Benauwd in het midden ~ W. M. van Koppen red.

Het kan verkeren. In mijn halfslachtige streven om bij te houden wat F.R. Ankersmit overal aan opiniestukken publiceert, stuitte ik ditmaal op het tijdschrift van het wetenschappelijke bureau van het CDA.

Voor wie deze afkorting niet meteen iets zegt. Het Christen-Democratisch Appèl (CDA) is, met de voorgangers daarvan, de politieke partij die in Nederland al de macht heeft sinds Noach de Ark uitscheepte. Zulks is niet heel gezond voor een land, net wat u zegt. Slechts in de jaren 1994 — 2002 werden de Christendemocraten in de oppositie gedwongen. En blijkbaar was die ervaring zo traumatisch, dat de partij zich tegenwoordig ten koste van alles aan de macht vastklampt. Zelfs al moet daar voor geregeerd worden met een bende aan baantjesjagers, machtswellustelingen, en loslopende gekken, zoals wijlen de Lijst Pim Fortuyn ooit bevatte. Of anders wel met populist Wilders, in 2011, en de lui die zijn bekrompen wereldbeeld delen.

Dit tijdschrift is daarmee te lezen een verzameling rapporten aan een machthebber die zich realiseert dat zijn macht misschien niet meer vanzelf spreekt. Er is namelijk iets met de middenklasse aan de hand. Die lijkt op drift te zijn, en bij elke verkiezing op weer andere partijen te stemmen. Terwijl in die middenklasse nu juist vanouds de CDA-stemmers te vinden zijn. Ook al stemmen die daarmee misschien wel tegen hun eigen belangen in.

Alle democratieën, en Nederland al helemaal, worden namelijk door de middenklassen gedragen. Die betalen alle belasting — de armen zijn te arm, de rijken huren fiscalisten in om niet te hoeven — en krijgen daar in verhouding ook nog het minst voor terug. Omdat zij het minst van de sociale voorzieningen gebruik maken, bijvoorbeeld.

Dus buitelen de analyses, prognoses, en voorspellingen over elkaar heen in dit tijdschrift. Loopt de middenklasse echt weg? Wat is er aan de hand? Hoe is die groep te paaien? Is er nog wel sprake van éen groep? Moet het CDA nog meer gaan hameren op het gezin als hoeksteen van de samenleving?

Tussen al deze opinies en opinietjes kwam Ankersmit uitleggen wat het verschil is tussen democratieën die leven naar het Rijnlandse model, en de naties die in de Anglosaksische traditie staan. Dat is het verschil tussen overleg, egaliteit en lange termijn-denken, en machtswellust, overdreven krachtsvertoon en het ongezonde streven naar winsten op korte termijn, aldus de theoretisch historicus.

Tsja.

Was hij toch wat weinig kritisch over de uitverkoop van publieke diensten aan marktpartijen — zo’n typisch Anglosaksisch fenomeen — waar het CDA zo zelden vies van bleek. Of de kritiek moet wel erg tussen de regels door gegeven zijn, wat Ankersmit tot een beter politicus zou maken dan mij eerder was opgevallen. Maar toch, als een partij altijd de macht heeft gehad, is ook alles wat mis is in een land aan die mensen te wijten.

Benauwd in het midden
Christen Democratische verkenningen
Zomer 2008

308 pagina’s
Boom Tijdschriften, 2008

Gelukkigste illusies ~ Ger Groot

Ger Groot is een filosoof, maar schrijft ook voor onder meer De Groene; wat toch een groter publiek probeert te bereiken dan alleen de mensen werkzaam aan de faculteiten filosofie. Dat podium zal hem verplichten om bij het verwoorden van zijn gedachten jargon te vermijden, en zaken die voor hem vanzelf spreken nog eens uit te leggen.

En toch vond ik de stukken die Groot voor De Groene schreef niet beter of slechter leesbaar dan de andere in deze bundel; De gelukkigste illusies.

Eigenlijk vond ik geen van die artikelen bijzonder leesbaar of onleesbaar. Wat niet lag aan de moeilijkheidsgraad, maar eerder aan een telkens snel optrekkende grondmist. De zinnen losten vaak al op onder mijn ogen, zonder hun informatie prijs te hebben gegeven. Misschien omdat hun informatiedichtheid mij te ijl was. Waarschijnlijk kreeg ik te veel meningen voorgezet, maar dan net te weinig feiten tegenover stonden.

Groot heeft ook nooit de bedoeling om het laatste woord over een onderwerp te spreken. Hij lijkt in zijn schrijven vooral een onderwerp af te willen tasten.

Dit had tot gevolg dat als hij eens een voorbeeld leende bij een niet-filosoof ik dat uitstekend onthield. Maar ging hij zelf redeneren, of winkelde hij wat uitspraakjes bij elkaar uit de grote bibliotheek van de wijsbegeerte, dan bleef er die woordenmist hangen waarin ook de scherpste contouren vervaagden.

Hielp de abstractie van de onderwerpen die hij opzocht daar verder aan mee.

De gelukkigste illusies bestaat uit vier boekdelen, samengesteld uit artikelen die tijdens een grote reeks van jaren gepubliceerd zijn. Die delen zijn: De stier; Het schrikwekkende; Het kwaad; en: Het woord. En als dit laatste boekgedeelte niet over literatuur was gegaan, had ik dit boek niet uitgelezen. En was er dus ook niet die zelfopgelegde plicht geweest er nu hier een paar woorden aan te wijden.

De fictie die hij besprak, of hun auteurs, dwong Groot ook eindelijk tot helderheid.

In het essay ‘Het quichoteske lezen’ stonden zelfs een heel aantal verstandige opmerkingen.

Dus denken en schrijven wij als lezers mee. Tussen de regels door vullen wij de kleine extra’s aan waarvan we achteraf gezworen zouden hebben dat we ze wel degelijk hebben gelezen. In werkelijkheid blijkt een tekst bij tweede lezing altijd kaler dan hij in onze herinnering bewaard is gebleven. Sneller volgen de zinnen op elkaar dan we meenden, met minder rijkdom en eigen smaak dan onze nostalgie naar die eerste lezing zou wensen.

Niet alleen de verrassing en verrukking, maar soms ook de beklemming en de afkeer van de eerste keer zijn bij herlezing verbleekt en vervaagd, alsof hun intensiteit zich achter een dunne voile heeft verborgen. [270]

Groot probeert zo het alledaagse lezen te scheiden van het academische lezen. En helemaal ben ik het toch niet met hem eens. Herlezen heb ik hier ook te dikwijls het ware lezen genoemd. Alleen al omdat er daarbij doorgaans de wetenschap is dat er iets goeds gaat komen. Waar ik dan voor opensta, om er nog meer van te kunnen genieten.

Slechts een heel enkele keer lukt dat herlezen niet, om de redenen die Groot beschrijft. Zoals ik ooit wel heb gemeld over latere confrontaties met de verhalenbundel Keefman van Jan Arends.

Maar een fundamenteel verschil tussen het alledaagse lezen en het ontledende lezen is alleen al dat iemand die zijn academische vaardigheden gebruikt om de bedoelingen van de schrijver te doorzien daarbij enige objectiviteit zal willen betrachten.

Bij het spontane lezen hangt het van zo veel aspecten af of hoe het boek valt. Een lezer kan zelfs te jong, of te oud zijn voor een boek — een simpel gegeven dat de literatuurwetenschappen werkelijk altijd negeert.

Of, om een argument te gebruiken dat terug te koppelen is naar wat De gelukkigste illusies me bracht. Ger Groot zette me slechts enkele keren tot meedenken aan, en dus tot tegenspreken of aanvullen. Hij maakte me nooit nieuwsgierig naar meer. Terwijl ik daar doorgaans weinig voor nodig heb.

Herlezen van deze bundel zou daar niets in veranderen.

Ger Groot, De gelukkigste illusies
Over kwaad en verlossing

405 pagina’s
SUN, 2008

Twee zielen ~ Ger Groot

De meeste filosofen zie ik als goochelaars. Hun trucs zijn vaak vermakelijk, maar het blijft natuurlijk oplichterij. Met dit verschil dat ik niet aanneem dat de gemiddelde goochelaar denkt dat hij echt magische krachten heeft. Ook is hun publiek wat minder goedgelovig. Er valt bovendien weinig eer te behalen door uit te leggen wat een goochelaar eigenlijk bedoelde.

Neemt niet weg dat ik altijd graag filosofen heb gelezen. Sommigen zeggen wel eens een waar woord. Ook zijn er die nuttige methoden hebben ontwikkeld om de wereld te bekijken, en soms zijn hun filters heel bruikbaar. Daardoor vallen me ineens heel andere accenten op, bijvoorbeeld.

Maar ik ben meer van de harde wetenschap, omdat de beperkingen daarvan zo veel duidelijker zijn. Ik ben te sceptisch voor de taalspelletjes van vele filosofen, om maar éen aspect te noemen dat me hogelijk kan irriteren.

Goed, soms kan het heel nuttig zijn om na te denken waarom iemand het verkeerd heeft, of te stellig is. En in die zin reikt deze bundel interviews van Ger Groot genoeg materiaal aan. De opvattingen van de ondervraagde filosofen verschillen soms nogal van elkaar, en spreken elkaar onderling tegen.

Zoals altijd met bundels was een vraag over de onderdelen elkaar versterken, of niet. En met dit boek heb ik wat moeite om daar een antwoord op te geven. De interviews zijn niet alleen met verschillende denkers, ze zijn ook voor publicaties van een heel diverse aard geschreven. Sommige zijn duidelijk krantenartikelen, voor een breed publiek, en kunnen prima dienen als inleiding in iemands werk. Andere, zoals het gesprek met Rorty, vragen wel degelijk enige achtergrondkennis van de filosofie.

Het meest interessant aan dit boek waren voor mij de gesprekken over politiek. Maar blij was ik bijvoorbeeld ook met het gesprek dat Groot voerde met Michel Onfray, die ik al eens las zonder iets van hem te weten. Diens boek tegen de theologie zette me niet aan om me in zijn oeuvre te verdiepen. Dat kwam door het onderwerp. Onfray blijkt anders vooral te schrijven over wat het leven echt de moeite waard maakt.

Ger Groot, Twee zielen
Gesprekken met hedendaagse filosofen

317 pagina’s
Uitgeverij SUN, 1998

Vergeten te bestaan ~ Ger Groot

Wie fictie leest, weet wat daarin verteld wordt ‘niet echt’ is. Toch kan een roman of een kort verhaal enorme indruk maken. En de emoties die dan in de tekst worden geïnvesteerd, zijn wel degelijk levensecht.

Voor een lezer volstaat het dan om te weten dat een boek even heel veel kan betekenen. Of op zijn minst: hopelijk een kans tot ontsnapping biedt; juist doordat het zelf zich even kan verliezen.

Voor een filosoof geldt dat niet. Die wil het waarom begrijpen van het raadsel dat iets bedachts toch als volkomen echt kan worden beleefd. Dat stelde Ger Groot tenminste, in zijn intreerede bij de aanvaarding van het buitengewoon hoogleraarschap ‘Filosofie en literatuur’, in Nijmegen.

Vergeten te bestaan biedt een uitgebreide versie van deze rede. Die bevat een beginselverklaring over wat hij onderzoeken wil, waarin hij nog sterk leunde op observaties van wijlen Patricia de Martelaere.

Zij stelde onder meer dat onze identificaties met anderen nooit sterker zijn dan bij het lezen van fictie. Juist omdat we in het normale leven nimmer zo’n totaal geloof in alles hebben kunnen; omdat die onvoorwaardelijke overgave dan enorme risico’s oplevert.

Dus moest ik het tijdens het lezen van dit boek niet met éen maar zelfs met twee filosofen in innerlijk debat.

En vanzelfsprekend ging ik daardoor enorm tegensputteren, omdat ik nu eenmaal bijna altijd vind dat filosofen met een te beperkte blik naar de wereld kijken.

Zo is vrij simpel te falsificeren dat mijn identificatie met anderen nooit sterker zou zijn dan tijdens het lezen van fictie.

Neem bijvoorbeeld mijn beleving bij het kijken naar een rechtstreekse sportwedstrijd — goed, cynici zullen wielrennen of voetbal ook fictie noemen; vanwege de doping en andere wedstrijdvervalsing; daar gaat het nu niet om.

Als ik tijd investeer in het passief beleven van een sportwedstrijd, is dat niet eens omdat die sport me interesseert — al helpt dat wel, helemaal als ik favorieten kies — maar veel meer nog omdat ik de afloop wil weten.

Hoe gaat het verder? Elementairder vraag om onze eeuwige nieuwsgierigheid op te roepen, bestaat er haast niet, en toch zegt Ger Groot daar niets over.

Tijdens de laatste fase van een wielerklassieker, mits de uitkomst dan nog onzeker is, stijgt mijn hartslag fors en mijn bloeddruk vast ook. Bij het lezen heb ik zulke sterk fysieke reacties nu nooit — vast omdat het gedrukte woord eerst nog een vertaalslag door moet. Terwijl het televisiebeeld veel directer verwerkt wordt.

Een behoorlijk gebrek aan hoe wij mensen denken, is dat dit vrijwel altijd in verhaalvorm gebeurt. En in die verhaalvormen bestaan maar een beperkt aantal lijnen die direct aanvaard worden. Zo moet er innerlijke logica bestaan binnen een verhaal.

En een verhaal moet dus een uitkomst hebben — is er die niet, dan blijft dat een tergend gemis; een mechanisme dat de massamedia maar al te handig uitmelken.

Zo zeer hangen wij zelfs aan een innerlijke logica, dat die telkens als verhaal kan worden geprojecteerd op de werkelijkheid. Daardoor denken we te makkelijk in reeksen van oorzaak en gevolg. En daardoor is ons benul van risico’s bijvoorbeeld zo slecht — risico’s gaan zo gauw tegen de intuïtie in.

Bovendien, fictie wordt niet alleen gecreëerd door schrijvers, in romans. Ook religies zijn verhalen, en daarmee fictie. En de grootste schijnwerkelijkheid nog komt van politici, en de media die alleen op hun woorden ingaan, zonder daarbij de daden te wegen.

Is over zulke mechanismen te leren en dus te filosoferen door enkel romans te bestuderen? Ik denk van niet; en dat bewijst boeklog ook. Maar ik heb het hier dan ook makkelijker dan een academicus die zich tot een vakgebiedje moet beperken.

Ger Groot, Vergeten te bestaan
Echte fictie en het fictieve ik
32 pagina’s
Vantilt, 2010