Devil’s Chaplain ~ Richard Dawkins

Een essaybundel met heel verschillende thema’s is A Devil’s Chaplain. En daarmee een wat merkwaardig boek.

Voor een groot deel is dit boek te zien als een voorafschaduwing van het antireligieuze traktaat The God Delusion. Dawkins heeft enkele essays opgenomen waaruit een duidelijke wrevel blijkt over alle aandacht voor Creationisten — al heten die tegenwoordig aanhangers van het ‘Intelligent Design’ — omdat de evolutietheorie niet zo maar een leuk ideetje is.

Van daaruit was het maar een kleine stap om religie te bespreken. Maar opvallend genoeg doet Dawkins dit door het over biologische processen te hebben. Is geloof bijvoorbeeld te vergelijken met een virus? En als religie voortleeft doordat gelovigen meteen als kind al daarin gehersenspoeld worden, over welke manier van overerven gaat het dan?

Opvallend aan dit boek was voor mij verder de grote aandacht voor Stephen Jay Gould [1941 – 2002]. Die was toen net overleden, en kreeg zo een wat merkwaardig in memoriam.

Dawkins en Gould verschilden van mening over bepaalde onderdelen in de evolutietheorie. Maar buitenstaanders hebben die verschillen nogal opgeblazen. Er zou zelfs een controverse zijn. Dawkins bestrijdt dit ten stelligste. Tegelijk nam hij een reeksje boekbesprekingen op die hij wijdde aan de populariserende essaybundels van Gould — tot een stuk uit 1978 aan toe — waarin Gould’s schrijfkracht telkens bewonderd wordt, maar sommige van diens conclusies op nogal wat kritiek stuiten om hun simplisme.

Vergeef me overigens dat ik niet uitgebreider op de meningsverschillen tussen Gould en Dawkins inga. Daartoe is namelijk meer achtergrondinformatie nodig dan mij nuttig lijkt in dit kort bestek. En hoewel ik Dawkins’ kritiek op zich meestal kan billijken, is hij voor mij absoluut niet alwetend op dit terrein; er zijn redenen genoeg om ook hem enigszins te wantrouwen.

Ondanks alles publiceerden Dawkins en Gould wel samen een open brief in de New York Review of Books waarin zij collega-wetenschappers waarschuwden om vooral niet in debat te gaan met Creationisten.[1] Zo’n discussie levert hen maar gratis publiciteit op, waarbij het onzinnige standpunt van deze lieden bovendien ineens respectabeler zou lijken dan het is.

Niets hebben de Nederlandse media, of de intellectuelen hier, van dat wijze inzicht geleerd.

De essaybundel bevat verder nogal wat meer in memoriams, en besluit met een open brief aan zijn dan tienjarige dochter, met de vraag om altijd te blijven denken; om altijd te blijven vragen welk bewijs er bestaat voor een bepaalde uitspraak.

En, hoewel Richard Dawkins soms absoluut doctrinair is in zijn uitingen om andere doctrines te bestrijden, kan ik dat wel van hem hebben. Maar niet te vaak.

Richard Dawkins, A Devil’s Chaplain
Selected Essays

264 pagina’s
Weidenfeld & Nicholson, 2003
  1. Gould was bij publicatie al overleden. En had niet aan de tekst meegewerkt. Maar wel met de noodzaak tot zo’n brief ingestemd. []

Dinosaur in a Haystack ~ Stephen Jay Gould

Als het zo is dat in essays vooral de persoonlijkheid van de auteur telt, dan zijn me weinig essays liever dan die van Stephen Jay Gould. Die zocht tenminste nog eens iets uit dat mij weet te verrassen. Die wist tenminste wat, zonder daar zijn lezers mee te overdonderen of waanwijs op een afstandje te houden.

Zo heet een van de laatste essays uit deze bundel ‘Ordering Nature by Budding and Full-Breasted Sexuality’. Daarin legt Gould heel elegant uit hoe het nu zit met die taxonomie in de biologie, door hierbij van éen simpele vraag uit te gaan. Waarom heten zoogdieren toch zoogdieren? Waarom heeft Linnaeus indertijd gekozen om dieren op een vrouwelijke karakteristiek te ordenen, terwijl biologen nu juist zo verzot zijn op mannelijke kwaliteiten…

Beschouwingen over indelingen zijn er meer, in deze bundel. Wat altijd aardig is, omdat de methodes waarmee wij indelen ook zo veel zeggen over onze cultuur.

Gould was éen van zijn leermeesters voor altijd dankbaar dat die de mens tot een niet al te ver gevorderd zoogdier benoemde — als een soort die al vrij vroeg in de evolutie van de zoogdieren zijn kenmerkende eigenschappen had verworven. Het was zo makkelijk geweest de mens apart te zetten; en gewoon buiten de orde te houden. Omdat vrijwel iedereen dat nog altijd doet.

Enfin, mijn voornaamste bezwaar tegen georganiseerde religie, en alle uitwassen daarvan, is ook het antropocentrische karakter.

Nu goed, dan komt in vrijwel elk essay van Gould wel een keer Darwin voor. Maar ook ditmaal wist hij weer te laten zien dat Charles Darwin in zijn Origin of Species voortging op gedachten die anderen al gevormd hadden. Dat Darwin vooral te prijzen is omdat hij voor het eerst een enorme bewijslast meebracht voor die theorie.

Ging het ook nog een paar keer over taal, in deze bundel. Over de kracht van metaforen, bij grootvader en kleinzoon Darwin, maar bijvoorbeeld ook hoe het Papiamentu zich kon ontwikkelen — want ook daar zit een evolutie achter.

Stephen Jay Gould, Dinosaur in a Haystack
Reflections in Natural History

480 pagina’s
Jonathan Cape, 1996

God en Darwin ~ Stephen Jay Gould

Is het mogelijk om goed beargumenteerd een boek te schrijven tegen het fanatisme van anderen? Zonder je daarbij niet ook zelf te vergalopperen in je passie?

Het pamflet God en Darwin [Rock of Ages] van Stephen Jay Gould rees deze vragen, door zijn opvallende mildheid. Gould [1941 — 2002] meende dat wetenschappers niet zo moesten kankeren op gelovigen, en omgekeerd. Zowel wetenschap als religie zijn manieren om de wereld te beschouwen. Maar beide zitten elkaar niet in de weg; want ze spelen zich in heel andere domeinen van het leven af.

De paleontoloog Gould schreef dit ondanks dat hij in de VS enkele malen als getuige-deskundige was gehoord, als creationisten weer ergens wilden dat de evolutietheorie uit het schoolcurriculum werd verbannen.

En vanzelfsprekend is alle creationisme onzin. Maar, zo zei Gould, kijk ook eens wie per se willen afdwingen dat kinderen leren dat de aarde hoogstens zesduizend jaar oud is, en God alles daarop heeft geschapen. Dat is toch op zijn best een splintergroep van fanatici.

Stephen Jay Gould schreef zijn betoog alleen wel enige tijd voor 9/11. Voor het moment dus dat de Islam onder Amerikanen zo makkelijk gelijk kwam te staan aan terrorisme. Voor het ogenblik ook dat er reeksen aan boeken van wetenschappers en andere denkers tegen religie zouden verschijnen; neem alleen al die van Dawkins, Hitchens, of Dennett. En voor de toon van de religiekritiek nogal honend zou worden.

Verzamelde zich dorps en daadkrachtig Amerika vervolgens nog weer politiek in de Tea Party, waardoor ook de onzin van dat ‘intelligent design’ ineens krachtiger steun kreeg dan ooit voorheen.

Dat Gould’s boek een wat matte indruk maakte op mij ligt dus niet aan de auteur. God en Darwin bleek allereerst een herinnering te brengen aan rustiger tijden. Toen er nog op een beschaafde manier van gedachten was te wisselen. Van voor dat zovelen het woord ook als zwaard zouden inzetten.

De toon was ooit simpelweg kalmer.

Stephen Jay Gould, God en Darwin
Over de overeenkomst tussen religie en wetenschap

176 pagina’s
Contact, 2001
vertaling door Aad van der Mijn van Rock of Ages, 1999

Hedgehog, the Fox, and the Magister’s Pox ~ Stephen Jay Gould

Dit boek heeft als kern de lezing over wetenschap die paleontoloog Stephen Jay Gould in 2000 hield, toen hij president werd van de American Association of Science (AAAS). Maar Gould [1941 – 2002] vond het erg zich zo te moeten beperken in zijn voordracht. Daarom greep hij de gelegenheid aan om nog eens flink uit te wijden in dit boek.

Ik vind dat vaak prachtig. Maar dat is een hoogst particuliere opvatting, over een auteur met hoogst particuliere ideeën. Gould behandelt in dit boek de ontwikkeling van de wetenschappen sinds zo ongeveer de Middeleeuwen, en doet dit vooral door via details naar grotere verbanden te zoeken.

Dat is de essayist in hem. En ik moet wel opmerken dat zijn essaybundels beter zijn. Die dwang om zich binnen een beperkte ruimte tot éen onderwerp te beperken, maakt van Gould een betere schrijver. Dit boek is namelijk enorm rijk aan informatie, maar nogal arm aan een bindende structuur.

Als wetenschapshistoricus ben ik toch niet helemaal onbekend met zijn thema, maar veel van wat Gould aanhaalt was nieuw voor mij. Behalve dan zijn uiteindelijke conclusies weer.

En een zekere neerbuigendheid over de letteren en de menswetenschappen bezit Gould toch wel, in zijn betoog eenmaal in de 20e eeuw aangekomen. Maar goed, zoiets vind ik alleen maar leuk, en maakt het lezen van een boek als dit tot een extra genoegen.

Stephen Jay Gould, The Hedgehog, the Fox, and the Magister’s Pox
Mending the gap between Science and the Humanities

274 pagina’s
Harmony Books, 2003


I Have Landed ~ Stephen Jay Gould

Driehonderd essays schreef Stephen Jay Gould [1941 – 2002] voor het tijdschrift Natural History. Die werden vrijwel allemaal gebundeld. En I Have Landed is de laatste bundel uit deze reeks, die stopte met de vroege dood van de auteur.

Ik ben een liefhebber van deze essays, met éen paar kleine voorbehouden. Gould’s eclectische eruditie kan weleens vermoeiend zijn. En zijn enorme liefde voor honkbal — vooral de geschiedenis daarvan — maakt sommige van zijn verhalen domweg onbegrijpelijk voor een niet-Amerikaan.

Tegelijk is het heel prettig dat Gould de vele essays over biologie, de paleologie, de evolutieleer, of de wetenschapsgeschiedenis durfde af te wisselen met de vaak meer persoonlijk getinte honkbalplaatjes.

I Have Landed is een wat atypisch boek uit de reeks gebundelde essays, omdat éen actueel evenement van dat ogenblik zo’n grote rol krijgt. Stephen Jay Gould was van plan geweest op 11 september 2001 op Ellis Island te vieren dat een van zijn grootvaders, papa Joe, honderd jaar eerder voet aan land gezet had in de VS. Maar ja, er gebeurde die dag iets anders in New York dat alle aandacht vroeg.

Nogal wat opgenomen artikelen zijn dan ook geen essays, maar korte reacties van Gould op 9/11.

Ik kon meer genieten van een paar typische Gould-stukken, waarin hij van een vergeten wetenschapper — meestal uit de negentiende eeuw — met inzicht en liefde bespreekt wat diens werk heeft betekend. Darwin blijft de grote naam, vanzelfsprekend. Maar er zijn velen geweest die de ideeën gezaaid hebben waar Darwin mee verder kon. Net als dat dien werk lang niet volmaakt was, en door weer anderen verbeterd is.

Typisch genoeg onthoud ik dan vooral weer de stukken met de vreemde trivia. Zoals dat het in Nazi-Duitsland ook beleid was om niet-inheemse gewassen uit te roeien.

En het zal mijn zieke geest zijn, maar ik bedenk dan meteen welke planten in het verzet moesten; en waar die konden onderduiken.

Net zo weet ik best Gould’s stukken tegen het creationisme zo goed mogelijk te moeten bestuderen — die zijn namelijk nog altijd actueel, zelfs nu de relikitsch ‘intelligent design’ is gaan heten. Daar heb ik wat aan. Maar in plaats daarvan lees ik liever het opmerkelijke verhaal over Friedrich Tiedemann [1781 – 1861] — een Duitse wetenschapper het onzin vond om negers lager dan blanken te plaatsen in de gangbare taxonomie van de mensheid.

Stephen Jay Gould, I Have Landed
The End of a Beginning in Natural History

418 pagina’s
Jonathan Cape, 2002

Schitterend ongeluk ~ Wim Kayzer (red.)

Ambitie is een mooi ding, zolang anderen daar niet onder hoeven te lijden. En een vraag is voor mij of Wim Kayzer met enkele televisieprogramma’s in de jaren negentig niet ambitie toonde van het verkeerde soort; hoe vaak die uitzendingen ook geprezen zijn.

Hij vertilde zich nogal aan sommige gesprekken. Omdat hij niet de neutrale vragensteller was die enkel zijn gesprekspartner liet schitteren. De mannen die geïnterviewd werden, waren onderdeel van een groter plan.

En dan zijn de meeste van zijn gesprekspartners beleefd genoeg om Kayzer vriendelijk te tolereren. Maar zo af en toe waren sommigen onder hen dat ook niet. En die gesprekken waren eigenlijk veel interessanter.

Ik herinner me een boeiende aanvaring tussen Wim Kayzer en een zwijgende J.M. Coetzee.

In deze bundel uit 1993 heeft vooral Stephen Jay Gould weinig geduld met Kayzer’s manier van denken. Hij vindt die ‘romantisch’.

Kayzer: Stel, u bent op zoek naar fossielen, bijvoorbeeld in de Burgess Shale, en u vindt iets eigenaardigs. Het ligt daar in uw hand, wat voor gevoel geeft dat dan? Gewoon: goh aardig een fossiel, een bijzonder fossiel en ‘Kijk, Charles kom eens hier, ik heb iets aardigs gevonden’, of…

Gould: Kijk, u bent nog steeds op zoek naar die grote Aha-Erlebnis. Als je een belangrijk fossiel vindt, besef je dat hoogstwaarschijnlijk pas als je thuis bent en het bestudeert, en waarschijnlijk is het bloedheet en al half vijf ’s middags, zodat je alleen nog maar naar huis wilt…

Kayzer: Dat is niet echt de Aha-Erlebnis die ik bedoel…

Gould: U zult het niet uit mijn mond horen! Zo werkt het niet, en zo werken de meeste mensen niet, denk ik. Volgens mij is het een romantische mythe die zijn oorsprong vindt in de literatuur en de journalistiek. Het is allemaal een kwestie van karakter. Je hebt mensen die vreselijk opgewonden raken en beginnen te jubelen als ze iets nieuws en spannends zien. Grote ontdekkingen worden meestal niet gedaan op het moment dat je iets vindt, ze worden gedaan in de maanden dat je erover nadenkt. [117-118]

Aan het eind van het boek, of eigenlijk het TV-programma, werden de zes geïnterviewden nog eens bij elkaar in éen ruimte gezet. Waarbij Kayzer waarschijnlijk hoopte zo een wonder te kunnen oproepen.

En dit gesprek had ook wel enkele sprankelende momenten; ondanks de totaal geforceerde setting. Tegelijk duurde het veel te lang. En bleven enkele gesprekspartners veel te beleefd.

Ik weet niet meer of ik in 1993, bij de oeruitzending van Een schitterend ongeluk, alle delen gezien heb. En of de interviews toen niet door elkaar gemonteerd waren, in plaats van losse gesprekken te zijn; zoals in dit boek.

Wel weet ik voor het moment van uitzending al opvallend veel van de geïnterviewde schrijvers te hebben gelezen. Van Oliver Sacks had ik zelfs al boeken, net als van Stephen Jay Gould. Van Dennett kende ik werk, en waarschijnlijk van Stephen Toulmin ook al.

Nu zou ik alleen om die reden al niet meer kijken. Schrijvers moet je lezen. Schrijvers moet je niet in beeld zien stamelen over onderwerpen waarover ze al zo veel beter geschreven hebben.

Interviews met een auteur of wetenschapper hebben ook hoogstens twee functies. Ze kunnen absoluut dienen als een soort introductie tot zijn of haar werk; al was het maar door hun naam publiek bekend te maken.

En heel soms hebben interviews nut als de vragensteller zijn gesprekspartner kan prikkelen tot gedachten die deze nog niet eerder had geformuleerd.

Kayzer vind ik alleen geen geweldig interviewer. Kayzer had te zeer een eigen plan met de gesprekken om zich te willen laten verrassen. Kayzer wist te weinig van wetenschap. En Kayzer had een te willekeurige verzameling wetenschappers bij elkaar gezocht. Slechts Stephen Jay Gould wees hem er op dat hij daardoor makkelijk onzin kon oogsten.

Kayzer: Wat was er gebeurd als de dinosaurussen niet waren uitgestorven.

Gould: Dan waren ze er waarschijnlijk nog. [124]

In deze bundel was het interview met Sacks het slechtste, want een ongestructureerde brij — omdat de vragensteller te veel thema’s wilde aansnijden.

De rest was niet direct vervelend, maar ook niet per se vreugde verschaffend.

Maar ooit was dit dus televisie waar men over sprak. Wat dus maar weer aantoont dat het bij TV zelden om inhoud gaat. Het is allereerst de gebeurtenis die telt.

Een schitterend ongeluk
Wim Kayzer ontmoet Oliver Sacks,
Stephen Jay Gould, Stephen Toulmin,
Daniel C. Dennett, Rupert Sheldrake
en
Freeman Dyson
432 pagina’s
Uitgeverij Contact, 1993