Broer ~ Esther Gerritsen

Wie weleens een boek wil lezen, loopt het gevaar veelal voor hetzelfde soort boeken te kiezen dat eerder wel goed beviel. En daar wordt de wereld niet groter van. Eerder kleiner.

Mede daarom dwing ik mijzelf weleens uit mijn comfortzône. Bijvoorbeeld door het boekenweekgeschenk te lezen ieder jaar. Dat is vrijwel steeds een dun boek, doorgaans een novelle, bedoeld voor een groot publiek waartoe ik eigenlijk niet behoor. Dat Salman Rushdie ooit een dik geschenk mocht schrijven, was de uitzondering.

Het belangrijkste kenmerk van al die boekenweekgeschenken is namelijk dat de auteur de hele boekenweek blijmoedig de hort op gaat, en zich alom in boekwinkels vertoont, zodat de mensen leuk even aapje kunnen komen kijken.

Lang niet elke schrijver is geschikt voor zulk een circus.

Van Esther Gerritsen was het me tot nu toe nooit eerder gelukt een boek uit te krijgen. Ook nu viel voltooiing me zwaar, ondanks de geringe lengte van Broer, het boekenweekgeschenk van 2016.

En dat is dan niet omdat Gerritsen niet zou kunnen schrijven.

Het interesseert me domweg niet wat ze bedacht heeft — daar zit het grote euvel, zo lijkt me.

Broer biedt het verhaal van een vrouw die op een zeker moment haar vijf jaar oudere broer in huis neemt, terwijl ze tot dan geen hartelijke relatie hadden. De man heeft zijn gezondheid verwaarloosd, terwijl hij suiker heeft. Diens been moet worden afgezet. En dat gegeven grijpt zijn zus meer aan dan zij kan begrijpen.

Het kostte mij vier dagen om deze novelle door te nemen. Daar waar zo’n gering tal bladzijden normaal hoogstens iets van een half uur had hoeven te kosten.

En voor nu houd ik het er maar op dat dit boek me te ouderwets was. Ik las met Broer iets dat John O’Hara ook had kunnen schrijven voor de Tweede Wereldoorlog, bij wijze van spreken; alleen had die dat dan beter gedaan; door meer weg te laten.

Ouderwets kan vanzelfsprekend ook een kwaliteit zijn. Alleen zie ik daar dan toch allereerst in dat de schrijver bewust negeert dat het publiek zo veel ingewikkelder verhalen aan kan — omdat zelfs de TV-soaps daar ons in opvoeden.

Mij zijn boeken met een iets grotere ambitie dus liever. Ik wil als lezer graag ook wat te doen hebben. Nadenken bijvoorbeeld.

Esther Gerritsen, Broer
94 pagina’s
Stichting CPNB, 2016

Ik ben vaak heel kort dom ~ Esther Gerritsen

Aan romans lees je zelden direct af dat de inhoud in de loop van jaren is ontstaan. Met bundels waarin een wekelijkse column verzameld werd, ligt dat anders. Helemaal voor wie vlot na elkaar meerdere collecties van dezelfde schrijver leest. Een auteur bovendien voor wie wat ze denkt of voelt gauw eens het begin is om een verhaal aan op te hangen.

De verzameling Veilig leren lezen was onlangs de eerste columnbundel die ik van Esther Gerritsen las. Alleen volgt dat boek in chronologie op Ik ben vaak heel kort dom.

Ik ben vaak heel kort dom begint bovendien in 2010 — zonder dat dit jaartal er nu per se toe doet. Alleen is dat dus vele jaren voor het einde van de verzameling Veilig leren lezen. Waar ik ondertussen in gedachten nog was blijven hangen.

En ineens bleek dat er in 2010 nog een echtgenoot te zijn in het leven van Esther Gerritsen. Waar deze man in de vervolgbundel nu net geschitterd had door afwezigheid. Daarin leeft ze alleen met haar dochter.

Ofwel, spoiler alert, ik vermoedde bij het begin van dit boek al dat er het einde van een relatie in verwerkt zou moeten worden. En dat vond ik geen fijn vooruitzicht.

Toen het ongeluk daar was, viel me alleen iets anders op. Wat me bij een ander eerder uniek had geleken, bleek dit helemaal niet te zijn. Elke Geurts, van wie ik de weblogjes over haar scheiding zo bewonderd had, leek in haar aanpak van dit onderwerp ineens nogal op hoe Esther Gerritsen het gedaan had — ze kennen elkaar trouwens ook, Elke Geurts komt zelfs twee keer voor in deze bundel.

Er is eenzelfde schijnbaar luchtige afstandelijkheid in hun teksten, die tegelijk explosieve emotionaliteit verbergt.

Normaal zou het niet uit horen te maken in welke volgorde je iets leest. Maar bij Ik ben vaak heel kort dom gold dat dus om twee redenen niet. En ja, dat weegt mee in de beleving van een boek. Heel subjectief.

Objectief geldt voor Ik ben vaak heel kort dom niets anders dan voor Veilig leren lezen. Het is lang geleden dat een reeks korte teksten, met allemaal een beperking ook nog — omdat Esther Gerritsen telkens van zichzelf uit gaat — mij zo hebben aangesproken.

En dat is dan het mooie en het merkwaardige van boeken: Dat een schrijver wier leven je niet zoudt willen leiden, en van wie je soms blij bent niet als haar te zijn, terloops van alles weet aan te tekenen dat jij wel degelijk ook had horen op te merken. Zoals in dat titelstuk, over de merkwaardige zekerheden waar hersenen zo ineens mee kunnen komen, die bij nadere beschouwing ontiegelijk onnozel blijken te zijn.

Esther Gerritsen, Ik ben vaak heel kort dom
de VPRO columns 2010 – 2012

214 pagina’s
De Geus, 2013

Jij hebt iets leuks over je ~ Esther Gerritsen

Neveneffect van ons vermogen om menselijke emoties direct te herkennen, is dat dadelijk wordt gezien of iemand acteert of niet. Zap eens een willekeurige rij TV-zenders langs, en vrijwel meteen zal duidelijk zijn of een zender fictie toont of mensen die zichzelf mogen zijn.

Omdat je er dan midden in valt.

Fictie komt namelijk met een drempel; een barrière die even overwonnen moet worden; en die doorgaans ook zo makkelijk te nemen is dat daar niet eens over wordt nagedacht. Voor even mag er dan niet getwijfeld worden aan de waarachtigheid van wat volgt. En als die gemoedstoestand er eenmaal is, valt er ook goed van fictie te genieten.

Ik merk inmiddels alleen dat er fictieschrijvers zijn die ik minder makkelijk geloof dan andere. Bij wie het me moeite kost om dat voorlopige uitstel van het ongeloof ook echt op te schorten.

Kunnen dat tegelijk best heel goede schrijvers zijn.

Zo hebben de romans van Esther Gerritsen tot nu toe bij mij geen enkele lust opgeroepen om verder te lezen na een pagina of wat. Ik blijf het idee houden iets te lezen dat onecht is, want bedacht werd. En leg dan toch eens uit hoe dit kan, terwijl haar columns en andere korte teksten tot de beste horen van wat ik dit jaar las.

Jij hebt iets leuks over je is een net wat andere bundel dan Ik ben vaak heel kort dom of Veilig leren lezen. Die twee eerder hier geboeklogde titels waren verzamelingen van columns uit de VPRO-gids; teksten die allemaal dezelfde lengte hebben; en die tezamen ook een terloops feuilleton geven over het leven van Esther Gerritsen; zelfs al zal ze dat waarschijnlijk nooit zo bedoeld hebben.

Ze vertrekt in die columns alleen altijd wel uit zichzelf.

In Je hebt iets leuks over je zijn niet alleen losse columns opgenomen, uit onder meer De Volkskrant, maar ook langere bijdragen aan literaire bladen, en teksten die op de radio werden uitgezonden, of bij andere gelegenheden zijn uitgesproken. Constante bij dit alles bleef evenwel Esther Gerritsen, en wat zij dacht, of voelde.

En dan zal ze best gelogen hebben in dit losse werk, of ware gebeurtenissen bijgekleurd hebben om die net wat beter vertelbaar te maken. Er zal dus absoluut ook fictie staan in deze bundel. Alleen deed dit er niet toe, omdat daar dan genoeg aan echts naast stond, dat me ‘de ware’ Esther Gerritsen toonde — al voelend en denkend — die ik toevallig wel zo interessant ben gaan vinden dat ze in korte tijd drie boeken lang het woord tegen me mocht richten.

Omdat ik haar daarin wel vertrouwde.

Esther Gerritsen, Jij hebt iets leuks over je
219 pagina’s
De Geus, 2011

Veilig leren lezen ~ Esther Gerritsen

Serieel schrijven hoeft niet vreselijk zwaar te zijn. Zie boeklog. Het bijhouden van deze website vergt weliswaar discipline; maar gelukkig is die van het soort dat niet als geforceerd aanvoelt. 3255 keer trok ik daarom inmiddels een minuut of twintig uit per keer hoogstens om iets te noteren over een boek; om dat later online te kunnen zetten. Want er was weer eens iets gelezen.

Is er wel de voorwaarde dat ik daarbij niet steken blijf in al te particulier geneuzel. U leest mee. En wil ik over enkele jaren iets hebben aan wat mijn mening ook alweer was, dan lijkt het me beter als zo’n opinie ook geschraagd wordt door een argument of twee.

Aan de bundel Veilig leren lezen van Esther Gerritsen viel me mede daarom meteen op hoe verschrikkelijk moeilijk het is wat zij doet. Elke week schrijft ze een column voor de VPRO Gids, en iedere keer gaat het daarbij over haarzelf. Toch stoort het geen moment dat deze bundel schijnbaar uit solipsismen bestaat. Ondanks dat ‘ik’ het meest voorkomende woord zal zijn in het boek, lijkt Gerritsen met haar overpeinzingen tegelijk naar beschrijvingen te speuren over universeel menselijk gedrag.

Goed, anders dan zij zal ik mijzelf er zelden op betrappen altijd zo veel te praten in gezelschap.

En vaak, te vaak waarschijnlijk, heb ik me in het verleden geërgerd aan columnisten die zich voor hun stukkie net even wat wereldvreemder en onhandiger voordoen dan ze zijn. Die even de schlemiel gaan uithangen voor het leuk. Want juist deze grap is te vaak gemaakt; die invalshoek werd een cliché. En ondanks dat Esther Gerritsen nogal eens precies deze verfoeilijke werkwijze toepast, stoorde die bij het lezen van haar columns geen enkele keer. Wat daarmee de vraag oproept waarom dat dan zo zou zijn.

Ik kom daar dan niet uit. Behalve door bijvoorbeeld te stellen dat in de handen van de echt getalenteerden het niet uitmaakt hoe ze hun effecten bereiken. Ook niet als daarvoor methoden zijn ingezet waarvan de mechaniekjes bij minder goede schrijvers wel direct gaan knarsen.

Evenmin snap ik waarom deze korte columns zo goed bevielen, en het langere werk van Esther Gerritsen me zo veel minder doet.

scheiding

Na een half uur hardlopen bereikte ik de laatste kruising die ik moest oversteken om bij mijn eigen straat uit te komen. Dit was het moment om een eindsprint in te zetten maar ik stopte en zuchtte. Ik kon niet meer.

Ik kon best maar ik hou niet van de eindsprint. Vlak voor de finish stoppen, dat snap ik. Als ik moe ben op oudejaarsdag en twijfel of ik tot middernacht wil opblijven ben ik vooral moe om kwart voor twaalf ­ ’s avonds.

Ook schoonmaken doe ik niet tot het einde. Ik kan de hele vaat wegwerken, stofzuigen en dweilen en dan stoppen zonder nog even het aanrecht af te nemen, zodat het er net niet schoon uitziet. Het ergste is achter de rug, ik mag vast gaan zitten en dat doe ik.

Ik heb een jaar lang als een dolle aan mijn boek gewerkt. Toen ik wist dat het goed kwam, er moesten nog maar een paar veranderingen worden doorgevoerd, zei ik: ‘Ik kan niet meer.’

Als ik zeg: ‘Ik kan niet meer,’ is dat doorgaans niet waar. Ik zeg het pas als ik weet dat ik het toch wel ga halen. Dan mag ik zwak zijn.

Ik vermoed dat geliefden daarom ook huilen als ze elkaar na lange tijd weer zien. Ze huilen niet tijdens het missen, ze proberen het missen te vergeten maar zodra het missen voorbij is, ze de ander eindelijk in hun armen houden, dan huilen ze. Ze hebben de finish gehaald, ze hoeven niet meer sterk te zijn.

Dat met dat huilen, dat snap ik wel, je houdt het niet tegen. Maar dat gezucht van mij vlak voor ik klaar ben, daar lijkt moedwil aan te pas te komen, het verlangen om zwak te zijn. Het is een dwaas sentiment. Echt zwak zijn, daar is geen lol aan. Net zoals ‘lekker ziek zijn en een beetje lezen,’ ook niet bestaat. Als je ziek bent voel je je ellendig en wou je dat je beter was. […]

uit: Finisht, april 2014

Esther Gerritsen, Veilig leren lezen
256 pagina’s
De Geus, 2016