dit is het dossier:

J.H. Donner

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

Koning ~ J.H. Donner

Toen Max Pam voor HP/De Tijd in 1999 een lijst opstelde van de beste Nederlandse boeken uit de twintigste eeuw, prijkte De koning uiteindelijk op plaats vijf. Een opvallende keuze. Omdat het enkel stukken over schaken bevat. En, omdat Pam zelf dat boek had samengesteld, samen met Tim Krabbé.

Toch is dit een goed boek. Zelfs al werd het uitgebracht in een tijd dat de wereld nog overzichtelijk verdeeld was in Oost en West, en zijn veel van de stukken gewijd aan ooit actuele gebeurtenissen in de schaaksport die al een tijd terug tot de geschiedenis zijn gaan behoren.

Het punt is namelijk dat veel schakers, als zij eenmaal over de sport gaan schrijven, gauw de beperkingen van de traditionele journalistiek overstijgen. Waar een voetbalverslaggever geen deuk in een pakje boter hoeft te kunnen schoppen, moet iemand die met inzicht over schaken schrijft het spel juist wel tot in de finesses begrijpen — dus op niveau hebben gespeeld. En hebben meegemaakt wat schakers tijdens een toernooi te hebben doorstaan.

Hein Donner [1927 – 1988] had als speler bijvoorbeeld ook de neiging om sommige partijen zo maar, in heel weinig zetten, op briljante wijze te verliezen.

Mede daarom noemt hij schaken in het boek enkele malen een kansspel. Ook klaagt hij nooit een partij te hebben gespeeld waar hij echt tevreden over was.

De samenstellers van deze bloemlezing uit ruim 45 jaar werk maken nogal er nogal een punt van dat Donner graag polemiseerde. Niemand kon in de schaakwereld iets voorstellen, zonder ooit door Donner beledigd te zijn. Zo is een heel aantal stukken gewijd aan Donner’s pesterige uithalen richting de grootmeester Lodewijk Prins, ‘die nog geen loper van een paard kan onderscheiden’.

Verder komen vrijwel alle stukken aan bod waarin Donner uitlegt waarom vrouwen niet kunnen schaken — die hij overigens schreef omdat zijn vrouw daar zo om moest lachen.

Ruim twintig jaar verder zijn me al deze strijdpunten wonderwel bijgebleven, en toch zeiden ze me ditmaal bij herlezing weinig. Als er geen verrassing meer is, blijft de schok makkelijk uit.

Ik herlas dit boek om twee redenen. Allereerst was er het gegeven dat Hans Ree voor een deel over dezelfde gebeurtenissen heeft geschreven. Door twee boeken over hetzelfde te lezen, vulde het ene het andere aan.

Verder was ik benieuwd of deze verzameling met tijdsgebonden werk nog op enige manier houdbaar was gebleven. En dit was zo. Omdat de persoonlijkheid van de schrijver uiteindelijk meer bepaalde dan de onderwerpen die hij beschreef.

Donner werd in de loop van deze verzameling van een schrijvende schaker tot een schakende schrijver. Hij is wonderbaarlijk levend aanwezig in dit boek, spottend met veel, zichzelf daarbij niet sparend.

Daarom kwam het wel als een schok, hoewel het gegeven me natuurlijk bekend was, als de eerste gezondheidsproblemen zich aandienen, en hij die wat wegwuift. Donner zou in 1983 een hersenbloeding krijgen, en blijvend invalide in een verpleeghuis belanden. Vandaar tikte hij jaren later moeizaam columns voor NRC Handelsblad, die voor sommigen tot het beste horen wat hij ooit schreef.

Ik vind dat niet. Hoewel ik tegelijkertijd geen proza ken waarin het leven van een verpleeghuispatiënt, en vooral de machteloosheid van die positie, zo indringend beschreven is.

Toch, De koning is misschien juist wel zo memorabel door dat slot, en de schok die daarbij hoort. De lezer heeft zich het hele boek lang kunnen laven aan de intelligentie en spot van J.H. Donner, en krijgt dan ook nog even te zien hoe de volheid daarvan ineens ingeruild moest worden voor iets anders.

scheiding

Het is gebruikelijk te zeggen dat ijzeren zelfbeheersing je erover heen geholpen heeft, vooral wanneer je op tv bent. Ik zal dat dus niet doen en zeggen dat het eigenlijk wonderbaarlijk meevalt. Ik kan absoluut niet lopen en zit dus in een rolstoel. Mijn handen zijn zeer onhandig, ik kan niet schrijven, maar in ’84 heeft iemand van de ergotherapie op de Overtoom mij het typen bijgebracht. Met 1 vinger kan ik op de machine aardig uit de voeten. Ik heb een rubriek in het NRC Handelsblad en ik zal maandelijks mijn bijdragen aan dit tijdschrift leveren [1]. Mijn wereld is nu zeer klein geworden, een schaker is dat wel gewend. [382]

J.H. Donner, De koning
Schaakstukken
Samengesteld en ingeleid door Tim Krabbé en Max Pam

397 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 1987
  1. Schaaknieuws []

Na mijn dood geschreven ~ J.H. Donner

Verschillende boeken had J.H. Donner geschreven, voor hem een hersenbloeding overkwam in 1983. Maar pas door deze klap zou hij een groot lezerspubliek bereiken.

Tot zijn dood in 1988 had hij een wekelijkse column in het zaterdagse bijvoegsel van NRC Handelsblad. Die werden moeizaam, met éen vinger getikt. Bovendien kon Donner daarna zijn eigen woorden niet meer teruglezen.

De bundels die jaarlijks verschenen van deze miniaturen uit een verpleegtehuis verkochten vijfentwintig keer beter dan het werk van voor zijn kwaal.

Nu ja, er zijn ontelbaar veel schrijvers die bekend werden om werk dat zij zelf veel minder achten dan hun overige prestaties. En zeker dichters blijken lang niet altijd in staat te zijn om zelf een bloemlezing samen te stellen met hun meest aansprekende werk.

Donner zag medelijden, in het succes, voor een gehandicapte, en vond dat geen fraai verschijnsel.

En werden de columns, of mini-essays, misschien beter gewaardeerd omdat ze ook werkelijk beter waren? Zoals indertijd wel beweerd werd?

Ik vind dat niet. Hein Donner kon vreselijk zwetsen — een vriendelijker woord heb ik er niet voor — bijvoorbeeld als het om de uitleg ging van de boeken van zijn vriend Harry Mulisch. En in deze columns wordt dat eeuwige georakel er niet begrijpelijker op.

Twintig jaar na eerste lezing bleek het mij alleen te gaan om die man, met al zijn beperkingen, in dat ziekenkamertje. Met zijn etsende observaties over het verplegend personeel, en dagelijkse gang van zaken in zo een inrichting.

Je hebt de tijd, schrijft hij dan, als hij weer eens tijden op de lift heeft moeten wachten. Maar zo word je ook behandeld.

Bovendien is het normale voor hem anders dan voor een gezond iemand. Als zijn bed een andere plaats heeft gekregen in zijn kamer roept dat paniek op, want zo het nu staat, kan hij zichzelf niet meer op het matras hijsen.

Tegelijk blijft Donner’s toon opvallend monter. Hij is er nog. Hij wordt niet vergeten. En op deze manier wil hij nog best even doorgaan. Al blijft er ondertussen op de achtergrond wel de wetenschap dat een tweede hersenbloeding fataal zal zijn.

Dus zie ik deze verzamelbundel nog het meest als een soort dagboek van een verblijf in de laatste halte voor de dood. En wordt duidelijk dat ook daar, met wat goede wil, nog iets van te maken is.

J.H. Donner, Na mijn dood geschreven
Alle stukjes uit NRC Handelsblad
met een voorwoord van Renate Rubinstein

452 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 1992
 
Bevat onder meer de bundels Na mijn dood geschreven [1986], Slecht nieuws voor iedereen [1987], Geen patiënten [1988], en Als schrijver moet je veel lijden [1989].