alles kán worden opgenomen. Bundels als de zijne, of als Lucifers bij de brand, zijn boeken om te herlezen. Omdat het zo goed kan dat die ene aantekening pas landt bij de vijfde lezing, en eerder telkens onopgemerkt passeerde.

Zo’n eerste lezing, als ik nu had, is daarom niet meer dan een kennismaking met de gedachtewereld van de schrijver. Een eerste inventarisatie desnoods van de paden die zo’n auteur graag afwandelt.

Samenvattend lukt het me dan ook nog amper om veel bijzonders over deze uitgave te vermelden. Devoldere is opgeleid tot classicus; en die achtergrond verloochent zich niet. Hij toont zich belezen, en is daarbij een lezer die vooral achterom kijkt, naar teksten die er al even zijn — en zich daarmee bewezen hebben — en alle opgewonden gedoe over de actualiteit verwonderd gadeslaat. Daarbij biedt hij van citaten uit een vreemde taal ook de vertaling — alleen niet altijd als het om zinnen in het Engels gaat. Niet zelden is dat een gepubliceerde vertaling, van een echte vertaler.

Meest nuttige opmerkingen die hij maakte gaan wat mij betreft over Spinoza’s Ethica, het boek dat ik altijd nog eens lezen moest, en de meetkundige principes daarachter, waardoor uiteindelijk alles naar alles verwijst. Toch klopt dit wel, zolang het lezen maar door blijft gaan.

In de hele bundel van Devoldere is een thema dat de kunst van het converseren verdwijnt, en dat daarvoor iets in de plaats kwam dat communicatie heet. Van daaruit valt ook Devoldere’s weerzin te begrijpen tegen de vele lege woorden waarmee zo velen hun communicatie vullen.

En dan was het in het eerste decennium van de 21ste eeuw nog niet eens een probleem dat menigeen enkel bullshit uitbrengt, en toch serieus blijft worden genomen.

scheiding

Wij leven in een wereld van gekakel, die te weinig schrik heeft van woorden, en te veel het woord ‘waarden’ van stal haalt. Je zou er heimwee van krijgen naar het scheermes van Ockham of naar Wittgenstein. Maar het is niet anders.

We trachten overeind te blijven in leeuwenkuilen. Het kiezend volk is een schip vol zeezieke passagiers. De redenaars van gisteren, nu en altijd, zijn voedsters die voor het kind dat ze verzorgen hapjes voorkauwen, maar de hapjes doorslikken en dan de zuigeling… speeksel om de mond smeren. Dit zijn metaforen van Demosthenes.

Wij waden met ons allen door de brij van kreten en rouwregisters. We verzuipen in een oceaan van meningen, maar meningen zijn nog geen ideeën.

scheiding

De meest uitgewerkte teksten in het boek gaan over Götterdämmerung, een herdenking van de Eerste Wereldoorlog; waarin België het slagveld was vanzelfsprekend. [Eerst schreef ik hier: slachtveld. En daar las ik daarop toch meermaals over heen]. Waarbij Devoldere constateert dat inmiddels de laatste ooggetuigen uitsterven van deze door mensen veroorzaakte ramp. Daarom is er nog éen keer dat vast grijpen. Nog even.

Gelezen: onze cultuur is heel sterk in het beantwoorden van de voorlaatste vragen (hoe?) maar heel zwak in het beantwoorden van de laatste (waarom?).

Toch is dit boek niet te reduceren tot wat me nu even, achteraf, er nog het meest over bij staat.

Enfin, aantekenen voor 2019 daarom: Lucifers bij de brand nog eens lezen.

Luc Devoldere, Lucifers bij de brand
Notities
236 pagina’s
Atlas-Contact, 2009