Jaap van Heerden
Als 2 + 2 = 5, dan 4 + 4 = 10

Merkwaardig genoeg kan ik Van Heerden alleen aan het eind van de dag lezen. Als mijn ogen bijna van vermoeidheid dichtvallen, en het al inspanning kost om niet in slaap te vallen. Misschien omdat ik onder zulke omstandigheden pas tot lezen kom, en al het andere wat ik doe meer van het scannen op kernwoorden weg heeft.

Deze bundel essays viel me bij eerste lezing tegen, maar nu bij herlezing in een veel trager tempo juist enorm mee. Er staan heel zinnige beschouwingen in, over wat de academische vrijheid inhoudt, bijvoorbeeld. Over hoe de tekeningen in de Bommel-verhalen zich verhouden tot de tekst. Over wat mediasterren zijn, en over Freud’s omstreden erfenis.

Blijft een probleem dat er wel erg weinig letters op een bladzijde staan, en het daarom een nogal dun boekje is.

Maar goed, een essayist moet vooral niet vervelen, zo schreef Van Heerden ook in dit boek. En vervelen deed hij niet.

Jaap van Heerden, Als 2 + 2 = 5, dan 4 + 4 = 10
Over samenhang in onzin

144 bladzijden
Uitgeverij Promotheus, 2002

Max Pam
Armen van de inktvis

Misschien is mijn wat dubbele verhouding tot Max Pam samen te vatten in éen zinnetje. Ik ben het steeds met hem eens als hij iets afkraakt, maar mijn bewondering gaat vrijwel altijd naar andere zaken uit.

Anders is niet te verklaren waarom ik bijvoorbeeld zo genieten kan van zijn kritische boekrecensies in HP/De Tijd, en tegelijkertijd er zo onverschillig onder blijf als hij voor de verandering eens iets aanprijst.

Maar goed, mannen schijnen het vaker te hebben. Dat ze denken een goed contact te hebben, misschien zelfs wel een vriendschap, en dit alleen gebaseerd blijkt te zijn op een gedeeld ongenoegen. Samen kunnen schelden is fijn. Daarom blijft het prettig een columnist te lezen die vrijwel hetzelfde denkt als ik doe. Meer zit daar niet achter.

In dit boek staan verhalen, interviews, columns, en boekrecensies uit de afgelopen vijfentwintig jaar van Pams journalistieke carrière. Blij was ik met de bundeling van een aantal stukken die ik alleen van reputatie kende. Zoals zijn onderzoek naar het bestuur van het Fonds voor de Letteren, dat zichzelf ook maar werkbeurzen toekende. Hogere beurzen dan toen ze alleen nog schreven, vanzelfsprekend.

Ook publiceerde Pam rond de millenniumwisseling in HP/De Tijd een lijst met de 100 beste Nederlandse boeken van de 20e eeuw. Het bestaan van die lijst kende ik, de inhoud niet. Natuurlijk was ik alleen al benieuwd naar wat Pam goedvindt, om dat naast mijn eigen voorkeuren te leggen. Ook wilde ik weten hoeveel ik niet gelezen had [Nog geen twintig van de honderd, en dat is opvallend weinig - Zo belezen in de Nederlandse literatuur ben ik niet].

Dus was het alleen daarom al een plezier dit boek door te nemen. Als ik dan toch iets aan kritiek moet geven: er staat onprettig veel tekst op een regel. Waarom moeten verzamelbundels in Nederland toch altijd op een koopje? Waarom is er toch altijd het idee dat zulke boeken er uit moeten zien of ze lekker veel tekst bieden voor weinig?

Ook vond ik het jammer dat er relatief weinig interviews in deze verzamelbundel zijn opgenomen, tegenover wel erg veel columns. Toegegeven, er zijn ooit twee bundels met Pams interviews verschenen. Maar ik houd er toch het idee aan over dat het in dit boek niet paste dat Pam zich in zijn beste gesprekken ondergeschikt maakte aan wat de anderen zeiden, en hij hier alleen moest schitteren.

Max Pam, De armen van de inktvis
Een keuze uit het journalistieke werk
Samengesteld door Dap Hartmann
Met een woord vooraf van Jaap van Heerden

608 pagina’s
Uitgeverij Promotheus © 2005


J. van Heerden
Mens als huisdier

Merkwaardig aan dit boek was dat ik het al grotendeels meende te kennen. Toch was ik er zeker van het nooit eerder gelezen te hebben.

Maar Een mens als huisdier blijkt later nog eens opnieuw te zijn uitgegeven. Het komt onder de titel Het vreemde in de blik van Jean-Paul Sartre voor in de Van Heerden-omnibus. Alleen is het dan ineens een ander boek. De volgorde van de opgenomen essays is helemaal gewijzigd, en er ontbreken drie stukken. In plaats daarvan werden essays ingevoegd uit een andere vroege Van Heerden-bundel, getiteld Tussen psychologie en filosofie.

Mijn verbazing leidde er wel toe dat ik dit boek heel anders las dan Het vreemde in de blik van Jean-Paul Sartre.

Zo kan ik ineens niet zo veel met de premisse uit het titelstuk.

In het essay ‘Een mens als huisdier’ pijnigt Van Heerden zich zijn gedachten over de vraag wat het betekent als computers slimmer zijn geworden als wij.

Dat hele vraagstuk of computers ooit bewustzijn kunnen hebben, en wat bewustzijn dan is, vind ik alleen een merkwaardig academisch probleem. Omdat de vraag gesteld kan worden, betekent dit nog niet dat die nu veel relevantie heeft. Zolang computers niet in hun eigen energiebehoefte kunnen voorzien, maakt het vrij weinig uit wat hun vermogens precies zijn. Als ze gevaarlijk worden, knagen we de stroomkabels wel door. Onze huisdieren zijn er nu al goed in om kabels door te knagen, dus ik zie het opgeworpen probleem niet zo.

Nee, eerder getuigd het hele titelessay van een merkwaardig beperkt idee over technologie. Om Arthur C. Clarke maar weer eens te parafraseren, Van Heerden lijdt aan de merkwaardige illusie dat als technologie maar voldoende geavanceerd wordt, deze vanzelf magische eigenschappen krijgt.

Zeker, de mensheid heeft technologie gemaakt die nauwelijks in bedwang te houden is. Kernwapens genoeg om de aarde verschillende malen te ontvolken.

Maar het gevaar van technologische vindingen zit veeleer in de onbedoelde eigenschappen daarvan. Plastics zijn zulk goed materiaal, dat de natuur het spul niet kan afbreken; daardoor komt het in minieme partjes in de oceanen in levende wezens terecht, om maar éen voorbeeld te noemen. De vreze voor bezielde machinerie is daar tegenover een negentiende-eeuws, zo niet achttiende-eeuws, angstbeeld; dat is voort blijven leven in de science-fiction.

J. van Heerden, Een mens als huisdier
Essays

115 pagina’s
Boom, 1984

Op de klapstoel

Al jaren voor ik een abonnement op Het Parool had, kocht ik altijd een los exemplaar op zaterdag. Die krant had namelijk altijd iets speels, en oneerbiedigs, dat ik in andere dagbladen miste. Al spreken we nu wel over de jaren negentig van de vorige eeuw.

Tegenwoordig consumeer ik mijn nieuws vooral online. Bijna al mijn abonnementen zijn opgezegd, zoals ook dat op Het Parool. Kranten overlappen elkaar te veel in hun nieuwsgaring, er staat teveel ruis in die me slechts stoort, en ik houd er niet meer van om tekst te moeten lezen opgesplitst in talloos veel kolommen.

Neemt niet weg dat ik op het moment weleens het aangename missen kan, dat een krant wel degelijk brengen kon. Zoals de interviewrubriek ‘Op de klapstoel’, zaterdags in Het Parool.

Het interview is een onderschat genre. Journalisten denken me er wat te makkelijk over. In gedrukte vraaggesprekken wordt doorgaans te vaak hetzelfde weer gezegd.

Komt nog bij dat de televisie het ook al zo zeer van pratende hoofdjes moet hebben.

Geluld wordt er kortom genoeg, gezegd wordt er doorgaans weinig.

De rubriek ‘Op de klapstoel’ is net een tikkeltje anders dan normaal, omdat de geïnterviewden — doorgaans bekende Nederlanders — kort op steekwoorden moeten reageren. Die beknoptheid kan makkelijk tot een zekere oppervlakkigheid leiden, maar in dit geval is dat het bezwaar niet. De gesprekken kunnen er ook amusant door worden, zelfs al springen ze van het ene onderwerp naar het andere.

Ik was wel blij de beste interviews uit dat ene decennium dat ik Het Parool intensief las, toch nog in een boek verzameld te zien staan. Verbazingwekkend was bijvoorbeeld, hoe goed sommige citaten in mijn geheugen zijn blijven hangen. Ik wist soms van een gesprek, uit bijvoorbeeld 1993, zo maar weer het eerder te hebben gelezen.

Dit boek biedt een overzicht van de rubriek over de periode 1992 — 2002. Uit elk jaar worden twee tot acht gesprekken integraal gepubliceerd, en komt uit 17 à 18 nog éen quote terug. En vooral die streng geselecteerde uitspraakjes waren soms erg amusant om te lezen.

10 april 1999
Jaap van Heerden (1940), filosoof
Renate Rubinstein
‘Was ik twaalf jaar mee getrouwd. Een tuttig huwelijk met twisten van kaliber. Doordat Renate zo oplettend was. Ze kon verontwaardigd van de slager terugkomen, omdat ze hem meende te hebben betrapt op een zekere biologische vooringenomenheid. De slager had twee biefstukjes afgesneden. De ene was groter dan de andere. Ik bracht ertegenin dat het voor een slager ook godsonmogelijk is twee gelijke stukken te snijden. Dat werd ruzie.’

Op de klapstoel
252 pagina’s
Vassallucci | Het Parool, 2002

Jaap van Heerden
Proza waarmee je meisjes vangt

De uitgever noemt het groots een bundel essays, maar veel langer dan duizend woorden kunnen de meeste stukken uit deze bundel niet zijn. Toch is columns ook het goede woord niet, omdat columnisten door hun tunnelvisie meestal fijn direct op de opinie afkoersen. Van Heerden spreekt zich juist zelden stellig uit, en is in staat meer dimensies te zien in de ontwikkelingen die hij bespreekt.

Het stuk ‘Bolwerk der bekrompenen’ is bijvoorbeeld eigenlijk een elegant geformuleerde inleiding in de wetenschapsfilosofie, zonder dat dit woord ook maar genoemd wordt. Over rationaliteit gaat het, en hoe we tot kennis komen, maar vooral over het idee bij velen dat er meer moet zijn dan wetenschappers kunnen aantonen. Vandaar het merkwaardige verschijnsel dat meer mensen dan logisch te verklaren is baat hebben bij reïncarnatie-therapie. Of dat zovelen ervan overtuigd zijn misbruikt te zijn door buitenaardsen.

Nee, Van Heerden’s boeken hebben altijd maar een beperkt aantal pagina’s, maar de inhoud daarvan heeft altijd wel een hoog soortelijk gewicht.

Jaap van Heerden, Proza waarmee je meisjes vangt
Essays

120 pagina’s
Uitgeverij Prometheus, 1999


Jaap van Heerden
Schrikbewind der verzinsels

Deze bundel essays leek me consistenter dan de andere boeken van Jaap van Heerden die ik eerder dit jaar las [1] [2]. De centrale idee is al in de titel verwoord, en zeker in de eerste helft van dit boek goed uitgewerkt. Daarna volgen enkele hoofdstukken die eerder boekbesprekingen zijn dan iets anders, en daarmee ineens ook in toon verschillen.

Blijft wel staan dat een boek soms meer vragen oproept dan beantwoordt. Waar Van Heerden misschien wat makkelijk aan voorbij gaat, is de kwestie wat het dan zo aantrekkelijk maakt rotsvast in iets te geloven dat aantoonbaar niet deugen kan.

Of anders, waarom zijn sommige mensen wel geneigd echt van onecht te willen onderscheiden, maar lijkt de meesten dat toch weinig te interesseren?

Van Heerden zou eens een echt boek moeten schrijven, in plaats steeds maar in tamelijk korte stukjes enkel deelaspecten van een groter probleem te behandelen. Maar, misschien is hij juist weer zo slim om te beseffen iets te ontberen dat nodig zou zijn om zo’n monografie te schrijven. Visie heeft meestal ook iets aan dommekracht nodig om overtuigend te kunnen worden. Misschien is het voor een kritische denker ook wel gewoon onmogelijk om alles vanuit éen theorie te kunnen zeggen.

Jaap van Heerden, Schrikbewind der verzinsels
167 pagina’s
Uitgeverij Prometheus, 1996


J. van Heerden
Tussen psychologie en filosofie

Een van de essays uit deze bundel heet ‘Het vreemde in de blik van Jean-Paul Sartre’. Het is later opgenomen in een bundel waarvan het toen ook ineens het titelstuk werd. Ook het essay ‘Als het Oedipus-complex nu eens projectie was?’ werd daarin hergebruikt.

Maar wat betekent het dan dat de andere stukken uit deze bundel later niet nog eens zijn herdrukt? Vindt Van Heerden ze achterhaald, of gewoon niet goed genoeg meer?

Van Heerden houdt zich in dit boek vooral bezig met vragen die er over zijn vakgebied, de psychologie, te stellen zijn. Dat is heel begrijpelijk. Op een gegeven moment komt elke wetenschap namelijk aan een grens, waarop die wetenschap speculatief wordt. De onderzoeksvragen bestaan dan ineens uit afwegingen over wat het vakgebied is, of zou moeten zijn. Dan ook is er makkelijk een link met de wijsbegeerte te leggen. En wat mij betreft, heeft die hele filosofie ook alleen nog nut in deze betekenis; om de beoefenaren van een bepaalde wetenschap te helpen om betere onderzoeksvragen te stellen.

Voor een deel behandelt Van Heerden de kwestie waar de grenzen van de psychologie liggen door het werk van andere denkers te bespreken.

Deels ook gaat Van Heerden wat modes te lijf, zoals de psycho-analyse, of het Marxisme. Maar dat deed hij later toch sterker.

Verder geldt dat hij later ook aanmerkelijk leesbaarder is gaan schrijven. Of beter, gelukkig richtte hij zich later minder op sprekers van zijn vakdialect dan in deze bundel nog het geval was.

J. van Heerden, Tussen psychologie en filosofie
Essays

132 pagina’s
Boom, 1977

Jaap van Heerden
Uit het autowrak gezaagd

Nogal vaak gaat het over psychologie in de nieuwe essaybundel van Jaap van Heerden. Niet dat het vreemd is dat hij zich over zijn werkveld uit. Alleen gaat daarmee iets verloren voor de lezer die zich slechts in heel algemene zin interesseert voor dat vakgebied.

Prettig aan de eerdere bundels die Van Heerden schreef, was nu net dat hij intelligente dingen zei over onderwerpen waar ook ik weleens over had nagedacht. Zoiets schept dan vertrouwen in de scherpte van zijn oordelend vermogen. In dit boek voelt veel van wat hij schrijft als niet per se voor mij bedoeld.

Tuurlijk, wat heeft de psychologie niet een ontwikkeling doorgemaakt, de afgelopen honderd jaar. Van een kind der filosofie werd het éen van die veelbelovende wetenschappen die het definitieve inzicht over de mens zou helpen vormgeven.

Net als die andere nu wat kwakkelende discipline overigens, de sociologie.

Maar inmiddels hebben psychologen niet eens het alleenrecht meer op hun onderzoeksterrein.

Filosofen zijn van vrijblijvend commentator op de status van de psychologie deelnemers aan het debat geworden over uitdagende psychologische problemen, net als hersenfysiologen, linguïsten, biochemici, logici en biologen. De participatie is massaal. [112]

Van Heerden doelt daarbij onder meer op de grote belangstelling voor de vraag wat het menselijke bewustzijn nu is; ook al omdat scans naar wat er in de hersenen gebeurt van die rare resultaten opleveren. Te zien valt dat daar vaak al is besloten voordat bewust een beslissing genomen wordt.

Nu moet gezegd dat Van Heerden’s essaybundels doorgaans pas bij herlezing hun volle rijkdom tonen aan mij. Ik heb weleens eerder net zo teleurgesteld als nu op een boek van hem gereageerd, terwijl dat achteraf onterecht was.

Het goede nieuws blijft dat elk boek van deze schrijver tot nadenken aanzet.

meer Van Heerden op boeklog

Jaap van Heerden, Uit het autowrak gezaagd
Essays

158 pagina’s
Uitgeverij Prometheus, 2007


Jaap van Heerden
Van oude en nieuwe trauma’s

De dunste essaybundel in bladzijden was dit in de verzameling. Maar bij Van Heerden telt vooral wat er staat, niet hoeveel er van is. Minder is meer.

Interessantst in dit boek vond ik zijn gedachtenexercitie over ‘Het publieke ongenoegen’, die geschreven werd voor H.J.A. Hofland. Daarin signaleert Van Heerden, tien jaar voor de onvrede ook in het stemgedrag zichtbaar werd, wat mensen stoort aan de politiek.

De samenleving valt niet uiteen in zwakken en sterken, zo stelt hij daarbij. In al hun retoriek vergeten politici altijd diegenen die net boven de minima staan psychologisch te steunen. En zo wordt als vanzelf een rancune gecreëerd tegen een overheidsapparaat dat zich vooral inspant voor de laagsten, waaronder zo veel allochtonen zijn. Bureaucratie is bovendien een merkwaardig conservatieve kracht.

In ditzelfde artikel legt Van Heerden ook uit, lang voor een Jan Peter Balkenende op ‘normen en waarden’ ging hameren, waarom politici ongeschikt zijn om een morele discussie te entameren. Zij zij immers geen neutrale deelnemers aan zo’n publiek debat. Politici hebben er belang bij hun regeringsmandaat te verlengen, of om dat van anderen juist aan te vallen. Daarom zullen ze nooit iets zeggen dat het partijbelang kan schaden.

Het is door zulke principiële opmerkingen dat mijn blik gescherpt wordt, omdat het altijd zo makkelijk is om meegesleept te worden in iets dat eenieder ineens belangrijk vindt. Hopelijk beklijft deze kennis nu eens.

meer Van Heerden op boeklog

Jaap van Heerden, Van oude en nieuwe trauma’s
120 pagina’s
© 1993
in: Jaap van Heerden, Wees blij dat het leven geen zin heeft
409 pagina’s
Uitgeverij Ooievaar pockets, 1996


Jaap van Heerden
Vreemde in de blik van Jean-Paul Sartre

Hoera, voetnoten. Opvallend in de boeken die ik voor mijn lol lees, is dat de schrijvers zo zelden gedetailleerde verwijzingen geven naar wat anderen al voor hen bedacht hadden. Daarom ben ik blij dat Jaap van Heerden in enkele artikelen uit deze bundel nu eens de vindplaatsen van zijn observaties geeft.

Tegelijkertijd valt op dat er nergens staat waarin de verschillende essays in de bundel eerder verschenen. Maar, misschien is die nuttige informatie weggevallen bij opname in deze omnibus.

De voetnoten horen ook bij stukken met een iets hoger abstractieniveau dan in de meeste andere bundels van de schrijver. En, op zijn zachtst gezegd, ben ik daar niet rouwig om. Het is Van Heerden te prijzen dat hij zo goed voor een algemeen publiek kan schrijven, maar liefhebbers van zijn scherpzinnigheid willen die ook weleens minder gefilterd proeven.

En hij is op dreef in deze bundel, die ik eerder misschien wel wat veronachtzaamd heb. Het was voorheen dom van mij om de drie boeken in deze verzameling achter elkaar door te lezen.

Er staan een aantal eeuwige favorieten van me in dit boek, die in hun speelsheid tonen hoe raar de wereld in elkaar zit soms. Zoals Van Heerden observatie dat de militaire dienstplicht eigenlijk meer iets is voor 65-plussers, dan voor jongeren. Komen ze er nog eens uit.

Maar meest geslaagd vind ik nog wel zijn bespreking van Harry Mulisch’ werk De compositie van de wereld. Daarin slaagt Van Heerden er luchtig in om zowel aan te geven dat dit boek te megalomaan is, en tegelijkertijd duidelijk te maken dat de ideeën erin toch ook het eigen denken kunnen inspireren.

Mulisch is een soort Thor Heyerdahl, die per fiets de A4 oversteekt om te bewijzen dat zoiets vroeger mogelijk was en nu ook nog. Een leerzame onderneming.

Jaap van Heerden, Het vreemde in de blik van Jean-Paul Sartre
140 pagina’s
© 1992
in: Jaap van Heerden, Wees blij dat het leven geen zin heeft
409 pagina’s
Oievaar Pockets, 1996


Jaap van Heerden
Wees blij dat het leven geen zin heeft

Dit boekomslag zal hier de komende tijd nog twee keer langskomen. In deze paperback is namelijk niet slechts éen boek opgenomen, maar zijn dat er drie. En Jaap van Heerden schrijft een veel te geconcentreerd proza om drie van zijn essaybundels in een keer achter elkaar door te kunnen lezen.

Eén deel kost me al meer dan een week.

Wat dat betreft bieden schrijvers als Van Heerden me nu net wel, wat de poëzie zou moeten doen, maar naar mijn mening te zelden lukt. Veel zeggen, in weinig woorden. En mij daarbij verrassen bovendien.

Wees blij dat het leven geen zin heeft begint met het gelijknamige essay. Daarin wordt afgewogen hoe het zou zijn om alle handelingen in een mensenleven af te moeten meten aan de vraag hoe zinvol die zijn. Van Heerden wil zich dit niet hoeven afvragen, en vindt het ook wat onnozel dat toch te doen. We zijn er maar even, en moeten die beperkte tijd dan ook maar zo goed mogelijk benutten. Maar hij verbaast zich tegenwoordig in interviews nog steeds dat de meeste mensen wel zo graag willen dat het leven een zin en een betekenis heeft.

Bovendien.

Alle vernietiging van culturen, en elke ideologisch geïnspireerde terreurhandeling is te herleiden tot lieden die hun zingeving met geweld aan anderen opdrongen. Dat is geen gezelschap om in te willen verkeren.

Om nog maar een bezwaar te noemen.

Jaap van Heerden, Wees blij dat het leven geen zin heeft
143 pagina’s
© 1990
in: Jaap van Heerden, Wees blij dat het leven geen zin heeft
409 pagina’s
Oievaar Pockets, 1996


J. van Heerden
Zorgelijke staat van het onbewuste

Had ik dit proefschrift gelezen als het niet van Jaap van Heerden was geweest? De vraag stellen, is hem beantwoorden. Er zijn in de afgelopen vijfentwintig jaar nogal wat boeken meer geschreven over bewustzijn, of het onderbewuste. Er heeft bovendien een enorme verschuiving in de aandacht voor het onderwerp plaatsgevonden, door een paar technische ontwikkelingen.

Kijk bij verschuivingen in aandacht of aanpak trouwens altijd naar wat er technisch ineens mogelijk werd.

Nu vind ik het immens grappig dat al de scans van levend denkende hersenen het raadsel alleen maar hebben vergroot. Zo blijken de hersens al doelbewust actief te zijn voor het bewustzijn het besluit tot actie neemt; en dat is dan nog maar éen van de nieuwe paradoxen.

Maakt dit alles, en mijn kennis daarover — ook al is die hoogstens van Reader’s Digest-niveau — het nog boeiend om filosofische beschouwingen te lezen uit een oude school van denken?

Dat hangt dan van de presentatie af. Maar dan weegt mee dat proefschriften doorgaans niet eminent leesbaar zijn.

En de presentatie viel me niet mee. Ook al is het uitgangspunt interessant dat er altijd inconsequent gedacht werd over dat onbewuste. Maar Van Heerden geeft ruiterlijk toe dat hij een vrij willekeurig stel denkers beoordeelt op dit punt; of met andere woorden dat hij vrij makkelijk over heel andere onderzoekers of filosofen had kunnen schrijven.

Ook was er iets anders. Eén van de weinig blijvende verdiensten van Freud is dat deze al éen der eersten uitgebreid over de betekenis nadacht van het onbewuste voor het gedrag van een mens. Dus kan ik billijken dat Van Heerden steeds nog vrij kritiekloos de zo door Freud geïnspireerde psychoanalyse in zijn betoog betrekt. Maar mij irriteerde het, omdat dit het boek nog meer zo’n verouderd tijdsdocument maakte.

J. van Heerden, De zorgelijke staat van het onbewuste
168 pagina’s
Boom, 1982