Alexis de Tocqueville ~ Joseph Epstein

Lang na mijn studie geschiedenis ben ik nog altijd bezig me te bevrijden van de ideeën die me daar werden opgedwongen. Zo was de theoretisch historicus F.R. Ankersmit indertijd ineens nogal lyrisch over de Franse edelman Alexis de Tocqueville [1805 – 1859].

Die had meer gezien dan de meesten. Wat dan kwam omdat hij uit de traditie stamde van een Ancien Régime. En door een reis in de VS kon Tocqueville op basis van eigen waarnemingen kon oordelen wat een zo jong en democratisch staatsbestel beter deed dan een aristocratisch bewind, of waarin het juist te kort schoot.

En enkel dat gedram steeds over Tocqueville tijdens hoorcolleges, maakte dat ik deze man vervolgens liever negeerde.

Terwijl hij, helaas, telkens weer opduikt in discussies over de problemen van waar onze democratie voor staat. Dus was er ook het knagende gevoel eigenlijk meer van hem te moeten weten.

Goed daarom dat Joseph Epstein ooit gevraagd is om het leven van Alexis de Tocqueville te beschrijven. Hem vertrouw ik als auteur. Hij kon misschien helpen om me normaal over Tocqueville te laten oordelen.

Maar die wens komt toch niet helemaal uit. Ik vrees toch nog een keer zelf die De la démocratie en Amérique te moeten lezen.

De boekenserie ‘Eminent lives’ is er namelijk goed in om een vlot leesbaar portret te geven van een wetenschapper, kunstenaar, of politicus. Heel erg goed zelfs; dit is op vrijwel alle fronten een uitstekend boek; behalve dan dat ik er iets in zocht dat er niet in te vinden was.

Levenslopen interesseren me niet altijd. Tocqueville wordt herinnerd om een tweedelig meesterwerk dat hij op zijn dertigste schreef. Dat hij naderhand een weinig opzienbarende carrière had als politicus, vanwege zijn hoge stem, en grote bedachtzaamheid, voegt aan dat meesterwerk van hem zo weinig toe.

Epstein geeft ook maar een pagina met wat critici hebben afgedaan aan De la démocratie en Amérique.

En dat is bijna net zo teleurstellend als om te moeten lezen dat het eerste deel van het boek meteen een succes was, bij publicatie. En dat het gezien werd als een uniek politiek meesterwerk, dat sindsdien ook niet meer is geëvenaard. Zo veel was me namelijk al bekend. Dus hoop je iets van dat mirakel uitgelegd te zien, en niet, net als indertijd bij Ankersmit, als een voldongen feit opgedrongen te krijgen.

Veel van de zo triomfantelijk gepresenteerde wijsheden van Tocqueville — zoals dat democratieën geen ruimte hebben voor uitblinkers — lijken me namelijk nogal gratuit.

Enfin. Zoals ik al eens eerder schreef; het is ook werkelijk alleen zuiver drinken aan de bron.

Joseph Epstein, Alexis de Tocqueville
Democracy’s Guide
Eminent Lives

208 pagina’s
HarperCollins, 2006

Ambition ~ Joseph Epstein

Door dit boek, dat vooral portretten biedt van bekende Amerikanen, heeft Epstein vele terzijdes gesprenkeld. Anekdotes zijn dat, waarvan me een groot deel persoonlijke anekdotes lijken. Niet dat dit er nu vreselijk toe doet. Maar omdat ik zo veel Joseph Epstein heb gelezen inmiddels, ging ik me zaken afvragen.

Was die beroemde joodse schrijver uit dat verhaal, die zo verontwaardigd was over een beschrijving, Saul Bellow? Verontwaardigd omdat hij moest toegeven dat er veel waarheid stak in het etiket ‘weer zo’n joodse jongen met haast’?

Epstein maakte er later geen geheim meer van dat hij lange tijd zeer bevriend was met Bellow.

Ambition is een door en door Amerikaans boek. Wat op zich enige verbazing wekte. Zou ambitie daar nu werkelijk zo’n taboe zijn? Als ergens toch mensen openlijk hun ambities mochten uitspreken, om daarbij dan aangemoedigd te worden, in plaats van hoon te ontmoeten, dan was dit toch zeker de VS? De maatschappij waar bij voorkeur gesproken wordt over ‘winners’ en ‘losers’?

Dat cliché bleek niet te kloppen. En gelukkig ook maar. Epstein heeft behoorlijk wat moeite gedaan om aan te tonen welke hindernissen ook de meest succesvolle Amerikanen te overwinnen hadden. Daaruit bleek alleen al dat zoiets basaals als de invoering van de inkomstenbelasting ambities lijkt te hebben gefnuikt.

Nu goed, Epstein schreef dit boek voordat de PC gemeengoed werd, of dat internet iets algemeens kon worden. Mede omdat door technologische vooruitgang ineens nieuwe monopolies waren te vestigen, konden toch weer enkele Amerikanen ineens heel erg rijk worden.

En zo was er wel meer dat Ambition een prettig leesbare cultuurstudie maakte, en toch een onvolkomen cultuurstudie doet zijn.

Het interessantst is dit boek, zoals vaker bij Epstein, als hij literaire ontwikkelingen beschrijft. Zelfs al zijn het dan soms eenvoudige constateringen die hij doet — zoals dat de personages in de romans tot de jaren twintig openlijk ambitie mochten toonden, maar dit toen als thema uit de boeken verdween. Later was het zelfs verdacht als een schrijver iemand in zijn boeken openlijk liet zeggen dat deze flink vooruit wilde in het leven.

En al zal me vrij weinig van dit boek bijblijven. De wetenschap is er nu wel dat de VS weliswaar geen ‘tall poppy syndrome’ kent, maar ook daar genoeg sociale mechanismen bestaan om mensen in toom te houden.

Joseph Epstein, Ambition
The Secret Passion

312 pagina’s
Penguin Books 1982, oorspronkelijk 1980

Distant Intimacy ~ Frederic Raphael & Joseph Epstein

Dat ik weleens een snob ben, is hier al eens uitgebreid beschreven — in een boeklogje over Snobbery van Joseph Epstein, toevallig. En toch gedraag ik me zelden uit de hoogte. Waardoor het me des te duidelijker opvalt wanneer al mijn snobismen zich wel duidelijk tonen.

Zo laat lezen me doorgaans hard en arrogant oordelen over een tekst, en niet zelden daarmee ook over de schrijver daarvan. Alleen doe ik daar niet per se verder nog iets mee. Te slechte boeken worden domweg niet uitgelezen, en leveren dus ook geen briesende reacties op hier.

Omgekeerd lijk ik extra te genieten als ik teksten lijk te begrijpen die niet direct voor mij bedoeld zullen zijn. Zoals gebeurde met het boek Distant Intimacy — dat de e-mailcorrespondentie bevat die Frederic Raphael [1931] en Joseph Epstein [1937] twaalf maanden lang voerden, in de periode 2009-2010.

Beide mannen hadden elkaar nooit ontmoet, zelfs nimmer gesproken over de telefoon, en toch herkenden ze iets in elkaar werk dat genoeg aanknopingspunten bood voor een lopend gesprek via de mail. Lag er bovendien al een half voorbeeld: de correspondentie tussen Lévy en Houellebecq was net uitgegeven in het Frans.

En zoals ik opmerkte in het logje over dat laatstgenoemde boek: een correspondentie wordt er nogal wat levendiger van als de briefschrijvers elkaar niet al te goed kennen; als er nog wat uit te leggen is.

Raphael werd weliswaar in Chicago geboren, net als Epstein, alleen verhuisde hij als kind in 1938, tegen de stroom in, naar Engeland. Daardoor groeide hij op in een ander land, met heel andere zeden; zoals een duidelijk klassensysteem, en een nog altijd onderhuids voortwoekerend antisemitisme waar hij zeer op gebeten is.

Dus dan gaat hij bijvoorbeeld aan Joseph Epstein uitleggen wie Jeremy Paxman is, of waar het TV-programma University Challenge over gaat.

Ligt er ook het gegeven nog dat Raphael niet enkel romans schreef, nee zelfs veel bekender werd als scenarist voor films — al zeiden zijn Hollywood-anekdotes me nu net het minst.

Merkwaardig genoeg is het alleen veel makkelijker om aan te tekenen wat er zoal niet deugt Distant Intimacy dan wat deze correspondentie eigenlijk toch tot zo’n totaalbevredigend boek maakte.

Zo heeft Epstein er een handje van om telkens achteloos te melden hoeveel duizenden dollars hij nu weer kreeg voor het schrijven van een stuk. En Raphael schrijft nogal gemaniëreerd.[1]

Maar een lezer kan dus domweg even denken een meer dan normale band te hebben met een schrijver — of in dit twee geval dus twee schrijvers. Gewoon doordat we alle drie genoeg gelezen hebben om met kennis te kunnen oordelen.

En die twee mannen op leeftijd, allebei Joods, allebei allereerst Engelstalig, dachten te vaak precies zo over schrijvers of boeken als ik ook al deed — op de momenten dat het mogelijk was mijn mening naast de hunne te leggen. Dus snobde ik fijn mee met dit stelletje snobs. Wat het vervolgens nogal boeiend maakte om te lezen wat ze te zeggen hadden over alles mij nog onbekend; ook als er daarbij geen eenduidig antwoord mogelijk was.

Want waarom lijkt er geen poëzie geschreven te zijn na 1950 die iets raakt? En waarom zijn 20-eeuwse romans op de keper beschouwd zo mager aan belang?

Zagen ze het bovendien als een plicht om elkaar te vermaken, wat alles al scheelt voor een beetje boek.

scheiding

Stories should not, I have found, be read by actors, since they always intrude syncopated rhythms into their reading and too-heavy emphasis into the dialogue. [..]

Frederic Raphael
scheiding

I call publications such as Outliers skipping-rope books: they’re meant to give you a little gentle mental exercise, or the illusion of having had a mental work-out, but rise no kind of sweat. You skip all right, because every other word is quite sufficient.

Frederic Raphael
scheiding

I don’t go to the theatre much, for the reason that I think most contemporary playwrights are a lot more stupid about the world than I; and this being so why would I pay to learn precisely how stupid they are?

Joseph Epstein
scheiding

Poetry in our day is in the same condition as verse drama at the beginning of the last century: an archaic practice, a dead genre, a done deal. We still have people playing the role of major poets, but only because the world seems to require a few people to play the role.

Joseph Epstein
scheiding

I posit the notion that, while science and technology work on the basis of progress, art doesn’t, yet it is just possible that art, literary division, is digressing. None of this will be good news to the writers of fiction, and shouldn’t please those brave but diminishing troops who continue to read lots of contemporary fiction. We all want, somehow, to be think we are living in the best of times, or so I suspect.

Joseph Epstein.
scheiding

My general line is that our great contemporary novelists have abandoned the great themes in favour of declaring “Look at me! I’ve just had a fucking epiphany.” I don’t drag out the stale intellectual bagel about the novel being dead, but I do suggest that somewhere down the road a serious wrong turn was made. I ignore entirely the question of whether anyone genuine cares about all this.

Frederic Raphael
scheiding

(V.S. Naipaul, in his novel Guerrillas, says of a woman character he loathes. “she had a great many of opinions but taken together they did not add up to a point of view,” a formulation that struck me as most useful in our opinion-laden time.)

Joseph Epstein
scheiding

The only way to judge one’s success as a writer, I would say to these kids during my teaching days, is if one is able to claim that one has honored the complexity of one’s subject.

Joseph Epstein
scheiding
Frederic Raphael & Joseph Epstein, Distant Intimacy
A Friendship in the Age of the Internet

335 pagina’s
Yale University Press, 2013
  1. beide vormelementen zijn ooit ook dodelijk effectief geparodieerd in The Guardian’s ‘Digested Read’. De mails waren in het echt alleen tussen de 1.500 en 2.000 woorden lang. []

Envy ~ Joseph Epstein

Joseph Epstein is een vreemde schrijver. Ik heb inmiddels honderden van zijn essays en columns opgeslagen in mijn digitale archief. En met genoegen. Maar zijn boeken doen me niets.

Epstein is eloquent en erudiet. Maar die kwaliteiten leveren vervolgens vooral schitterende zinnetjes op, en prachtige paragrafen. Tegelijk is het of hij nooit de lijn van zijn betoog kan vasthouden. Als er al een lijn te ontwaren valt. Epstein toont zich telkens weer de auteur van het uiterst geïnspireerde terzijde. En in een los artikel is zoiets geestig; op de lange baan pakt het werkelijk dodelijk vermoeiend uit.

Maar Envy was een lezing. Eén van de zeven lezingen die The New York Public Library organiseerde over de doodzonden. Voor elk daarvan werd een andere schrijver gevraagd.

Toch bleef Epstein onmiskenbaar Epstein. Ook in een lezing. Alleen al omdat hij zich allereerst begon af te vragen of die zeven klassieke doodzonden nog wel actueel waren — om vervolgens allerlei nieuwe zonden op te noemen.

Begrijp ik nu dus ook maar iets van wat Joseph Epstein had mee te delen over jaloezie, naijver, of ressentiment? Nee. Behalve dan dat hij dit de meest menselijke van alle doodzonden vindt; omdat niemand er volledig vrij van is. Het zou anders ook niet best wezen. Een verlangen om te zijn als een ander, of te hebben wat die heeft, kan een heel goede motivatie zijn om in beweging te komen.

Van dit boek houd ik daarom alleen een paar van die heerlijke terzijdes over. Zoals dat over het geïnstitutionaliseerde ressentiment onder academici. Want, wie zijn er vooral te vinden op de universiteiten, zo vraagt Epstein zich af. Dat zijn degenen die altijd zo goed leren konden, dat ze immer daarom geprezen werden. Hun hele schooltijd lang. Waardoor het klaslokaal voor hen alleen maar positieve herinneringen heeft; ja zelfs een omgeving is om te blijven hangen. Wat kan er veiliger of vertrouwder zijn. Maar o, wat wordt het leven zuur is het lesgeven na een paar jaar begint te vervelen. En wanneer al die stakkers van een medestudenten met hun zo matige cijfers vroeger inmiddels veel meer geld blijken te verdienen, in de boze buitenwereld…

Joseph Epstein, Envy
The Seven Deadly Sins

109 pagina’s
Oxford University Press & The New York Public Library, 2003

Essays in Biography ~ Joseph Epstein

Veertig essays van Joseph Epstein. In een nieuw boek. Dat betekent zeker veertig dagen leesgenot voor mij. Omdat hij zo makkelijk wegleest dat het verleidelijk blijft om door te gaan in het boek. En door te gaan. Daarom beperk ik me inmiddels bewust tot éen essay per dag.

Delicatessen smaken nu eenmaal beter als er matigheid betracht wordt.

En Essays in Biography doet wat de titel belooft. Het boek biedt veertig portretten. Van mannen vooral, en slechts een enkele vrouw. Voor een deel mannen ook nog die gauw eens van betekenis waren in het intellectuele leven in de VS tijdens het derde kwart van de twintigste eeuw.

Over hen is er dan een biografie verschenen, of er kwam van hen postuum een egodocument uit. En Epstein schreef daarbij een doorgaans lange recensie die meestal nauwelijks over zo’n boek gaat. Door zich allereerst te concentreren op de persoon.

Meest memorabel lijken daarbij in eerste instantie de oordelen. Want ik heb bijvoorbeeld zelden zo’n negatieve beoordeling van Saul Bellow’s karakter en werk gelezen als Epstein hier ditmaal geeft. De mannen waren nota bene Racquetball-maatjes in de jaren zestig. Maar daarna kwam de verwijdering.

Perhaps he wasn’t a novelist at all but a high-octane riffer, a philosophical schmoozer, an unsurpassed intectual kibbitzer, one of the great monologists of the age. But he was no storyteller. Which explains why one doesn’t have much taste for rereading him and why, there is no good reason to believe, future generations are likely to have even less taste for reading him in the first place. [176-177]

Punt is hierbij dat ik deze woorden niet met ongeloof lees, maar dat Epstein slechts iets verder gaat dan mijn eigen oordeel al reikte. En dat ik hem dus geloof.

Dat maakt Joseph Epstein vanzelfsprekend een heel intelligent beoordelaar. Waarmee het vervolgens pijnlijk wordt als hij in een bespreking van Just Enough Liebling moet constateren dat veel van dat werk inmiddels verouderd is.

Ik vond die bloemlezing uit het werk van Liebling een prachtverzameling.

Maar anders dan ik heeft hij A.J. Liebling nog in leven meegemaakt, en genoten van diens werk toen het in de New Yorker verscheen. Mijn oordeel vormde zich tijdens een eerste kennismaking. Epstein maakte de reis nog eens terug, en dan is het perspectief altijd anders.

Aan de oordelen valt toch al op dat Joseph Epstein weleens van opinie durft te veranderen. Wat me overigens niet meer dan normaal lijkt.

In een eerdere bundel schreef hij dus nog lovend over A.J. Liebling, nu aanmerkelijk bedachtzamer. Eerder was hij redelijk negatief over het oeuvre van Bernard Malamud — omdat diens laatste romans zo matig waren — inmiddels vindt hij de twee eerste romans en vooral de verhalen van een zeldzame en blijvende klasse.

Maar om de oordelen gaat het niet per se bij Epstein. Hoe prettig het misschien ook is om Susan Sontag ondergeschoffeld te zien worden. Haar talent was public relations, niet de literatuur. Want ze schreef alsof een slechte vertaler iets uit het Frans had overgezet.

The problem is that Sontag wasn’t sufficiently interested in real-life details, the lifeblood of fiction, but only in ideas, She also wrote and directed films, which were not well reviewed: I have not seen these myself, but there is time enough to do so, for I have long assumed that they are playing as a permanent double feature in the only movie theater in hell. [284]

Joseph Epstein is namelijk zo geweldig goed in staat om afgeronde portretten te schrijven. Waardoor het besproken boek — als het om een boekrecensie gaat — daarnaast zelfs misschien wel overbodig wordt.

Wat interesseren mij de New Yorkse intellectuelen nu, bijvoorbeeld, die alleen lokaal invloed hebben gehad. En waarvan de glans allang dof is?

Epstein portretteerde ze zo dat het even heel interessante mensen werden. Waarbij hij binnen kort bestek zowel weet aan te geven waarom het interessant is om hen te gaan lezen — wanneer ze schreven — als waarin hun werk of hun oordeelskracht uiteindelijk tekort schiet.

Is er ook nog zijn humor.

Bevat deze bundel bovendien een hele reeks onverwachte portretten. Tweemaal kijkt Epstein terug op pas gestorven vrienden. En de langste stukken in het boek, elk van zeker 12.000 woorden en biografiën op zich, gaan over de politicus Adlai Stevenson en de uitgever Henry Luce. Zelfs schreef hij een portret van de basketballer Michael Jordan; omdat die in Epstein’s woonplaats een lokale held was; en daarmee Chicago ineens tot sportstad maakte.

En zo’n onverwacht stuk maakt het dan weer dat opvalt hoe zeer ik Joseph Epstein vertrouw om zijn opinies en inzichten, terwijl hij nog altijd een vreemde is. Ook na al die boeken van hem gelezen.

Dus blijft hij verrassen. Al was veertig essays wel te veel voor éen boek. Er zijn evenwichtiger bundels van hem verschenen. Punt is dat Epstein nog beter wordt als er een persoonlijk belang speelt. De in memoriams over die twee vrienden van hem zijn voorbeelden in het genre. Zijn afrekening met Bellow toont een oprechte teleurstelling in iemand die hem ooit na stond.

Andere essays zijn weliswaar eminent geschreven journalistiek, maar missen ze dat sprankje eigenheid, is het resultaat minder.

Joseph Epstein, Essays in Biography
603 pagina’s
Axios Press, 2012

Friendship ~ Joseph Epstein

Epstein is dikwijls een zeer goede essayist. Beperk hem tot 5.000 à 6.000 woorden, en het meest uitgekauwde onderwerp levert nog een sprankelende tekst op. Want, hij schijnt een soort natuurlijk temperament voor die korte baan te hebben. In zijn monografieën lijkt het dikwijls of de vrijheid en de ruimte hem wat overweldigt.

Joseph Epstein schreef Friendship mede omdat hem geen goed boek over vriendschap bekend was; op wat verhandelingen uit de klassieke oudheid na. En toch kan niemand zonder vrienden.

Tegelijk is het met vrienden altijd geven en nemen. Misschien begint de vriendschap er wel mee een ander te aanvaarden zoals die is, met al zijn of haar hebbelijkheden. Wat dan ook betekent dat er een moment kan zijn dat vrienden zo ver uit elkaar zijn gegroeid dat er geen natuurlijke band meer is.

Aan dit boek valt op dat Epstein het hele onderwerp vanuit zijn leven beschouwde. Hij heeft een zeker talent voor vriendschap, en weet vanuit dat voorrecht aardig wat over het onderwerp te vertellen. Al moet dit noodzakelijkerwijs vaak met persoonlijke voorbeelden.

En dat nu, is typisch de aanpak van een essayist.

Dus komen de goede vragen op zich wel langs in dit boek. Zoals, is vriendschap tussen man en vrouw mogelijk, zonder dat sex ooit een rol speelt? Beperkt iemands opvoeding of achtergrond zijn of haar vriendschappen? Wat is het verschil tussen een vriend en een kennis? En toch wordt daar slechts middels enkele persoonlijke anekdotes over geschreven.

Misschien dat dit niet ander kan, bij zo’n onderwerp. En ook was het niet zo dat ik van Epstein een historische verhandeling verlangde, over vriendschap sinds de prehistorie tot het huidige tijdsgewricht. Maar zo’n boek als dit is zo veel luchtiger en dus vluchtiger als Joseph Epstein’s gebundelde essays zijn — terwijl die boeken me dan weer zo veel meer amuseren. Dit tezamen verwart me.

Joseph Epstein, Friendship
An Exposé

270 pagain’s
Houghton Mifflin Company, 2006

Gossip ~ Joseph Epstein

Als ik Joseph Epstein een favoriete schrijver noem, is dat om éen soort boeken dat hij schrijft. De bundels met essays. Maakt niet uit of dat essays zijn over literatuur of dat de stukken een meer persoonlijke kleur hebben gekregen.

Maar Epstein schrijft ook korte verhalen. En als deze gebundeld zijn, heb ik die thuis zelfs in de kast staan. Alleen is het me nog nooit gelukt zo’n verhalenverzameling uit te lezen.

En Epstein schrijft ook weleens boeken over éen afgebakend onderwerp. Daar debuteerde hij zelfs mee. Zijn eerste boek ging deels over scheiden in het algemeen en over het einde van zijn eigen huwelijk in het bijzonder.

Echte monografieën of cultuurstudies worden deze boeken evenwel nooit. Daarvoor blijft Epstein te speels, en te zeer gericht op zijn eigen ervaring.

Als ik ze kort zou moeten beschrijven, dan zijn het allereerst stevig aangelengde essays. Homeopatisch aangelengde essays. Of zo’n boek nu over vriendschap gaat, snobisme, jaloezie, of ambitie.

Of, zoals in zijn meest recente uitgave, over roddelen.

En er is op zich niets op zo’n boek aan te merken. Het brengt amusement. Epstein is altijd goed voor een tekenende anekdote hier en daar. Maar in tegenstelling tot de essaybundels blijft er van deze boeken nauwelijks iets hangen na afloop.

Entertainments zijn het, in plaats van ‘literature’. Terwijl veel van de essays toch wel wat verder reiken, en het mij daarom verwart dat ik het ene boek van Epstein soms zo anders moet lezen dan zijn overige werk.

Aan Gossip viel me vooral de passage op die Joseph Epstein wijdde aan de betekenis van roddel in de literatuur. Menig boek gaat erover wat de goegemeente over iemand denkt, en wat daarvan klopt. Menig boek ook werd geschreven om over een ander kwaad te spreken.

Epstein noemt daarbij vooral het voorbeeld van Saul Bellow. Die na al zijn mislukte huwelijken nog eens wraak nam in een boek. Of die in de roman Ravelstein AIDS gaf aan het personage waarin heel goed de cultuurcriticus Allan Bloom is te herkennen.

Maar ook bij zo’n hoofdstuk merk ik allereerst van de voorbeelden te genieten. Geen moment ontstaat het idee dat ik nu het laatste woord lees over een ontwikkeling. Terwijl aan een boek over éen enkel onderwerp toch vanouds kleeft dat het tracht een totaalindruk te geven.

Misschien is Epstein als schrijver gewoon wel te gemakzuchtig voor dikke boeken. En werkt zijn vrijblijvendheid alleen goed in stukken op de korte baan — omdat daarin zo veel meer te suggereren valt, zonder dat er de last is zo’n uitspraak te hoeven bewijzen.

Gossip bewees mij in elk geval weer eens dat het beter is om favoriete boeken aan te wijzen dan favoriete schrijvers.

Joseph Epstein, Gossip
The Untrivial Pursuit

242 pagina’s
Houghton Mifflin Harcourt, 2011

In a Cardboard Belt! ~ Joseph Epstein

De Amerikaanse auteur Joseph Epstein is al heel lang een favoriete schrijver van mij — als het om zijn essays gaat tenminste. Zo had ik het merendeel van de stukken uit deze bundel al opgeslagen in mijn digitale archief de afgelopen tien jaar. En waar ik daardoor dan denk dat zo’n man in eigen land wel zeer bekend zal zijn, valt dit nogal tegen.

Wereldjeberoemd, zoals Abram de Swaan het noemt, dat is hij misschien wel. Of, zoals Epstein ook als titel van deze bundel gebruikte, als het op klassen van bekendheid aankomt, draagt hij niet meer dan de kartonnen band.

Overigens heeft het tijden geduurd voor ik de titel van deze bundel enigszins begreep. Die verwijst waarschijnlijk naar éen van die Engelstalige grappen waarin met de spelling en uitspraak van de taal wordt gespeeld — wat dan puns oplevert die voor non-native speakers erg vervelend zijn.

A cardboard belt would be a waist of paper.

Joseph Epstein’s werk vind ik om drie zaken goed. Allereerst is daar zijn afkeer van modes, en van al te holle metafysica. Zo gaf hij decennialang les op een universiteit, en stond hij toch telkens buiten zijn werkgroep vanwege zijn weigering met de volgende waan van de dag mee te waaien.

In deze bundel komt zijn afkeer over alle holle geleuter het best naar voren in de essays die verzameld staan onder het hoofdje ‘Attacks’. Daarin weegt Epstein een vijftal wel zeer beroemde critici, vindt hij weinig verdiensten in hun werk, en slaagt hij er vrij moeiteloos in deze mannen als poseurs te ontmaskeren.

Zo schrijft hij:

Almost all that is interesting in education is lost on George Steiner, owing to his relentless profundity. Always the deep-sea diver, he prefers to become entangled in the weeds found at the depths, while the treasures of common sense, floating high above on the water’s surface, inevitably elude him. [262]

En over Harold Bloom:

The mystery is that Bloom, for all his nearly perfect unreadability, today finds himself in that small but lucky elite of writers whose books sell without actually being read. [269]

Over Edmund Wilson:

One of the advantages artists have over critics is that they can be nearly complete damn fools and still produce interesting and important, even lasting, art. Critics are not permitted such large margins of stupidity. It matters that they get things right; their opinions, which is all they chiefly have, are crucial. Wisdom, in a critic, is never excess baggage. Edmund Wilson, it begins to be clear, travelled light. [292]

De tweede reden om Epstein te lezen is dus zijn wit — de oorzaak dan weer waarom ik ooit in hem geïnteresseerd raakte.

En de derde reden is éen waarvan ik pas nu zie dat die me intrigeert. Joseph Epstein heeft een voorkeur voor ‘writers’ writers’; hij schrijft vaak over auteurs aan wie het grote publiek succes voorbijging, en die toch betekenis hadden.

In deze bundel staan ook enkele sterk persoonlijke stukken. Zo werd hij zeventig — en wat is dat toch een raar ding voor een jongen om mee te maken. En ook nam hij afscheid van de universiteit, en van het blad The American Scholar waar hij decennia essays voor had geschreven. Geen van beide posities was zonder problemen, en Epstein is eerlijk genoeg zich daarover uit te spreken.

Where the accoutrements of culture count for most are the humanities departments, where truth, as the physical scientists understand it, simply isn’t part of the deal. “What do you guys in the English department do”, a scientist at Northwestern once asked me, quite in earnest, “just keep reading Shakespeare over and over, like Talmud?”

“Nothing that grand,” I found myself replying. [377]

Joseph Epstein, In A Cartboard Belt!
Essays Personal, Literary, and Savage

410 pagina’s
Houghton Mifflin Company, 2007

Life Sentences ~ Joseph Epstein

De bundel Life Sentences bracht me voor het eerst in aanraking met een essay van Joseph Epstein waar ik het aanvankelijk niet mee eens kon zijn. En dat was raar.

Zelfs al is Epstein erg in Henry James, beveelt hij dat werk ook altijd aan, en heb ik het al te gewrochte proza van die auteur nooit met enig plezier kunnen lezen. Sommig Amerikaans blijft een ondoorgrondelijk vreemde taal.

Doorgaans is het vrij makkelijk om helemaal met Joseph Epstein’s oordelen mee te gaan. Zijn betogen zijn helder. Zijn oordelen hebben een heel menselijke maat. Zelfs al vertelt ook Epstein weleens wat elk beschaafd mens al weet. Natuurlijk is Montaigne een held, die het verdient om gelezen te worden; zoals in een essay in deze bundel staat. Maar heeft iemand ooit anders beweert; behalve dan misschien een jaloerse tijdgenoot van hem?

De meeste essays in deze bundel gaan trouwens over schrijvers van wie de betekenis al vast ligt. Bovendien zijn de stukken veeleer biografisch dan kritisch. Al is Epstein er heel goed in om tijdens zo’n levensbeschrijving ook aan te geven wat in iemands werk nu nog de moeite waard kan zijn, en welke boeken inmiddels ergens in de tijd zijn achtergebleven.

En zelfs als grote delen van het oeuvre weinig meer te bieden hebben, klinkt altijd nog iets van respect, of in elk geval verbazing, door over het leven van de schrijver.

Het essay ‘The Man Who Wrote Too Much’ viel me daarom eerst op door de eenzijdigheid in zijn kritiek, en omdat Epstein de schrijver Robert Musil daarin wel heel erg terugdringt tot dat ene boek, Der Mann ohne Eigenschaften.

Net zo is het overigens onzin om Musil heilig te verklaren om een boek dat nooit af kwam. Ik zie te goed de gebreken van Der Mann… om dat ooit een lievelingsboek te kunnen noemen. Alleen bevalt me de satire wel, uit het eerste van de drie delen.

Musil zadelde zichzelf alleen op met eisen waaraan niemand zou hebben kunnen voldoen. Combineer feiten, liefst zo wetenschappelijk mogelijk, maar eens met mystiek.

Pas bij tweede lezing werd me duidelijk dat Epstein’s essay niet zo zeer een kritiek was, maar juist een verhaal over de tragiek van een mislukking. Twintig jaar van een leven werd verspild, aan een boek wat zo veel moest dat het alleen nog maar mislukken kon. En goed, dan blijk ik nog twijfels hebben bij sommige argumenten — Canetti aanhalen als ‘judge of character’ van Musil, ontkent te makkelijk hoe rancuneus Canetti kon zijn.

Maar hiermee toonde ik mijzelf toch weer eens hoe zeer vooroordelen de receptie kleuren. Ik wilde niet dat Musil zo makkelijk in de hoek werd gezet, dus werd het hele betoog, waarin de kritiek maar een onderdeel was, verdacht.

Herlezen blijft nu eenmaal het beste lezen.

Joseph Epstein, Life Sentences
Literary Essays

347 pagina’s
W.W. Norton & Company, 1997

* de essays in dit boek gaan over de schrijvers:
(gelinkte namen hebben een dossiertje op boeklog)

 


Line Out For a Walk ~ Joseph Epstein

Wie in korte tijd meerdere essaybundels van Joseph Epstein leest, komt weleens dezelfde gebeurtenissen tegen. Want voor Epstein is het essay allereerst een persoonlijke verkenning, waardoor hij de details uit zijn eigen leven niet schuwt. Ook als hij die al eens gebruikt heeft.

Tegelijk weet de lezer vrijwel niets van hem. Zo is A Line Out For a Walk wel opgedragen aan zijn zoon Burton, die in 1990 op 28-jarige leeftijd stierf. Maar Epstein heeft ooit enkel dit kille feit benoemd; en dat bleef het enige wat hij ooit over dit onderwerp geschreven heeft.

Dus kwam het als een verrassing dat hij in het laatste essay , ‘Dancing in the darts’, ineens bekende een vervelende kwaal te hebben aan zijn ingewanden. Hij benoemt ‘me troubles’ verder niet. En Epstein gebruikt het essay verder om bijvoorbeeld anekdotes te vertellen over hypochondrische schrijvers. Alsof hij zijn onthulling meteen uit het zicht wilde krijgen, door die met stapels humor te overdekken.

Alleen lees ik Epstein wel weer vooral om zijn humor, en zijn formuleringen. Al speelt zeker mee dat hij veel heeft gelezen, en daar altijd iets interessants over te zeggen heeft.

Dus is me een essay lief als ‘The Man in the Green Hat’. Waarin Epstein op het oog niet meer doet dan schrijven over zijn haatliefde-verhouding tot hoeden, maar hij tegelijk wel degelijk aan cultuurstudie doet. En zo is over elk van de zeventien essays in deze bundel wel iets positiefs te melden.

Hoogtepunt in deze bundel vond ik ‘Waiter, There’s a Paragraph in My Soup’. Omdat Joseph Epstein het daarin over lezen heeft — een onderwerp nauw aan mijn hart — en hij daar dan toch opmerkingen over plaatst die me verrasten. Ook al omdat Epstein daarin terloops over de kunst van het recenseren schrijft.

Verder waarschuwde hij al ruim voor internet populair was tegen het effect van overmaat.

My heavy reading schedule keeps me from thinking too much about an afterlife, but it occurs to me that in the various descriptions I have read of heaven, no one ever mentions a library or bookstores there. Can it be that there will be no books or magazines in heaven? (Hell, I assume, will be full of newspapers, a fresh edition of each published every thirty seconds, so that no one will ever feel caught up.) [275]

En hoewel mijn leesgewoonten totaal afwijken van Epstein’s manieren, is er toch die gezamenlijke fascinatie voor het gedrukte woord die alles overstijgt — en die hem als auteur misschien wel sympathieker maken dan hij is.

As one grows older, reading becomes an even keener pleasure and an even greater comedy. Part of the pleasure derives intrinsically from the activity itself; and part from its extrinsic rewards, not the least of which is knowing that there will always be plenty to read and so superannuation presents no real fear. (Great readers have this advantage over great lovers). [275]

Joseph Epstein, A Line Out For a Walk
Familiar Essays

331 pagina’s
W.W. Norton Company, 1991

Literary Education ~ Joseph Epstein

Treurige gedachte. Waarschijnlijk zal ik in 2014 geen boek lezen dat me meer aanspreekt dan A Literary Education; de meest recente essaybundel van Joseph Epstein. Alleen heeft de man aanzienlijk betere boeken uitgebracht. Misschien is dit zelfs de meest wisselvallige essaybundel die ik ooit van hem las.

Epstein zit tegenwoordig bij een nieuwe uitgever. En die moedigt hem aan om alles nog eens te verzamelen dat niet eerder in een essaybundel terecht is gekomen. Daardoor zijn diens laatste twee bundels allereerst dik. Vervolgens zit er niet echt eenheid in deze beide boeken — of minder dan in eerdere bundels met essays — de persoonlijkheid van de auteur moet alles dragen. En ten derde bestaat er weleens overlap tussen stukken in het boek.

Een keer te vaak kwam de opmerking langs dat hij in een Chicago opgroeide waar je rondreed met een biljet van vijf dollar in je rijbewijs; opdat bij een verkeersovertreding meteen het stilzwijgen van de agent werd gekocht.

A Literary Education bevat meer strikt autobiografisch werk dan eerdere bundels. Waarin dan ook weleens te veel informatie stond. Heel blij werd ik bijvoorbeeld niet van Epstein’s bekentenis dat hoeren twee à drie dollar kosten in de tijd dat hij met dat vijf dollar-biljet rondreed in zijn rijbewijs. En dat het gebruik van deze vrouwen voor hem en zijn vrienden usance was in het weekend.

Anderzijds schreef Joseph Epstein ook weer een essay bij een kroonjaar — vijfenzeventig werd hij ditmaal. Zulk een terugkijken deed hij ook al op zijn veertigste. En ik vind deze teksten altijd ontroerend. Ook al omdat Epstein steeds een nieuwe manier vind om te verwoorden hoe groot de rol van toeval kan zijn in een leven.

Meest nuttig waren evenwel heel andere teksten in A Literary Education. Zo besprak Epstein een vijftal tijdschriften, waaronder de New York Review of Books, TLS, en de New Yorker. Die kritieken bieden dan steeds observaties van een lezer die decennialang abonnee was, om zo’n abonnement na vijftig jaar in het geval van de NY Review of Books dan toch op te zeggen.

Daarbij bevestigen deze tijdschriftkritieken van Epstein overigens wat ik zie als het allergrootste probleem momenteel voor kranten en tijdschriften. Het zijn vergaarbakken van te veel aan te ongelijksoortige elementen. En ooit wist een lezer niet beter dan dat het interessante van zulke uitgaven altijd samen ging met dat ze ook gevuld waren met van alles wat er niet toe deed. Op den duur kan dan dat teveel aan loze vulling gaan tegenstaan. Komt daar in deze tijd nog die overvloed aan digitale teksten bij; waar gericht naar te zoeken is; als die al niet automatisch onder de aandacht worden gebracht via RSS-feeds of sociale media.

Maar zelfs die artikelen over de tijdschrijften toonden Joseph Epstein in een niet altijd even flatterend licht voor mij. Dat deze auteur aan de conservatieve kant is, was me bekend. Hij publiceerde ook lang in behoudende bladen. En ik hoef het ook lang altijd niet eens te zijn met een auteur om hem of haar interessant te vinden. Epstein noemde me bijvoorbeeld alleen een paar keer te vaak Kurt Vonnegut ‘een links auteur’; zonder daarbij ooit uit te werken wat hij daarmee bedoelde.

Zulk een steno, bedoeld om een tekst tot onderonsje te maken met de Amerikaanse lezers die meteen denken te begrijpen wat hij daarmee zegt, ergert mij dan. Natuurlijk, ik kan best tien redenen vinden die Vonnegut tot een links auteur maken in de ogen van iemand anders — met zijn Vietnam-protest als oorlogsveteraan, of met zijn gehamer dat mensen te individualistisch zijn geworden voor hun eigen bestwil. Alleen lijkt met nu juist dat Epstein zulke etiketten niet automatisch moet plakken; dat daar enige argumentatie, hoe beknopt ook, bij nodig is.

Ik lees Epstein nu eenmaal vooral om de observaties die ik bij niemand anders tegen kom; juist omdat hij zich meestal geen partij voelt, en ook geen partij wil kiezen.

In ‘A Literary Education’ — het titelstuk van het boek — kijkt hij bijvoorbeeld terug op dertig jaar lesgeven aan de University of Chicago; en daarmee op wat onderwijs nu eigenlijk betekent; hoe het ook misvormt; of selecteert op de verkeerde eigenschappen. Snelheid van geest wordt hem te vaak verward met intelligentie.

Joseph Epstein had al die tijd geen ‘tenure’ — de vaak zo begeerde vaste aanstelling die zijn salaris flink had kunnen verhogen. Alleen wilde Epstein nu juist geen ‘tenure’. Want die ook had betekent dat hij zijn onafhankelijkheid kwijt zou zijn geraakt, en zich had moeten bemoeien met alle kantoorpolitiek. En helemaal op een Letterenfaculteit kan er in de loop van drie decennia nogal wat modische kantoorpolitiek langskomen. Tot en met professoren aan toe die dogmatisch Marxistische denkbeelden wilden doorvoeren.

Dit essay alleen al maakte dit boek de moeite van het lezen waard. Net als dat de rest me nooit verveelde. Merkwaardig alleen dat ik voor het eerst zo veel bedenkingen had bij Joseph Epstein. Want eigenlijk verdienen bijna al zijn essaybundels het label Aanbevolen.

Joseph Epstein, A Literary Education
and Other Essays
537 pagina’s
Axios Press, 2014

Middle of My Tether ~ Joseph Epstein

Epstein dacht al het halve grasperk te hebben afgegraasd dat hem is toegedacht, toen hij de essays voor deze bundel verzamelde. Zijn vijftigste verjaardag zou over enkele jaren aanbreken. Dus werd het misschien tijd om eens een bescheiden inventarisatie te maken van zijn leven.

Opvallend genoeg zijn de meeste boeken van hem pas na deze titel verschenen.

The Middle of My Tether biedt een verzameling ‘familiar essays’, die over alles kunnen gaan, en het vooral moeten hebben van de stijl en de persoonlijkheid van de schrijver. En misschien ben ik inmiddels iets te gesteld geraakt op Joseph Epstein, om zo’n boek als dit nog objectief te kunnen lezen.

Ik weet al dat het goed is, wat er komen gaat. Ik weet daarom ook dat dit boek veel te snel uit zal zijn.

Hoogstens is dan nog een invalshoek om voor boeklog na te gaan of de relatief jonge Epstein anders schreef dan hij als meer ervaren publicist zou doen. En zo’n vraag vind ik niet heel interessant, juist omdat de kwaliteit van wat hij brengt onveranderlijk hoog is.

Wie kan er anders moeiteloos vijfduizend woorden wijden aan het gezicht; met als enige aanleiding dat het zijne straks toont hoe hij geleefd heeft?

Zoals gebruikelijk ben ik het meest benieuwd naar Epstein’s ideeën over lezen, en schrijven. Merkwaardig toch dat dit een onderwerp blijft waarover schijnbaar oneindig veel gezegd kan worden.

In deze bundel bekende Epstein niet meer zonder boeken te kunnen, maar dat hij een betrekkelijk late bekeerling was. In zijn jeugd las hij amper, te druk met het spelen op straat. Het probleem van een gelukkige jeugd.

Verder raakte Joseph Epstein behept met de kwaal van zovele mannen van het woord. Hij is verslaafd aan pennen.

Maar het essay dat me het meest aansprak in deze bundel kon weleens een typisch middelbare-mannen-stuk zijn. In ‘Has the Future a Future?’ gaat Epstein na waarom er telkens zo veel angstaanjagende toekomstvoorspellingen, en ook waarom deze hem vrijwel koud laten.

Vervelender is dat het met de kleine dingen in het leven zo achteruit gaat. Epstein kan nergens meer een stomerij vinden die zijn overhemden netjes stijft. En als hij ergens een hotelkamer reserveert, irriteert nog niet eens dat de kwaliteit daarvan zo onder de maat is, maar vooral dat het hotelpersoneel daar zo laconiek onder blijft.

Hardop klagen kan natuurlijk pas als er een vergelijking mogelijk is.

Joseph Epstein, The Middle of My Tether
Familiar Essays
250 pagina’s
W.W. Norton & Company, 1983

Narcissus Leaves the Pool ~ Joseph Epstein

Epstein had deze verzameling ook Narcissus at the Pool kunnen noemen, wat mij betreft. De titel zal wel een verontschuldiging inhouden — deze stukken lagen er nu eenmaal, die moesten ook maar eens verzameld worden. Dan zou het over zijn. Elk opgenomen essay gaat namelijk over de schrijver; opvallend meer nog dan anders. En op zich zijn die studies amusant genoeg. Alleen leverde deze focus typisch zo’n boek op dat in bescheiden gedeelten heel prettig te consumeren is, terwijl stevig doorlezen niet kan.

Niet dat ik daar iets op tegen heb. Het vergroot alleen het probleem — dat aan elke bundel kleeft — om hier vlot samengebald iets nuttigs over dit boek te schrijven. Was het niet nog winter toen ik het eerste essay las?

Joseph Epstein is in dit boek het boeiendst als hij reageert op het hier en nu, uitzonderlijk genoeg. Want blijkbaar heb ik als beeld van hem dat hij vooral over dode schrijvers schrijft.

Goed is dit boek helemaal als hij iets als eerste, of als enige opmerkt. Er staat bijvoorbeeld ook een essay in deze bundel over de infantilisering van de Amerikaanse cultuur, die zo opvallend aanwezig is sinds J.F. Kennedy de eerste president werd die nooit meer een hoed droeg. Niet dat Epstein’s tekst hierover niet zou deugen, maar dit is nu typisch een onderwerp waarover al zo velen iets zeiden; en hij weinig eigens aan weet toe te voegen.

Drie essays maken helemaal dat deze bundel een blijvende waarde houdt. De eerste heet “An Extremely Well Informed SOB”. En Epstein behandelde daarin — ruim voordat informatie via de tap thuis beschikbaar kwam door internet — dat het misschien beter was om minder te weten dan meer.

The cultivated not only know a great deal but, more important, they know what is significant-they know, not to put too fine a point on it, what is really worth knowing.

Part of being a cultivated person is knowing what to forget.

In het tweede, ‘A Real Page-Turner’, gaat Joseph Epstein eigenlijk op een vergelijkbaar thema in. Al heeft dit er dan op betrekking dat het dikke boek niet noodzakelijk beter is, of meer inzichtelijk, dan een dun boek; of zelfs een essay.

Integendeel zelfs.

Nu is Epstein voornamelijk een essayist, en dus bestaan vrijwel al zijn boeken uit verzamelingen van los geschreven werk. Zelfs aan zijn monografieën, die wel geheel over éen onderwerp gaan — als vriendschap, of snobisme, bijvoorbeeld — valt het fragmentarische karakter op. De afkeer van boeken die maar doorgaan en doorgaan, toont hij bij uitstek in zijn eigen werk. Terwijl het merkwaardige tegelijk is dat er ook altijd schrijvers zijn van wie de boeken niet lang genoeg kunnen duren, zoals Epstein terecht opmerkt.

Het derde essay om te bewaren heet ‘The Pleasures of Reading’, en dat behandelt de onmogelijke vraag waarom iemand lezen blijft, en wat dit dan brengt.

Dat nu is een vraag die ik mijzelf nooit stel, en waar ik dus ook minder duidelijk omlijnde ideeën over had dan Epstein. Dus dacht ik er nu eindelijk eens over na, waarom ik optimistisch genoeg blijf om toch ook dat volgende boek weer te proberen.

[…] there is something deeply apolitical — something above politics — in literature, despite what feminist, Marxist, and other politicized literary critics may think. If at the end of a long life of reading the chief message you bring away is that women have had it lousy, or that capitalism stinks, or that attention must above all be paid to victims, then I’d say you just might have missed something crucial. [214]

Joseph Epstein, Narcissus Leaves the Pool
Essays

321 pagina’s
Mariner Books 2007, oorspronkelijk 1999

Once More Around the Block ~ Joseph Epstein

Epstein schrijft bij elk kroonjaar een essay, verbaasd over hoe oud hij nu weer is geworden. En in Once More Around the Block werd hij vijftig. Een oudere kerel al dus, volgens zijn eigen woorden. Alleen viel me op dat toen hij zestig was, of zeventig, hij veel minder somber was over de bereikte leeftijd. Naarmate Epstein vaker verjaarde, werd hij jonger.

In Once More Around the Block zijn weer eens ‘familiair essays’ gebundeld. Daarin toont Epstein zich op zijn best een hedendaagse Montaigne. Persoonlijke mijmeringen worden afgewisseld met universelere wijsheden, die vaak uit citaten van anderen bestaan.

Ik heb inmiddels heel wat van die ‘familiair essays’ gelezen, en hoop daar nog lang mee door te gaan. Het enige voorbehoud daarbij is wel dat er enige tijd moet zitten tussen de bundels. Zo veel van Epstein lezen als ik de afgelopen maanden presteerde, is eigenlijk niet goed. Dan ga ik meer van hem verlangen als hij te bieden heeft.

Epstein is een prettige debunker, van allerlei culturele mythes. Alleen plaats hij daar geen eigen grote theorieën tegenover.

Het best vind ik hem als hij een simpele vraag neemt, en die vervolgens uitwerkt. Bijvoorbeeld, waar heeft hij het meest van geleerd?

I rate the four main agencies of education in my life–schools, libraries, magazines, and bookstores–in the following order of importance: 1. bookstores, 2. magazines, 3. libraries, 4. schools.

En de aantrekkingskracht van zo’n essay is dan nog niet eens dat ik zo ongeveer dezelfde volgorde deel, en het voor een heel eind met Epstein eens kan zijn. Hoogstens zou ‘internet’ over een jaar of tien ook in de rangorde moeten worden opgenomen. Ik ben het namelijk vaak genoeg niet met Joseph Epstein eens. Maar dit geeft niet, omdat hij zijn gelijk niet probeert op te leggen, of af te dwingen.

In deze bundel zijn onder meer stukken verzameld over de verschillen tussen succesvol schrijven en spreken in het openbaar; over antipathieën; over het nut van een dagboek; en over waarom Epstein een watje is.

Anders dan bij latere bundels maakte ik niet veel aantekeningen bij het lezen. En dit alleen al — het gegeven dat Epstein zich als schrijver nog zo ontwikkelde nadat hij zichzelf al tot oudere man had bestempeld — dat gegeven stelt gerust.

Joseph Epstein, Once More Around the Block
Familiar Essays

308 pagina’s
W.W. Norton Company 1990, oorspronkelijk 1987

Partial Payments ~ Joseph Epstein

De essaybundels van Joseph Epstein zijn er in twee smaken. Is de ondertitel ‘Familiar Essays’, dan toont hij zich een moderne Montaigne. Die weliswaar nogal persoonlijk lijkende verhalen schrijft, ons daarin tegelijk toch van zich weghoudt, en kleuring brengt door veel te citeren uit wat hij elders heeft gelezen. Heeft het boek een andere ondertitel, dan behandelt het alleen wat hij elders heeft gelezen.

In Partial Payments gaan de essays over schrijvers. Twintig schrijvers in dit geval. En mooi aan elk van die stukken is dat Epstein zich daarin zo’n nauwgezet lezer toont, die wars blijft van welke literaire theorie ook. Verder doet hij zijn best zich niets van modes of reputaties aan te trekken.

De titel van het boek is ontleend aan een aforisme van Lichtenberg, dat ik opvallend genoeg niet in het Duits heb terug kunnen vinden:

To read means to borrow; to create out of one’s reading is paying off one’s debts.

Georg Christoph Lichtenberg

Opvallend was verder dat Epstein zo veel schrijvers behandelde die ik gelezen heb — wat het boek soms toch een duidelijke meerwaarde geeft. Vaak oordelen we zelfs hetzelfde. Zoals uit zijn essay over Tom Wolfe blijkt, en mijn boeklogjes over deze schrijver.

Tegelijk is Joseph Epstein nogal in Henry James — ook in deze bundel weer — terwijl James door diens taal, en de cultuur waarin hij leefde voor mij op een onoverbrugbare afstand staat. Helemaal komt mijn smaak dus niet met de voorkeuren van Epstein overeen.

Maar ik vind het alleen maar spannend om een betoog te lezen waar ik het niet per se mee eens ben, en dit goed geschreven is.

Vaak weegt hij reputaties in dit boek. Is H.L. Mencken niet vooral een schrijver voor jonge mensen? Hoe moet W. Somerset Maugham gelezen worden, als hij nog te lezen is? Bleef de humor van S.J. Perelman houdbaar? Om maar een paar voorbeelden te geven.

En dan doen de antwoorden er op zich niet eens toe; het is de manier waarop hij de kwestie weegt die de essays interessant maken. Al kan ik moeilijk ontkennen blij te zijn als zijn conclusies die mij van bevestigen. Zo leest ook Epstein nog steeds graag een paar bladzijden Mencken, om de energie van deze schrijver, en diens duidelijke lust tot formuleren.

Tegelijk weet ik uit een latere bundel dat Epstein inmiddels alles van Mencken heeft weggedaan, op de autobiografieën na.

Het gaat ook niet om de antwoorden die hij geeft. Voor mij is niet interessant waarom S.J. Perelman nu niet meer goed te lezen is — ik heb hem namelijk nooit kunnen lezen — maar wat dan maakte dat diens boeken zo opvallend tijdsgebonden zijn gebleken?

Bijvoorbeeld.

Joseph Epstein, Partial Payments
Essays on Writers and Their Lives
429 pagina’s
W.W. Norton & Company 1991, oorspronkelijk 1989

In dit boek staan essays over:
[de gelinkte namen zijn ooit op boeklog behandeld]

 


Pertinent Players ~ Joseph Epstein

Altijd als ik ‘familiar essays’ heb gelezen van Epstein, denk ik dat zijn literatuurbeschouwingen daarbij niet in de schaduw kunnen staan. Maar komt me dan een bundel met literaire essays onder ogen, dan lijkt het ineens onmogelijk dat zijn meer persoonlijke werk dat niveau zou kunnen halen.

Tegelijk valt me op dat mijn voorliefde voor deze auteur door weinigen gedeeld wordt. Al zijn boeken zijn nog relatief makkelijk te krijgen. En tweedehands exemplaren komen bovendien vaak uit bibliotheken — waarschijnlijk omdat ze daar nooit werden uitgeleend.

Of zoals Philip Larkin ooit schreef in een recensie: eigenlijk is het wonderbaarlijk dat zulke stukken uitgegeven worden. Omdat het meer een zaak van aanbod is, dan dat er vraag naar zal zijn.

In Pertinent Players staan tijdloze essays over auteurs met een blijvende aantrekkingskracht; zoals de titel ook al aangeeft.

Van belang in het boek vond ik onder meer Epstein’s onderzoek naar het antisemitisme van H.L. Mencken. Wat er gewoon niet was, of althans niet op een manier waarop Joseph Epstein zich als Jood geschoffeerd voelde. Maar toch kleeft het etiket ondertussen nog altijd aan Mencken – mede doordat degene die zijn dagboeken redigeerde daar zo publiciteit mee haalde.

Het enige essay in het boek dat niet gewijd is aan éen schrijver gaat over de autobiografie als genre. Waarbij Epstein zich onder meer afvraagt waarom de echt interessante boeken met memoires vrijwel nooit geschreven zijn door professionele schrijvers, of dichters, en toneelauteurs.

Afwijkend van de doorsnee aanpak was verder een essay waarin Epstein uitlegde hoe hij de schrijver Henry James probeerde te verkopen aan een werkgroep universiteitsstudenten. Daarbij viel hem onder meer op dat het meeste interessante werkstuk kwam van een eerstejaars, en niet van de vele laatstejaars die zijn vak er even bij hadden genomen.

Tegelijk zijn ook de essays over de schrijvers waarvan ik het meeste al weet — in dit boek Orwell, Singer, en Svevo — een genot om te lezen. Epstein kiest altijd een invalshoek, of een persoonlijke benadering, die verrast.

En hij heeft de opmerkelijk kwaliteit om schrijvers waarvan ik de naam niet eens kende zo intrigerend te maken dat ik heb per se lezen wil. Helaas gaan juist zulke essays altijd over auteurs van wie vrijwel niets meer nog in de reguliere handel is.

Hoewel. Sydney Smith? Maar daar schreef Epstein dan weer over dat zijn boeken nogal verouderd zijn; terwijl zijn uitspraken juist onbekommerd voortleven.

No furniture so charming as books.

Joseph Epstein, Pertinent Players
Essays on the Literary Life

414 pagina’s
W.W. Norton & Company, 1993

Plausible Prejudices ~ Joseph Epstein

Is Joseph Epstein mijn favoriete schrijver van dit moment?

Die vraag is licht belachelijk — want waarom zou ik met tot éen auteur beperken. Maar feit blijft dat er weinigen zijn van wie ik met zo veel verwachting een boek kan oppakken, in de zekerheid vervolgens niet teleurgesteld te worden.

Gaat het overigens wel om Epstein’s essays. Hij heeft ook enkele boeken met korte verhalen uitgebracht. En daar kom ik toch wonderlijk slecht doorheen. Dezelfde wit die zijn beschouwende stukken zo memorabel kan maken, komt dan ineens wat geforceerd op me over.

Van die essaybundels zijn er twee smaken. Of Epstein schrijft over literatuur, of hij toont zich een hedendaagse Montaigne die ‘familiar essays’ schrijft, over alles wat hem zoal bezighoudt.

En Plausible Prejudices gaat over Amerikaanse literatuur, waarbij veel stukken gewijd zijn aan de situatie zo rond 1980 in de VS; terwijl ze daarbij toch tijdloos zijn gebleven.

Mooi daarbij is Epstein’s onafhankelijke blik. Hij heeft geen programma, houdt op het oog geen vrienden de hand boven het hoofd, en weet vaak kalmpjes de grootste reputaties beargumenteerd af te breken.

Een derde van dit boek is gewijd aan Amerikaanse romanschrijvers. Daarbij doet hij onder meer moeite om te verklaren waarom John Irving zo goed verkoopt — de simpele boodschap uit diens boeken dat je met enig doorzettingsvermogen alles kan, slaat altijd aan — waarom Bernard Malamud op zijn debuut na geen goede romans heeft geschreven, en waarom Philip Roth zo ernstig overschat wordt — de literaire pretentie bij hem is zo veel groter dan wordt waargemaakt.

Van Updike blijft al evenmin veel over, onder Epstein’s vorsende blik.

Updike may speak of the writer’s only duty being to tell his own “strange, small, or private” truth, but his truth has itself become stranger, smaller, and more private all the time. Such, for all his own early promise, have John Updike’s own truths become, dealing as they for the most part do with ornate sex and social clichés got up in velvet metaphors. In his heart Updike may even know that his own high reputation and success are part of the general swindle, […] [157-158]

Maar critici zijn even goed te beoordelen op wat ze afkeuren, en waarom, als op welke schrijvers bij hen geen verkeerd kunnen doen. En onverwacht, toch nog voor mij, leerde ik dat Epstein de journalist A.J. Liebling hooglijk bewonderde.

Net als ik. En eigenlijk mag dat niet, om onafhankelijk te blijven hier.

Het nuttigste essay voor boeklog stond aan het begin van het boek. Joseph Epstein schrijft dan over het belang van boeken recenseren, en je eigen werk besproken zien worden. Dan beklaagt hij zich onder meer van de driehonderd recensies van zijn eigen boeken niets geleerd te hebben over de kwaliteiten van die uitgaven, noch over zijn sterkten en zwakten als auteur.

Een recensent moet kwaad kunnen worden, zo stelt Epstein, over inbreuken op de literaire billijkheid. Als slechte schrijvers de hemel in geprezen worden, moet dat hem of haar verontrusten. Als goede auteurs te weinig aandacht krijgen, of verkeerd begrepen worden, moet dat de recensent al evenzeer persoonlijk raken.

Boekbesprekers mogen verder niet te genereus worden.

Books, unlike criminals, are best judged guilty until proven innocent–for innocent, in this context, read without falsity, fudging, or flagrant flaw. Most current-day reviewers err on the side of generosity—doubtless because they want to seem friends to literature—and so literary masterpieces are announced more frequently than station breaks. […] [50]

Alleen zal een probleem altijd zijn dat het schrijven van een recensent nauwelijks beloond wordt. En dat de auteur liever niet alleen wil worden gezien als boekbespreker; omdat actie vaak zo veel luider spreekt dan reactie kan.

Eigenlijk is dat essay, ‘Reviewing and Being Reviewed’, de beste samenvatting van dat hele boek, bedenk ik me. Een programma dat met humor, vaart, en elegantie werd uitgevoerd.

Joseph Epstein, Plausible Prejudices
Essays on American Writing

411 pagina’s
W.W. Norton & Company, 1985

Snobbery ~ Joseph Epstein

Eén van de merkwaardigste verwijten die ik over boeklog gekregen heb, luidt dat het snobisme hier stuitend is. Tja. Dat ik laat zien weleens een boek te lezen, is blijkbaar al verdacht. En dat ik ook nog eens persoonlijk reageer op het gelezene, en daarbij lang niet alles prijs, mag dus al helemaal niet.

En misschien hebben deze kritikasters ergens nog wel gelijk. Mensen die nooit iets lezen, die een boek allereerst als inspanning zien, zijn in mijn ogen cultuurbarbaren. Alleen al omdat ik zo veel boeken nodig heb om iets te begrijpen van de wereld waarin ik leef, en niet geloof dat anderen dit zonder wel zouden kunnen.

Het is geen schande om dom te zijn; behalve als er geen moeite wordt gedaan om niet langer dom te blijven. In die opvatting ben ik zeker een snob. Maar als ik werkelijk imponeren wilde, had ik hier heel andere boeken besproken. Dan ook had ik het kabaal elders wel telkens opgezocht, en me als opinieleider gepositioneerd.

Buiten dit platform val ik er niemand mee lastig weleens iets te lezen. Ik luister vooral. En in gezelschap is voor een heer elk verhaal een nieuw verhaal.

Joseph Epstein onderzocht in Snobbery diverse aspecten van snobisme in de VS. Daarbij telkens ook rakend aan zaken als identiteit, en daarmee afkomst.

Voor een groot deel zijn de gesignaleerde snobismen niet typisch Amerikaans. Iedereen heeft weleens een zogenaamde wijnkenner ontmoet, met diens gekleurde taalgebruik — terwijl uit blindproeverijen bekend is dat kenners wit nog niet eens van rood kunnen onderscheiden, als ze uit een blauw glas moeten drinken. Hoogstens zullen er in de VS meer mensen zijn die wijn enkel kopen als beleggingsobject; om zo te laten zien dat zij de onmogelijke prijzen kunnen betalen.

Grappig is dan weer wel in de VS dat een Europese afkomst er onbehoorlijk veel indruk kan maken. Engels praten met een Brits accent is al interessant. Epstein verwijst ook naar een filosoof die Hannah Arendt toch niet bijzonder intelligent vond; en veel van haar prestige verklaarde uit haar Duitse afkomst.

Vervolgens wordt in éen moeite door Susan Sontag zorgvuldig van al haar pretenties ontdaan, tot er wel heel weinig overblijft. En op die manier is Snobbery telkens prettig beeldenstormend. Zo meldt Epstein over de Ivy league-universiteiten dat hun voornaamste kwaliteit is dat ze ooit kwaliteit hebben gehad. En dat daarin nog altijd geloofd wordt.

Joseph Epstein schreef dit boek op eenzelfde wat tastende manier als zijn persoonlijke essays. Hij benaderde het onderwerp snobisme door zich allereerst af te vragen waarin hij een snob is. En dacht van daaruit verder.

Daarmee bracht dit boek dus vooral beschaafd vermaak. En al klinkt dat misschien snobistisch, er gaat mij weinig boven zulk amusement.

Joseph Epstein, Snobbery
The American Version

274 pagina’s
Houghton Mifflin Company, 2002

With My Trousers Rolled ~ Joseph Epstein

In de essaybundel Plausible Prejudices staat een essay over het nut van recenseren, of gerecenseerd te worden. En daaruit blijkt dat Joseph Epstein meestal niets aan de opmerkingen van anderen heeft.

Eén lezeres schreef hem evenwel dat ze zijn persoonlijke stukken niet heel onthullend vond over de auteur. En dit achtte Epstein voor de verandering wel een opmerking waar inzicht uit sprak.

With My Trousers Rolled is weer een bundel met zulke ‘familiar essays’; een genre dat onder de Angelsaksen wel bekendheid geniet, maar waar bij mijn weten geen Nederlandse term voor bestaat. Kenmerk van deze essays is dat de persoonlijkheid van de auteur meer bepaalt dan het onderwerp.

En in dit boek is dan paradoxaal een bijdrage opgenomen waarin Epstein uitlegt hoe zeer hij op zijn privé gesteld is. ‘I Am a Very Private Person’, heet dat. Want, voor iemand die op zichzelf is, heeft Epstein nogal wat artikelen en boeken de wereld in gestuurd, die voor hem spreken.

Dan blijkt dit essay eerder over het interview te gaan, als over andere gedwongen ontboezemingen. Want, naast dat recensies Epstein nooit iets leren over zichzelf, doen interviews of TV-optredens dat al evenmin.

Goed, roem is mooi, beroemdheid kan prachtig zijn, zolang hij daarvoor maar niet bekend hoeft te worden.

With My Trousers Rolled bevat overigens wel het meest persoonlijke stuk dat ik van Epstein las, al komt hij er zelf nauwelijks in voor, omdat het over zijn moeder gaat. ‘Here to Buy Mink’, heet dat. En door te beschrijven hoe zij was, en hij niet, ontstaat er toch ook een portret van de schrijver.

Meest aansprekende essay was voor mij ditmaal ‘Nicely Out of It’. Daarin beschrijft Joseph Epstein zijn opluchting, na een aanvankelijk schuldgevoel, niet meer de meest recent gepubliceerde romans te lezen. Bovendien geeft hij boeken die hem niet bevallen sneller op.

Kranten leest hij al evenmin meer van voor- tot achterpagina, en zelfs bij losse artikelen die hem zouden horen te interesseren, merkte Epstein met regelmaat over te gaan tot doornemen, in plaats van lezen.

En dan weet hij misschien niet helemaal goed aan te geven waarom dat allemaal is — behalve dat het leven al snel te kort kan lijken voor iets waar geen plezier aan beleefd wordt — maar dan kan ik hem slecht ongelijk geven.

Die onvrede was bovendien éen van de redenen om ooit met boeklog te beginnen — want bij twijfel over het gelezene begint ook de kritiek.

Alleen, Epstein’s bundels, daar geldt die groeiende onverschilligheid nu net niet voor, om mij.

Joseph Epstein, With My Trousers Rolled
Familiar Essays

317 pagina’s
W.W. Norton & Company, 1995