dit is het dossier:

R. Goscinny

  1. 20ste cavalerie  Morris & Goscinny06/2013
  2. 7 korte verhalen, en de filmedities  Morris & Goscinny08/2013
  3. 9 anonieme scenario’s  Morris & Goscinny08/2013
  4. Apache Canyon  Morris & Goscinny07/2013
  5. Asterix en de Belgen  A. Uderzo & R. Goscinny08/2014
  6. Asterix en de Britten  A. Uderzo & R. Goscinny09/2014
  7. Asterix en de Helvetiërs  A. Uderzo & R. Goscinny09/2014
  8. Asterix en de intrigant  A. Uderzo & R. Goscinny09/2014
  9. Asterix en de koperen ketel  A. Uderzo & R. Goscinny09/2014
  10. Asterix en de lauwerkrans van Caesar  R. Goscinny & A. Uderzo11/2013
  11. Asterix en de Noormannen  A. Uderzo & R. Goscinny09/2014
  12. Asterix en de Olympische Spelen  A. Uderzo & R. Goscinny09/2014
  13. Asterix en de Romeinse lusthof  R. Goscinny & A. Uderzo11/2013
  14. Asterix en de ziener  A. Uderzo & R. Goscinny08/2014
  15. Asterix en het 1ste legioen  A. Uderzo & R. Goscinny09/2014
  16. Asterix en het geschenk van Caesar  A. Uderzo & R. Goscinny08/2014
  17. Asterix en het ijzeren schild  A. Uderzo & R. Goscinny09/2014
  18. Asterix in Hispania  A. Uderzo & R. Goscinny09/2014
  19. Asterix op Corsica  A. Uderzo & R. Goscinny08/2014
  20. Asterix: En de Britten  R. Goscinny en A. Uderzo06/2006
  21. Asterix: Het pretpakket  R. Goscinny en A. Uderzo02/2011
  22. Billy the Kid  Morris & Goscinny06/2013
  23. Calamity Jane  Morris & Goscinny06/2013
  24. Dalton City  Morris & Goscinny07/2013
  25. Daltons in de blizzard  Morris & Goscinny06/2013
  26. Daltons kopen zich vrij  Morris & Goscinny06/2013
  27. Daltons op vrije voeten  Morris & Goscinny06/2013
  28. Erfenis van Rataplan  Morris & Goscinny07/2013
  29. Escorte  Morris & Goscinny06/2013
  30. Genezing van de Daltons  Morris & Goscinny08/2013
  31. Grootvorst  Morris & Goscinny07/2013
  32. Grote avonturen van de kleine Nicolaas  René Goscinny & Jean-Jacques Sempé06/2011
  33. Grote oversteek  A. Uderzo & R. Goscinny08/2014
  34. Jesse James  Morris & Goscinny07/2013
  35. Karavaan  Morris & Goscinny06/2013
  36. Kleine Nicolaas / Kleine Nick  René Goscinny & Jean-Jacques Sempé06/2011
  37. Ma Dalton  Morris & Goscinny07/2013
  38. Meer nieuwe avonturen van de kleine Nicolaas  René Goscinny & Jean-Jacques Sempé06/2011
  39. Naijver in Painful Gulch  Morris & Goscinny06/2013
  40. Nieuwe avonturen van de kleine Nicolaas  René Goscinny & Jean-Jacques Sempé05/2011
  41. Obelix & Co.  A. Uderzo & R. Goscinny08/2014
  42. Postkoets  Morris & Goscinny07/2013
  43. Premiejager  Morris & Goscinny07/2013
  44. Prikkeldraad in de prairie  Morris & Goscinny06/2013
  45. Rijstoorlog  Morris & Goscinny07/2013
  46. Spookstad  Morris & Goscinny06/2013
  47. Tenderfoot  Morris & Goscinny07/2013
  48. Tortillas voor de Daltons  Morris & Goscinny07/2013
  49. Vakanties van de kleine Nicolaas  René Goscinny & Jean-Jacques Sempé05/2011
  50. Western Circus  Morris & Goscinny07/2013
  51. Witte ridder  Morris & Goscinny08/2013
  52. Zijne Keizerlijke Hoogheid Smith  Morris & Goscinny08/2013
  53. Zingende draad  Morris & Goscinny08/2013
  54. Zwarte heuvels  Morris & Goscinny06/2013

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

20ste cavalerie ~ Morris & Goscinny

Halverwege de jaren zestig lijkt de inspiratie weg te zijn bij Goscinny. Het achtste, negende, en tiende album dat hij schreef voor de reeks Lucky Luke zijn duidelijk variaties op eerdere thema’s. Passen op de plaats. Boeken die het moeten hebben van de grappige terzijdes; en niet zo zeer van het verhaal.

In Het 20ste cavalerie wordt teruggegrepen op het verhaal uit De zwarte heuvels. De Cheyennes in Wyoming hebben daarin een bestand gesloten met de Amerikaanse regering. Dit houdt in dat iedereen ongehinderd door het gebied kan reizen, mits ze van de buffels afblijven die de indianen als hun jachtbuit zien.

Om op dit verdrag toe te zien, wordt er een legerplaats gevestigd, met daarin de 20ste cavalerie.

Maar plots is het bestand geschonden — anders zou er geen verhaal zijn ook — de indianen beschieten ineens de reizigers in het gebied.

Achter deze agressiviteit van de indianen zit een rancuneuze blanke — net als in De zwarte heuvels. En helemaal duidelijk wordt het album niet over wat hem motiveert. Slechts dat hij een deserteur is, uit de cavalerie; gevlucht vermoedelijk om de kadaverdiscipline daar.

Want die doorgedreven discipline in het fort is de beste grap in het boek. Kolonel Mac Straggle wil dat alles daar volgens de regels gebeurt. Ook tijdens een belegering door de indianen — als de voedselschuur is afgebrand, en cavaleristen ondanks dat er geen aardappelen zijn toch als corvee aardappelen moeten schillen.

Dat het leger zich voorspelbaar gedraagt, volgens hun strikte regels, is een trope die hierna overigens vaker terug zal keren in de albums van Lucky Luke.

Voornaamste slachtoffer van kolonel Mac Straggle’s kadaverdisicipline is zijn eigen zoon, die vooral niet het idee mag krijgen voorgetrokken te worden vanwege de familieband.

Lang vermoedde ik dat de deserteur die de indianen ophitste nog weer een oudere zoon van Mac Straggle was; die zich flink op zijn vader wilde wreken. Maar dat was te romantisch gedacht.

Werd de zo gepeste zoon van Mac Straggle wel de held van het boek, daarmee Lucky Luke eigenlijk naar het tweede plan degraderend.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Het 20ste cavalerie
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Le 20e de cavalerie, 1966

7 korte verhalen, en de filmedities ~ Morris & Goscinny

Is Lucky Luke de verpersoonlijking van het recht, zoals verschillende Franse commentatoren willen? Dat zou dan onder meer verklaren waarom hij geen echte persoonlijkheid heeft, en altijd precies de juiste beslissingen neemt…



Heel diep ben ik de Lucky Luke-exegese nog niet ingedoken. Maar als er zulke ideeën worden geformuleerd — of misschien heeft Goscinny zelf weleens zoiets gezegd in een interview — dan welt automatisch tegenspraak in mij op.

De stripalbums zijn nu juist zo aardig omdat ook het recht corrupt is in de verhalen. Zoals er van weinig iets deugt. Sheriffs zijn telkens laf, of incompetent. En de rechters doen daar niet voor onder.

Zou Lucky Luke voor recht staan dan toch eerder voor rechtvaardigheid. En iedereen met een beetje kennis van de geschiedenis weet dat recht en rechtvaardigheid doorgaans weinig met elkaar van doen hebben — wat weer pleit voor het gezonde verstand van Morris & Goscinny.

Hun samenwerking heb ik deze zomer 28 albums gevolgd. Waarbij me opviel dat de strip Lucky Luke door hun gezamenlijke inspanningen weleens een niveau bereikte dat ook elders zelden geëvenaard is. En waarmee zelfs ik me uitstekend vermaakt heb; al ben ik inmiddels het doelpubliek niet meer voor de verhalen.

René Goscinny heeft daarbij een niet te onderschatten invloed gehad op de reeks. Door hem kreeg zelfs het paard van de eeuwig zwervende cowboy ineens de klassieke rol van commentator in de verhalen [vanaf Calamity Jane].

Dankzij hem verhuisde de strip van het kinderblad Spirou/Robbedoes naar het meer volwassen Pilote. Dit deed wonderen voor de bekendheid van Lucky Luke en verkoop van de albums. Maar meer nog, de makers namen daarbij ook eindelijk afstand tot de Franse stripcensuur uit 1949. Ineens dansten er schaars geklede danseressen in de saloons [vanaf Dalton City]. Ineens waren er meer onderwerpen mogelijk voor de verhalen.

En goed, dan daalde de kwaliteit vanaf het moment dat Pilote een nog weer volwassener publiek wilde bereiken, en Lucky Luke van tijdschrift naar tijdschrift zwierf.

De uitverkoop, waartoe de makers zo makkelijk hadden kunnen besluiten, en die ik vreesde, bleef uit.

Uitverkoop deden Morris & Goscinny via andere kanalen dan de klassieke stripalbums met hun 46 pagina’s. Er verschenen telkens al losse verhalen, die doorgaans zo eendimensionaal zijn dat ze al gauw vervelen. De minst slechte verhalen hebben nog net éen aardige grap als plot.

En dat Morris de reeks voortzette, met mindere schrijvers, pakte ook niet heel memorabel uit.

Verder waren er ineens films. Daisy Town verscheen als eerste in 1972. De ballade van de Daltons volgde enkele jaren later.

Daisy Town is online te vinden; wat hoogstens aardig is om eens te horen hoe dat lied precies klinkt dat Lucky Luke altijd zingt in het laatste plaatje van de albums. Dat was anders dan ik dacht.

Door deze ongetwijfeld illegale video kon ik zien dat het gelijknamige stripalbum slechts een minieme fractie brengt van het filmverhaal. En dan ook nog slecht getekend — alsof iemand die Morris niet was enkel wat stills heeft zitten overtrekken.

Maar erger nog is dat Daisy Town me een kleuterversie van het Lucky Luke-verhaal lijkt — bedoeld voor een publiek dat de stripalbums nog niet kende. Een introductie tot de held, en de personages die met regelmaat in de verhalen terugkeren. Vermaak voor de hele familie.

Terwijl die albums dus allereerst te genieten waren door René Goscinny’s schrijverschap — waarover tekenaar Morris heeft toegegeven dat hij lang alle grappen niet begreep.

[ volgende keer tot slot: over Morris en diens tekenstijl ]

Morris & Goscinny, 7 korte verhalen
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud. 1977
vertaling van 7 histoires de Lucky Luke, 1974
 
Morris & Goscinny, De ballade van de Daltons
48 pagina’s
Uitgeverij Dargaud. 1979
vertaling van La ballade des Dalton, 1978
 
Morris & Goscinny, Daisy Town
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud, 1983
vertaling van Daisy Town, 1972

9 anonieme scenario’s ~ Morris & Goscinny

Niet alles wat René Goscinny aan de strip Lucky Luke toevoegde was een verbetering. Die conclusie moet ik toch ook durven trekken. Simpelweg doordat de strip me als kind al minder boeide dan andere, omdat ik zo weinig te genieten vond aan de tekeningen.









Maar Morris kon het dus wel op een manier die me beter aanstaat.

Zo zijn de eerste avonturen van Lucky Luke in een aanzienlijk lossere stijl getekend dan de latere. Waarbij hij bovendien lang niet altijd alles binnen de kaderlijntjes hield.

Aan het plaatje hierboven uit album 9 — De spoorweg door de prairie — vallen bijvoorbeeld meteen al verschillende zaken op. Het hoofd van Lucky Luke is niet in beeld gehouden — alsof het een filmstill is. En zijn paard Jolly Jumper werd nog zo sierlijk getekend dat een echt paardje lijkt.

Pas onder de invloed van Goscinny werd het beest een personage in de boeken met wel heel bijzondere eigenschappen, die zelfs commentaar op het verhaal ging leveren. Tegelijkertijd werd het uiterlijk van het beest een karikatuur; waarmee Jolly Jumper nooit meer inwisselbaar was met andere paarden.

Morris begon zijn loopbaan met het werk aan tekenfilms, in de VS. Dat had dus lang grote invloed op zijn tekenstijl, zowel in kadrering als in lijnvoering. Als kind vond ik de tekeningen in de vroege albums ook zo afwijken van wat ik kende dat die boeken alleen daarom al minder waard waren. Die waren te raar.

Tegenwoordig kijk ik anders. Nu vallen me weer andere zaken op. Zoals dat ik in die vroege boeken wel van het tekenwerk kan genieten, maar dat het met de verhalen niet opschiet. Pas toen René Goscinny zich er tegenaan ging bemoeien kreeg de strip Lucky Luke ruggengraat.

De samenwerking tussen Goscinny en Morris begon in 1955, met het vaker genoemde De spoorweg door de prairie. En omdat dit verhaal vrijwel hetzelfde is als hun laatste collaboratie, De zingende draad, zou daar dus een mooi begin liggen voor een groot vergelijkend essay. Hoe veranderde de strip Lucky Luke precies tussen 1955 en 1977, en waar blijkt dat zoal uit?

Luiheid staat deze exercitie in de weg, plus het gegeven dat niemand erop zit te wachten.

Bovendien staat dan wel in catalogi en op Wikipedia dat René Goscinny anoniem aan meerdere albums van Lucky Luke meewerkte. Uit de strip zelf blijkt dat lang niet altijd. Alleen in Spoorweg door de prairie staat op de platen weleens een verwijzing naar ‘R.G.’.

Dat Goscinny dan niet genoemd wordt als scenarist kan ook weer allerlei redenen hebben, die niemand precies schijnt te weten. Waarvan sommige, de mogelijk juridische, te saai voor woorden zijn. Want wellicht stond Goscinny gewoon onder contract bij een andere uitgever, of was hij ergens in loondienst en vervielen daardoor al zijn auteursrechten aan zijn baas, en moest medewerking stiekem.

Maar misschien lag het nog weer anders en vond Morris het pas terecht om Goscinny als medeschepper te benoemen toen hij daartoe genoeg werk verricht had. Ook René Goscinny was ooit als tekenaar begonnen. Dus kan het best zijn dat pas toen hij hele storyboards ging aanleveren aan Morris, in plaats van de verhaallijnen enkel op te schrijven, hij tot medemaker werd benoemd.

Mede om al deze onzekerheden kies ik er hier ook voor om de anonieme scenario’s van Goscinny niet éen voor éen te behandelen hier.

Deze boeken zijn ook minder strak dan wat hierna volgde. En platter, dat vooral.

René Goscinny verrijkte de stripverhalen absoluut door er al vrij snel historische gegevens in te brengen. Maar zelfs daar is over te zeggen dat hem dat later veel beter af ging. Judge Roy Bean heeft echt bestaan, maar De rechter is geen interessant stripverhaal — er is te weinig afstand tot het historische gegeven. Dezelfde grap dat een kroegbaas zichzelf tot rechter had benoemd, en de wet naar willekeur interpreteerde, werd een paar keer met enkele minieme variaties herhaald.

En die olievondst uit In de schaduw van de boortorens vond plaats, net als de daarop volgende rush van iedereen om land in te pikken, in de hoop zo snel rijk te worden.

Alleen voegde het niets aan het verhaal toe dat de man die als eerste olie vond een personage werd in dit verhaal. Behalve dan dat hij een indrukwekkende zwarte baard heeft, en dat vast fijn tekenen was.

Morris & Goscinny gebruikten de geschiedenis later veel memorabeler, juist door zich veel grotere vrijheden te permitteren ten opzichte van ‘hoe het echt was’ gegaan. Daarmee ontstond ademruimte.

Kortom. Ik wilde de boeken met de anonieme scenario’s niet als eerste lezen, omdat niemand me vertellen kon wat de bijdrage van René Goscinny precies was geweest aan deze strips. En nu ik ze doorneem na de 28 boeken waarin Goscinny wel als maker op het kaft staat vermeld, voegen ze eigenlijk al niets meer toe aan het beeld dat ik vormde van de strip.

Behalve dan dat het vroege tekenwerk van Morris in verschillende opzichten veel aantrekkelijker is. En behalve dat duidelijk werd dat het tijd kostte voor de twee stripalbums maakten die iets extra’s brachten.

Morris, De spoorweg door de prairie
46 pagina’s
Uitgeverij Dupuis
vertaling van Des rails sur la prairie, 1956
 
Morris, De bende van Joss Jamon
46 pagina’s
Uitgeverij Dupuis
vertaling van Lucky Luke contre Joss Jamon, 1958
 
Morris, De neven Dalton
46 pagina’s
Uitgeverij Dupuis
vertaling van Les cousins Dalton, 1959
 
Morris, De rechter
46 pagina’s
Uitgeverij Dupuis
vertaling van Le Juge, 1959
 
Morris, De trek naar Oklahoma
46 pagina’s
Uitgeverij Dupuis
vertaling van Ruée sur l’Oklahoma, 1960
 
Morris, De Dalton breken uit
46 pagina’s
Uitgeverij Dupuis
vertaling van L’évasion des Dalton, 1960
 
Morris, Bootrace op de Mississipi
46 pagina’s
Uitgeverij Dupuis
vertaling van En remontant le Mississipi, 1961
 
Morris, In het spoor van de Daltons
46 pagina’s
Uitgeverij Dupuis
vertaling van Sur la piste des Dalton, 1962
 
Morris, In de schaduw van de boortorens
46 pagina’s
Uitgeverij Dupuis
vertaling van A l’ombre des derricks, 1962

Apache Canyon ~ Morris & Goscinny

Toen ik studeerde was ik juridisch gezien niet alleen student, maar ook een dienstplichtig militair met studieverlof. En deze status beperkte mijn handelingsvrijheid. Zo kon ik niet van studierichting switchen zonder eerst mijn dienstplicht te vervullen. Elk jaar bovendien moest er verlenging worden aangevraagd van dat verlof om te mogen studeren.

Vanzelfsprekend was dit allemaal een papieren aangelegenheid; schijnbaar zonder al te veel invloed op mijn leven.

Behalve dan dat ik het vervelend vond een dienstplichtig militair te zijn met studieverlof. Omdat vrijwel niemand van mijn leeftijdsgenoten dit lot deelde. Er waren simpelweg te veel jongens geboren in mijn jaar; en de jaren daarvoor.

Alleen bleek het niets op te leveren om op deze fundamentele rechtsongelijkheid te wijzen, toen ik vervolgens weigerde voor de dienst. Dit argument werd ‘politiek’ geacht; was daarmee niet ontvankelijk verklaard; omdat het geen argument was waarmee ík een beroep deed op mijn geweten.

Militairen en hun bazen zien logica en daarmee de wereld kortom anders dan ik. Daar was ik al voor mijn twintigste al volkomen van doordrongen geraakt.

Ik had deze wijsheid ook kunnen kennen uit het album Apache Canyon, van Lucky Luke. Dat ik al jong in bezit kreeg.

Te jong waarschijnlijk. Omdat nogal wat verhaalelementen me ontgingen als zeven- of achtjarige.

De grootste grap van het boek was duidelijk. Elke keer als het cavalerieregiment van Fort Canyon door de Apache Canyon trok, smeten de indianen daar van boven stenen op hun kop. En op hun wagens. Waar de nieuwe voorraden in zaten.

Toch was dit voor het leger nooit reden om níet door Apache Canyon te rijden, en een andere route te nemen.

Soldatenlogica.

Toch draait het boek om de redenen van de Apachen om strijd te blijven voeren tegen het leger. Want Lucky Luke is als verkenner naar het zuiden van Texas getrokken om uit te vinden waarom éen stam zo weerbarstig vechten blijft.

Daar begreep ik indertijd niets van. En als een iets ervaren lezertje is mijn gedachte: dat plot heeft iets te veel Deus ex machina; hoe sterk verder ook.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Apache Canyon
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Canyon Apache, 1973

Asterix en de Belgen ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Boeklog miste nog een ontspannen zomerserietje dit jaar. Wat komt omdat me al niet meer zo bekommer om het idee wat dit weblog zou horen te bieden. Tien jaar is mooi genoeg. Wat er zoal met dit medium kan, lijkt te zijn verkend. Rest enkel nog om de zaak netjes af te ronden op 31 december.

Daarom grijp ik nu gewoon terug op het zomerserietje van 2013; toen ik bekeek wat scenarist René Goscinny [1926 – 1977] de strip Lucky Luke zoal had gebracht; en dat aanzienlijk meer bleek te zijn dan verwacht.

Want Goscinny werd misschien nog wel beroemder door zijn werk aan de strip Asterix.

Heel veel lust om alle 24 Asterix-albums te herlezen die hij maakte met tekenaar Albert Uderzo was er aanvankelijk niet. Met deze boeken ben ik opgegroeid — anders dan met die over Lucky Luke. Van deze uitgaven ken ik ieder plaatje, elk plotwending, bijna iedere grap.

Tot me bleek dat er inmiddels grote hoeveelheden extra informatie over deze stripalbums te vinden is online. Waardoor veel van waar ik van alles achter vermoedde eindelijk ook eens werd uitgelegd.

In Asterix en de Belgen wordt bijvoorbeeld Victor Hugo bedankt, voor zijn tekstbijdragen. Die zullen in het Nederlands helemaal niet zijn overgekomen. Goscinny speelde alleen in op wat waarschijnlijk elk Frans schoolkind ooit leerde. Hugo schreef een gedicht over de Slag bij Waterloo, met de gevleugelde woorden:

Waterloo! Waterloo! Waterloo! morne plaine…

In de Franse versie levert dat onder meer een grap op over eten die werkt,

Waterzooi, waterzooi, morne plat !

en in de anonieme Nederlandse vertaling slaat zulks volledig dood. Waterzooi plakt daar aan de darmen.

Een andere niet heel makkelijk vertaalbare grap, die bovendien sterft bij het ontleden, is die als Nerviër Vandendomme met de Menapiër Vandenkettinge ruziet om een tong — van een everzwijn — die vanzelfsprekend verwijst naar hun taalstrijd.

Asterix en de Belgen was het laatste album waaraan Goscinny en Uderzo samen werkten. In het boek herdacht de tekenaar zijn zo plots overleden scenarist — die hij blijkbaar liefkozend ‘mijn konijn’ noemde — met een huilend konijntje op de laatste plaat. Dus wordt het ook in alle andere albums voortaan speuren naar konijntjes.

Als kind hoorde Asterix en de Belgen niet tot mijn favoriete albums. Misschien stond het vele vechten me tegen — omdat daar de uitkomst toch altijd van vast staat. Wellicht ook was de aanleiding tot het verhaal me te futiel.

In het album trekt het stamhoofd Abraracourcix het zich zeer aan dat Caesar de Belgen de dapperste van alle volken in Gallië heeft genoemd.

Dus trekt hij naar België, met Asterix en Obelix in zijn kielzog, om daar met de Belgen een wedstrijd te gaan houden, wie nu echt de dapperste is. Julius Caesar mag daarbij scheidsrechter zijn. Alleen speelt deze vals, door zich ineens met de wedstrijd te bemoeien.

Overigens eindigde — spoiler alert — de tweekamp onbeslist. Belgen en Amoricanen zijn volgens de Romein uiteindelijk éen pot nat.


[click voor groter]

Sinds ik dit album voor het eerst las, kwamen er evenwel tal van Friezen op mijn pad, die de antieke woorden van Tacitus over de grote kwaliteiten der Friezen minstens zo zeer terecht vonden, en vinden, als Abraracourcix Caesar’s kwalificatie van de Belgen als een leugen zag.

Jammer alleen voor hen daarom dat Tacitus’ Friezen een ander volk waren dan dat waartoe de hedendaagse bewoners van Friesland behoren.

Niet dat de plot van dit stripalbum met deze kennis beter werd — de intrige werd er jammer genoeg wel begrijpelijker door.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en de Belgen
48 pagina’s
Oberon zj [1979]
vertaling van: Asterix chez les Belges

Asterix en de Britten ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Armorica heette de regio waarin het dorpje ligt dat zo dapper weerstand biedt tegen de vreemde overheersers. En Armorica betekent zoiets als ‘land van de zee’.

Tegenwoordig heet hetzelfde gebied Bretagne. En eerder nog: Klein-Brittannië, vanwege de vele Romaanse Britten die er in de vroege Middeleeuwen naartoe emigreerden, en die daarbij een onderscheid maakten tussen hun streek en het Groot-Brittannië, aan de overkant van het Kanaal.

Dus als Asterix vanuit Bretagne naar de ‘Bretonnen’ gaat, zit daar al meteen een grap in, in het Frans; die door de vertaling verloren gaat.

Bovendien kon Goscinny zo ook verklaren dat Asterix geen enkel probleem had om zijn Britse neef Notax te verstaan — de grammatica die deze gebruikte, was alleen wat anders. Terwijl indertijd, in de jaren zestig, zowel het Frans als het Engels nog de pretentie hadden de enige beschaafde wereldtaal te zijn.

De beste grap uit dit stripalbum blijft dan ook dat alles wat de Britten zeggen simpelweg een letterlijke vertaling uit het Engels is. Voeg daar aan toe dat elk van hen in het boek flegmatiek is, en dus onderkoeld reageert op alles, en geef elk Brits personage rood haar, en het verhaal schrijft zich voor een deel zelf.

Asterix en de Britten blijft een hoogtepunt in de hele reeks, en dan vooral door de consequent doorgevoerde humor. Van de oudere albums is het al helemaal het beste.

Toch zette dit boek me aan tot nadenken, omdat er ook geen verhaal zal zijn dat zo leunt op anachronismen. Alle typische eigenschappen die in het verhaal aan de oer-Britten worden toegeschreven zijn hedendaagse eigenschappen. Van hun vroeg sluitende pubs tot hun rijtjeshuizen. Van hun dubbeldekkerbussen en hun lauwe bier en hun muntsaus tot het overdreven fanatiek supporteren voor sportteams.

Clichés zijn het allemaal, alleen voor de verandering dan eens clichés die bewust zijn ingebracht, om zo onmiddellijk herkenning op te roepen in een verhaal dat speelt in een andere tijd.

Sommige van die ideeën zijn overigens intussen achtergebleven in de tijd.

Een probleem bij de Asterix-strip is alleen dat je nu juist niet moet gaan nadenken over de historische nauwkeurigheid van de verhalen. Want dan stuit je bijvoorbeeld meteen al op het probleem dat indertijd waarschijnlijk de druïden de leiders van de stam waren — anders dan in de strip.

Of dat Asterix een Kelt was, die zich in de rest van Gallië waarschijnlijk niet of nauwelijks verstaanbaar had kunnen maken; anders dan in de verhalen gebeurt.

[ einde van dit zomerserietje, dat hier begint ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en de Britten
48 pagina’s
De Geïllustreerde Pers, 1970
vertaling van Astérix chez les Bretons, 1966

Asterix en de Helvetiërs ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Ineens bood Asterix orgieën in beeld. Zij het dat die zich beperkten tot geknoei met eten, gezuip, kuise danspartijen, en make-up die lelijk maakt. In Frankrijk was 1968 niet ongemerkt voorbij gegaan, met zijn protesten tegen de verkalkte structuren toen. En zelfs in het beeldverhaal was de bevrijding daarop zichtbaar — zo willen de geleerden het tenminste hebben.

Wat er aardig was aan die orgieën ontging me als kind, bij eerste lezing. Waarom grote mensen het leuk vonden om elkaar te straffen als ze iets onnozels hadden misdaan? Het bleef me een raadsel. En misschien wil ik het antwoord daarop nog steeds niet weten.

Asterix en de Helvetiërs is verder opmerkelijk omdat er ineens een Romein aanzit aan het banket in het Gallische dorpje, op het einde van elk verhaal. Terwijl dat toch een belastinginspecteur is ook nog.

In het album werd deze ‘quaestor’ naar Condatum gestuurd om te controleren waarom dat district Rome zo weinig inkomsten oplevert. Waarop de verantwoordelijke gouverneur hem vergiftigt. En uiteindelijk alleen Panoramix hem genezen kan — zij het dat deze daar per se edelweiss voor nodig heeft, die Asterix en Obelix in Zwitserland moeten gaan plukken.

Vielen de te verwachten grappen over stereotypen als de jodelende Zwitsers daar bij hernieuwde kennismaking nog niet eens allemaal tegen. Al komt de koekoeksklok toch echt uit het Zwarte Woud.

Dit album doordrong me er alleen van dat ik dus altijd al heb geweten dat artsen tot voor kort voornamelijk bezig waren hun patiënten dood te maken — pas door de ontdekking van hygiëne, en sterilisatie, plus door ontstekingsremmers en geneesmiddelen als antibiotica veranderde er iets ten goede. Het is een pijnlijke grap in Asterix en de Helvetiërs dat doktoren niet te vertrouwen zijn; omdat ze zo zeer op hun eigen wijsheid vertrouwen. En grap zo pijnlijk vooral om dat die historisch zo waar is.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en de Helvetiërs
48 pagina’s
Amsterdam boek, 1973
vertaling van Astérix chez les Helvètes, 1970

Asterix en de intrigant ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Het heeft even geduurd voordat de strip Asterix naar Nederland kwam. Opvallend veel van de albums uit de reeks melden uit 1972 te stammen. Waar de Franse oerpublicatie soms toch al tijden daarvoor lag.

En er kleeft ook enige haast aan die heel oude Nederlandstalige albums. De vertalingen zijn soms wat lui. Tegenwoordig heten sommige personages anders — wat ik dus als een wat late correctie moet zien op de haast in de productie van ruim veertig jaar terug. Verder is de volgorde van de reeks in het Nederlands anders dan dat die in het Frans was.

Asterix en de intrigant was volgens Nederlandse uitgever het dertiende album.

In Frankrijk was dit juist de vijftiende uitgave in de reeks, en zit het boek netjes in tussen Asterix in Hispania en Asterix en de Helvetiërs. Daarbij is dus wel keurig de volgorde gehandhaafd dat de avonturen om de beurt thuis en uit spelen; als waren het voetbalwedstrijden. Anders dan in de Nederlandstalige serie.

Die avonturen thuis in het Gallische dorp en de omgeving hebben mijn voorkeur licht. Al valt bij herlezing zo veel decennia later op dan dat er voor die boeken wel slechts een beperkt tal sjablonen bestaat.

Eerder merkte ik al op dat de verhalen thuis vaak als plot hebben dat die toverdrank ineens niet meer beschikbaar is — omdat de maker, druïde Panoramix, het niet lukt om deze te maken, of dat dan niet wil.

En ander veelgebruikt plotgegeven is dat de Romeinen proberen om de Galliërs onderling tegen elkaar op te zetten; en zo hun eenheid te doorbreken. In Asterix en de intrigant vindt het zaaien van tweespalt zelfs nogal onverbloemd plaats. Want de makers van de strip bedachten een Romeins personage dat er in slaagt om iedereen met iedereen ruzie te laten krijgen.

Asterix en de intrigant was altijd het album dat me het minste zei – man van het harmoniemodel als ik al jong was misschien. Bij herlezing viel het boek me van de weeromstuit niet eens tegen.

Vooral het gegeven dat in oorlog de waarheid altijd het eerste slachtoffer is, werd aardig gebruikt.

Werd zelfs nog het eeuwige plotgegeven benut dat de Galliërs zonder toverdrank machteloos staan tegenover de omringende legerkorpsen — want Panoramix wandelt verontwaardigd het dorp uit; na door het stamhoofd Abraracourcix te zijn beschuldigd de drank aan de Romeinen te hebben geleverd.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en de intrigant
48 pagina’s
Amsterdam boek, 1972
vertaling van La Zizanie, 1970

Asterix en de koperen ketel ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Voor een serie die zich afspeelt in oorlogstijd, waarin dan slechts éen dorp nog niet ingenomen is door de bezetter, komt in de Asterix-albums toch opvallend weinig directe collaboratie voor. Slechts in twee boeken, De kampioen/De strijd van de stamhoofden en Asterix en de koperen ketel heult een ander Gallisch dorp openlijk met de Romeinen.

Opgave voor een academisch essay dat ik nooit zal schrijven daarom: vertolkte Goscinny hiermee de naoorlogse gevoelens over de Franse collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog? Dat er beter niet gesproken kon worden over het Vichy-regime?

Tegelijk wordt in Asterix en de koperen ketel pas op het allerlaatst helemaal zeker dat het dorp van stamhoofd Moraalelastix met de Romeinen collaboreert. Zelfs al verwoordt Abraracourcix al op de eerste pagina van het verhaal zijn twijfels over zijn collega. Die is gierig, en zou gemene zaak maken met de bezetter.

Moraalelastix geeft ook toe met de Romeinen handel te drijven. Alleen laat hij hen twee keer zo veel betalen als hij aan Galliërs zo vragen. Niet dat iets overblijft voor de Galliërs om te kopen, trouwens.

Overigens heet Moraalelastix ook Moralélastix in de oerversie, in dit dertiende album volgende Franse telling — dus mag ik ditmaal eens niet openlijk klagen dat de naam van een personage te veel over hem vertelt. Goscinny heeft die naam verzonnen, of zag hem, en vond dat goed.

Belangrijkste verhaallijn in dit album is evenwel éen van de leukste uit alle albums. Asterix en Obelix moeten ineens het normale leven in om geld verdienen. Een hele hoop geld. En ondanks al hun pogingen lukt dat niet. Ook niet als de hulp van hun toverdrank wordt ingezet.

Asterix moest geld verdienen, omdat hij gefaald had in het bewaken van Moraalelastix’ sestertiën – die voor de gelegenheid even gestald waren in het Gallische dorpje. Waar ze wel veilig zouden zijn.

Onderweg naar Moraalelastix’ dorp, op de moeilijke gang om hem te gaan zeggen dat ze gefaald hebben om diens geld terug te krijgen, plegen Asterix en Obelix dan ineens een misdaad. Ze overvallen een Romeinse belastingsinspecteur.

Gek vond ik dat hun eeuwige verzet tegen de Romeinen, of het laten zinken van de piratenboot, nooit als misdaden aanvoelen, maar zo’n brute overval ineens dat dan wel toch is. Ik herinner me zo gauw ook geen ander misdrijf van dit kaliber in de overige albums.

De misdaad loonde overigens. Asterix kon weer naar zijn dorp terug. Hij had de schande uitgewist die hij zijn dorpelingen had aangedaan door te falen in het bewaken van de schat.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en de koperen ketel
48 pagina’s
Dargaud, 1977
vertaling van Astérix et le Chaudron, 1969

Asterix en de lauwerkrans van Caesar ~ R. Goscinny & A. Uderzo

Dat subplot uit Asterix en de Romeinse lusthof is vanzelfsprekend later nog eens uitgesmeerd gebruikt in het album Obelix en Co. Houd de Galliërs geld voor, en meteen veranderen ze hun gedrag totaal; en doen ze ineens alles om de Romeinen maar te vriend te houden.

En in Obelix en Co. leverde dat dan een variant op van de legende over de tulpenhandel. Mede gezien alle windhandel achter de huidige crisis zou ik dat album dus ook nog eens moeten lezen. Het werk van een lezer is nimmer gedaan.

Asterix en de lauwerkrans van Caesar was altijd het Asterix-album dat me het minste zei. Dat is nu eenmaal een verschijnsel dat kleeft aan reeksen. Die bevatten geliefde afleveringen, en minder geliefde publicaties.

Wellicht kwam mijn onverschilligheid door de aanleiding tot het plot — die bestaat uit een weddenschap gedaan in dronkenschap.

Stamhoofd Abraracourcix — ik weiger stug om dit personage Heroïx te noemen — moet en zal zijn patser van een schoonbroer terug pakken. Bij een bezoek aan het dorp zal deze zwager iets te eten krijgen dat voor geen goud te koop is: een ragoût gekruid met de lauwerkrans van Caesar.

Wellicht was ik ruim dertig jaar terug er nog niet zo goed bekend mee hoe mannen het zo zelden kunnen nalaten tegen elkaar op te snijden; helemaal als ze elkaar minachten.

Want de strip viel me nu behoorlijk mee. Er zit namelijk een prettige omkering in het verhaal. Asterix en Obelix kunnen onmogelijk met bruut geweld Caesar’s paleis in Rome binnendringen, om daar die lauwerkrans te ontvreemden. Intelligentie is plots gewenst.

En daardoor verkopen ze zichzelf bijvoorbeeld ineens als slaven, op de markt. Asterix wil daarbij een koper nog wel betalen ook — omdat hij denkt dat deze een gezant van Caesar’s paleis is.

Dat is lang het enige spel met omkeringen niet in het album.

Van Gaius Julius Caesar is uit de bronnen bekend dat hij lauwerkransen droeg omdat hij kalende was — en dat zo dacht te kunnen verbloemen. Dit lijkt een historisch feit van niets. Maar het blijkt dus, mits omringd door nog wat andere mannelijke ijdelheden meer, de basis te kunnen zijn voor een aardig verhaal. Al was daar wel een schrijver voor nodig wiens genie al ruim vijfendertig jaar node gemist wordt.

R. Goscinny & A. Uderzo, Asterix en de lauwerkrans van Caesar
46 pagina’s
Amsterdam boek, 1974
vertaling van Les lauriers de César, 1972

Asterix en de Noormannen ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Goscinny schijnt nogal wat grappen over Normandië en zijn inwoners te hebben gemaakt in Asterix en de Noormannen. Zo ontdekte ik, in een poging meer te leren over deze strip.

Frankrijk zag in het echt de Noormannen duizend jaar later komen dan in dit verhaal. Bovendien bleven ze meteen. Waarop vervolgens een hele landstreek naar ze werd genoemd. En uit Normandië komt dan bijvoorbeeld de calvados, een destillaat uit appelcider dat kortweg doorgaans calva heet.

En laat calva nu net de favoriete drank zijn van de Noormannen in dit Asterix-verhaal, die dat ook nog het liefst drinken uit bijbehorend servies. Uit doodskoppen. Want calva[ria] betekent dan weer schedel in het Latijn.

Nu zijn grappen nooit leuk eenmaal gedemonteerd. Als kind aanvaarde ik het ook simpelweg dat Noormannen in dit boek hun sterke drank uit schedels dronken. Al leek me dat nog wel ingewikkeld met alle lekken, als de oogkassen en de neus.

Toch maakt enige studie een heel vroeg album uit deze stripreeks dan net weer wat meer de moeite waard.

Asterix en de Noormannen zou ook ‘Asterix en de jeugdcultuur’ kunnen heten. Want ineens speelt een jongeling een rol in het verhaal, die er bovendien heel andere gewoonten op na houdt dan de Gallische helden uit de reeks. Volgens Asterix en het pretpakket zijn dat dan ook al mannen van inmiddels 35.

Hippix, heet deze jongeman in de Nederlandse vertaling, jammer genoeg. In het Franse origineel is zijn naam Goudurix [goût du risque [zin in risico, overmoed]].

Deze Hippix komt het Gallische dorp binnenscheuren in een karretje uit Milaan — waarvan ik altijd wel geweten zal hebben dat daarmee een Italiaanse sportwagen werd bedoeld, en me toch nooit duidelijk was welk merk. Alfa Romeo dus.

En het verhaal draait om de confrontatie tussen Hippix, die naar het Gallische dorp kwam om een man te worden, en om de Noormannen. Die toevallig op expeditie uit waren om te leren wat angst is. Want angst zou hen vleugels geven, waarmee ze dus voortaan konden vliegen.

De expeditie van de Noormannen slaagt overigens, voor een deel. Zo goed zelfs dat ze, zoals gemeld, pas een millennium later weer durven te komen buurten.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en de Noormannen
48 pagina’s
De Geïllustreerde Pers, 1971
vertaling van Astérix et les Normands, 1966

Asterix en de Olympische Spelen ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Vervelendste element aan de Asterix-albums blijft de toverdrank, die onoverwinnelijk maakt. Dus valt op dat Goscinny zijn helden na een tijdje in verschillende avonturen na elkaar opzadelt met problemen waarbij ze de makkelijkste uitweg niet hebben.

Ik zie dat als een stap naar meer kwaliteit. En wellicht hangt die stap ermee samen dat Goscinny en Uderzo de strip voortaan in het eigen tijdschrift Pilote konden voorpubliceren, in plaats van ergens anders in een krant.

In album 14, Asterix in Hispania, wordt de toverdrank gestolen van Asterix, waardoor hij zich zonder redden moet, in een Spaanse stierenarena.

Album 13, Asterix en de koperen ketel, komt met een opgave die niet op te lossen is door een paar teugen van een wonderdrankje. Er moest geld verdiend worden, en dat lukt dan slecht.

En in album 12 al, Asterix en de Olympische Spelen, mag onze held niet de hulp gebruiken van toverdrank bij deelname aan de sportwedstrijden, omdat deze daar als doping wordt gezien; en die is verboden.

Helaas draait de plot van het verhaal vervolgens wel om de toverdrank — waarvan al sinds het derde album, Asterix: de Gothen, bekend is dat deze nog een unieke eigenschap heeft. Iedereen die de drank drinkt, wordt even sterk als elk ander die het middel nuttigt.

In een onderlinge strijd kan er dan dus niemand winnen.

Asterix en de Olympische Spelen is vooral aardig als het verhaal speelt met het chauvinisme dat bij het kijken naar sport schijnt te horen. En toch ook dus in het aftasten van hoe ver men bereid is om te gaan voor een overwinning in een sportwedstrijd. Want de bijbehorende eer schijnt nogal groot te zijn.

Toch, om Midas Dekkers nog eens aan te halen, wat maakt het uit of je honderd meter binnen tien seconden lopen kunt, als elke straathond sneller is?

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en de Olympische Spelen
48 pagina’s
Amsterdam boek, 1972
vertaling van Astérix aux Jeux olympiques, 1968

Asterix en de Romeinse lusthof ~ R. Goscinny & A. Uderzo

De in het algemeen nogal opgetogen reacties over Asterix: bij de Picten verbaasden me. De blijdschap over dat er weer leven zit in de strip leek mij nu net overdreven, gezien het niveau dat de nieuwe makers haalden.

Maar omdat ik de enige zeur leek tussen alle lofzangen in ging ik bijna twijfelen aan mijn oordeelskracht.

Om na het herlezen van twee albums uit het begin van de jaren zeventig toch weer zeker te weten: nee, de strip heeft het genie van een Goscinny nodig om voor álle lezers interessant te zijn.

Ik herlas Asterix en de Romeinse lusthof [Le domaine des dieux] en Asterix en de lauwerkrans van Caesar [Les lauriers de César]. Twee boeken die ik zeker dertig jaar niet ingekeken had. Twee albums bovendien die indertijd zeker niet de meest geliefde boeken uit de reeks waren bij mij.

En mijn reactie op deze boeken nu was éen van een aangenaam verraste verbazing. Wat dus iets belooft, zou ik de hele reeks willen herlezen.

Van de Lucky Luke-verhalen die ik afgelopen zomer las, leerde ik dat het even duurde voor de makers perfectie bereikten. En waar Goscinny en Uderzo in hun boeken vooral in uitblinken vergeleken met hun navolgers is timing. Maatvoering ook.

Asterix en de Romeinse lusthof is op zich een klein verhaal. Tegelijk sneed Goscinny nogal wat aan met het onderwerp.

Het boek begint als Caesar een nieuw plan presenteert om het onoverwinnelijke Gallische plaatsje klein te krijgen. Hij stelt voor het hele gebied te ontwikkelen, en een stad te bouwen om het dorp.

Begin jaren zeventig zullen de eerste gevolgen van het massatoerisme zichtbaar zijn geworden voor wie deze wilde zien — met alle gevolgen voor lokale culturen van dien.

Beste grap uit het boek is evenwel het moment dat Goscinny de moderne overlegcultuur invoert bij de Romeinen. Eerst weigeren de aangevoerde slaven te werken als ze niet betaald worden — een eis die ze kracht kunnen bijzetten omdat zij inmiddels over de Gallische toverdrank beschikken.

Vervolgens horen de Romeinse soldaten dat de slaven nogal wat meer betaald krijgen dan zij, waarop ook de militairen telkens onderhandelingen eisen met hun leiding.

Ik geloof echt niet daar de satire van te hebben gezien op de eeuwige Franse stakingsbereidheid — of van polderen in het algemeen — toen ik dit album als jongetje las.

Wat ook aan Asterix en de Romeins lusthof opvalt, is de enorme vaart die het boek bij tijden heeft.

De Romeinen die in de Lusthof zijn getrokken, hoeven maar éen keer boodschappen te doen in het Gallische dorpje van onze helden. En de volgende ochtend al heeft ineens iedereen er een winkel.

Ook zijn de nieuwkomers in de streek wel opvallend snel weer weg.

Maar dan overheerst bij mij toch de bewondering voor de makers. Die binnen het zo beperkende sjabloon van de strip — er moet nu eenmaal altijd geknokt worden met de Romeinse legerkampen om het dorp, waarbij onze helden altijd winnen — toch weer een manier hebben gevonden om een kwetsbaarheid aan te tonen bij hen. Zoals gezegd, hun dorpsgenoten zwichten wel opvallend makkelijk voor geld van buiten.

[ wordt vervolgd ]

R. Goscinny & A. Uderzo, Asterix en de Romeins lusthof
46 pagina’s
Amsterdam boek, 1973
vertaling van Le domaine des dieux, 1971

Asterix en de ziener ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Het 36ste Asterix-album, dat in 2015 uitkomt, speelt zich af bij de Bataven. Mocht u dat nieuws eerder gemist hebben, dan weet u het nu. Service van een weblogger die zich verder liever zo weinig mogelijk gelegen laat liggen aan wat nieuwsmedia rondechoën als actualiteit.

Dat 36ste album is van Uderzo’s opvolgers. En die zijn nog minder subtiel in de grappen als hij. Dus hoop op enige kwaliteit van de avonturen in de lage landen heb ik niet. Wie mee wedden wil welke clichés over Nederland gebruikt zullen gaan worden, plaatse deze hieronder in een commentaar.

Sowieso merk ik de avonturen op reis van Asterix en Obelix tegenwoordig minder te appreciëren dan de verhalen die zich gewoon thuis afspelen in het dorpje aan de kust — met Asterix en de Britten als enige uitzondering.

Goscinny leek de beste grappen te verzinnen als hij zich sterk beperken moest.

Zelfs al zijn ook die thuis-verhalen gauw eens gebaseerd op eenzelfde basale stramien. Omdat de onafhankelijkheid van de Galliërs zo afhangt van hun toverdrank dreigt bijvoorbeeld al gauw een ramp als de druïde onbekwaam is deze drank te maken.

Ook Asterix en de ziener leunt voor een deel op dit eenvoudige en met regelmaat herhaalde plot. Panaromix is namelijk ruim het halve boek weg, op reis, naar de jaarlijkse druïden-bijeenkomst in het Maretakkenbos.

Voordien zijn de meeste inwoners van het Gallische dorpje dan al stevig in de ban gekomen van iemand die hen stuk voor stuk een prachtige toekomst belooft. Een toevallige voorbijganger is dat bovendien. Die in het veld overvallen werd door het noodweer — en nochtans beweert de toekomst te kunnen voorspellen.

Xynix heet deze ziener in de Nederlandse uitgave — een weer eens te woordspelerige en ook beschrijvende naam om me te kunnen bekoren. In de Franse oerversie heet hij ook Prolix; wat zoiets betekent als spraakwaterval.

En het aardigste gedeelte van dit verhaal, wat mij betreft, is als Goscinny met de goedgelovigheid speelt van iedereen, die een goedgebekte prater o zo graag willen geloven.

Want, o waar zagen we dat mechanisme meer.

Nu ja, waar eigenlijk niet.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en de ziener
48 pagina’s
Amsterdam boek, 1974
vertaling van Le Devin, 1972

Asterix en het 1ste legioen ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Losjes gebaseerd op een klassieke Laurel & Hardy-film is dit album van Asterix. Want in Beau Hunks uit 1931 al gingen de Dikke en de Dunne in het Franse vreemdelinglegioen. Oliver Hardy ziet dat dan als de enige manier om een vrouw te vergeten. Jeanie-Weenie. Een femme fatale, die verder nog een verbijsterende invloed op dat filmverhaal heeft zonder ooit bewegend in beeld te komen.

Goscinny ging overigens vaker uit lenen — al werd de inspiratie die films hem opleverden duidelijker zichtbaar in de reeks Lucky Luke. Toen hij eenmaal doorhad dat hij daarbij vooral het originele filmscript niet al te zeer moest volgen, kwamen daar ook heel goede stripalbums uit voort.

In Asterix en het 1ste legioen, of zoals de titel tegenwoordig luidt Asterix als legioensoldaat, nemen ook de Gallische helden ineens dienst in het leger. Alleen doen zij dit om een jonge vrouw te helpen. Haar vriend is namelijk in Noord-Afrika door een tegenstander van Caesar krijgsgevangen gemaakt. En dienst nemen, schijnt dan de snelste manier te zijn om ter plaatse te komen, om de problemen op te lossen.

Het Franse Vreemdelingenlegioen uit het voorbeeld is in dit boek dan vanzelfsprekend ingewisseld voor het Romeinse leger — in andere albums altijd de eeuwige tegenstander — waarin inderdaad ook tal van vreemdelingen dienst namen.

Wel zal de nog altijd bestaande censuur op stripverhalen indertijd hebben gemaakt dat Asterix noch Obelix zelfs iets krijgen konden met de schone Walhalla/Falbala.

Door dit stripalbum zit ik nu ineens wel met vraag opgescheept hoe anachronistisch het kazerneleven is dat door Goscinny en Uderzo werd bedacht. Hun grappen zijn leuk, en spelen heel aardig met de clichés die wij kennen over de kadaverdiscipline die nieuwe rekruten in het leger wordt opgelegd.

Maar hoe oefende het Romeinse leger echt?

Waarbij weer eens blijkt hoe gevaarlijk een klein beetje kennis is. Ik weet dat pas bij Maurits van Oranje tijdens de Tachtigjarige oorlog er weer door soldaten bewust geoefend werd; waardoor er discipline bij hen werd ingebracht.

Alleen zijn er dan veel eerder nog de falanxen, en dergelijke strijdopstellingen van de Spartanen en andere Grieken; waar toch ook ooit stevig voor getraind zal moeten zijn.

Paradoxaal aan dit stripalbum, vergeleken met de rest van de reeks, is dat Julius Caesar weer eens wint — zij het dan dat dit in een burgeroorlog is tegen Scipio. Bovendien geeft hij toe daarbij goede hulp te hebben gehad van de Galliërs.

Ook dat is een aardige afwijking van het vaste stramien.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en het 1ste legioen
48 pagina’s
Oberon, z.j.
vertaling van Astérix légionnaire, 1967

Asterix en het geschenk van Caesar ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Eén nieuwe vraag riep het eenentwintigste album op uit de Asterix-reeks. Hoe strikt was de continuïteit nu precies die de makers nastreefden?

Ik vroeg me namelijk ineens af of Uderzo niet per album het dorpje van de Galliërs opnieuw indeelde. De viswinkel van Kostunrix heeft elke keer andere huizen ernaast. En dan is er nog de locatie bovendien. Dat het dorp aan zee ligt, is een gegeven. Maar niet eerder zag ik het plaatsje van zo nabij uit zo’n grote hoogte, als in Asterix en het geschenk van Caesar.

Dat er zulke hoge heuvels of kliffen in de buurt zijn, is bijvoorbeeld volkomen in tegenspraak met de maquette die de Romeinen van de regio maakten, in het zeventiende album: De Romeinse lusthof. En waar zijn de duinen bij het dorp, uit Asterix en de Noormannen?

Niet dat het me wijzer maakt om te muggenziften over fouten in de continuïteit tussen de albums, als er in de verhalen zelf al telkens zo veel gebeurt dat anachronistisch is. Maar Uderzo als Goscinny als duo tezamen leken me perfectionisten.

Misschien dat ze juist daarom met heel veel konden wegkomen dat er voor hen minder toe deed.

Asterix en het geschenk van Caesar is weer een verhaal dat thuis speelde. In het boek doet Julius Caesar het dorp van de Galliërs cadeau aan een legionair die afzwaait na twintig jaar trouwe dienst. Dat is een nare grap die wordt uitgehaald met een notoire dronkenlap, die in de Franse oertekst Roméomontaigus heet — een fijne verwijzing naar Shakespeare’s Romeo & Julia — en in het Nederlandse boek Bacchionysus.

Deze veteraan verpatst dit geschenk onderweg bij een herberg in Orange, om zo zijn rekening te voldoen. En de herbergier, die in het Frans Orthopédix heet, en in het Nederlands Appendix, vertrekt dan in zijn plaats met vrouw en tienerdochter naar de kust, om hun dorpje in bezit te nemen.

Ontspint zich daarop vervolgens een woordenstrijd wie de machtigste man van het dorp is tussen Abraracourcix en Orthopédix/Appendix. Die tweekamp zou Goscinny gebruikt hebben om commentaar te leveren op de Franse presidentsverkeizingen van 1974; maar zo’n gegeven overleeft de tijd verder niet, laat staan de vertaling.

De onderlinge machtsstrijd verzwakt de Galliërs dan — een gegeven dat vaker in de reeks gebruikt wordt. Panoramix trekt zich zelfs terug uit het dagelijkse leven, en wil met niemand meer te maken hebben, vanwege alle polarisatie onderling. Dus kan niemand over de toverdrank beschikken die onoverwinnelijk maakt.

Waarop de Romeinen de zoveelste poging doen het Gallische dorp toch nu eindelijk eens te bezetten.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en het geschenk van Caesar
48 pagina’s
Darguad / Oberon, z.j.
vertaling van Le Cadeau de César, 1974

Asterix en het ijzeren schild ~ A. Uderzo & R. Goscinny

De hele Asterix-reeks overziend, volgt er na vandaag hoogstens nog éen klein rondje in deze zomerserie boeklogjes. Want de eerste avonturen uit de albumreeks zijn te oninteressant om er veel over op te merken. De reeks wordt pas prettig herleesbaar vanaf het achtste deel, Asterix en de Britten. Ook Asterix en de Noormannen heeft zijn momenten, net als Asterix en het 1ste legioen/Asterix als legioensoldaat.

Maar het elfde album daarna is dan weer heel matig. Van Asterix en het ijzeren schild blijven hoogstens de grappen aardig over het diëten. Want het stamhoofd Abraracourcix heeft het aan zijn lever, en zoekt daarom een kuuroord op.

De grap dat kleine negertjes gebruikt worden als intercom in een groot bedrijf slaat dan weer helemaal dood.

Het verhaal van dit boek draait evenwel om het schild van de Gallische leider Vercingetorix. Die gaf dat op, lang geleden, aan Caesar, omdat deze hem verslagen had. Alleen blijkt dat schild veel later zoek; als Julius Caesar deze krijgsbuit nog eens gebruiken wilde om de Galliërs publiekelijk te vernederen.

Dus wordt er het hele boek om dit schild gezocht.

Tegelijk kunnen trouwe lezertjes dat heel goed kennen, ook al vanwege de betekenis daarvan. Gallische stamhoofden worden, aldus de Asterix-reeks, rondgedragen op zo’n schild.

Doorlopende grap in alle boeken is dan ook dat stamhoofd Abararacourcix het zo zelden treft met zijn dragers. Hij dondert door hun onhandigheid telkens van zijn hoge positie af.

En nooit wordt er daarbij verder ingegaan op dat de betekenis die kleeft aan dat ene schild van hem, terwijl die er toch wel degelijk blijkt te zijn; volgens dit album.

Het is door een verhaal als dit dat je als lezer beseft dat de hele reeks een chronologie ontbeert. Weliswaar zijn er personages die later in de reeks voor even mogen terugkeren. Toch begint de hele serie bij elk album eigenlijk helemaal opnieuw.

Nu ja, anders zouden die Romeinen het dorp van onze helden ook niet telkens blijven aanvallen.

Het is me ook een raadsel waarom de tactiek om het Gallische dorpje te omheinen met een houten pallisade, en af te sluiten van de buitenwereld — zoals in De ronde van Gallia gebeurt — maar éen keer door de Romeinen wordt toegepast.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en het ijzeren schild
48 pagina’s
Amsterdam boek, 1972
vertaling van Le Bouclier arverne, 1968

Asterix in Hispania ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Wat bij herlezing opvalt aan die avonturen van Asterix en Obelix in den vreemde is dat die vaak een zelfde sjabloon volgen. Ergens in dat verre buitenland is er een dorpje dat net als het dorpje van de Gallische helden manhaftig blijft vechten tegen de Romeinen.

Zij het dat ze daar dan niet de luxe hebben van een toverdrank die onoverwinnelijk maakt.

Dit gegeven speelt zo al in Asterix en de Britten, Asterix in Hispania, en Asterix en de Belgen. Voeg daar dan nog wat grappen, over de stereotype eigenschappen van de Belgen, Spanjaarden, of Britten, en het verhaal lijkt al half daar.

En wat René Goscinny nu zo goed maakte als scenarist is dat hij desondanks memorabele verhalen wist te schrijven; ondanks dat de basis van zijn script vaak precies dezelfde was.

Asterix in Hispania was ooit mijn lievelingsalbum, toen ik zeven jaar oud was. Of acht. En dat zal simpelweg zijn geweest omdat de eigenlijke hoofdpersoon in het boek nu eens een klein jongetje was.

Dat jongetje is de zoon van een Spaans stamhoofd — van een dorpje dat o zo dapper weerstand biedt — dat gevangen werd genomen door de Romeinen, en nu in gijzeling gehouden wordt. Dit had dan moeten gebeuren in éen van de legerkampen die het Gallische dorpje omringen. Maar voor de gijzelaar daar aankomt, wordt hij door Asterix en Obelix bevrijd. Waarop zij naar Hispanië reizen om het kind met zijn familie ter herenigen.

Dit kost vanzelfsprekend moeite.

Wat me nu onder meer opviel is dat het Spaanse stamhoofd in de Nederlandse vertaling Paella y Peseta heet, wat ik altijd nogal vreselijk vond. In het Franse album luidt zijn naam Soupalognon y Crouton [uiensoep met croutons].

En er werd ook eens leuk gespeeld met stereotypen over de bezoekers aan Spanje. Leuk gedaan zijn de vakantiefiles, van ossenwagens waarmee mensen hun huis vervoerden.

De betovering die dit boek ooit had, was evenwel weg.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix in Hispanië
48 pagina’s
Amsterdam boek, 1972
vertaling van Astérix en Hispanie, 1969

Asterix op Corsica ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Zelden herinner ik me jaren later de eerste kennismaking met een boek in detail. Bij het stripalbum Asterix op Corsica ligt dat anders. Omdat op de beginpagina wat kinderen uit het Gallische dorp de groten daar na doen. En ze dan onderling ruzie krijgen over wie zijn beurt het was om voor Romein te spelen.

Ik wilde toen veel meer van dat; over die kinderen.

Want zelfs stripfiguren als Asterix en Obelix waren ooit duidelijk volwassen mannen; terwijl ik dat toen niet was. En dat schiep toch een afstand.

Mijn gevorderde leeftijd heeft me inmiddels immuun gemaakt voor dit soort gevoeligheden. Wel merk ik bij het herlezen nog niet altijd goed te reageren op veel van de woordspelingen in de strip.

Ooit, bij eerste lezing van Asterix op Corsica, wist ik niet dat de naam Asterix ergens vandaan kwam, dat Idéfix een bestaand begrip was, of dat Obelix een verhaspeling is van Obelisk; wat nog heel geen gekke naam mag heten voor iemand die menhirhouwer is van beroep.

Namen waren bij mijn eerste kennismaking met de verhalen gewoon namen. En de uitzonderingen op deze regel, de namen waarin ik de woordspeling wel herkende, waren daarmee al gauw vervelend.

Misschien zou dat anders geweest ziijn als de dorpsleider Abraracourcix indertijd ook al Heroix had geheten, zoals dat tegenwoordig gewoon is. En Assurancetourix Kakafonix.

Het duurde volgens mij ook een tijd voor ik de grappen zag in de namen Kostunrix en Hoefnix — alleen zijn dat eeuwige bijfiguren, die niet eens in alle albums voorkomen, dus die tellen niet echt mee.

Het album Asterix op Corsica komt met het personage dat waarschijnlijk de meest opvallende naam uit de hele serie draagt. Ozewiezewozewiezewallakristallix. Indertijd, bij de eerste kennismaking kende ik het nonsensliedje wel waar deze naam naar verwees. Pas nu begrijp ik, na enig onderzoek, dat dit personage alleen in de Nederlandse versie zo heet.

Zijn Franse naam is Ocatarinetabellatchitchix — wat dan een aaneengeschreven regel is uit het vooroorlogs liedje Tshi, tshi van de Corsicaanse zanger Tino Rossi. De voornaamste bedoeling van deze lange namen lijkt me dat niemand in het boek die in éen keer goed weet te onthouden en dus kan uitspreken — dat is namelijk de running gag.

Zo bezien is Ozewiezewozewiezewallakristallix dan ineens niet een heel goede keuze als vertaling; het nonsensliedje lijkt me gewoon te algemeen bekend.

Ozewiezewozewiezewallakristallix is overigens een Corsicaans stamhoofd, die gevangen genomen werd door de Romeinen, en nu in éen van de legerkampen verblijft die het Gallische dorpje omringen. Bij de Galliërs wordt op dat moment een reünie gevierd, met personages uit vele eerdere albums. En ter verhoging van de feestvreugde gaan zij allen nog even een potje knokken met de Romeinen, waarop de Corsicaan wordt bevrijd.

Daarop verplaatst het verhaal zich naar diens eiland — waar nog menig misverstand rechtgezet moet worden.

Vroeg ik me nu alleen af in hoeverre deze strip nog een parodie is op Mafia-verhalen of films uit het begin van de jaren zeventig.

Maar, misschien geef ik Goscinny soms wel te veel krediet voor zijn grappen. In het begin van het album staat een vrij nietzeggende kaart van het eiland Corsica, waarop alle Romeinse legerplaatsen worden genoemd. En ook die hebben vervelend woordspelerige namen, allemaal eindigend op -um. Maximum? Minimum? Opossum? Referendum? Postscriptum? Ultimatum? Dat is me net allemaal te willekeurig allemaal.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix op Corsica
48 pagina’s
Amsterdam boek, 1975
vertaling van Astérix en Corse, 1974

Asterix: En de Britten ~ R. Goscinny en A. Uderzo

Na een hele reeks matige Asterix-albums te hebben doorgeworsteld, vond ik het een plicht om ook een oude favoriet te herlezen. Immers, misschien lag het gebrek aan kwaliteit van die latere albums wel helemaal niet aan de dood van scenarist Goscinny. Misschien ben ik inmiddels gewoon wel te oud geworden voor deze strips.

Maar nee, de eerste anderhalve pagina van dit album brachten al meer lol dan al die acht latere albums samen.

Asterix en de Britten maakt duidelijk dat die recente albums alle gelaagdheid missen. Dat zijn eendimensionale vertellinkjes geworden, waarvan bijna alle elementen van tevoren al bekend zijn. Maar dit boek biedt behalve stof voor jongere lezertjes ook humor die alleen een veel belezener publiek zal begrijpen.

Goscinny verraste mij steeds weer met heel eenvoudige grapjes, domweg door het gesproken Engels letterlijk te vertalen. Of door te spelen met het Britse understatement, waar veel heviger emoties in een stripverhaal normaal zouden zijn geweest.

Die elementen vergoedden het plot trouwens, want daar was de verrassing wel af. Nu. Dertig jaar later.

R. Goscinny en A. Uderzo, Asterix: En de Britten
48 pagina’s
Uitgeverij Dargaud © 1965
Vertaling © 1974

Asterix: Het pretpakket ~ R. Goscinny en A. Uderzo

De stripreeks Asterix was er al vroeg in mijn leven, om niet te zeggen dat die er altijd is geweest. De oudste albums heb ik dan ook vele malen herlezen.

Mede daardoor was al wat er na de dood van scenarist René Goscinny in 1977 uitkwam minder. Niet alleen omdat de grappen beroerder waren, en de avonturen een stuk minder intrigeerden. Die latere albums nodigden simpelweg niet uit om ze vaker te lezen.

Een merkwaardig boek uit de reeks is daarom Het pretpakket. Weliswaar verscheen dit in 2003, maar al het materiaal daarin dateerde nog uit de jaren zestig. Toen de scenarist zijn beste periode had, en de tekenaar zijn auteur nog vooral ten dienste was.

Bovendien onttrekken de veertien korte verhalen uit deze verzameling zich aan de sjablonen die zelfs de vroege lange verhalen al behoorlijk tekenden.

Ondertussen kende ik de meeste van de opgenomen strips wel. Die waren al eens opgenomen in een gratis boekje bij een stripblad, of stonden dan weer in een schoolagenda afgedrukt.

Nieuw was wel onder meer een verhaal dat zich in de tegenwoordige tijd afspeelt. Als de tekenaar en scenarist naar Bretagne trekken, en daar een nazaat van Obelix treffen; die zij dan naar Parijs begeleiden, om hem te introduceren op de redactie van het stripblad Pilote.

Ook aardig was een verhaal waarin Uderzo voor éen keer de tekenstijlen van beroemde collega’s kopieert. Dit, omdat de makers zo veel suggesties kregen om de strip aan te passen, dat ze daar toch eens gehoor aan wilden geven. De Asterix in flowerpowerstijl vond ik grafisch boeiend. En Asterix op de manier van Peanuts eveneens.

De korte verhalen deden alleen vooral verlangen naar een langer avontuur, met adem, en diepte. En dat zal nooit meer geschreven worden.

René Goscinny en Albert Uderzo, Asterix: Het pretpakket
14 korte verhalen

54 pagina’s
Les Éditions Albert René, 2003

Billy the Kid ~ Morris & Goscinny

Gezien mijn grote hekel aan historische romans zou ik een nog grotere afkeer moeten hebben van strips die spelen in het verleden. Als het een schrijver in zoiets abstracts als het woord al onmogelijk is om anachronismen te vermijden, lukt dat een tekenaar al helemaal niet.

En het moet gezegd, realistisch getekende strips die in het negentiende-eeuwse Amerika spelen doen me niets — zelfs Blueberry niet van de door mij verder toch zeer bewonderde Jean Giraud.

Bij de strip Lucky Luke maakt het dan weer niet uit dat strip in de negentiende eeuw zou spelen.

Deze verhalen zijn namelijk op een gecreëerde en daarmee onechte werkelijkheid gebaseerd. Door alle films, de boeken, en zelfs de muziek, bestaat er een merkwaardig scherp idee in onze cultuur over wat dat Wilde Westen zou zijn; en wie daar zoal rondlopen.

Morris & Goscinny spelen altijd prettig met de clichés die zo ontstaan zijn.

Voor het album Billy the Kid is de naam en de reputatie gebruikt van werkelijk bestaand iemand. William H. Bonney [1859 — 1881], die op zijn twaalfde al voor het eerst iemand zou hebben doodgeschoten.

De Billy the Kid in dit boek is nog een halve kleuter, die vaak op de loop van zijn revolver zuigt ter troost. [Amerikanen gebruiken het woord ‘pacifier’ voor fopspeen, maar ‘pacifier’ is ook de bijnaam van een zwaar type revolver.]

En aan dit verhaal valt op dat The Kid bijna niet gewelddadig is in beeld. Zijn kwalijke reputatie volstaat om eenieder angst aan te jagen. En iedereen aanvaardt dat ook; omdat een bekend gevaar tenminste het voordeel heeft bekend te zijn.

De enige reden waarom Lucky Luke hem voor de rechter kan slepen, is omdat Billy de Kid in het voorbijgaan wat snoep heeft gejat bij de lokale levensmiddelenwinkel. In de Vlaamse vertaling van toen stal hij ‘ulevellen’.

Vanzelfsprekend spreekt de jury van dorpsbewoners hem vrij van deze schanddaad — te bang voor de mogelijke gevolgen als hij weer vrij komt.

En dan gaat het te ver om een humoristisch verhaal filosofisch te gaan duiden. Maar de angstige reacties op Billy the Kid lijken me een perfecte illustratie voor wat terreur doet met een bevolking — en welke belachelijke trekjes die reactie zoal hebben kan. Omdat gevaar slechts in de gedachten hoeft te bestaan.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Billy the Kid
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Billy the Kid, 1961

Calamity Jane ~ Morris & Goscinny

Zeker twee keer eerder al kwam Calamity Jane voor in de Lucky Luke-verhalen tot een heel album aan haar werd gewijd. En alle drie de keren ziet ze er anders uit.

Innerlijk consistent is de reeks dan ook niet te noemen. Zo is Lucky Luke in alle boeken even oud. Terwijl een verhaal in elk decennium kan spelen tussen pakweg 1830 en 1910 — als er tenminste een historisch gegeven als basis gebruikt werd voor het verhaal.

Doorgaans werd dan ook vermeden om jaartallen te noemen.

Bovendien mocht de werkelijke geschiedenis een leuk verhaal vooral niet in de weg staan.

Dus leende Goscinny voor dit verhaal weliswaar de naam van een ooit roemruchte vrouw, maar wordt haar leven verder niet gebruikt. Het zal de schrijver alleen niet slecht zijn uitgekomen ook eens een vrouw als hoofdpersoon in een boek te kunnen opvoeren.

De belangrijkste verhaallijn in Calamity Jane stelt alleen niet zo veel voor. Lucky Luke moet onderzoeken hoe de Apachen plots aan geweren komen. Toevallig redt Calamity Jane [Rampspoed Jans] dan zijn leven, als hij net een bad neemt in een rivier, en daar ineens overvallen wordt.

Zij rijdt met hem mee naar een stadje waarvan Luke vermoedt dat er verdachte zaken gebeuren. En daar blijkt de belangrijkste lokale kroeg het centrum te zijn van illegale activiteiten.

Alleen verwerft Calamity Jane deze kroeg direct door er een weddenschap te winnen — waarna de voormalige uitbater van het etablissement het lokale vrouwenkransje van de stad tegen haar opzet; in de hoop dat hun acties tot een publieke boycott zullen leiden — en Jane zo dwingen gauw het café weer te sluiten.

Aardigste grap van het boek is dat er dan een leraar etiquette moet komen om Calamity Jane — die mannelijker is in gedrag dan alle mannen — met een stoomcursus tot een welgemanierde vrouw op te voeden; die de vrouwenkring uit de stad met alle egards kan ontvangen. In deze steeds wanhopiger wordende leraar herkent de oplettende lezer dan weer David Niven.

Mijn idee was altijd dat de beste Lucky Luke-albums van Goscinny in het tijdschrift Pilote verschenen zijn; waarin wat meer kon dan daarvoor in het kinderlijker weekblad Spirou/Robbedoes. En Calamity Jane was nog net een productie voor Spirou. Toch vond ik het opvallend aardig. Hoewel het boek eigenlijk uit een mix bestaat van twee op zichzelf nog niet eens half gelukte verhalen — dat van die wapensmokkel, en dat van de vrouw die allereerst zichzelf was.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Calamity Jane
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Calamity Jane, 1967

Dalton City ~ Morris & Goscinny

Amper twee albums zaten er tussen dit avontuur met de Daltons en de voorlaatste episode. Hierna volgen ook weer twee avonturen zonder de vier misdadige broers, en dan komt er weer een heel stripboek mét.

Zoals cycli gaan, is dit voor mij niet het meest opwindende publicatieritme. En helaas blijft de reeks zo doorlopen tot het einde van de samenwerking tussen Morris en René Goscinny — toen deze plotseling stierf tijdens een inspanningstest in het ziekenhuis omwille van zijn hart.

Halverwege ben ik nu in de reeks van ongeveer dertig boeken die me de moeite waard lijken om in serie te lezen. En éen truc van de makers is me inmiddels dus duidelijk. Om de paar boeken kon het heel goed om even een avontuur te wijden aan personages die elke lezer al kent.

Grootste voordeel van de Dalton-verhalen is namelijk dat die volledig los staan van welke historische werkelijkheid ook. Dat Goscinny zich daarvoor niet eerst nauwgezet hoefde te documenteren.

Er hoefde alleen maar bedacht te worden in welke situatie de vier broers nu weer terecht zouden komen.

Vast gegeven is ook dat de broers Dalton eerst uit de gevangenis moeten komen, waar ze opgesloten zitten, tot het volgende stripalbum.

In Dalton City komt dat door een onhandige telegrafist, die een bericht van de gouverneur verhaspelt. En daarmee zijn dan zoal weer zes pagina’s van het verhaal gevuld.

Maar uiteindelijk blijken de avonturen met de Daltons me toch ook weer mee te vallen ook. Misschien is dat omdat er heel minieme variaties mogelijk worden in een verhaal als de personages toch al bekend zijn.

De beste grap in Dalton City is dat Joe Dalton denkt te gaan trouwen, met een vaudeville zangeres. En dat hij daarom alle misdadigers in de streek uitnodigt op hun feest, in hun eigen spookstadje. Vanzelfsprekend eindigt het boek met een massale arrestatie. Maar in de Lucky Luke-albums gaat het er dan ook zelden om hoe de verhalen besluiten.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Dalton City
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Dalton City, 1969

Daltons in de blizzard ~ Morris & Goscinny

Er is veel prettig aan het produceren van maatwerk in serie. Routines maken rustig. Want veel ligt al vast. Inspanning is slechts nodig om te bedenken welke afwijking van het vaste stramien nu weer eens geprobeerd moet worden — maar daar is wel energie voor ook.

Dit basale mechanisme gaat zelfs al op voor het schrijven van boeklogjes. De zekerheid dat ik deze vrijdag en de komende vrijdagen over Lucky Luke ga schrijven, is prettig. Laat staan dat de makers van stripreeksen of andere series niet zouden uitbuiten wat er mogelijk wordt door hoogstens minieme variaties te brengen op het al bekende.

Is wel een probleem dat het publiek kan afhaken, als dit niet genoeg meer verrast wordt met een nieuw album, liedje, of de aflevering van een TV-programma.

En dat Lucky Luke nooit een jeugdheld werd, kwam mede doordat zo veel van de albums uit de serie over de Daltons gaan.

Deze boeken leken me altijd volstrekt inwisselbaar. Omdat de vier misdadige broers Dalton te voorspelbaar zijn in hun gedrag. Van de vier hebben ook alleen de kleinste en de grootste een eigen karakter. De kleine Joe is kwaadaardig en driftig, en weet ten onrechte zeker dat hij het brein is van de bende. En het voornaamste kenmerk van de lange Averell is dat hij altijd honger heeft. De middelste twee, William en Jack, zijn volstrekt inwisselbaar, en daarmee al gauw bladvulling. Het enige dat ze uit zichzelf doen, is hun broer Joe tegenhouden als deze Averell te lijf wil gaan.

Alleen zijn de Daltons zo dom niet, of ze weten toch altijd weer uit de gevangenis te ontsnappen; of door een andere reden vrij te komen. Waarop Lucky Luke weer achter ze aan mag om ze te vangen.

Zo bekend is dit stramien dat ik eerst De Daltons in de blizzard las, om te zien of het überhaupt de moeite loonde om me te verdiepen in René Goscinny’s stripscenario’s.

En ziet: toen was dit stripalbum helemaal niet vervelend. De Daltons vluchtten namelijk nu eens naar Canada — wat Goscinny onder meer prettig de ruimte gaf om te spelen met clichés over heel beleefde Canadezen.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De Daltons in de blizzard
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Les Dalton dans le blizzard, 1962

Daltons kopen zich vrij ~ Morris & Goscinny

Het grote variëren op al gekende sjablonen begint in het achtste album van Lucky Luke met René Goscinny als auteur op het kaft. En misschien kan dit ook weinig anders in een verhaal waarin de vier broers Dalton weer eens een hoofdrol krijgen.

Want deze Daltons zitten altijd gevangen aan het begin van een boek. Dus moeten ze eerst vrijkomen voor een verhaal kan beginnen. En de makers hebben niet meer dan twee manieren om ze vrij te krijgen. a] Ze ontsnappen door een onachtzaamheid van de autoriteiten, of b] de autoriteiten maken een andere domme fout.

De Daltons kopen zich vrij is een boek volgens de b]-variant. Het Hooggerechtshof van de VS vindt zich in de kritiek dat er niet genoeg gedaan wordt aan het heropvoeden van gevangenen. Dus worden als proef De Daltons vrijgelaten voor een maand.

Weten zij zich in deze tijd te gedragen, dan zijn ze vrij na afloop. Vallen ze terug in hun misdadige gewoontes, verdwijnen ze voor altijd achter tralies.

En vervolgens weet Goscinny aardig gebruik te maken van het gegeven dat De Daltons niets misdadigs mogen doen, terwijl de hele bevolking van ‘Tortilla Gulch’ denkt dat het nog altijd grote schurken zijn; die maar het best tevreden kunnen worden gehouden door ze ongevraagd buit te schenken.

Alleen draait het eerdere album Billy the Kid om vrijwel dezelfde grap. Als een kwalijke reputatie eenmaal gevestigd is, hoeft die niet eens meer bevestigd te worden.

Zijn er ook andere bandieten in de streek, die dan ineens doen of zij de Daltons zijn — waardoor het nog tot een aardige confrontatie komt tussen beide groepen.

En vanzelfsprekend mislukt het experiment, en slagen de Dalton er niet in om zich een maand lang te gedragen.

Heropvoeding van gevangenen moet ook al tijdens hun opsluiting beginnen — een waarheid zo groot dat Nederlandse politici die nog altijd niet willen begrijpen.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De Daltons kopen zich vrij
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Les Dalton se rachètent, 1965

Daltons op vrije voeten ~ Morris & Goscinny

Iedereen is dom in de albums van Lucky Luke. Behalve dan de hoofdpersoon. En zijn paard wordt in de loop der tijd ook steeds intelligenter.

En de domheid van de andere personages kan gauw te ver gaan — als deze te voorspelbaar wordt.

Mijn minst geliefde vaste personage in de hele stripreeks was altijd Rataplan. De hond. Die in de gevangenis als taak heeft om de Daltons te bewaken. Wat altijd mis gaat, omdat het beest alleen in eten is geïnteresseerd.

Inmiddels denk ik overigens iets milder over de hond. Dat kwam door de simpele ontdekking dat het beest oorspronkelijk Rantanplan heet, in het Frans. Waarmee ineens wel duidelijk werd dat het dier een persiflage is op Rin Tin Tin – de superhond die ooit een groot filmpersonage was in Hollywood.

In De Daltons op vrije voeten speelt Rataplan/Rantanplan voor de verandering overigens eens een heldenrol, als hij beledigd is over de minachting die hem ten deel viel, en Lucky Luke naar de schuilplaats leidt van de ontsnapte Daltons. Dat trekt het verhaal dan weer los.

De Daltons zijn in dit boek eerst op vrije voeten gekomen doordat een nieuwe president bij zijn beëdiging alle gevangen gratie gaf. Maar vervolgens vielen de broers in hun oude misdadige gedrag terug, werden ze zoals gebruikelijk gevangen genomen door Lucky Luke, en ontsnapten ze weer eens tijdens een belegering van hun verblijfplaats door de Apachen.

En met de aanwezigheid van die indianen in de strip had ik ineens wat moeite. Deze spreken voor de gelegenheid een brabbeltaaltje onderling, dat grappig lijkt omdat de schrijver willekeurig wat bekende woorden door hun gebrabbel heen mengt.

Maar waarom zeiden ze ‘Kénédi! kénédi! kénédi!’? In een strip die in 1963 verscheen? Op het moment dat er een doodstraf wordt uitgesproken?

Van Goscinny is bekend dat hij actuele grapjes en andere persiflages vermengde in het verhaal van de strip Asterix — die eerst in een krant verscheen ook. Voor het grootste deel waren dat Franse grapjes over Franse actualiteiten die een buitenstaander niets zeggen zullen. Zonder voetnoten erbij.

Zal hij in Lucky Luke ook zo weleens wat hebben uitgehaald.

Kénédi klinkt als Frans voor Kennedy, zo veel is zeker. Begreep ik daarom een indertijd actuele verwijzing nu eens een keer? Omdat die zo cru is?

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De Daltons op vrije voeten
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Les Dalton courent toujours, 1964

Erfenis van Rataplan ~ Morris & Goscinny

De gouden tijd van de strip Lucky Luke was de periode dat René Goscinny de scenario’s schreef. En binnen deze periode is er nog een afzonderlijke fase waarin de kwaliteit gemiddeld hoger lag dan normaal. Dat was toen Lucky Luke in het tijdschrift Pilote verscheen; waarvan Goscinny hoofdredacteur was; en zijn handelingsvrijheid groter dan ooit zal zijn geweest.

De erfenis van Rataplan was alleen wel het laatste stripverhaal dat een voorpublicatie kreeg in Pilote. Het tijdschrift veranderde in 1974 van een weekblad in een maandblad — waarmee er meer nadruk zal zijn gegaan naar afgeronde verhalen, in plaats van langer lopende series.

Van alle ontdekkingen die ik de afgelopen tijd deed over Lucky Luke is wel de opvallendste dat de kwaliteit, voor mij, zo nauw samenhing met het medium waarin de strip het eerst verscheen. Hierna kwam er eigenlijk ook maar éen album uit dat ik nog de moeite waard vind. Het Lucky Luke-zomerprojectje op boeklog duurt daarom nog éen week, en wordt over veertien dagen afgerond met een samenvattingsboeklogje.

De erfenis van Rataplan pakte weer eens uit als een pas-op-de-plaats boek. Vanzelfsprekend spelen de gebroeders Dalton weer een hoofdrol. Natuurlijk moeten deze eerst uit de gevangenis ontsnappen voor ze actief aan het verhaal kunnen meedoen — Averell maakte daartoe een revolver van zeep. En dat lukte hem zo goed omdat hij een voorbeeld had.

Plot van het boek draait om het bizarre gegeven dat een oud-gevangene zijn hele kapitaal heeft nagelaten aan de gevangenishond Rantanplan. Deze is daarmee plotsklaps het rijkste dier van het Westen geworden.

Puntje is nog wel dat als Rantanplan sterft, de erfenis zal vervallen aan Joe Dalton. Want in eerlijke mensen heeft de opsteller van het testament geen enkel vertrouwen meer.

Extra verhaallijn in het boek is de aanwezigheid van Chinezen in Amerika — meestal naar dat land gekomen om aan de spoorwegen te werken. En opnieuw lukte het Morris & Goscinny toch niet om echt leuke grappen te ontwikkelen op basis van de mogelijke cultuurschok.

Maar de grap dat de domste en grilligste hond denkbaar ineens een personage van belang wordt, is aardig genoeg om bijna een heel boek te kunnen dragen.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De erfenis van Rataplan
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van L’héritage de Rantanplan, 1974

Escorte ~ Morris & Goscinny

Naast de teksten voor Asterix schreef René Goscinny [1926 — 1977] begin jaren zestig ook de scenario’s voor de stripreeksen Lucky Luke, Grootvizier Iznogoedh, en de verhaaltjes over de kleine Nicolas/Nicolaas. Tezelfdertijd was hij redacteur en later zelfs hoofdredacteur van het stripblad Pilote.

Veel van wat hij toen maakte is zonder meer briljant. En dat nog altijd.

Maar het zal ook duidelijk zijn dat niet alles altijd lukte.

Dat is overigens geen verwijt. Mij interesseert in deze reeks op boeklog allereerst welke trucs Goscinny toepaste om zichzelf het leven makkelijker te maken. Van de Asterix-reeks is bijvoorbeeld bekend dat die een vast ritme had. Als het ene album een verhaal had dat thuis speelde, moesten de striphelden het volgende boek weer op reis.

En door zo’n reis kon de schrijver dan gauw weer eens met nieuwe stereotypen spelen.

Bij verhalen die in het 19e-eeuwse Amerika spelen, is er al veel minder mogelijk met cultuurschokken. De Daltons kunnen een keer naar Canada vluchten, of ze zoeken het geluk eens over de grens in Mexico. En dan houdt het aan ontsnappingsmogelijkheden al aardig op.

Het stripalbum Het escorte is misschien daarom ineens een zwaktebod van Morris & Goscinny. De makers variëren slechts op tropes die in eerdere boeken al beter zijn uitgewerkt. Zoals in het album Billy the Kid.

In Het escorte moet Billy the Kid berecht worden in de buurstaat New Mexico; ondanks dat hij in Texas al veroordeeld is tot 1.247 jaar dwangarbeid. En de gevangenisdirectie gaat in deze aanklacht mee, met het idee dat de misdadiger bij de buren waarschijnlijk wel opgeknoopt zal worden.

Vanzelfsprekend is Lucky Luke de enige vertrouwd genoeg om Billy the Kid al die honderden mijlen te escorteren.

Enfin. Daarop volgt er dus een herhaling van bekende verhaalelementen. De reis is moeizaam, want de misdadiger probeert te ontsnappen. Mensen die Billy the Kid herkennen, vrezen hem zeer. En er is een andere misdadiger die hem bevrijden wil, omdat Billy hem deel van de buit belooft uit zijn eerdere misdadigersbestaan.

Maar uiteindelijk komt het toch tot een rechtszaak. En die gaat dan om zoiets als een parkeerboete. Vergeef me als ik de enige wellicht aardige grap uit het album hiermee verraad. Ik vond namelijk ook die ontknoping te voorspelbaar.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Het escorte
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van L’Escorte, 1966

Genezing van de Daltons ~ Morris & Goscinny

Vooraf aan dit leesprojectje vreesde ik de strip Lucky Luke weleens stuk te kunnen lezen voor ik aan de laatste album toe zou zijn. Als iets in serie geproduceerd is, en toch wel aftrek vindt, kan dat heel goed betekenen dat de makers uitverkoop gaan houden. En het daarom met de jaren wat makkelijker aan doen.

Dit zou mij dan ongenadig opvallen. Het tempo van mijn lezen betekent namelijk dat mijn herinnering aan voorgaande stripalbums nog behoorlijk vers is — zodat minieme variaties op het al bekende onmiddellijk zouden opvallen.

Maar, het late album De genezing van de Daltons is misschien wel het meest geslaagd van de hele reeks die Goscinny schreef. Of, althans, ik beleefde er nogal wat plezier aan.

En dat komt dan toch weer door het gegeven dat Goscinny een element van buiten dat Wilde Westen binnenbracht dat daar volkomen vreemd is. In dit geval is dat de buitenlandse geleerde professor Otto von Himbeergeist. En deze man weet zeker dat misdadigers niet inherent slechte mensen zijn, en dat zij daarom genezen kunnen worden.

Als dat geen eeuwig debat is inmiddels.

In een Lucky Luke-album moet zijn theorie dan vanzelfsprekend op de Daltons worden uitgeprobeerd. Alle ruimte aan de wetenschap.

Al waren er ook nog even andere kandidaten:

In dit album is de kwaliteit van bijna alle grappen goed. Niets is heilig, en zelfs de oude Freud wordt nog even weggezet in een terloopse grap, die leuk is voor de ervaren lezertjes en jonge stripfans geheel niets zal zeggen.

Running gag in dit album is dat bij iedereen de jeugd de rest van het leven bepaalt. En dat de goede dokter Himbeergeist zelfs bij Lucky Luke meteen diens zwakke plek weet te pakken. Zingt deze niet altijd een eenzame cowboy te zijn, ver weg van huis?

Zit er ook nog een fijne tournure in het verhaal. Want er was een reden dat Himbeergeist de ergste misdadigers denkbaar wilde genezen — en daarvoor eerst hun vertrouwen wilde krijgen.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De genezing van de Daltons
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van La guérison des Dalton, 1975

Grootvorst ~ Morris & Goscinny

De beste strips die Goscinny schreef, spelen met een fijne cultuurschok. In de Lucky Luke-albums worden er daartoe gauw eens personages naar het Wilde Westen gehaald voor wie dat een compleet vreemde omgeving is.

En in die zin leek het album De grootvorst veelbelovend. Een Russisch edelman, uit de kringen rond de Tsaar, moet een rondleiding krijgen door Amerika. Alles om de Russen maar gunstig te stemmen om een handelsakkoord te sluiten met de VS.

Alleen bleek daarop dat Goscinny & Morris nauwelijks clichés kenden over Russen die eens prettig konden worden uitvergroot in het verhaal. Te spelen was er niet zo veel.

Ja, Russische mannen drinken. En zullen daarom weleens luid om drank roepen. En nee, ze zullen niet altijd Engels spreken. Tegelijkertijd sprak en las iedereen in de hogere Russische kringen Frans — en daar is toch merkwaardig weinig mee gedaan in deze Franse strip.

Het enige typisch aan de grootvorst is diens voorliefde voor een spelletje Russische roulette op zijn tijd.

Verder worden de grootvorst en zijn adjudant de hele rondreis achterna gezeten door een spion — althans, het personage lijkt uit de strip Spy vs Spy te komen — die hen telkens met bommen vermoorden wil.

Aardigst vond ik daarom dat er opvallend meta-gegeven ten grondslag ligt aan het verhaal.

De Russen zijn benieuwd naar het leven aan de frontier in de Amerika, omdat ze dit zo goed uit de boeken hebben leren kennen. In een strip die speelt met wat bij ons aan clichés leeft over het Wilde Westen, komt er dus ineens nadruk op te liggen dat er clichés bestaan over dat Wilde Westen. Daarom moest Goscinny plots ook zijn best doen om een paar ideeën daarvan te ontkrachten.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De grootvorst
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Le grand duc, 1975

Grote avonturen van de kleine Nicolaas ~ René Goscinny & Jean-Jacques Sempé

Na drie boeken in vertaling te hebben gelezen van het nagekomen werk, zou ik een eindoordeel kunnen vellen. Zijn de teruggevonden Histoires inédites du Petit Nicolas de moeite? Of is het slechts een zegen voor de uitgevers geweest dat een groot succes, dat wereldwijd miljoenen boeken verkocht, nog verder viel uit te melken?

Uitgevers gooien nu eenmaal elk kattebelletje van een auteur in de verkoop, op den duur, als dat de belangstelling voor zijn of haar oeuvre nieuw leven geeft.

En dan is mijn opinie niet helemaal eenduidig.

Voor de boeken spreekt dat de belangrijkste gimmick nog altijd werkt. De stem van de het kleine jongetje Nicolaas, die in alles het goede wil zien, blijft een stem die gehoord moet worden.

Ik had ook te veel de neiging om door te blijven lezen. Om vermaakt te blijven worden.

Tegen de drie boeken spreekt dat iemand anders dan de oorspronkelijke makers de verhalen heeft ingedeeld. En dat maakt de volgorde wat willekeurig — zelfs al is er nooit een verhaal waardoor er iets fundamenteel verandert, zoals eerder gememoreerd.

Als ik niet alle drie de boeken tegelijk had aangeschaft, zou ik me bijvoorbeeld ook erg bekocht hebben gevoeld door het kaft van Nieuwe avonturen van de kleine Nicolaas — omdat het verhaal waarin Nicolaas een trompetje krijgt in dat hele boek niet voorkomt; anders dan de tekening doet vermoeden. [Deze meesterlijke vertelling staat in: Meer nieuwe avonturen van de kleine Nicolaas].

Mij viel verder op dat ik weinig tijd besteedde aan de tekeningen van Sempé. Hoewel de illustraties er van het begin bij hebben gehoord, en die de kleine Nicolaas mede maakten tot wat hij is, gaat het bij deze verhalen zo om de bewoordingen, dat het beeld daar in het boek voor mij niet veel aan toevoegde; op een paar zeldzame uitzonderingen na dan. De tekening van de jongetjes in de dierentuin, bijvoorbeeld, voor wie een jong poesje van een oppasser interessanter is dan alle getoonde exoten, was wel zo’n hoogtepunt.

Net als die kafttekening van dat jongetje met zijn trompetje.

René Goscinny & Jean-Jacques Sempé
Grote avonturen van de kleine Nicolaas
251 pagina’s
Atlas, 2009
Vertaling door Marijke Koekoek van Histoires inédites du Petit Nicolas
(Hoofdstuk 7 t/m 10)

Grote oversteek ~ A. Uderzo & R. Goscinny

De strip Asterix hield er een keurig ritme op na. In de Franse versie tenminste; toen Goscinny en Uderzo de verhalen nog samen maakten. Een avontuur thuis, in het dorp van de Galliërs, wordt telkens afgewisseld met een avontuur op reis.

De nummering van de Nederlandse vertalingen houdt zich alleen niet aan die oervolgorde. Waardoor ik deze zomer liever de Franse volgorde aanhoud, aftellend van het laatste boek dat Goscinny schreef tot het begin.

Of tot zo gauw de verhalen mij heel erg gaan vervelen.

Vorig jaar zomer duurde het bijvoorbeeld lang voor de stripreeks Lucky Luke ook echte volwassen grappen bracht. Daartoe moesten de verhalen eerst verschijnen in het blad Pilote; waarvan Goscinny nog even hoofdredacteur werd. En de Asterix-reeks schijnt tot Asterix en de Helvetiërs — het zestiende deel in de reeks — allereerst een kinderstrip te zijn geweest.

Terugkijkend naar mijn jeugd moet ik de albums zo ongeveer vanaf Asterix op Corsica, deel 20 uit 1975, hebben gekregen op het moment van verschijnen Ook De grote oversteek, deel 22, is daarmee éen van de boeken die het langst in mijn bezit zijn. En daarmee wordt het een boek dat werkelijk talloze malen gelezen en herlezen moet zijn.

Heel verrassend bleek het verhaal daardoor niet meer te zijn.

Aardig is hoogstens dat tegenwoordig Basken en Bretoenen moeite doen om te bewijzen dat hun schippers ook allang wisten waar Amerika lag, voordat Columbus daar naartoe voer.

Goscinny en Uderzo spelen er in hun verhaal enkel mee dat de Vikingen al weet hadden van land, aan de andere kant van de oceaan.

Asterix en Obelix hebben dan weer geen enkel benul. Waar zij, afgedreven op zee na een herhaald noodweer, op een indianenstam stuiten, denken zij met een Romeins vreemdelingenlegioen te maken te hebben.

En de Romeinen deden inderdaad indertijd aan dit soort van volksverhuizingen — die lieten hun grenzen bewaken door troepen die niet uit de buurt kwamen; opdat deze vooral niet te veel sympathie zouden hebben voor de lokale bevolking.

Ik vond het gehele verhaal helaas nu wat klein. En zelfs van de verwijzingen die ik als jonge lezer niet gezien zal hebben, waren er nu te weinig om me echt te verrassen. Ja, de jonge Viking, met zijn Deense dog, die quote de meest bekende regels uit Hamlet. Dus zal hij een Deense prins zijn geweest.

In de Nederlandse vertaling heet dit personage evenwel Christøffelsen — waar zijn naam in de Franse oerversie Kerøsen luidt. Geen spelerijtje met Hamlet.

Maar een verwijzing als die naar het vrijheidsbeeld herkende ik zelfs als jong lezertje al.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, De grote oversteek
48 pagina’s
Oberon, 1976
vertaling van: La Grande Traversée, 1975

Jesse James ~ Morris & Goscinny

Shakespeare kwam in mijn leven door een Lucky Luke-album. Dat is mijn definitieve antwoord, voor als u mij oppervlakkigheid verwijt door zo veel aandacht te schenken aan een stripje hier.

Toegegeven, de kans dat ik anders nooit van Shakespeare had gehoord, is nihil.

En het was ook niet dat ik toen al begreep wie of wat Shakespeare was, of waarom René Goscinny iemand opvoerde die enkel sprak in de onnozelste citaten uit het werk van de grote bard.

Ik begreep nog niet eens wat citaten zijn, waarschijnlijk. Want het verwarde me behoorlijk dat in de tekstballonnen van Frank James — de belezen broer van Jesse James — zo veel woorden tussen haakjes stonden.

Jesse James was mijn eerste Lucky Luke-album. En ik kreeg dat op een leeftijd dat een groot deel van de inhoud nog te hoog gegrepen was.

Dat Jesse James een Robin Hood wilde zijn, volgens dit verhaal, die stal van de rijken om de buit te verdelen onder de armen, was nog wel helder. Walt Disney had indertijd ook een Robin Hood-verhaal, met een vos als hoofdpersoon.

Maar dat Jesse James het een groot filosofisch probleem vond dat hijzelf weer arm werd als hij alle gestolen geld wegschonk, zal ik niet helemaal begrepen hebben indertijd.

Zijn intellectuele broer Frank stelde daarop voor de buit aan hem te schenken, omdat hij nog altijd arm was. En daarop zou hij het geld weer aan Jesse teruggeven, vanwege diens plotselinge armoede. Da capo. En met deze wisseltruc kon alle opbrengst van hun misdaad mooi binnen de familie blijven, terwijl ze toch ethisch handelden.

Voor dit boek zijn dus historisch bestaande personages gebruikt, zij het dat hun levensverhaal nogal wat anders was. Jesse James en zijn bende staan nu vooral nog bekend om hoe zij tientallen mensen doodden tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog.

Dat James zichzelf als Robin Hood zag, schijnt wel degelijk onderdeel van diens legende uit te maken. Net als dat Goscinny in dit album zijn bende terecht nogal wat treinen laat overvallen — de spoorwegen hadden het land van hun moeder afgepakt.

Kortom, het is niet allemaal makkelijke grappen, zo’n boek als dit. Daar heeft wel degelijk onderzoek aan ten grondslag gelegen.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Jesse James
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Jesse James, 1969

Karavaan ~ Morris & Goscinny

Maurice de Bevere (Morris) ging in Aalst op school, bij de paters vast, en hij schijnt al zijn leraren later in de Lucky Luke-abums te hebben vereeuwigd. Als begrafenisondernemers altijd. Ook plechtig in het zwart.

En het valt op, in vrijwel alle boeken komt wel zo’n begrafenisondernemer voor. Die dan steevast blij is met de aanwezigheid van zware misdadigers in de buurt; want dat levert gauw eens klandizie op. Geen van deze griezels lijkt ook op de griezel uit een eerder album. Tot nu toe.

Toch gaat er nooit iemand dood in de stripverhalen. Op een beest of wat na dan dat als maaltijd dient. Maar daarvan is het sterven buiten het verhaal gehouden.

In het album De karavaan [nr. 24] rijdt de begrafenisondernemer voor het gemak mee met de huifkarren die naar Californië trekken. Er vast van overtuigd dat er slachtoffers zullen vallen tijdens de moeizame reis.

Daarbij krijgt hij in de loop van de trek gezelschap van een uitvinder, die me ook een karikatuur lijkt van iets of iemand. Daarvoor is dat mannetje te zorgvuldig getekend; in vergelijking met andere figuranten. Maar van welke beroemdheid, lokaal of internationaal, was het omstreeks 1963 aannemelijk dat die een rol als verstrooid genie spelen kon?

De uitvinder dacht steeds een wagen te hebben ontwikkeld die uit zichzelf bewegen kon. Alleen crashten zijn auto-mobielen telkens direct. Rijden is dan ook niets. Gecontroleerd kunnen stoppen, dat betekent pas wat bij het maken van een rijdend ding.

Verder was De karavaan het minste album dat ik las tot nu toe. Wellicht kwam dit door de voorspelbaarheid van het verhaal. Zo’n huifkartrek lukt, of lukt niet. En in de albums van Lucky Luke is er een vrij grote zekerheid dat de poging wel lukken zal. Maar ook dat er tot het einde pogingen tot sabotage zullen worden verricht.

Toch is nu juist in 2007 nog een lange tekenfilm naar dit verhaal gemaakt — waarschijnlijk omdat zo’n reis een aardig vehikel is om dingen te laten gebeuren.

Enige aardige grap uit het boek was die over scalperen — na de onvermijdelijke belegering van het konvooi door een indianenstam. Zin in vechten hebben de indianen eigenlijk niet. Maar ze zijn toch ook aan hun stand verplicht enkele scalps te oogsten.

En ziet, wat een geluk dat er dan ook een Franse barbier meerijdt in de karavaan, die de laatste Parijse haarmode in Californië wilde introduceren, en daarom nogal wat pruiken mee heeft genomen.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De karavaan
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van La Caravane, 1964

Kleine Nicolaas / Kleine Nick ~ René Goscinny & Jean-Jacques Sempé

Na alles te hebben gelezen wat over de kleine Nicolaas vertaald is in het Nederlands, deze eeuw, bleek ik toch zitten met een vraag. Had ik niet een heel ander boek gelezen, in de jaren tachtig?


Sommige verhalen uit de nieuwe uitgave waren werkelijk als het welkom met een oude vriend. Waarbij ik het onderwerp van het verhaal telkens wel onthouden had, maar de clou altijd bleek te zijn vergeten.

Mijn herinnering dat het in die eerste selectie verhalen vooral om Nicolaas op school gaat, bleek dan wel weer te kloppen. Vader en moeder zijn maar bijfiguren — in de hele reeks krijgen ze ook nooit namen.

En toen ik ter controle de Duitse versie doornam van het eerste boek, werd me nog meer duidelijk. In de Franse oeruitgave staan altijd maar een gering aantal verhalen. Zo rond de tien. Daarentegen zijn de boekjes in kleur geïllustreerd.

In vertaling moeten Sempé’s tekeningen van de kleine jongen en de zo veel grotere volwassenen het doen in zwart wit en lijn. Dit maakt dat er soms een dimensie mist.

Maar ook hebben buitenlandse uitgevers telkens een keuze gemaakt wat er in dit eerste boek kwam te staan. De selectie voor de Nederlandse uitgave wijkt af van de Duitse versie, en beide zijn anders dan het Franse origineel. Ze geven meer verhalen, en zijn dus rijker, maar tegelijk armer dan de Franse Le petit Nicolas.

Verder is Nicolaas’ ademloze taalgebruik in het Nederlands stilzwijgend verbetert. Daarmee werd toch ook wat aan leven weggehaald.

Is nu slechts nog een vraag of de namen van de vriendjes die ik ooit als jongen leerde kennen niet ook afwijken van hoe ze nu luiden. Goscinny en Sempé kozen ervoor de schooljongens niet alledaagse namen van heiligen en antieke koningen te geven. In vertaling worden ook die al gauw aangepast. Net als dat in de Duitse vertaling de hele setting naar Duitsland is verplaatst, waardoor de jongens de topografie van een andere rivier leren dan die van de Seine.

Uiteindelijk telt natuurlijk maar éen ding. In welke versie ook, de oer-avonturen van Nicolas/Nicolaas/Nick blijven leuk. Ik ken ander geen boek waarbij ik al binnen twee zinnen na het begin lachen moest.

Gaat het er nog alleen maar om dat de klas op de schoolfoto gaat. Een herinnering voor heel het leven.

Zal ik die eerste vertaling op school hebben gelezen, overigens? Dat zou toch wel prettige ironie zijn. We hadden het boek niet thuis.

René Goscinny & Jean-Jacques Sempé,
De kleine Nicolaas
156 pagina’s
Atlas, 2005
Vertaling door Marijke Koekoek van Le Petit Nicolas
 
René Goscinny & Jean-Jacques Sempé,
Der kleine Nick
Achtzehn prima Geschichten vom kleinen Nick uns seinen Freunden
171 pagina’s
Diogenes, 2005
vertaling door Hans Georg Lenzen van Le Petit Nicolas &
Les vacances du petit Nicholas

Ma Dalton ~ Morris & Goscinny

Tijdens de zoveelste variant van het gebruikelijke Daltons-verhaal blijkt dat hun moeder nog leeft. En dat Lucky Luke de vrouw, zonder de familiegelijkenis te zien, helpt de straat over te steken.

Waarop ze prompt een winkel overvalt. En dan nog éen.

Maar de winkeliers spelen het spel vrolijk mee. Is het niet schattig ook, een oud vrouwtje met zo’n grote revolver.

Heel het stadje onderhoudt haar namelijk, want zo’n oude vrouw heeft haar trots, en is liever niet openlijk afhankelijk van de bedeling.

Als de Daltons vervolgens uit de gevangenis ontsnappen — op een teleurstellende manier, door brand te stichten, en weg te sluipen in de verwarring — vluchten ze nu eens naar mams. Heel het mens is in de eerdere boeken nog niet voorgekomen. Maar eenmaal bedacht, wordt ze prompt de belangrijkste persoon in het leven van haar zoons.

Vervolgens terroriseren de vier zonen de streek, ditmaal verkleedt als hun moeder.

Lucky Luke redde vervolgens de zaak met dezelfde truc als hij uithaalde in het album Dalton City — door een feest te organiseren. Bij Ma Dalton bepleitend dat haar kinderen beter af zijn in het gevang.

En die herhaling was er net te veel aan voor mij. Het album Ma Dalton was niet vervelend, alleen zeker geen hoogtepunt in de reeks. Variaties op een bekend thema brengen is éen ding, maar zo’n minieme variant te weinig inspirerend.

Voor het eerst bij al deze boeken vroeg ik me ook af hoe de strips geschreven werden. Lag er een gedetailleerd plan van tevoren? Of was het elke week afwachten wat Goscinny nu weer bedacht had aan verhaal?

Sommige grappen lezen namelijk zo. Die zijn dan net een pagina of wat te lang. Waardoor ik vermoed dat de makers daarmee tijd probeerden te rekken in afwachting van de perfecte vondst om alles weer vlot te trekken.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Ma Dalton
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Ma Dalton, 1972

Meer nieuwe avonturen van de kleine Nicolaas ~ René Goscinny & Jean-Jacques Sempé

De verhalen over de kleine Nicolaas kunnen heel goed per stuk gelezen worden. Er zit geen groter verhaal achter; niets ontwikkelt zich tot iets heel anders. Aan het einde van het verhaal is de toestand van in het begin meestal weer hersteld; want het ging om de schermutselingen die er even waren.

Dus zit de jongen op school, werkt zijn vader op kantoor, en slooft zijn moeder als huisvrouw. Daar verandert verder niets aan.

Telkens als Nicolaas’ beste vriend Alcestus in een verhaal voorkomt, wordt daarover gezegd dat die zo van eten houdt, en daarom wat dik is.

En als buurman Zwartzaad in het verhaal meedoet, krijgt deze altijd ruzie met vader.

Dus zijn er wel telkens vermeldingen van cijfers, voor huiswerk, of opdrachten bij het bord. Maar dat zijn altijd aanleidingen voor een ander verhaal. Als Nicolaas bij uitzondering eens de beste van de klas is in een dictee, gaat het erom dat zijn vader hem van alles beloofd had, mocht het ooit zo ver eens komen.

Dus gaat Nicolaas wel een paar keer op vakantie, met de trein, en gekookte eieren onderweg, maar negeren de schrijvers voor het gemak de hele vraag of Nicolaas wel over is gegaan, op school.

En dat statische aan de verhalen maakte dat ik ontdekte ze veel te snel te lezen; tuk op de humor; hongerig naar nog meer lach. Terwijl het om de zinnetjes gaat, en alleen de zinnetjes. Om de frictie die daarin ontstaat tussen wat de jongen zegt, en hoe de lezer het gedrag interpreteert van de volwassen waarover Nicolaas vertelt.

[wordt vervolgd]

René Goscinny & Jean-Jacques Sempé
Meer nieuwe avonturen van de kleine Nicolaas
186 pagina’s
Atlas, 2007
Vertaling door Marijke Koekoek van Histoires inédites du Petit Nicolas
(Hoofdstuk 4 t/m 6)

Naijver in Painful Gulch ~ Morris & Goscinny

Slechts twee stripreeksen verkochten beter in Europa: Kuifje en Asterix. En toch is de populariteit van Lucky Luke altijd wat langs me heen gegaan. Er staan albums van hem in de kast. Maar die heb ik ooit gekregen. Nooit was er lust om met zakgeld die verzameling aan te vullen.

Terwijl er toch boeken genoeg waren.

Alleen zit in die overmaat ook het probleem. Er bestaan heel aardige Lucky Luke-albums, die niet alleen voor jongens tot een jaar of acht negen te genieten zijn. Er zijn evenwel ook nogal wat minder gelukte uitgaven. Morris begon zijn cowboy al in 1947 te tekenen, en kwam toen nog niet veel verder dan het uitserveren van grappen. Hij had uiteindelijk scenaristen nodig om hem verhalen aan te leveren.

En zelden zal een striptekenaar in zijn carrière met zo veel verschillende schrijvers hebben samengewerkt.

De geniaalste scenarist van allemaal zou dan René Goscinny zijn geweest — die nog beter bekend is als maker van de eerste en goede Asterix-boeken. [1]

Dat is dan een waarheid die je voor kennisgeving aan kunt nemen. Alleen las ik laatst een Lucky Luke die door Morris en Goscinny samen werd gemaakt, en toen verraste dat boek. En ook een tweede proeve van hun samenwerking smaakte naar meer.

Daarom zal boeklog de komende weken, zo niet maanden, aandacht besteden aan alle Lucky Luke-albums waaraan Goscinny mee heeft gewerkt.

Volgens de informatie op het boek was Naijver in Painful Gulch [Les Rivaux de Painful Gulch] in 1961 het eerste verhaal waarin door de twee werd samengewerkt — terwijl dit toch al de negentiende boekuitgave in de reeks is. Wikipedia weet in sommige talen iets anders, Lambiek’s Comiclopedia heeft het over eerdere anonieme bijdragen, maar je moet ergens vanuit gaan.

Naijver in Painful Gulch biedt een variant op een vrij vast gegeven in de Lucky Luke-boeken. Ergens in het Wilde Westen van Amerika, eind negentiende eeuw, lijdt een stadje onder de tirannie van iets of iemand. Daarop grijpt onze held in.

In dit boek zijn het twee families die elkaar bij alles naar het leven staan — al zijn ze allang vergeten waarom.

En dat gaat het me nu te ver om hier parallellen te trekken met conflicten in het Midden-Oosten. Maar dan zou zo’n eenvoudig stripalbum als dit wel degelijk zo gelezen kunnen worden. Vooral omdat Morris & Goscinny zo prettig de domheid laten zien van blinde haat.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Naijver in Painful Gulch
44 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Les Rivaux de Painful Gulch, 1961
  1. N.B. Asterix begon in 1959, de samenwerking tussen Morris en Goscinny voor Lucky Luke in 1961 — al hebben andere bronnen het over 1955. Wellicht ontwikkelden beide strips zich parallel. []

Nieuwe avonturen van de kleine Nicolaas ~ René Goscinny & Jean-Jacques Sempé

Tachtig nieuwe verhaaltjes leverde in 2004 de herontdekking op van nooit gebundeld materiaal over de kleine Nicolaas, uit het begin van de jaren zestig. En in Frankrijk werden deze vertellingen uitgegeven in vijf nieuwe boekjes.

In Duitse vertaling bestaat er een uitgave waarin alle verhaaltjes in éen dik boek gebundeld zijn.

Maar de Nederlandse vertaling van dat materiaal leverde dan weer drie boeken op; om het simpel te houden. En Nieuwe avonturen van de kleine Nicolaas is daarvan de eerste.

Ik had vooraf enige vrees of die drie boeken wel de moeite waard zouden zijn. Dat ene boek over kleine Nicolaas dat ik goed kende, was namelijk heel leuk. Dat kleine jongetje dat overal zo enthousiast over vertelde een held. Alleen is leuk van vroeger, later vaak gauw eens vervelend.

En, als die verhalen indertijd niet de moeite van het uitgeven waard waren geweest, zouden daar dan niet ook goede redenen voor hebben bestaan?

Maar, bij het lezen trad een ander effect op. De verhalen verdiepten mijn kennis soms omdat er details werden ingevuld die ik nog niet kende.

Zo is Nicolaas stiekem nogal verliefd op zijn buurmeisjes Marie-Hedwig. Pas in het boek Meer nieuwe avonturen van de kleine Nicolaas wordt verteld hoe haar familie naast de zijne kwam wonen; en dat er meteen nieuwsgierigheid was, naar elkaar.

Voor de rest zijn het natuurlijk voorvallen van niets, die plaatsvinden. In het leven van een kleine jongen wordt de kleinste gebeurtenis al een avontuur.

Dit boek gaat vooral over de belevenissen op school. Waarbij de klas onder meer een middagje naar het circus gaat, en de leeuwentemmer na afloop aan de juffrouw komt zeggen dat hij haar beroep niet zou aandurven.

[wordt vervolgd]

René Goscinny & Jean-Jacques Sempé
Nieuwe avonturen van de kleine Nicolaas
183 pagina’s
Atlas, 2006
Vertaling door Marijke Koekoek van Histoires inédites du Petit Nicolas
(Hoofdstuk 1 t/m 3)

Obelix & Co. ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Voegt het aan het verhaal toe, om te weten dat de ambitieuze jonge Romein, die ineens alle menhirs opkoopt die het Gallische dorp produceren kan, gebaseerd is op iemand? Uderzo zou deze ‘Adolescentus’ gemodelleerd hebben naar Jacques Chirac — toen de jongste Franse minister-president in eeuwen; die meteen al berucht was om zijn haast onbegrijpelijke stadhuistaal.

Niemand begrijpt het georakel van Adolescentus ook altijd direct in het boek. Waarop deze — als running gag — zijn betoog nog even samenvat in éen zinnetje sterk vereenvoudigde taal. In wat lijkt op kleine-negertjes-Frans.

Ik vind dit meer dan een aardig weetje. Ik ben in elk geval blij iets mee te krijgen van alle dubbele lagen die de strip Asterix ook altijd heeft gehad. Mede omdat zo veel daarvan de vertaling naar het Nederlands al niet overleefde. Heeft de tijd bovendien invloed. Chirac ziet er tegenwoordig heel anders uit dan veertig jaar terug; toen dit album gemaakt werd. En hij niet alleen.

Uderzo maakte vanzelfsprekend ook simpeler visuele grappen, al dan niet daartoe aangezet door zijn scenarist Goscinny. In Obelix & Co komen onder meer Laurel & Hardy voor als Romeinse soldaten; die als order krijgen om een ossenwagen vol menhirs uit te laten. En dat heb ik altijd al geweten, wat de grap nu dus meteen minder maakt.

Heeft de tekenaar zichzelf, Goscinny, en Pierre Tchernia — de verantwoordelijk was voor de films — in dit boek nog geportretteerd als de laatste verlopen Romeinse legionairs die het kamp Babaorum verlaten eenmaal de aflossing er is.

Obelix & Co. heet een satire te zijn op de uitwassen van het ongebreidelde kapitalisme. Mij viel eerder al op dat Goscinny het boek geheel ophing aan een plot dat hij gebruikt had in het album De Romeinse lusthof.

De opstandige Galliërs hebben namelijk niets tegen de Romeinen, als ze flink geld aan hen kunnen verdienen. Alleen moet dan ook meteen alles wijken voor dat geld verdienen. Mede omdat mensen zich heel belangrijk voelen met enorm veel geld.

Maakt daarbij niet uit dat ze al hun uren voortaan bezig zijn met het maken van iets dat geen enkel nut dient. Zoals die menhirs.

Als lezer nu vind ik deze satire aardiger dan ik die bij eerste lezing als kind vond. Vooral het gegeven dat ook Romeinen, Grieken, en Egyptenaren die nutteloze menhirs gaan produceren is leuk. Er kwam nu eenmaal vraag naar. Dus wordt er geconcurreerd.

Heeft dit verhaal nog een catharsis bovendien; want als de vraag naar menhirs eenmaal verdampt, en de Romeinse staat veel te veel geld blijkt te hebben gespendeerd aan iets zonder waarde, devalueert hun sestertie meteen sterk.

Het lijkt de bankencrisis wel.

Is misschien nog te sputteren dat Goscinny’s satire op het kapitalisme wel heel simpel gehouden werd — maar dan stel ik daar tegenover: die grap was voor de oudere lezers bedoeld, in wat op het meest basale niveau nog altijd gewoon allereerst een strip voor kinderen is.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Obelix & Co
48 pagina’s
Oberon zj [1976]
vertaling van: Obélix et Compagnie

Obelix is jarig aan het begin van dit album, terwijl Asterix daarmee dus ook jarig zou moeten zijn, volgens een later album. Wat dan niet zo is. En dat latere boek dus fout maakt.


[ Illustratie uit het besproken boek, click voor groter ]

Postkoets ~ Morris & Goscinny

Eind jaren zestig haalde René Goscinny de strip Lucky Luke naar zijn eigen blad toe. Pilote. Waarvan hij dan hoofdredacteur is. Dat lijkt een kleine voetnoot in de geschiedenis van deze strip, maar de switch had toch gevolgen.

Zo werden de avonturen die na de overstap uitkwamen niet langer uitgebracht door Dupuis. In Nederland heeft een albums als De postkoets in de loop der jaren zo al zes verschillende uitgevers gehad: Amsterdam Boek, Concentra Media, Dargaud Benelux, Geïllustreerde Pers, Le Lombard, en Lucky comics.

En mij als jongetje verwarde het nogal dat na de overstap de nummering van de albums opnieuw bij éen begon.

Zo had ik album 4, wat overzicht beloofde; want dit betekende dat er maar drie albums eerder waren verschenen; daar was nog wel aan te komen. Had een andere uitgever al 31 stripboeken uitgebracht met dezelfde held. En hoe moest ik die dan zien?

Opvallend is ook dat met De postkoets de Lucky Luke-exegese lijkt te beginnen. Over een boek als dit bestaat veel meer informatie dan over eerdere albums. Zo wordt telkens verwezen naar parallellen tussen de gevaarlijke reis in De postkoets en die in de klassieke film Stagecoach — de eerste western met geluid. Ook zou de vloekende koetsier uit het boek in uiterlijk gebaseerd zijn op een bekend acteur uit westerns.

Mij interesseert dat niet het meeste. Mij viel vooral op dat een op zich voorspelbaar verhaal, over een gevaarlijke reis met een kostbare lading, toch een onverwachte plotwending had op het eind. Dus dat dit boek het niet alleen van de grappen hoefde te hebben.

De beste albums van Lucky Luke ontstonden dan ook pas nadat Goscinny onder het juk uit was van de Spirou/Robbedoes-redactie.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De postkoets
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van La diligence, 1968

Premiejager ~ Morris & Goscinny

Politiek tractaat tegen de graaicultuur, of gewoon weer een aflevering uit een stripje van een cowboy-superheld? Het Lucky Luke-album De premiejager is op beide niveaus te lezen.

Al spreekt dan weer tegen Goscinny’s analyse dat hij enkel toont wat er belachelijk is aan de inhaligheid van de premiejager. Eliot Belt. In het boek werd hij dan weer getekend als een stripversie van de stoere Western-acteur Lee van Cleef.

Maar er bestaan nu eenmaal mensen voor wie geld het belangrijkste is in hun leven. Die het niet uitmaakt dat ze daardoor minachting oogsten bij hun medemens. Al blijft het makkelijker om zulke types te negeren dan laatdunkendheid in daden om te zetten. Er zijn toch verdacht weinig bankiersvilla’s spontaan in de brand gevlogen sinds 2008.

In De premiejager staat er voor de verandering eens geen premie op het aanbrengen van een mens. Een hengst is zoek. En de eigenaar van dit paard heeft er $ 100.000 voor over om het beest weer in bezit te krijgen.

Omdat dit het meest lucratieve zaakje kan worden uit de carrière van de premiejager ronselt hij tal van mannen, met de belofte dat ze wel duizend dollar kunnen verdienen.

Moet daartoe alleen wel even oorlog gevoerd worden met de Cheyennes.

En vanzelfsprekend volstaat de belofte geld te zullen krijgen voor de meesten om al wat er is aan geweten meteen uit te schakelen.

De moraal ligt er zo dik op in dit boek dat het me ineens verwondert hoe zeer stripalbums altijd gezien zijn als bederf voor de jeugd. In 1948 kwam het in Nederland zelfs tot een verbod op de scholen.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De premiejager
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Chasseur de primes, 1974

Prikkeldraad in de prairie ~ Morris & Goscinny

Eén van de oudste verhalen nog weleens verteld gaat over de strijd tussen een landbouwer en een veehoeder. Kaïn en Abel. Waarin de gesettelde landbouwer zijn broer de nomade doodsloeg. Waarop God hem vervloekte en hij voortaan ook op de zwerf moest.

Prikkeldraad in de prairie is evenwel geen Kaïn en Abel-verhaal. Hoewel dit dus goed had gekund.

Evenmin is het een verhaal met een parallel naar hoe de gemeenschappelijke gronden in Europa langzamerhand verkaveld raakten onder boeren.

Dit Lucky Luke-album heeft een veel simpeler probleemstelling. Landbouwer koopt grond in een gebied van rundveehouders. En deze vinden het geen probleem om hun kudden dwars over zijn land te sturen; omdat ze dit altijd zo deden.

Daarop maakt de landbouwer duidelijk dat zijn grond toch echt van hem is, en spant hij er prikkeldraad om heen — al is die draad niet te koop in de buurt, en moet deze uit het oosten van het land geïmporteerd worden. Wat nog behoorlijk moeilijk is.

Escalatie van de ruzie dreigt daarop.

Het enige interessante aan dit boek wat mij betreft werd daarmee dat ik van tevoren niet voorspellen kon voor wie Lucky Luke partij zou kiezen. Want wat het verhaal zou worden, viel al uit de titel af te leiden.

Helaas tekende Morris de grootste patsers in zijn boeken altijd op dezelfde manier. Als grote dikke mannen, met zwart golfjeshaar, bakkebaarden, en een snor. Dus toen de veehouder in het boek er als die standaard-hufter uitzag, wist ik genoeg.

Was nog wel aardig dat de beide partijen uiteindelijk ineens vrede sluiten, omdat voor boeren samenwerking heel belangrijk kan zijn om de problemen op te lossen die het weer oplevert.

Maar het enige waarover ik moest nadenken door dit boek was de innerlijke logica van de reeks. In Prikkeldraad in de prairie wordt bijvoorbeeld gedaan of afrasteringen niet bestaan in grote delen van Amerika. Waarmee zelfs de invoer van prikkeldraad al een verzetsdaad wordt. Terwijl in geen ander album hierover ooit een probleem wordt gemaakt.

Neemt niet weg dat de oorlog in Texas over prikkeldraad op de prairie wel degelijk een historisch gegeven is. Zij het dat die tussen veehouders onderling ging, met verschillende ideeën.

Zoals er in de Lucky Luke-strips die Goscinny schreef altijd wel ergens een historische kern te vinden is, voor wie zoekt; hoe versimpeld soms ook. Of anders wordt er wel een film naverteld.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Prikkeldraad in de prairie
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Des barbelés sur la prairie, 1967

Rijstoorlog ~ Morris & Goscinny

Het houdt een keer op dus. Dertig albums van Lucky Luke dacht ik te boekloggen deze zomer. Om hardop denkend te ontdekken aan welke wetten zo’n productie in serie zoal gehoorzaamt. Alleen blijken daar dus ineens boeken tussen te zitten die niet aan de minimumeis voldoen enige kwaliteit te bezitten.

De rijstoorlog is zo’n album dat afdoet aan de canon van René Goscinny. En er volgen hierna nog meer, die ik daarom gewoon zal overslaan.

Het boek bevat namelijk vier korte verhalen, die eerder gepubliceerd werden op pocketformaat. Daarom tonen de bladzijden ook maar drie stroken aan tekeningen, in plaats van de gebruikelijke vier.

Bovendien zijn deze verhalen niet meer dan losse vingeroefeningen.

In een stripalbum van de gebruikelijke 46 pagina’s maakt het niet uit als een zijlijn even 6 pagina’s inneemt. Niet zelden is de aandacht dan schijnbaar even afgeleid van het hoofdverhaal. Waarop dat vervolgens gauw eens een extra lading meer heeft gekregen.

Al kan het ook best zijn dat de makers dan gewoon even niet meer wisten hoe het verder moest.

De korte verhalen in een album als dit zijn nooit meer dan zijlijnen. Zonder extra’s. Het zijn daarmee kleuterversies van de strip. Goed voor heel jeugdige lezertjes, en daarmee saai voor verder iedereen.

Die verhalenbundels die hierna volgen krijgen daarom éen verzamelpost waarschijnlijk. Ik heb er namelijk geheel niets over op te merken, dan de sneer dat uitgevers ook werkelijk alles op de markt durven te brengen, als een reeks eenmaal een vast publiek gevonden heeft.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De rijstoorloog
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van La bataille du riz, 1972

Spookstad ~ Morris & Goscinny

Een vaste woonplaats lijkt Lucky Luke niet te hebben. En zingt hij niet altijd aan het einde van het boek dat hij maar een arme eenzame cowboy is, ver weg van huis?

Toch hangt hij aan het begin van een nieuw avontuur opvallend vaak rond in het dorp ‘Nothing Gulch’ of anders wel in ‘Pleasant Gulch’. En die plaatsen zullen ergens in Texas liggen.

Nogal wat meer plaatsnamen in de stripalbums eindigen trouwens op ‘Gulch’ — overigens ook echt een geografische aanduiding voor een bepaald soort vallei. Zo vaak komt dit voor, dat Morris & Goscinny er aardigheid in moeten hebben gehad om juist dit voor de Fransen onuitsprekelijke woord te gebruiken.

De plaats in het album De spookstad heet dan weer Gold Hill. En volgens Goscinny is dat tegenwoordig een grote landbouwstad met 687.541 inwoners, verscheidene graansilo’s en moderne slachthuizen.

Telkens als een avontuur zich in of rond een dorp afspeelde werd daar op een gegeven moment terloops nog een vervolg bij bedacht.

Gold Hill werd uit de grond gestampt tijdens een gold rush. Alleen was er geen goud te vinden, ondanks de naam. Dus trok iedereen weer weg, op éen fanatieke oude man na. Powell. Die er als jongeling bezwendeld was, en al zijn geld had geïnvesteerd in een lokale concessie; nadat een oplichter had laten zien hoe makkelijk er goud te vinden zou zijn.

Deze truc, met het ‘opsieren’ van grond, zodat het lijkt of er gouderts aanwezig is, wordt in het stripalbum herhaald. Een nieuwe ‘gold rush’ waait aan. Die even snel weer uitdooft als begint.

En dit album liet me nadenken over geschiedenis — die er in Europa volop bestaat, zelfs het land is hier gevormd door mensen en beesten. Elementen die in de VS nu net ontbreken.

Het is daarmee opvallend hoe vaak Morris & Goscinny spookdorpen opvoeren in de albums. Spelen de verhalen zich vaak af aan de frontier — die grens van de beschaving — is er eerder toch ook al plaatselijk bewoning en stedenbouw geweest.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De spookstad
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van La Ville fantôme, 1965

Tenderfoot ~ Morris & Goscinny

Toen ik enkele jaren terug het stripalbum Asterix en de Britten nog eens las, was dat om iets te controleren. Want de Asterix-boeken die tekenaar Uderzo na de dood van scenarist René Goscinny uitbracht werden almaar slechter. Waardoor ik begon te twijfelen of mijn goede herinneringen aan de reeks eerder eigenlijk wel klopten.

En toen pakte dat oude avontuur bij de Britten direct al uit als een briljante strip. Waarbij meteen opviel ook hoe weinig Goscinny nodig had gehad om grappige situaties te creëren. Speel enkel wat met de stereotypen die elke lezers kent — in dit geval: overdrijf het Britse flegma en understatement iets — en humor ontstaat als vanzelf.

In de Lucky Luke-strip Tenderfoot haalde Goscinny precies dezelfde truc uit als in het net iets oudere album Asterix en de Britten. Al moest hij de cultuurschok en het bijbehorende grappige contrast dan iets anders organiseren. Een onderkoelde Brit werd ervoor naar het Wilde Westen gehaald. Een echte gentleman met een butler ook nog, bovendien, begaf zich tussen de ruwe cowboys.

Ik las daarmee het beste album uit de reeks tot nu toe. Zelfs al is het verhaal weer eens rechttoe-rechtaan, en waren het de vele grappen die het boek maakten.

Een oude vriend van Lucky Luke sterft en laat zijn ranch met alle vee na aan zijn neef in Engeland. Als laatste wens vraagt de overledene aan Luke om een beetje op die erfgenaam te passen, tot deze wat gesetteld is. Er zijn jaloerse lieden in de buurt die hem het succes van de boerderij altijd misgunden.

Toont Lucky Luke voor de verandering ook eens emotie.

De Engelse neef moet van de lokale bevolking allerlei initiatieriten ondergaan, die hij wonderwel doorstaat. Waarop de kwade krachten in de buurt op drastischer maatregelen zinnen om hem die ranch af te pakken.

Alleen gaat het boek daar niet om, wat mij betreft. Er was een duidelijk gebrek aan Engelse butlers in de Lucky Luke-albums die ik las, tot nu toe, bijvoorbeeld.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Tenderfoot
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Le pied-tendre, 1968

Tortillas voor de Daltons ~ Morris & Goscinny

In het dertiende album dat ik in korte tijd las uit de reeks Lucky Luke ging het al voor de vierde keer over de Daltons. Dus vreesde ik de zoveelste herhaling van zetten. Die vier domme misdadige broers zijn me te voorspelbaar, en daarmee gauw oninteressant.

En misschien daarom viel het boek me nogal mee.

Tortillas voor de Daltons maakt van een simpele truc gebruik. Verplaats alle handeling naar een vreemde cultuur, in dit geval Mexico, en zelfs de gewoonste routines zijn er al anders.

Kan nog een punt van discussie zijn of Goscinny en Morris niet een nogal racistisch beeld geven van Mexicanen — die altijd siësta schijnen te houden. Maar dat punt van kritiek is rijkelijk onnozel, omdat van werkelijk niemand in de boeken geen karikatuur wordt gemaakt.

Wie dat wil kan de Lucky Luke-albums zelfs beschouwen als anarchistische pamfletten; omdat de politie en rechterlijke macht in de boeken steevast als uiterst incompetent wordt afgeschilderd; als ze al niet volkomen corrupt zijn.

In dit album ontsnappen de Daltons eens niet door eigen verdienste, of een fout van de overheid. Ze worden overplaatst naar een andere gevangenis, en daarbij wordt hun betraliede koets gekaapt door Mexicaanse bandieten — die er zeker van zijn dat een zo goedbewaakte wagen wel een enorme schat moet bevatten.

Vervolgens komt er met enige moeite een internationale uitwisseling op gang van kennis, tussen de misdadigers.

Lucky Luke grijpt daarop succesvol in — maar dat doet hij altijd, dat is geen nieuws. Waardoor het hoofdverhaal misschien niet zo vreselijk veel voorstelde. De talloze terzijdes over het verblijf in Mexico compenseerden dit gemis totaal.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Tortillas voor de Daltons
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Tortillas pour les Dalton, 1967

Vakanties van de kleine Nicolaas ~ René Goscinny & Jean-Jacques Sempé

Lang, lang, geleden, toen ik zelf nog een jongetje was — maar vond van niet — las ik de avonturen al van de petit Nicolas. Niemand had me over dat boek verteld. Mijn ontdekking berustte er enkel op dat ik was opgegroeid van de strip Asterix.

Dat maakte het interessant om alles te bekijken wat de makers van Asterix verder nog hadden gedaan. Hoewel het tegelijk raar was dát ze nog andere verhalen hadden gemaakt. Laat staan dat ze apart van elkaar boeken maakten.

Dat Goscinny verhalen voor de strip Lucky Luke schreef, die door een andere tekenaar gemaakt werden, was al niet heel goed te bevatten.

Wat later leerde ik dat de verhalen over de kleine Nicolaas oorspronkelijk ook als strip verschenen is, maar dat tekenaar Sempé al snel niet genoeg met dat formaat aankon.

En relatief kort geleden leerde ik pas dat er meer dan éen boek bestond over de kleine jongen — wat in het nieuws kwam doordat de dochter van Goscinny ontdekte dat er heel veel verhalen wel in de krant waren gepubliceerd, maar nooit gebundeld waren.

Dit deel uit de serie is in de jaren jaren zestig uitgebracht, maar misschien niet in het Nederlands. Ik ontdekte het boek dan pas weer toen het verramsjt werd. En, De vakanties van de kleine Nicolaas zal niet het hoogtepunt uit de reeks zijn. Daarvoor herinner ik me te goed alle verhalen met alle klasgenootjes van de jongen. Want, natuurlijk is de wereld van een zevenjarige voorspelbaar, met vader en moeder thuis, en al die dagen op school. Vakanties zijn dan net de uitzondering die te veel afwijken van wat het stramien zo prettig maakte. Zelfs al gaat het er in die vakanties ook om met wie Nicolaas speelt; maar die tijdelijke vriendjes worden nooit de ronde personages die zijn schoolkameraadjes wel zijn.

Het hele punt van de verhalen van kleine Nicolaas is dat hij het is die ons vertelt wat hij meemaakt zo’n dag. Tegelijk zijn wij wat ouder en wijzer als hem en zien we het werkelijke verhaal.

Dus gaat het om de zinnetjes, altijd weer die zinnetjes; zo vaak ademloos gegeven, als een zevenjarige praat.

scheiding

Gisteren kregen we een nieuwe gymnastiekmeester.

‘Ik heet Hector van Dalen’, zei hij tegen ons, ‘en jullie?’

‘Wij niet’, zei Fabricius, en daar moesten we verschrikkelijk om lachen.

‘Gym’, [37]

[wordt vervolgd]

René Goscinny & Jean-Jacques Sempé
De vakanties van de kleine Nicolaas
149 pagina’s
Atlas, 2006
vertaling door Marijke Koekoek van Les vacances du petit Nicolas, 1962

Western Circus ~ Morris & Goscinny

De mythe van het Wilde Westen, dat nooit bestaan heeft, en waarmee de strip Lucky Luke toch zo prettig speelt, is niet tot éen oerbron terug te leiden. Naast de kojboj-boekjes, en later de films, zijn ‘helden’ van de frontier de hele wereld rondgetrokken. Allemaal profiterend van de legende, en tegelijk meehelpend om deze overal te vestigen.

‘Buffalo’ Bill werd een circusartiest in Europa. Geronimo, de ooit zo trotse leider der Apache-indianen, werd een kermisattractie, en ging aan het eind van zijn leven voor een paar cent met iedereen op de foto.

En het is niet eens door deze kennis dat het stripalbum Western Circus voor mij iets melancholisch had. Ik vind alle circussen treurig. Hoeven ze nog niet eens klein en aftands te zijn, zoals in dit boek.

Maar goed, ik vind cabaretiers die elke avond dezelfde grappen maken in weer een andere schouwburgzaal ook verschrikkelijk.

Wordt dan wel een vraag wat me aantrekt in het werk van een scenarist, als René Goscinny, die toch ook telkens hetzelfde verhaal vertelde. Maar ik interesseer me nu juist even voor zijn trucs. De kans dat ik ooit nog eens éen van zijn Lucky Luke-albums ga herlezen, lijkt me na deze zomer miniem.

Door diagnoses te stellen kan het onderwerp van onderzoek best overlijden.

Western Circus is ook treurig omdat enkele malen met het cliché van de domme indianen gespeeld wordt — die nauwgezet de oorlogskleuren kopiëren van de clown en diens ezel uit het circus.

Niet dat indianen wat mij betreft niet dom kúnnen zijn — in Californië zijn ze tegenwoordig ineens bezig zichzelf uit te roeien, door mensen het stamlidmaatschap af te pakken. Opdat de overblijvers nog meer profiteren van de casino’s die enkel de stammen mogen uitbaten in hun reservaten.

Maar er zou toch ook weleens een iets slimmere indiaan in de albums mogen voorkomen — zonder dat het meteen helemaal politiek correct hoeft te worden van mij.

Dit album bevat overigens genoeg verrassingen om tot het einde te boeien; Goscinny beleefde nog altijd zijn beste periode als scenarioschrijver. Ik wilde er alleen niet zo aan. Het was niet genoeg om een alcoholistische circusdirecteur te hebben die op W.C. Fields leek. Of om een olifant tussen de cowboys te zetten.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Western Circus
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Western Circus, 1970

Witte ridder ~ Morris & Goscinny

Het eerste Lucky Luke-verhaal dat niet meer in Pilote werd voorgepubliceerd, is wat vlak. Een dimensie mist die de echt goede albums uit de reeks nu juist optillen boven het gemiddelde.

Wat bij mij tot de voorlopige conclusie leidt dat de beste Lucky Luke-strips dus altijd een extra verhaal vertellen naast het hoofdverhaal.

Het album De witte ridder draait enkel om een toneelgezelschapje, op tournee in Texas, met hun melodrama’s. Telkens als dit troepje ergens optreedt, wordt lokaal ook de bank overvallen, of wordt op een andere manier ruw ergens geld geroofd.

Deze misdaden vinden telkens plaats als de toneelvoorstelling bezig is, en het meeste volk uit zo’n dorp zich verzameld heeft in een zaal.

Dus lijkt het of de toneelspelers niets te maken hebben met de roof. Die zijn allemaal bezig met hun spel. Lucky Luke meent evenwel dat ze er wel iets mee van doen móeten hebben. En hij woont daarom tal van voorstellingen bij. Zonder het raadsel te kunnen doorgronden.

Misschien was het die herhaling van zetten waardoor dit verhaal wat sleets leek.

De ontknoping van het boek volgde dan weer onverwacht snel op Lucky Luke’s constatering dat hij het raadsel niet kon oplossen — waardoor het ineens leek of de strip pagina’s miste.

Maar wellicht begreep ik de beste grappen uit het album gewoon niet, en liet Goscinny het toneeltroepje stiekem Molière spelen, of zo iemand.

Of is het dat er in het boek te veel grappen ontbraken van het soort die er in de loop van de geschiedenis over toneelspelers gemaakt zijn? Zo mochten acteurs heel lang niet in gewijde aarde begraven worden, beroepsleugenaars als ze d’r waren.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De witte ridder
46 pagina’s
Dargaud
vertaling van Le cavalier blanc, 1975

Zijne Keizerlijke Hoogheid Smith ~ Morris & Goscinny

Niet de minste auteurs hebben de man die zich tot keizer van de USA uitriep als personage gebruikt in hun werk. Noem een Mark Twain, Robert Louis Stevenson, en Nobelprijswinnaar Selma Lagerlöf.

Heel vreemd is het dus niet dat René Goscinny hen daarin uiteindelijk volgde. Kon hij nog met een ander gegeven spelen ook. In een Franse strip voor een Frans publiek is heel aardig te variëren op de clichés die de lezers van huis uit kennen over Napoleon Bonaparte.

En toch leverden deze historische gegevens geen bijzonder verhaal op — of ik zou er een satire in moeten zien op de vrijheid van Amerikanen om zich te bewapenen; en deze wapens te zullen gebruiken ook. Maar dat is dan wel een heel vlakke satire.

Het gegeven dat rijke rancher gek genoeg kan zijn om zichzelf tot keizer uit te roepen, en daarop een privé-legertje te beginnen, lijkt me gewoon wat te groot voor een Lucky Luke-verhaal.

Want, dan is die keizer daar. En dan heeft hij alle cowboys uit de omtrek zo ver gekregen om dienst te nemen bij hem, en een Frans legeruniform aan te trekken. Zijn er kanonnen voor dit staande leger aangeschaft bovendien. Alleen moet daar dan nog wat mee gebeuren ook.

En hier zijn Morris & Goscinny toch niet helemaal uitgekomen in hun album over Zijne Keizerlijke Hoogheid Smith. Wellicht omdat Lucky Luke wortelt in het gegeven dat het belangrijkste publiek voor de verhalen uit relatief jonge lezers bestaat — en dat de makers hun eigen lol en die van het oudere publiek vooral botvierden in zijdelingse grappen.

In een strip waarin enorm vaak geschoten wordt, en toch nooit bloed vloeit in beeld, laat staan dat er doden vallen, passen lang alle mogelijke verhaallijnen niet.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Zijne Keizerlijke Hoogheid Smith
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van L’Empereur Smith, 1976

Zingende draad ~ Morris & Goscinny

De eerste roman die zich afspeelt in cyberspace dateert uit de negentiende eeuw, zo leerde ik van de week. Dat boek gaat over twee Amerikaanse telegrafisten, die verliefd worden op elkaar; en de infrastructuur die er lag gebruikten om meer persoonlijke mededelingen uit te wisselen.

Mensen die Whatsapp en dergelijke netwerken als het nieuwste van het nieuwste zien, hebben er dus helemaal niets van begrepen.

Telegrafisten schijnen ook allemaal een eigen manier van seinen te hebben. Even persoonlijk als een handschrift is. Daar kan ook best iets aantrekkelijks aan zitten.

En ik geloof liever die negentiende-eeuwse cyberroman te hebben gelezen dan dit album van Lucky Luke. De zingende draad. Dat is het laatste Lucky Luke-verhaal dat René Goscinny schreef, voor hij bezweek aan een hartfalen; tijdens een inspanningstest in het ziekenhuis. Want dit boek brengt een herhaling van zetten uit eerdere strips; daar was helemaal niets curieus aan.

Het geviel in dier dagen toen Abraham Lincoln president was dat een deel van Amerika nog niet was aangesloten op de telegraaf. Dus organiseerde Western Union een wedstrijd om zo snel mogelijk lijnen aan te leggen. Daar deden twee ploegen aan mee. De ploeg van Lucky Luke. En het andere werkteam, dat vals speelde en sabotage pleegde — vanzelfsprekend omdat Lucky Luke daar geen deel vanuit maakte, en de winnaar een rijke beloning wachtte.

De zingende draad is daarmee weer eens een klassiek reisverhaal, met voorspelbare ontberingen. Zoals er meerdere reisverhalen voorkomen in de serie.

Bovendien bestond in de reeks het album De spoorweg door de prairie al, dat uitgaat van eenzelfde gegeven. Lucky Luke helpt daarin ook een ploeg mannen die infrastructuur aanleggen, terwijl anderen er belang bij hebben om hun werk te saboteren.

Door een stom toeval was De spoorweg door de prairie dan wel weer het eerste album waarvoor Morris & Goscinny samenwerkten — al is de bijdrage van de scenarist in 1955-1956 nog anoniem.

Uniek aan De zingende draad is dus dat het boek een zwanezang brengt, en dat de samenwerking tussen tekenaar en schrijver met bijna hetzelfde verhaal eindigde als deze begon.

Da Capo, zou de juiste muziekterm nu zijn.

[ volgende week: de filmedities en een eerste afronding ]

Morris & Goscinny, De zingende draad
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Le Fil qui chante, 1977

Zwarte heuvels ~ Morris & Goscinny

Mijn problemen met de stripreeks Lucky Luke zijn voornamelijk ontstaan doordat de held van de verhalen zo vervelend perfect is. [1]

Hij is ook zo redelijk steeds.

‘Lucky Luke: De man die sneller schiet dan zijn schaduw’, stond er vroeger altijd achterop de albums. En die eigenschap maakt hem dan tot een superheld — en je moet waarschijnlijk in de VS zijn opgegroeid om aardigheid in superhelden te hebben. Uit hun grote status daar spreekt een naïef soort optimisme dat mij volkomen vreemd is.

Perfectie bestaat, en zou zelfs weggelegd zijn voor mensen?

Europeanen houden in hun cultuur meer van schlemielen.

Gelukkig is in de Lucky Luke-albums verder ieder ander dan de hoofdpersoon altijd een schlemiel. Dus zijn alle boeken te zien als een verkenning van een krankzinnige wereld door de redelijkheid in persoon.

En de genialiteit van Goscinny als scenarist is dan waarschijnlijk dat hij die wereld telkens net vreemd genoeg maakt om grappig te zijn, en daarbij toch herkenbaar houdt; spelend met alle clichés die er bestaan over het Wilde Westen — of zoals in dit album ook: met ideeën over de politiek.

Er zit enige maat in de chaos, en tegelijk blijft er toch onvoorspelbaarheid.

Het stripalbum De zwarte heuvels werd weer eens gebaseerd op een historisch gegeven. De grens van de ‘beschaafde’ wereld hield op een gegven moment op aan de oostgrens van Wyoming. Maar pioniers wilden daar voorbij, over de zwarte heuvels, om verderop land te ontginnen. Ware het niet dat de Cheyennes daar ook al leefden.

In dit album is de aanwezigheid van die indianenstam het probleem niet. Een snoodaard heeft zo zijn eigen redenen om geen andere blanken in het gebied te dulden.

Wat dit boek heel prettig maakte, is de aanwezigheid van vier geleerden, die met de pioniers meetrekken naar het Westen. Vanzelfsprekend zijn deze wetenschappers allemaal op hun eigen manier wereldvreemd. Wonderbaarlijk genoeg maakt dit dan voor hun overlevingskansen geheel niet uit.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De zwarte heuvels
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Les Collines noires, 1962
  1. toegegeven, in de eerste boeken is hij dat niet. Alleen zijn de verhalen in deze albums niet heel interessant. []