Eenzaamheid van stervenden in onze tijd ~ Norbert Elias

Veel boeken van Norbert Elias [1897 – 1990] lijken aanvullingen op zijn hoofdwerk Über den Prozeß der Zivilisation. Zoals ook dit essay, waarin de socioloog de taboes bekijkt die er rond de dood zijn gegroeid.

Voor een deel beschrijft hij daarbij helemaal niets nieuws — dat we de omgang met onze doden hebben uitbesteed aan professionals lijkt zelfs nogal een dooddoener. Het is ook door de verbindingen die Elias trekt dat zijn werk zo rijk wordt. Door de verbindingen en daarmee dus het overzicht.

Dezelfde rust die me in staat stelt om op mijn gemak een boek te lezen; de stilte die ik om me heen heb kunnen creëren om dit boeklogje te schrijven, is in de geschiedenis redelijk uniek te noemen. Mensen waren voorheen nooit alleen, op de grootste zonderlingen en steilste monniken na. Maar door anderen uit ons leven te bannen, is er ook afstand gegroeid tot al hun wedervaren.

Dat is éen opmerking.

En er staan zo veel meer in dit boek, over ontwikkelingen die allemaal hebben meegeholpen om de dood zo ver mogelijk uit het leven te bannen. Waardoor het zo moeilijk is geworden om met dood en sterven om te gaan. Waardoor als er iemand sterft gauw de woorden stokken om deelneming te getuigen aan de nabestaanden.

Het tekent onze tijd ook dat we bij zo’n gelegenheid geen genoegen meer willen nemen met standaardfrasen, die door de tijd heen anders toch zo hun waarde hebben behouden.

Onze zo duidelijke verlegenheid in de aanwezigheid van de dood heeft een oorzaak. Knap is het als daar redenen voor aangewezen kunnen worden.

Norbert Elias, De eenzaamheid van stervenden in onze tijd
82 pagina’s
Meulenhoff 2008, oorspronkelijk 1984
Vertaald uit het Duits door G. van Benthem van den Berg

Essay over tijd ~ Norbert Elias

Een horloge draag ik niet, en toch levert het nooit een probleem op om weten hoe laat het is; ook zonder mobiele telefoon op zak. En dat komt niet door unieke gaven om de zonnestand in te schatten, of de kleur van het licht. Ik denk dat ik onbewust telkens alle tijdmelders meeneem in mijn zicht, en daarmee iedere keer mijn interne klok iets bijstel.

Ik schreef al eens eerder gedachten op aan mijn tijdbeleving. Maar, waar ik toen, en ook later, niet bij stilstond, is dat die ideeën en gevoelens ergens wegkomen. Net zoals kleine kinderen er lang over doen om te leren dat er verschillende weekdagen bestaan, of wat een datum is, zo hebben wij mensen hele ontwikkelingen moeten doormaken om een tijdsbesef te krijgen.

Een essay over de tijd van de socioloog Norbert Elias gaat voornamelijk over de wording van onze manier om met tijd om te gaan.

Vanzelfsprekend komt in dat betoog zijn civilisatietheorie weer terug — want het tijdsbesef dwingt ons tot van alles, zoals dat er een plicht is om op tijd te zijn.

Het aardigst vond ik dan weer zijn speculaties over de opkomst van sjamanen en priesters; misschien waren dat wel allereerst experts in het bijhouden van de tijd. Omdat er, toen er eenmaal tot landbouw was overgegaan, ook een behoefte kwam om enige grip te krijgen op het verlopen van die tijd. Zaaien levert nu eenmaal meer op als dat op het juiste moment gebeurt.

Elias’ werk is bovendien altijd goed voor enkele opmerkingen om ideeën die ik had te ondermijnen. Of om de trots die ik voel te krenken, zoals die van mijn grip op de tijd, in de beginalinea aangestipt.

De meeste inwoner van moderne staten hebben een bijna onbedwingbare behoefte om tenminste te weten hoe laat het is. Deze behoefte, hun allesomvattende bewustzijn van tijd, is zo dwangmatig dat zij zich bijna niet kunnen voorstellen dat hun eigen manier om tijd te ervaren niet door alle mensen en in alle tijden, wordt gedeeld. [101-102]

scheiding

In discussie over het probleem van de tijd wordt men gauw misleid door de zelfstandige naamwoordsvorm van het begrip. Ik heb er elders op gewezen dat het gebruik van woorden waarmee beweging tot een ding wordt gemaakt (reïficatie) een ernstige hinderpaal kan zijn om de onderlinge verwevenheid van gebeurtenissen te begrijpen. Het doet denken aan de neiging van mensen uit de oudheid — nog geenszins geheel verdwenen — om abstracties te verpersoonlijken. Rechtvaardig handelen werd zo de godin Justitia. Voor de hand liggende voorbeelden van de sterke druk die van onze taal uitgaat om reïficerende zelfstandige naamwoorden te gebruiken zijn zinnen als ‘De wind waait’ of ‘De rivier stroomt’. Maar waaien en de wind zijn in feite identiek: bestaat er een wind die niet waait of een rivier die niet stroomt?

Zo staat het ook met het tijdbegrip. [12-13]

En zoals vaker bij Norbert Elias is éen lezing niet voldoende, om alles te begrijpen. Omdat hij soms al te grondig afrekent met vanzelfsprekendheden, die, bij nader zien, allemaal rusten op drijfzand.

Norbert Elias, Een essay over tijd
166 pagina’s
Meulenhoff, 1985
Vetaling door G. Benthem van den Berg van An Essay On Time, 1982

Geschiedenis van Norbert Elias ~ Norbert Elias

Merkwaardig dat ik dit boek nooit eerder heb gelezen. Norbert Elias is een held van mij. Zijn boek Über den Prozeß der Zivilisation was een voorname reden opnieuw te gaan studeren. Zijn denkperspectief maakte nogal wat indruk, omdat het hem lukte geschiedenis zichtbaar te maken door alleen maar te beschrijven hoe omgangsvormen veranderden.

In De geschiedenis van Norbert Elias zijn een lang interview over zijn leven opgenomen, en een stuk dat hij zelf schreef over zijn wetenschappelijke loopbaan. Alleen al dat hij in 1897 in Breslau geboren werd, in de Eerste Wereldoorlog met de Duitsers meevocht, en later als Jood voor hen naar het Engeland vluchtte, levert een boeiend verhaal op. Daarnaast biedt Elias inzicht in de geschiedenis van de sociologie, omdat die wetenschap zich pas tijdens zijn leven grondvestte in de universiteiten.

Terloops verwoordt Elias daarbij de ambitie die hij voor zichzelf en de sociologie zag: dat is om feiten naar voren te brengen op een manier die voor iedereen begrijpelijk is, zodat veel vergissingen zijn te voorkomen.

Hij doelde er daarbij in het gesprek op dat generaals beslissingen nemen die henzelf nooit raken, maar waarvan de bevolking nog lang de gevolgen dragen kan. Maar ook dat het onontkoombaar presenteren van feiten kerndoel van de sociologie zou moeten zijn.

Het is als in alle natuurwetenschappen: het is pas mogelijk iets tegen de bliksem of de pest te doen als de oorzaken daarvan bekend zijn.

Dit is een centrale gedachte die ik onderschrijf, en die mij er regelmatig toe brengt te verzuchten dat er in Nederland op een te laag niveau geanalyseerd wordt.

Maar goed, om feiten zuiver te kunnen presenteren, is helder denken noodzakelijk. En veel moeilijker nog: ook het zelfvertrouwen om in te durven zien dat heersende gedachten niet deugen.

Conformisme aan een groep is altijd makkelijker.

De geschiedenis van Norbert Elias
A.J. Heerma van Voss en A. van Stolk
in gesprek met Norbert Elias, gevolgd door
Norbert Elias, Notities bij mijn levensloop
167 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff, 1987


Hofsamenleving ~ Norbert Elias

Ik lees aanzienlijk meer debuten dan op boeklog worden besproken. In die zin kent dit publieke leesdagboek wel degelijk zelfcensuur. Want, aan de eerste pogingen van auteurs mankeert doorgaans nogal wat. Bovendien is er geen ander werk van hen om mee te vergelijken.

Ooit was het de goede gewoonte onder recensenten om auteurs pas uitgebreid te gaan bespreken bij hun derde boek. Dan hadden die tenminste blijk gegeven het schrijverschap serieus te nemen. En daar zit wel wat in.

De hofsamenleving is het eerste boek van Norbert Elias. Ook al verscheen het pas in 1969 — dertig jaar na zijn Prozeß der Zivilisation. Eerdere publicatie was onmogelijk; hoewel het manuscript gereed was. De Nazi’s kwamen aan de macht in 1933. Elias vluchtte uit Duitsland weg.

En dit boek is duidelijk een debuut. Zo lijken sommige hoofdstukken meer op een uitgeschreven collegetekst dan op boekenproza. Elias begint iets te vaak met zinnen als: ‘zoals we hebben kunnen zien’. Er staan ook nogal wat verzuchtingen in het boek, waarin de auteur dan hoopt dat iets nog eens uitgezocht zal worden.

Bovendien ligt er dat hoofdwerk van hem. Die Über den Prozeß der Zivilisation. Wat in veel opzichten een uniek boek is omdat er een helemaal nieuwe manier van denken in werd ontwikkeld.

Behalve dan dat Elias dus zelf in De hofsamenleving al tot aanzetten kwam die in de richting neigden van waar hij later een heel boek aan zou wijden; in twee delen.

Norbert Elias onderzocht hoe een hofhuishouding werkte — daarbij vooral kijkend hoe het in Frankrijk toeging. Waar een absoluut koning een hele schare aan volk om zich heen verzameld had. Die al evenmin bijdroegen aan de productiviteit van de natie, maar het toch heel druk hadden met alles en elkaar.

De zelfbeheersing onder de hovelingen, in hun concurrentie met elkaar om zo verfijnd als kon te zijn, en daarmee het gegeven dat zij hun manieren geïnternaliseerd hadden, is dan zo’n aanzetje dat later uitgebreid is uitgewerkt in Über den Prozeß der Zivilisation.

‘Het pantser van de zelfdwang’ noemt Norbert Elias dit dan in het boek — wat ik verder wat mager vond aan zulke vondsten. Later werd hij een beter schrijver. Of misschien maakt ervaring auteurs enkel wat minder onhandig. Dat kan natuurlijk ook.

Ik vond De hofsamenleving ook moeizaam lezen door een gegeven van buiten het boek. Voor mij is de inrichting van zo’n absoluut koningschap vroeger een soort absurd theater. Om het gegeven bijvoorbeeld alleen al dat vorsten geen tel alleen waren; omdat er altijd volk om hen heen was — tot in bed aan toe, bij wijze van levende kruik.

Wat ik al niet weet over de stoelgang van Lodewijk xiv, en de gewoonten daar omheen. Terwijl deze nochtans toch ook ziekelijk geconstipeerd was. En goed, dan zal deze informatie uit later onderzoek komen, dat Elias nog niet kennen kon.

Norbert Elias probeerde evenwel sociologisch naar hofhoudingen te kijken. Het hele verschijnsel te objectiveren, om eens te zien wat dat dan aan inzichten opleverde. In plaats van voor de platte anekdotiek te gaan waar de historicus toevlucht toe neemt om een verhaal leuk te maken.

Me dunkt alleen dat de hoge kwaliteit van Über den Prozeß der Zivilisation de blik op Der höfische Gesellschaft vertekent. De goodwill die het meesterwerk oproept, maakt het boek dat hij daar voor schreef aanmerkelijk beter.

Geen boek is dan ook moeilijker te beoordelen kortom dan een debuut.

Norbert Elias, De hofsamenleving
Een sociologische studie van koningschap en hofaristocratie
430 pagina’s
Boom, 1997
vertaling door Bart Jonger van: Der höfische Gesellschaft, 1969

Informalisering ~ Cas Wouters

Cas Wouters ging verder waar Norbert Elias ophield, in diens Prozeß der Zivilisation. Dat is zowel heel interessant, door het panoramische overzicht, en toch soms wat te simpel door het ontbreken van verklaringen voor wat er veranderde.

Net als Elias gebruikt Wouters etiquetteboeken om te laten zien hoe de zeden veranderden in de loop van de tijd. Hij koos er daarbij voor om ontwikkelingen sinds 1890 in Nederland en Duitsland te vergelijken met die in Groot-Brittannië en de VS. Al deze landen waren standenmaatschappijen op dat moment, met een beperkt contact tussen de verschillende sociale strata. Maar dit veranderde. Daarom heet dit boek ook Informalisering. Voor een deel houdt die informalisering in dat steeds meer mensen dezelfde zeden zijn gaan internaliseren.

De belangrijkste verschuiving die dit opleverde, is dat er iets veranderde in wat door mij doorgaans de geschiedenis van het ik wordt genoemd. Wouters heeft het over verschuivingen in de wij-ik balans, maar dat is hetzelfde. Wie of wat ik ben, bepaalt ook wie wij zijn, en zij.

Daarom kan het vervolgens als een probleem ervaren worden als er groepen in een land gaan wonen die volgens andere gedragsregels leven.

Het is door dit soort verklaringen van welbekende problemen dat dit boek zijn grootste waarde had. Nu ja, ik vond de vaak behoorlijk lange citaten uit de etiquetteboeken ook prachtig. Wouters heeft een goede hand om amusante citaten te vinden, die tegelijk ook iets toelichten.

Minder is dit boek, of misschien Wouters’ onderzoeksmethode, als het evidente verschillen tussen de vier landen laat zien. Dan fnuikt het dat Wouters vooral signaleert wat er veranderde, en daarbij liever niet naar verklaringen zoekt.

Wat ik bij het maken van dit boeklogje bovendien niet begreep, was waarom er zo veel miste in het boek. Een thema als de vrouwenemancipatie bijvoorbeeld, of de informalisering in de omgang tussen man en vrouw, ontbrak nogal pijnlijk.

Waarom deed Wouters al die ontwikkelingen af in een kort tussenhoofdstukje over fitness en de lichaamscultuur? Waarin ook nog de kleffe dierenliefde van de Britten in een moeite meegenomen werd?

Het Britse huisdier heeft een dwingende psychologische aantrekkingskracht die ontbreekt bij de gemiddelde Eurohond of -kat. In dit land hebben we over het algemeen geen aanraakcultuur — vooral niet als het om mannen gaat. In Europa raken mannen iedereen binnen hun bereik net zo makkelijk aan als dat ze lachen of glimlachen; voor de Britse man blijft een toelaatbare aanraking beperkt tot zijn vrouw en zijn hond. En over het algemeen wint de hond. (Courey 1985: 137) [zoals geciteerd op pagina 275]

Ik begreep pas bij het schrijven van deze woorden dat er wel eerdere publicatie moet zijn geweest. Dus deed ik niet eerder dan nu, wat elke fatsoenlijke recensent direct had onderzocht. Om te ontdekken dat Cas Wouters jaren voor Informalisering al het boek Seks en de seksen had uitgebracht.

Had ik het verkeerde boek gelezen.

wordt daarom vervolgd

Cas Wouters, Informalisering
Manieren en emoties sinds 1890
388 pagina’s
Bert Bakker, 2008

Mozart ~ Norbert Elias

Elias’ boek over Mozart is geen boek, maar bevat verschillende aanzetten tot wat een boek had moeten worden. Helaas overleed de schrijver voor hij zijn ideeën heeft kunnen uitwerken.

Van deze gedeelten vond ik de eerste het interessantst, omdat dit voor mij het best de probleemstelling neerzette die bij elk historisch onderzoek geldt. Ook bij de biografie van een componist of musicus is een grote kennis nodig van de omgeving waarin deze functioneerde. En bij Mozart is die omgeving extra interessant. Hij werkte eerst in opdracht, was daardoor weinig meer dan een van de zoveelste bedienden aan een hof, maar kon niet met de daaraan klevende beperkingen leven. Zijn keuze werd die voor een vrij kunstenaarschap, in een samenleving die daar nog niet op was ingericht.

Het langste gedeelte van dit boek gaat meer in detail in op Mozart’s leven. Daarover las ik weinig voor het eerst.

Nee, als Elias iets gelukt is met deze uitgave, dan wel om iets intrigerends mee te delen over de betekenis van werken in opdracht, versus het werken naar eigen inzicht.

En toch werken sommigen het best als ze door opgelegde beperkingen gedwongen zijn om extra na te denken.

meer Elias op boeklog

Norbert Elias, Mozart
De sociologie van een genie
126 pagina’s
Van Gennep, 1991
Vertaling van Mozart. Zur Soziologie eines Genies

Ons betere ik ~ Steven Pinker

Meer nog dan andere gedragswetenschappers roept Steven Pinker bij mij automatisch tegenspraak op. Terwijl hij me nu juist zou horen te boeien. Omdat wat hij schrijft zo vaak tegen de heersende opinies ingaat. En zodra iemand dat intelligent doet, heeft hij of zij mijn aandacht.

Pinker is me alleen altijd net te onbescheiden zeker van zijn gelijk.

Toch kan het juist om mijn irritatie heel prettig zijn om een Pinker te lezen. Ik lees niet per se om bevestiging te vinden van mijn overtuigingen. Liever zie een schrijver aanduiden waar bij mij de vooroordelen zitten.

En het magnum opus Ons betere ik wist me voor de verandering bijna te overtuigen. Vooral het laatste hoofdstuk is heel aardig. Omdat Steven Pinker dan ineens wel aangeeft dat hij een momentopname biedt, maar daarmee geen absolute garanties voor de toekomst kan geven. Wij leven nu in tijden van ‘de lange vrede’. Dat hoeft niet zo te blijven. Losgeslagen jonge mannen genoeg in China en India die geen vrouw kunnen vinden, omdat ze nooit carrière zullen maken.

De centrale these van dit boek staat al in de ondertitel. Pinker meent dat de mens nu gemiddeld heel wat minder gewelddadig is dan eerder in de geschiedenis.

Vervolgens draagt de uitgave bewijzen aan voor deze theorie, en tracht de auteur te verklaren hoe het komt dat wij zo veel minder geweld gebruiken dan onze voorvaderen.

Daarbij leunt hij onder meer sterk op de civilisatietheorie van Norbert Elias. Doordat we allerlei normen zijn gaan internaliseren, weten wij ons beter dan vroeger te beheersen. De ergste impulsen zijn onder controle gekomen.

Daarnaast hebben zich in de geschiedenis natiestaten gevormd, met centrale overheden, en geweldsmonopolies. Deze ontwikkeling valt samen met de statistiek dat mensen elkaar minder zijn gaan vermoorden.

Zijn democratieën nog weer een stuk vredelievender dan autocratisch geregeerde landen. En hebben we het materieel beter gekregen; wat ook al prettig kalmeert. Dat is allemaal met cijfers te staven.

Ons betere ik overtuigde me dan ook het meest in het harde cijfermateriaal. In de Middeleeuwen werden dertig keer zo veel mensen vermoord in West-Europa dan nu is ook met een redelijke mate aan nauwkeurigheid te bewijzen.

En ergens voert Pinker een staatje op waaruit blijkt dat de genocides op tientallen miljoenen mensen uit de twintigste eeuw — onder Hitler, Stalin, en Mao — relatief gezien lang de ergste volkerenmoorden niet waren in de geschiedenis.

In een herschikte ranglijst krijgt de An Lushan-revolte uit de 8ste eeuw de dubieuze toppositie het meest vreselijke tijdvak ooit te zijn geweest. Toen werd in acht jaar een zesde van de hele wereldbevolking omgebracht. Lokaal.

De val van het Romeinse rijk staat vijfde op de relatieve ranglijst van gewelddadigste periodes.

Voor het gemak neemt Pinker dan maar even alle doden in zo’n periode samen. Of ze nu vielen in de strijd, door geweld, of door voedselgebrek, en andere indirecte gevolgen van onrust.

Voor het gemak negeert hij dat een lange periode van vrede en voorspoed ergens volkomen ongemerkt kunnen zijn gepasseerd door het ontbreken van historische bronnen of archeologisch materiaal. Want, waaruit bestaat zulk materiaal?

Het minst overtuigend is Pinker als hij aanvullend bewijs zoekt om zijn these te bekrachtigen. Zo bewijst de Bijbel aan het begin van het boek hoe gewelddadig de mensheid wel niet was in de tijd dat het Oude testament werd opgetekend. Zeshonderd oproepen staan er in die hoofdstukken om andere volkeren uit te roeien.

En op tweederde van het boek is religie ineens niet meer de voornaamste reden om geweld te gebruiken tegen anderen.

Pinker meent al evenmin dat oorlogen enkel gevoerd worden om de controle over grondstoffen te krijgen.

Dus blijft dit o zo dikke boek voor mij toch allereerst een essay, waarin een schrijver hardop denkend een these probeert te bewijzen. Want, het lijkt me echt dat het idee er eerst was en dat vervolgens de feiten bij elkaar werden geschraapt om dit verhaal te staven.

En die inspanning is zeer te waarderen. Al had ik ook weleens een boek van een psycholoog willen lezen waarin dat Milgram-experiment eens niet werd opgevoerd als bewijs.

Steven Pinker heeft ook geen enkele moeite gedaan om het omgekeerde van zijn these te bewijzen, en dus zijn verhaal te falsificeren.

Plus, weliswaar zijn over aantallen moorden en oorlogen controleerbare uitspraken te doen, maar zijn dit werkelijk de enige vormen van geweld? Ooit viel ik Hans Achterhuis aan op diens vaagheid op dit punt. Steven Pinker roert het hele onderwerp niet eens aan.

Doden lijkt mij nu net absoluut de enige vorm niet van geweld. Doden is hoogstens de meest extreme vorm van geweld. Waarbij er ook nog een principieel verschil bestaat tussen de daden van éen mens, en wat een groep vermag.

En het hoeft niets te zeggen over de frequenties van andere vormen van agressie als er enkel minder extremen zijn. Lijkt me. Om me nu maar tot een eerste bezwaar te beperken.

Bovendien, het leven lijkt me meer waard geworden, sinds de meerderheid van ons niet meer in het eerste levensjaar sterft. Taboes kunnen mensen ander gedrag opdringen.

Steven Pinker, Ons betere ik
Waarom de mens steeds minder geweld gebruikt

1113 pagina’s
Contact, 2011
vertaling door Hanneke Bos, Menno Grootveld, Inge Kok, en Meile Snijders van:
The Betters Angels of Our Nature, 2011

Sociologie en geschiedenis ~ Norbert Elias

Er bestaat een Britse uitdrukking die perfect aanduidt wanneer een ervaring genoten is en grotendeels verwerkt.

I’ve eaten that.

En een betere frase weet ik zo niet om te beschrijven hoe ik dit boek las. Deze bundel dateert van net voor de grote publieke doorbraak van Norbert Elias in Nederland. Zijn Über den Prozess der Zivilisation was nog alleen in een peperdure Duitse uitgave te koop. Het lijkt daarom of de essays verzameld in dit boek zijn denkbeelden hier moesten introduceren.

Dus staan er algemene stukken in. Dus staat de inleiding tot zijn Über den Prozess der Zivilisation er integraal in.

Maar die tekst kende ik al. Die heb ik mij al eigen gemaakt. Elias heeft een enorme invloed gehad op de manier waarop ik de geschiedenis bekijk. Mij interesseert dan vooral wat ooit normaal was. Hoe dit er uit zag. En daarmee interesseert mij dus de vraag hoe wij kunnen weten wat ooit normaal was, en welke aspecten daarbij meewegen. Waarbij die vraag dan ook weer de blik scherpt waarmee ik naar het heden kijk.

Daarmee was het zeker niet vervelend om dit boek te lezen. Maar het was of ik het al helemaal kende.

meer Elias op boeklog

Norbert Elias, Sociologie en geschiedenis
en andere essays

216 pagina’s
Van Gennep, 1970
vertaling van het Duits, uit verschillende uitgaven

Sport en spanning ~ Norbert Elias en Eric Dunning

Sociologen kijken anders naar de geschiedenis dan historici. En toevallig houd ik erg van hoe Elias keek, omdat hij constanten wilde ontwaren, en zien wat daar dan in veranderde in de loop der tijd.

Dus brengt elk van zijn boeken altijd wel een inzicht of wat dat mijn eigen denken bijstelt. En beter kan een schrijver nauwelijks doen.

Alleen met deze bundel, Sport en spanning, die Norbert Elias samen schreef met Eric Dunning, had ik toch moeite. En dan niet zo zeer om wat er in staat. Ik mistte namelijk minstens éen gegeven dat de geschiedenis van de georganiseerde sport nogal beïnvloed heeft.

Sport is niet alleen iets om te doen — waarover Elias en Dunning het vooral hebben — sport is ook iets om naar te kijken. En om dat kijken nog spannender en aantrekkelijker te maken, wordt er vanoudsher op de uitkomsten gegokt.

Over het kaatsen als sport is door anderen bijvoorbeeld geschreven dat het alleen nog in uithoeken van Europa gespeeld wordt, omdat er zo grof op gegokt werd elders, dat de autoriteiten het spel vrijwel overal verboden.

Door dat gokken, en het geld dat daardoor in omloop was, werd het bovendien aantrekkelijk gemaakt om mensen zich te laten specialiseren in sport. Of om dieren te gaan fokken die goed presteerden tijdens wedstrijden.

Ik vind het merkwaardig om wel in een boek te lezen over de honden die speciaal gefokt werden voor de vossenjacht in Engeland, en dan tegelijk te zien dat de auteurs alle inspanningen te negeren die mensen deden om goede renpaarden te krijgen, of vechthanen, stieren voor in de ring, of windhonden.

Want, goed, ja, er is dat aspect dat Groot-Brittannië de bakermat is van heel wat georganiseerde sporten. En dat die sporten met regels kwamen, die het gedrag stuurt van wat de beoefenaren doen. En veel van die activiteiten werden eerst door de hogere standen beoefend, voor de lol, om vandaar opgepikt te worden door andere klassen.

Maar, die interpretatie van de geschiedenis is me veel te schoon. En verwijzen naar uitwassen die er waren op de Olympische Spelen in het antieke Griekenland me een veel te simpele tegenstelling.

Aan sportbeoefening in de achttiende en negentiende zit ook een voze kant, en een uitbuitende zijde. En dan waren er nog de kroegbazen, die als eerste atletiekbanen aanlegden bij hun etablissement, of wedstrijden in het snelschaatsen organiseerden; met als voornaamste doel, tegelijk, om lekker veel volk te lokken, en zo omzet te maken.

In de twintigste eeuw kwamen daar de media bij, die uitputtingsmarathons organiseerden, zoals de Tour de France, om iets te melden te hebben tijdens nieuwsluwe tijden.

Slechts wie zich al met die kennis heeft gewapend, zal iets hebben aan wat Elias en Dunning verder aan de sportgeschiedenis bijdragen.

Norbert Elias en Eric Dunning, Sport en spanning
De zoektocht naar sensatie in de vrije tijd

438 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 2007
Vertaling van Quest for Excitement, 1986

Ueber den Prozeß der Zivilisation ~ Norbert Elias

Toen ik uiteindelijk geschiedenis ging studeren, was dit niet omdat de geschiedenisles op school zo leuk was geweest. Niet dat mijn herinneringen slecht waren daaraan, voor zo ver er nog herinneringen waren tien jaar later. Maar de geschiedenisles vroeg niet zo veel. Ik heb een goed geheugen voor nutteloze informatie, en kan een zin formuleren; en veel meer werd er ook niet geëist op de middelbare school.

Dat ik die studie koos, kwam mede door dit boek. Omdat het me leerde dat er ook op een andere manier naar het verleden te kijken was, dan door jaartallen te memoreren, of grote mannen te herdenken. Bovendien vertelde Elias in zijn beschouwingen over het verleden ook heel wat over het nu.

Daarbij kwam dat ik dit in sommige opzichten een heel geestig boek vond. Gek dat er nu zo zelden op dat aspect gewezen wordt.

Misschien kwam dit door Elias zelf, en diens droge uitleg later van wat hij allemaal bedoeld had. Misschien kwam dat door de serieusheid van zijn veelal Nederlandse discipelen.

Ik bedoel, dit eerste deel heeft in deze uitgave een inleiding van 82 pagina’s. Dat is meer dan een kwart van het eigenlijke boek. En deze inleiding is bovendien onvergelijkbaar veel droger en saaier dan de tekst die daarop volgt.

Elias wilde éen ding doen met zijn Über den Prozeß der Zivilisation, en dat was illustreren hoe wij een steeds groter arsenaal aan regels zijn gaan internaliseren in de omgang met elkaar. Daardoor hebben we heel andere ideeën over wat fatsoenlijk is, of hygiënisch, dan onze voorouders. En tezamen heten die ontwikkelingen dan beschaving, maar eigenlijk doet dit er al niet toe, voor mij.

Evenmin vind ik interessant waar dat verwerken van al die aangeleerde regels dan toe leidt, innerlijk gezien. Wat de psychologische gevolgen zijn.

Voor mij was interessant, en bij het herlezen bleek dit gelukkig nog steeds zo, dat veel van wat vroeger normaal was, nu nogal vreemd overkomt.

Norbert Elias gebruikte voor zijn onderzoek vooral oude etiquetteboeken, zo ongeveer beginnend bij dat van Erasmus. Daarbij het simpele uitgangspunt hanterend dat als tegen bepaald gedrag gewaarschuwd werd, dit waarschijnlijk in ruime mate voorkwam. Zo raadde Erasmus zijn tijdgenoten aan om bij het eten toch liever onder de tafel te spugen, in plaats van erop.

In dit deel gaat het over vele elementaire zaken. Wanneer begon men met een vork te eten, wanneer een servet te gebruiken. Waar deed men zijn behoefte, en wat moest de reactie zijn als er iemand in het zicht zat te poepen. Enzovoorts.

Wat ik vergeten was, is hoe zeer Elias nog tast naar vorm in de eerste hoofdstukken. Hij weet iets geheel nieuws te gaan bespreken, en daar de consequenties van aan te gaan moeten geven, en legt daarom telkenmale uit dat hoe wij nu denken niet was hoe dit toen werd gezien.

Ook was vergeten, of misschien verliep mijn kennismaking met dit boek via een andere editie, is hoeveel bronmateriaal Elias onbewerkt presenteert. Zestiende-eeuws Frans en vijftiende-eeuws Engels, of citaten in Latijn, die staan er allemaal zonder vertaling in. Daarmee terloops ook tonend wat iemand hoorde te weten, zo vlak voor de Tweede Wereldoorlog.

Meer over de ontvangst en implicaties van dit boek in een vervolg

Norbert Elias, Über den Prozeß der Zivilisation
Soziogenetische und psychogenetische Untersuchungen
Erster Band
Wandlungen des Verhaltens in den weltlichen Obersichten des Abendlandes
334 pagina’s
Suhrkamp taschenbuch 1980, oorspronkelijk 1936