dit is het dossier:

Adriaan van Dis

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

God en vitriool ~ Connie Palmen

Connie Palmen werd vijftig, en dat moest gevierd worden. Dus kwam er een bundel uit met interviews die mevrouw Palmen gaf sinds haar debuut.

Alleen wreekt zich daarbij dat ze betrekkelijk laat debuteerde met De Wetten. Het oudste interview dateert uit 1991, het nieuwste uit 2004. En dertien jaar is eigenlijk te kort voor zo’n dik boek met zoveel gesprekken als dit. Zo veel ontwikkelt een mens zich niet in zo’n korte tijd. Hoewel mevrouw Palmen toch een heel aantal boeken uitbracht, en ook nog haar man verloor.

De herhaling is daarom groot in deze bundel. Dat maakt de gesprekken hoogstens voor de allergrootste fans interessant.

En ik was al geen fan. Het lukte me indertijd niet eens mevrouw Palmen’s boekenweekgeschenk uit te lezen, hoewel dat hoogstens een half uurtje had hoeven kosten.

Maar waarom las ik dit boek dan wel?

Ik moet toegeven wel gefascineerd door haar te zijn. Omdat mij, als publiek, zo lang werd voorgehouden dat zij toch wel een grote Nederlandse schrijfster is. En ik dat almaar niet kon zien.

Het duurde tot een aanval van Hans Goedkoop in NRC-Handelsblad dat ik mijn wantrouwen door een ander bevestigd zag. Ze denkt warrig, maar kan heel goed bluffen. Zoals in sommige van deze interviews.

Connie Palmen als mediafenomeen bekijken, dat is veel interessanter dan haar eigen werk inzien.

God en vitriool
Interviews met Connie Palmen
Met een voorwoord van Adriaan van Dis

314 pagina’s
Uitgeverij Prometheus, 2005

Kampvuren in de dessa ~ Gerrit Jan Zwier

Het leek of wat Gerrit Jan Zwier schreef in zijn Dagboek van een provinciaal vooral een klacht was over het gebrek aan belangstelling voor deze roman. Maar toen las ik Kampvuren in de dessa, en lag het nog weer anders.

Dat later gepubliceerde dagboek bevat nogal wat elementen die eerder al in de roman waren opgenomen. Maar dan natuurlijk anders. Want, tot kunst verwerkt.

Zo is me nu pas duidelijk waarom Zwier in dat dagboek zo zeer over de aantrekkingskracht schrijft van een jong meisje dat hem kwam interviewen. Toen vond ik dat een wat viezige passage opleveren.

Maar ziet, die situatie komt ook in deze roman voor. En de auteur die dan geïnterviewd wordt, heeft wel wat van Zwier. Zij het dat deze Aaldert me jonger lijkt, en hij ook niet getrouwd is, met kinderen. Maar er bestaat die gemeenschappelijke achtergrond in de antropologie, en er is de overstap naar de reisschrijverij. De uitgesproken liefde voor het hoge noorden ook.

Zwier werkte in de roman dus éen onuitgesproken wensdroom uit het dagboek uit, door zijn hoofdpersoon met die jonge vrouw op reis te laten gaan. Naar IJsland.

De locaties daar van de roman komen ook weer in het dagboek terug.

In Kampvuren in de dessa speelt Zwier met zijn twijfels over de keuze om reisreportages te schrijven. Daardoor wordt het boek ook een satire. Want Zwier, of de hoofdpersoon in de roman, zijn zeker de enigen niet die leven van wat zij schrijven over een tijdelijk verblijf ergens anders. Al is er reisschrijven en reisschrijven. Een verband tussen inhoud en publiek succes lijkt er niet direct te zijn.

Eén van de vier delen waaruit het boek is opgebouwd speelt zich af op de presentatie van een bloemlezing met beste reisverhalen. Daarin komen nogal wat bekende Nederlandse auteurs voor, zij het dan steeds onder een schuilnaam.

Een Halewijn Hoek houdt nogal van eilanden, en vuurtorens. Twijfels over het waarheidsgehalte van zijn autobiografische boeken zijn er ook.

En een Constantijn Mulder is dan net betrapt op plagiaat. In zijn reisboek over Afrika heeft hij nogal wat uitspraken opgenomen van een Britse antropoloog, maar dan wel alsof het zijn eigen woorden waren. Daar doet hij dan ondanks de ontdekking pedant over.

Zwier merkt terecht op dat reisschrijvers altijd bliksembezoeken afleggen, en dus nooit iets doorleefts kunnen schrijven. Dat lokale antropologen verbaasd opkijken als hun zo moeizaam verworven kennis ineens in andermans boek opduikt, hoort bij het sprinkhanengedrag van sommige razende reporters.

Adriaan van Dis heette trouwens ooit Adje Mulder, of misschien is dat nog wel zo. En zo herkende ik volgens mij de meeste schrijvers wel die Zwier onder pseudoniem opvoerde. Wat alleen kan omdat het karikaturen zijn. Opvallend vind ik overigens wel dat het herkennen tijdens het lezen heel leuk is, terwijl een opsomming hier van de gevonden auteurs meteen aanstellerig wordt.

Slechts van de Friese dichter Sybe Sybesma vraag ik me af wie Zwier daar mee bedoeld kan hebben; als hij niet gewoon verzonnen is. Tsjêbbe Hettinga, die toen net opkwam? Douwe Tamminga? Wie heeft er verder iets met copla’s? Behalve de Groninger Hendrik de Vries?

Komt die hele Sybe Sybesma trouwens slechts in verwijzingen voor. Omdat de fotograaf waarmee de hoofdpersoon meestal op pad gaat diens dichtregels declameert als hij te veel gezopen heeft.

Ook van deze fotograaf vraag ik me af of die naar het leven getekend is. Bijvoorbeeld omdat Zwier in het dagboek met de fotograaf Martin Kers naar de locatie in IJsland trekt die in de roman voorkomt.

Ik weet eerlijk gezegd niet of de roman zonder die achtergrondkennis van het dagboek ook het amusement had geboden dat er nu was. Het is op zich wel een vaardig geschreven boekje. Maar, van hoogstens 35.000 woorden, en dus was het uit binnen het uur. Dat was te kort om de existentiële crisis in het bestaan van de reisschrijver Aaldert grote diepte te geven.

Over de onzekerheden van zo’n freelance-bestaan biedt dat dagboek bijvoorbeeld al veel inzichtelijker passages.

Maar ik vond het heel bijzonder om zo veel ruw materiaal ook eens tot eindproduct verwerkt gezien te hebben; te merken hoe veel een schrijver uit het eigen leven gebruiken kan, door het slechts lichtjes te veranderen.

Gerrit Jan Zwier, Kampvuren in de dessa
171 pagina’s
De Prom, 1994