Marten Toonder ~ Wim Hazeu

Hazeu’s kunstenaarsbiografieën roepen bij mij steevast de vraag op wat ik nu precies verlang van zulke portretten. Want er kwamen al meerdere van zijn boeken bij mij in huis. En toch lukte het me eerder nooit om zo’n levensportret dan helemaal uit te lezen — of zelfs maar de vijftig procent aan inhoud te halen waardoor ik er een boeklogje aan had horen te wijden.[1]

Van zijn dikke biografie over Slauerhoff las ik amper een kwart.

En vanzelfsprekend ligt dat allemaal aan mij. Al is de schrijversbiografie op deze website meer dan eens een onmogelijk genre genoemd.

Hazeu slaagt er namelijk absoluut in om telkens een vlot lezend verhaal van zo’n levensloop te maken.

Alleen, voert hij in zijn boeken niet te veel details op die niet per se ter zake doen? Is hij soms niet al te verliefd op wat zijn research heeft opgeleverd? En negeert Hazeu de bredere context van zo’n scheppend bestaan misschien soms niet wat al te makkelijk? Wordt ook niet te veel bekend veronderstelt over de inhoud van het werk van de geportretteerde?

Voornaamste reden om dan toch Hazeu’s biografie van Marten Toonder [1912 — 2005] te lezen, was dat ik meer over de laatste jaren wilde weten van die man. Ik had de verschillende delen van Toonder’s autobiografie gelezen. Op boeklog is ook zijn correspondentie met Dick Matena al eens langsgekomen. Alleen was me nooit duidelijk geworden waarom Toonder na al die decennia tevreden in Ierland te hebben gewoond in Nederland in het Rosa Spier-huis terecht kon komen. Om aldaar jaren lang in interviews te gaan verklaren dat verder leven niet meer hoefde van hem.

En toen bleek dat zijn kleinkinderen hem min of meer uit een droef Iers ziekenhuis ontvoerd hebben, opdat Toonder terug in Nederland op kon knappen van een mislukte zelfmoordpoging met pillen — een episode waarover tegen buitenstaanders gezegd werd dat hij een dubbele longontsteking had gehad.

De hoofdstukken over die laatste jaren van Toonder’s leven lazen als bijzonder naar; ook al omdat bijna al zijn kinderen en pleegkinderen doodgingen, en hij met zijn oudste zoon gebrouilleerd was geraakt.

Dus wilde ik van de weeromstuit wel over de vrolijker en veerkrachtiger jaren van Marten Toonder lezen.

Waarmee dus misschien nu de receptuur is gevonden om die vuistdikke Hazeu’s door te komen. Zulke boeken kunnen wellicht het best in een andere, meer willekeurige volgorde worden doorgenomen dan deze auteur aanbiedt. Want die houdt toch allereerst aan de chronologie van zo’n leven vast. En lang alle jaren niet in zo’n leven zijn even boeiend.

In dit boek viel het alleen nog niet mee om echt gelukkige perioden te vinden, in dat leven van Toonder. Met die crisisjaren eerst, de oorlog, en alle slepende zakelijke perikelen daarna. En de familie wist buitenstaanders goed te weren. Echte vrienden leek Marten Toonder naast zijn broer ook nooit gehad te hebben. Dus staat er ook heel veel niet in dit boek.

Tegelijk, geluk schrijft wit.

Wim Hazeu poogt in de biografie onder meer recht te doen aan het vele werk dat de medewerkers deden aan het oeuvre waarvan Marten Toonder in interviews altijd achteloos beweerde dat helemaal in zijn eentje geschapen te hebben — zoals die Tom Poes-verhalen. Terwijl iemand als Lo Hartog van Banda toch al pratend het plot van menige strip had weten te bedenken. Om nog te zwijgen over alle tekenwerk van de nimmer klagende Piet Wijn.

Alleen riep dat element bij mij de vraag op of alle op- en aanmerkingen die van Toonder kwamen over het werk altijd terecht waren geweest. Had hij het immer als beste gezien? Opvallend vond ik namelijk dat veel van de bekritiseerden weliswaar aan het woord kwamen, maar dat deze niets zeiden over hún inhoudelijke kritiek op de strips — zelfs al is er de verzachtende omstandigheid dat deze mannen allemaal als jongmaatje bij de Toonder Studio’s waren gekomen, en onder de hoede van Toonder het vak hebben geleerd.

Dat Dick Matena het zat was, als freelancer, dat Marten Toonder zelfs op het laatst nog moeilijk deed over het betalen van werk, was me overigens dan wel al bekend.

En ergens staat toch ook een tekenend citaat van Toonder over alle parasieten die zijn studio bevolkten, die nooit iets oorspronkelijks brachten, maar wel meeprofiteerden van de inspanningen van de getalenteerde enkeling. Dus zal er een strenge hiërarchie van meester en gezellen zijn geweest.

De biografie schetst, kortom, het portret van een eenkennige, op persoonlijk vlak zelden handig opererende man, die zijn genialiteit bewaarde voor wat hij maakte aan zijn bureau. Uit het niets. Waarmee ook dit levensportret weer eens onbegrijpelijk wordt voor wie de verhalen van Toonder al niet kende, en ook bewonderde.

Alleen is niet alleen een probleem van Hazeu’s kunstenaarsbiografieën — het euvel dat de lezer gauw eens verondersteld wordt een bewonderaar en zelfs al kenner te zijn van het oeuvre van een geportretteerde, is kenmerk van heel het genre van de biografie.

Wim Hazeu, Marten Toonder
Biografie

640 pagina’s
De Bezige Bij, 2012
  1. Die zelf opgelegde plicht gold overigens enkel in de jaren 2005-2014. []