Literaire kring
Marjolijn Februari

De zonde in het deftige dorp, zo heet een roman uit 1912 bij mij in de kast. Auteur Johan de Meester geeft daarin niet alleen aan wat er zo zondig was – de domineeszoon maakte een dienstmeid zwanger – maar hij biedt terloops vele tekenende details over het deftige leven. Historica Ileen Montijn voerde deze roman daarom kalmpjes als bron op om de zeden van de gegoede burgerij te helpen beschrijven, in haar monografie Leven op stand.

marjolein, marjolijn februari

Deze roman van Marjolijn Februari had ook De zonde in het deftige dorp kunnen heten. Als uitgevers nu nog zulke beschrijvende titels zouden toestaan tenminste. En waarschijnlijk kan een 22e-eeuwse Ileen Montijn er veel aan ontlenen om het leven van de gegoede klasse honderd jaar eerder te beschrijven.

Het is ook de zedenschets die dit tot zo’n leuk boek maakt, voor mij. Vooral omdat Februari een drooghumoristische en afstandelijke manier van beschrijven heeft.

Maar de pastiche alleen levert nog geen boek op. Er moet een plot in ook. En in deze roman draait die om de terugkeer van een succesvol schrijfster naar haar geboortedorp, waar haar vader ooit werd uitgestoten. De man was er lid van een elitaire leesclub. Niet uit liefde voor het lezen overigens, maar omdat zulke kringen je nu eenmaal in contact brengt met mensen, die elk weer een nuttig netwerk hebben.

Die leesclub stootte hem uit, nadat hij hen om advies had gevraagd, dit kreeg, en desondanks een dubieuze handelstransactie doorzette. Er werd verontreinigde glycerine aan Haïti geleverd, als medicijn. Daardoor stierven er kinderen ver weg. Toch krijgt het bedrijf van de handelaar niet meer dan een boete, die ongetwijfeld aftrekbaar was van de belastingen.

In de roman maken de personages zich zorgen hoe die succesvolle schrijfster deze levensepisode in haar bestseller heeft verwerkt. De leesclub wist tenslotte dat er een transactie zou plaatsvinden, maar deed niets om die tegen te houden. Maar eerlijk gezegd dwaalden mijn gedachten bij deze passages wat af. Dit kwam ook door het lezen van Fast Food Nation een paar dagen terug. Dat boek draait evenzeer om de vraag wat een samenleving toelaat aan dubieuze handelspraktijken. Zelfs als algemeen bekend is dat daardoor slachtoffers kunnen vallen.

Er mag steeds heel veel, zolang er maar niemand direct verantwoordelijk voor kan worden gehouden. Pensioenfondsen investeren bijvoorbeeld rustig andermans oudedagvoorziening in fabrieken die clusterbommen maken, en daarmee doden. Om maar éen actueel voorbeeld te noemen uit tientallen anderen.

Ik las dit boek daarom uiteindelijk vooral als een aanklacht. De mensen die op dit moment in basale morele kwesties het verschil kunnen maken, kijken vaak liever een andere kant op. Die praten liever veilig in een leesclub over de motieven in een obscure roman, of gaan naar een klassiek concert, en menen dan heel hoogstaand bezig te zijn.

Maar waarom zou dat toch zijn?

De inhoud is er dus, en de vorm ook een eind. Toch, als Marjolijn Februari haar scène’s voortaan wat strakker timed, en dialogen bedenkt die wat realistischer bijdragen aan de voortgang van het verhaal, kan ze nog eens grootse romans gaan schrijven.

*** meer over de herkomst van verontreinigde glycerine

Marjolijn Februari, De literaire kring
254 pagina’s
Uitgeverij Prometheus, 2007


Park Welgelegen
Marjolijn Februari

De beslissing of een boek hier het predikaat ‘aanbevolen’ krijgt, valt normaal tijdens het lezen. Het etiket plak ik vooral op boeken die me enthousiasmeren, op welke manier ook. Maar omdat ik me weleens laat meeslepen in dat enthousiasme, is een aantal boeken die eretitel weer ontnomen, wat later.

Marjolijn Februari’s roman De literaire kring is de enige titel geweest waarvan ik heb overwogen om die achteraf nog eens aan iedereen aan te bevelen. Dit kwam omdat de actualiteit het boek heel relevant maakte. In dit jaar doken ineens overal schadelijke producten op van onze favoriete handelspartner China. Plots werd de grote betekenis duidelijk van wat de groothandel in landen als Nederland met zulke waar doet. Of nalaat.

Blijft staan dat die roman bijna goed is, en dus niet volmaakt. Gelukkig daarom maar dat Februari zo veel columns schreef over precies datzelfde onderwerp als De literaire kring heeft als kern. Kan ik nu iedereen de bundel Park Welgelegen zonder enig voorbehoud aanbevelen.

Elk boek is natuurlijk een spiegel, waarin de lezer vooral zichzelf ziet. Ik heb de vergelijking vaker op deze website vaker aangehaald. En deze bundel gaat voor mij over precies hetzelfde waar boeklog zich in de categorie Typisch Hollands ook mee bezig houdt, bijvoorbeeld.

Er zijn al die instituties in Nederland: mij wordt bijvoorbeeld de hele tijd voorgehouden dat we in een democratie leven. Tegelijk zie ik het falen van de overheden zo goed, de visieloze middelmaat bij de politici, of de structurele fouten die optreden bij onze rechterlijke macht. En ook neem ik waar hoe lui en kritiekloos onze media zich laten lenen voor propaganda.

Dit maakt blij met iedereen waarin ik een medestander vermoed.

Marjolijn Februari heeft bovendien een interessante achtergrond. Zij weet van filosofie, en ethiek. Zij weet van recht. Maar bovenal vertaalt zij die kennis steeds naar actuele problemen, door daar de principiële moeilijkheden in aan te tonen. Dit maakt dat de columns die zij voor De Volkskrant schrijft ver uitstijgen boven de waan van de dag, ook al kunnen ze daar wel degelijk een reactie op zijn.

Dus versterken haar stukken elkaar. En verouderen ze niet snel.

En tegelijk roepen haar woorden droefheid op. Februari maakt duidelijk dat vaak zo achteloos gebruikte begrippen als democratie, rechtstaat, of desnoods fatsoen wel degelijk ergens voor staan. Dat de inhoud daarvan wel degelijk een mogelijkheid biedt om beslissingen — of het gebrek aan besluitvaardigheid — mee te beoordelen.

Hoe makkelijk is het niet dat besef te negeren.

Marjolijn Februari, Park Welgelegen
Notities over morele verwarring

235 pagina’s
Uitgeverij Querido, 2004


Pruik van paardenhaar & over het lezen van een boek
M. Februari & Marjolijn Drenth

De dissertatie is nogal in status gedaald hier de afgelopen decennia. Dit komt mede door bezuinigingen van enkele CDA-kabinetten in de jaren tachtig. Kregen potentiële onderzoekers voorheen nog gewoon een aanstelling aan de universiteit, vanaf toen werd hun status een aparte. Personeel met alle rechten van personeel werden ze nooit, maar studenten waren ze ook niet meer. Zelfs al werden velen onder hen in de jaren negentig afgescheept met een uiterst minieme beurs, in plaats van een gewoon salaris.

Naast al dit is de gemiddelde dissertatie opvallend weinig waard, buiten het universitaire circuit. Potentiële werkgevers hebben liever iemand die zich nog niet zo duidelijk in éen richting heeft gespecialiseerd.

Deze twee ontwikkelingen maken samen dat ik me bij ieder proefschrift altijd afvraag waarom iemand dit geschreven heeft.

Mede daarom ook ben ik zo vrij deze dissertatie als een interessante anti-dissertatie te lezen, die misschien zelfs kan worden opgevat als een belediging van de universitaire praktijk.

In dit proefschrift komen namelijk twee stemmen aan het woord; die van de filosofe M. Februari, en van haar alter ego de schrijfster Marjolijn Drenth [wier tweeën, om het simpel te houden, tegenwoordig samen publiceren onder het pseudoniem Marjolijn Februari].

De schrijfster van hen vertelt een verhaal, waarvan de lezer, zoals dit met verhalen gaat, zelf van alles in-, op-, en aanvult. Daarmee verduidelijkend dat we ook weten zonder dat ons alles verteld hoeft te worden.

De onderzoekster, daarentegen, bekijkt de gebreken van een aantal veelgebruikte modellen om de werkelijkheid te beschrijven. Veel ontleent ze daarbij aan het werk van de econoom Amartya Sen, die onder meer nogal wat kritiek heeft op het idee dat er een ‘homo economicus’ zou bestaan; die altijd doelbewust kiezende consument. En er is ook weinig merkwaardiger om te willen bevatten wat er gebeurt, dan door daar een model voor te nemen, waarvan vooraf bekend is dat het niet klopt.

Toch bloeit het geknutsel in de modelbouw nog immer, op alle universiteiten.

Een belangrijke vraag die de auteurs oproepen, in de synthese van wat zij beide schrijven, is ook wat voor zin het heeft weer een boek toe te voegen aan de oneindig groeiende stapel.

Het antwoord daarop is wat mij betreft dat elke poging iemand anders te willen vermaken nuttig mag heten. Zeldzaam zijn de boeken waaruit zulke duidelijke vragen over zowel vorm, als over inhoud naar voren komen. Ook zullen de auteurs na hun gezamenlijke productie een paar stappen verder zijn gekomen in hun ontwikkeling.

M. Februari & Marjolijn Drenth, Een pruik van paardenhaar
& over het lezen van een boek
Amartya Sen en de onmogelijkheid
van de Paretiaanse liberaal
220 pagina’s
E.M. Querido’s uitgeverij bv, 2000


Revanche van de roman
Thomas Vaessens

Hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde, dat lijkt me meer de benaming voor een sadistische straf dan de aanduiding voor een achtenswaardig beroep. Het is al zo zelden een genoegen om Nederlandstalige fictie en poëzie te lezen. Laat staan om er serieus studie van te maken, en beschouwingen over te schrijven.

Tegelijk zou zo’n positie wel degelijk nut hebben, als een soort Keuringsdienst van waren. Maar geen man of vrouw die zich daartoe geroepen heeft gevoeld — als er al eens kritiek komt op het aanbod, blijft die in de meest algemene termen steken. Nooit wordt het niveau vergeleken met wat in het buitenland gebeurt.

Thomas Vaessens is een redelijk verse Hoogleraar literatralala. En zoals het dan gaat, moet hij eerst flink wat geurvlaggen plaatsen om een territorium af te bakenen. Dat gebeurt dan mede in deze monografie, De revanche van de roman, waarin hij vrijwel alles wat zijn voorgangers geschreven hebben voor het gemak meteen maar negeert.

Vaessens nam daarentegen nog wel de moeite om enkele recente Nederlandse romans te bespreken, om zo zijn visies toe te lichten.

Toevallig had ik een aantal van die boeken gelezen. Toch nog. Optimisme is nu eenmaal een intellectuele plicht, hoe moeilijk dat soms ook valt. Die titels waren Chaos en rumoer van Joost Zwagerman. De literaire kring van Marjolijn Februari, en Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers. En alleen daardoor viel al op dat Vaessens deze boeken weliswaar tot in het treurige detail navertelt, maar ook dat hij er niets meer uithaalt dan een gewone lezer als ik.

Vaessens gaat dan bijvoorbeeld uitleggen dat Zwagerman, in een boek over twee auteurs, laat doorklinken hoe hijzelf over het schrijven denkt, en over de problemen van dat métier. .

Vaessens signaleert verder dat Marjolijn Februari weleens maatschappijkritiek uitoefent in haar columns. En dat dit genre tot zulke uitwassen leidt, is natuurlijk ongekend.

De crux van dit boek ligt misschien ook ergens anders. Vroeger namelijk, hebben de genoemde schrijvers vroeger werk geschreven. Die boeken zijn anders dan ze tegenwoordig maken. Alweer is dat geen conclusie waar ik bijzonder van opkeek.

En het verschil tussen toen en nu, volgens Vaessens, is dat toen het postmodernisme hevig woedde. Genoemde schrijvers daar ook behoorlijk aan leden. En dat het tegenwoordig weer beter met ze gaat.

Nu heb ik geen idee wat dat postmodernisme is. Het lijkt me een besmettelijke ziekte, uitgevonden door of voor Hoogleraren literatralala en ander universitair volk op zoek naar een wetenschap. Zij alleen kunnen de symptomen van het postmodernisme vaststellen. Genezen kunnen de literatuurwichelaars evenwel niet. Hoogstens opgelucht constateren dat de epidemie voorbijtrekt, zoals ondertussen schijnt te gebeuren.

Iets het label postmodernistisch geven, is nog het best vergelijkbaar met hoe doktoren vrouwen eeuwenlang de ziekte hysterie hebben toegedacht. Men was trots een etiket te kunnen hebben plakken, dacht met de benoeming ook de genezing in gang te hebben gezet — het aloude Repelsteeltje-syndroom — en tegelijk zei dit allemaal helemaal niets.

Vaessens toont zich opgelucht dat romans nu soms alweer meer met de werkelijkheid van doen hebben dan voorheen. Al gebeurt dit hem nog lang niet vaak genoeg.

Schadelijk is namelijk, niet in het minst voor de status van bijvoorbeeld zijn vak, dat schrijvers er tegenwoordig zo veel minder toe doen dan in de jaren vijftig en zestig. Morele autoriteit zoeken we niet meer in boeken.

Tegelijk hebben ook de Hoogleraren literatralala en hun vazallen stevig meegeholpen de status van de roman uit te hollen. Hun deconstructivisme, of hoe die al onwetenschappelijke methodiekjes ook heetten, brak alleen maar af. Dus moet het ook aan de faculteiten letterkunde allemaal anders van Vaessens.

En ach, zulk idealisme als slot van een boek heeft wel iets roerends.

Ondertussen verschijnen in Nederland de interessantste boeken in genres die Vaessens niet bestudeert; omdat die niet tot de bellettrie behoren.

Thomas Vaessens, De revanche van de roman
Literatuur, autoriteit, en engagement

255 pagina’s
Uitgeverij Vantilt, 2009