Age of Capital ~ Eric Hobsbawm

Hobsbawm schreef ooit een korte geschiedenis van de twintigste eeuw, met de titel The Age of Extremes. En dit boek moest ik altijd nog eens lezen. Alleen bleek me, toen ik zo ver kwam, dat het éen titel uit een reeks was. Dit maakte het logischer om daarmee te beginnen.

In The Age of Capital schrijft Hobsbawm over een periode die er doorgaans in de geschiedschrijving bekaaid vanaf komt. Er vond ook niets spannends plaats, zal de evenementieel historicus zeggen. Het bleef bijna overal vrede. In 1848 waren er weliswaar nog leuk veel revoluties en andere reuring, maar daarna duurde het wel tot 1871 tot er weer wat gebeurde.

Dit is onzin. Al ben ik de andere kant op bevooroordeeld. Voor mij is het derde kwart van de 19e eeuw éen van de meest interessante periodes uit de geschiedenis. Omdat het dan voor het eerst ineens mogelijk wordt om mensen tegen te komen die heel veel van ons weg hebben.

Misschien dat die er eerder ook wel waren, alleen is daar dan vrijwel nooit iets van overgeleverd.

E.J. Hobsbawm schreef een geschiedenisboek dat ook als een trendrapport te lezen is. De opzet van dit boek lijkt op het oog ook vrij simpel. In 1848 lag de wereld er op dit terrein zo bij, in 1875 was daar inmiddels dat in veranderd.

Alleen, schrijf dat maar eens leesbaar op, zoals Hobsbawm ook nu weer moeiteloos lukt. Heb dat enorme overzicht eens, over ontwikkelingen in politiek, economie, cultuur, religie, en wetenschap, of noem maar op.

Machtiger dan in deze periode zou Europa nooit meer zijn, wereldwijd; doordat de kolonies meer dan ooit wingewesten werden. En tegelijk kwam er een niet eerder geziene emigratie op gang, uit dat Europa, naar de VS vooral. Wat er in vele landen aan bevolkingsoverschot kwam, trok weg — en soms ook meer mensen dan het teveel alleen.

En tegen de onstuimige groei van productie en handel in, en dus tegen de groeiende macht van het kapitalisme, ontstond er voor het eerst ook iets als een arbeidersklasse, en de beweging om voor arbeiders meer rechten te eisen.

Nu kan het zijn dat hij die laatste ontwikkeling iets overdreven heeft. Hobsbawm was nu eenmaal een Marxist; al was hij dan op het moment van schrijven slechts nog een fellow traveller. Maar in een boek zo rijk als dit, doet dat gegeven er nauwelijks toe.

wordt vervolgd

Eric Hobsbawm, The Age of Capital
1848 – 1875
413 pagina’s
Abacus 2004, oorspronkelijk 1974

Age of Empire ~ Eric Hobsbawm

Hobsbawm schreef ooit een korte geschiedenis van de twintigste eeuw, met de titel The Age of Extremes. En dit boek moest ik altijd nog eens lezen. Alleen bleek me, toen ik zo ver kwam, dat het éen titel uit een reeks was. Dit maakte het logischer om eerst de drie boeken daarvoor te lezen.

Oorspronkelijk was Hobsbawm trouwens ook van plan met de eerste drie boeken te volstaan. Daarmee had hij dan mooi de ‘lange’ negentiende eeuw gevat — van 1789 tot 1914 — waarin zo heel veel vorm kreeg van wat onze tijd nog bepaalt.

Vergeleken met de twee voorafgaande delen viel aan The Age of Empire op dat het nog weer minder gericht op de ontwikkelingen in éen land alleen. Elders doet Hobsbawm ook de uitspraak dat het onzin is om de geschiedenis te willen schrijven aan de hand van wat er lokaal gebeurd is. Tegelijk zag hij wel in dat het altijd de nationale overheden zijn die het onderwijs betalen.

Dus is ook The Age of Empire weer een eerder thematisch geordende geschiedenis, dan een chronologisch opgebouwd boek. Hoogstens wordt het eind wel erg toegeschreven naar die Eerste Wereldoorlog; de strijd die wel móest plaatsvinden; terwijl deze reeks aan evenementen tegelijk geheel buiten het bestek van deze uitgave valt.

Tot dan toe was er ook alleen maar sprake van vooruitgang, op welk terrein ook. Dus tot enige relativering, door naar een crisis toe te schrijven, was Hobsbawm misschien wel verplicht.

Recent las ik The Vertigo Years van Philipp Blom — dat als geschiedenis grotendeels dezelfde periode beslaat als dit deeltje Hobsbawm. Beide boeken richten zich op een breed publiek, beide trekken zich betrekkelijk weinig aan van de evenementiële geschiedenis die anders altijd zo veel nadruk krijgt. Die overeenkomst dwingt me toch tot een vergelijking tussen beide. En dan wint Hobsbawm op vele punten van Blom. Zijn hoofd is groter, hij ziet zo veel meer.

Over Blom kon ik schrijven een boek gelezen te hebben waarin weinig stond dat me verraste. Bij Hobsbawm is het telkens omgekeerd. Lees ik hem over een onderwerp dat ik meende te kennen, dan nog komt er altijd iets dat nieuw is. Hobsbawm lezen, is zelfs voor mij als historicus meer dan een vakgenoot lezen die op een jaloersmakende manier helder over grote ontwikkelingen kan schrijven.

Zelfs al eindigt hij dit boek dan op een bezwerende toon, die in de rest van reeks geheel ontbreekt — wat misschien als conclusie nog niet eens gek is.

[…] if we can no longer believe that history guarantees us the right outcome, neither does it guarantee us the wrong one. It offers the option, without any clear estimate of the probability of our choice. The evidence that the world in the twenty-first century will be better is not negligible. If the world succeeds in not destroying itself, the probability will be quite strong. But it will not amount to certainty. The only certain thing about the future is that it will surprise even those who have seen furthest into it. [340]

wordt vervolgd

Eric Hobsbawm, The Age of Empire
1871–1914

404 pagina’s
Abacus 2004, oorspronkelijk 1987

Age of Extremes ~ Eric Hobsbawm

E.J. Hobsbawm had drie boeken nodig om de lange negentiende eeuw te beschrijven. De twintigste eeuw kon het af met éen band. Zij het dat Hobsbawm zich daarbij beperkte tot de periode van 1914 tot en met 1989; ook wel de korte twintigste eeuw genoemd.

Behalve dat hij daarmee toch heel wat te beschrijven en samen te vatten had, wist Hobsbawm al voor hij eraan begon dat Age of Extremes twee problemen zou opleveren. Grootste obstakel was wel dat dit boek hem dwong de geschiedenis te schrijven van een tijd waartoe nog niemand afstand had. Bovendien had hijzelf, geboren in 1917, een groot deel bewust meegemaakt; en zou dit ook voor zijn lezers gelden.

Toevallig waren dit voor mij dan weer redenen om dit boek toch eens te willen lezen. En dan moet gezegd dat me veel duidelijker dan in de drie delen hiervoor opviel waarop Hobsbawm zijn materiaal selecteerde.

Er even van afgezien dat ook dit weer een eminent leesbaar boek is, waaruit een groot overzicht spreekt, valt er toch wel wat op aan te merken. Ik vond het zonder meer prettig dat Hobsbawm de vele conflicten uit de twintigste eeuw in vijftig pagina’s afdeed, en zich verder op andere ontwikkelingen concentreerde. Alleen was er toch wel wat te zeggen geweest over hoe de dood in de 20e eeuw geïndustrialiseerd werd, zoals tijdens de Holocaust. Of hoezeer natiestaten vorige eeuw de eigen onderdanen hebben vermoord.

Ook nam hij erg veel ruimte om de opkomst en ondergang te tonen van het Marxistisch geïnspireerde Socialisme als heilsleer. Dit kan aan het moment liggen waarop dit boek verscheen — toen de Val van de Muur nog een onverwachte gebeurtenis was die vers in het geheugen lag. Dit kan zijn om Hobsbawm’s eigen uiterst linkse achtergrond; die misschien om een herpositionering vroeg.

In elk geval heb ik elders toch te veel gelezen over de geschiedenis van de VS — in de korte twintigste eeuw toch een veel bepalende grootmacht — om niet meer evenwicht te willen zien in de behandeling van Socialisme versus Kapitalisme.

Dus las ik Age of Extremes wat anders dan de drie voorgaande delen. Me tegelijk toch ook weer verbazend over het vele dat Hobsbawm wel weet door te geven. Waarbij de verrassing vaak niet eens zat in de feiten die hij aanhaalde, maar in zijn conclusies daarover. Dan schrijft hij bijvoorbeeld terloops een bijzin dat voor 80% van de bevolking in de jaren vijftig ineens de Middeleeuwen ophielden — en eigenlijk kan zo’n conclusie niet; dat maakt hem zo leuk.

Het meest opmerkelijk aan het boek vond ik Hobsbawm grote somberheid, in zijn slotbetoog — trouwens net als in het vorige boek. Zo vlak na het einde van de Sovjet-Unie, en dus de Koude Oorlog, vreesde hij toch voor chaos. Weliswaar was de kans op een nucleaire wereldoorlog verminderd. Maar de aarde loopt inmiddels gevaar op een andere manier vernietigd te worden.

En dat is dan toch een uitwas van de gestage opmars van het kapitalisme; een opmars die uiteindelijk het centrale thema lijkt te zijn van de vier boeken tezamen.

Eric Hobsbawm, Age of Extremes
The Short Twentieth Century
1914—1989

627 pagina’s
Abacus 2002, oorspronkelijk 1994

Age of Revolution ~ Eric Hobsbawm

Hobsbawm schreef ooit een korte geschiedenis van de twintigste eeuw, met de titel The Age of Extremes. En dit boek wilde ik altijd nog eens lezen. Alleen bleek me, toen ik zo ver kwam, dat het éen titel uit een reeks van vier was. Dit maakte het logischer om te beginnen met het eerste deel uit de serie.

In The Age of Revolution beschreef Hobsbawm de wereld tussen 1789 en 1848. Uitgangspunt daarbij waren twee revoluties: de plotselinge groei van de industriële productie in Groot-Brittannië, en de Franse opstand waarbij het Ancien Régime werd afgeschaft. Beide op het eerste gezicht zeer Europese gebeurtenissen. Maar toch ook, twee directe aanleidingen voor heel wat veranderingen die buiten Engeland en Frankrijk plaatsvonden.

En heel mooi aan dit boek is dat die veranderingen benoemd worden.

E.J. Hobsbawm begint zijn geschiedenis door uit te leggen hoe de wereld er bij stond in 1789. En hij eindigt met samen te vatten wat daarin zestig jaar later veranderd was. In de tussenliggende hoofdstukken werd vaak op thema toegelicht wat er gebeurde.

Daarmee is dit een geschiedenisboek voor het algemene publiek. En als zodanig ook niet genoeg te prijzen. Ik had het absoluut geen straf gevonden dit boek te hebben moeten gebruiken tijdens mijn studie geschiedenis — anders dan de thematisch zo veel beperktere literatuur die me wel werd verplicht. Hobsbawm’s blik is prettig breed. Naast de evenementiële geschiedenis geeft hij prettig veel omdenken aan sociaal-economische ontwikkelingen, zoals de schuwe opkomst van de middenklasse, of de benarde wordende positie van de werker. Oorlogen doet hij dan weer heerlijk beknopt af:

The relative monotony of French success makes it unnecessary to discuss the military operations of the war on land in any great detail.

Stond er tenslotte nog nieuws in, voor mij? Of bracht dit boek vooral de wetenschap dat ik inmiddels wel erg veel vergeten ben van mijn geschiedenisstudie?

Wat me door Hobsbawm opviel, was onder meer hoe prettig het kan zijn om een buitenstaander over je eigen land te laten oordelen. Nederland komt nauwelijks voor in dit boek. Behalve als er iets leeft dat ook elders speelt. Zoals de revolutie rond 1789, en wat daarna gebeurde. En ook de afscheiding van België in 1830 wordt in een breder Europees perspectief aan opstanden geplaatst.

Beter dan zulke enorme relativeringen aanbrengen kan een historicus eigenlijk niet doen.

wordt vervolgd

Eric Hobsbawm, The Age of Revolution
Europe 1789-1848

413 pagina’s
Cardinal 2003, oorspronkelijk 1962

Bandits ~ E.J. Hobsbawm

Directe aanleiding om dit boek eens te lezen, was een aardige verwijzing van iemand die uiteindelijk een ander boek van de Britse historicus Hobsbawm bleek te hebben bedoeld. Daarom had Bandits heel makkelijk tegen kunnen vallen. Wat ik er aan informatie in zocht — over de o zo nette misdaden van elites — stond er dus per definitie niet in.

Toch bleef de schade beperkt. Bandits is niet zo’n vreselijk dik boek, en beknoptheid vind ik doorgaans wel een sympathieke eigenschap bij een schrijver.

Deze monografie gaat over een onderwerp waarover in elke landstreek verhalen en mythen bestaan, maar waarvan Hobsbawm opmerkte dat er nauwelijks zelden onderzoek naar verricht werd. Dat is het leven van de rovers; in het bijzonder de vrijgevochtenen die het opnamen voor de zwakkeren in hun gemeenschap.

Robin Hood zelf heeft waarschijnlijk nooit bestaan. Maar mannen die stalen van de rijken, om met de armen te delen, kwamen overal voor waar een streng centraal gezag ontbrak. Hobsbawm plukte zijn voorbeelden uit de hele wereld weg, mede door de schaarste aan goede bronnen.

Mijn voornaamste kritiek op dit boekje is dan ook dat het me weleens te makkelijk van landstreek naar landstreek schoot. Verder wordt me niet duidelijk of Hobsbawm een grens trekt tussen rover en guerrilla — of desnoods geus, als ik naar de vaderlandsche geschiedenis kijk. Over piraten staat er trouwens evenmin iets in.

Belangrijkste waarde heeft dit boekje voor mij door de poging van Hobsbawm om te begrijpen waarom heldenmythes als die van Robin Hood toch zo krachtig konden zijn. En tegelijk, waarom de officiële geschiedschrijving deze uiting van mondeling overgeleverde volkscultuur altijd zo makkelijk negeerde; tenminste, tot Hobsbawm erover begon.

E.J. Hobsbawm, Bandits
128 pagina’s
Weidenfeld and Nicholson, 1969

Fractured Times ~ Eric Hobsbawm

Enkele jaren terug was er even sprake van dat boeklog tot een boekuitgave leiden zou. Maar dat idee heeft zelfs nooit als uitgewerkt plan bestaan, omdat de man die mij met dit voorstel overviel er vervolgens nogal een tijd over zweeg, doordat hij andere problemen aan zijn hoofd had.

Alleen moest ik door het tijdelijke enthousiasme van een ander dit leesdagboek dus ooit eens met nieuwe ogen bekijken. Om, toen de eerste ijdelheid was uitgedoofd, toch ook al snel tegenwerpingen te vinden op het boekenidee. Had ik bijvoorbeeld niet vanaf dag éen gesteld dat alle tekstjes hier samen de waarde van de site bepalen? Enkele van de best gelukte boeklogjes er tussenuit plukken, die dan herschrijven en van een inleiding voorzien, om ze daarna te isoleren in een boek, zou daarmee altijd verlies aan context opleveren.

Ging bovendien meewegen dat geen enkele bundel met zakelijke teksten tegenwoordig nog lezers trekt, laat staan zo veel lezers als heel wat pagina’s op boeklog hebben gehad.

Boeklog mag dan ondertussen weliswaar niet meer als dagelijks leesdagboek dienen, als publiek digitaal experiment is het interessant genoeg om nog een hele tijd voort te blijven zetten; mede omdat oude boeklogjes altijd weer een extra waarde kunnen geven aan de nieuwe. Waar een boek altijd een statische momentopname zou zijn gebleven.

Ook de bundel Fractured Times van Eric Hobsbawm liet me nogal eens nadenken over levende en dode cultuur. Dit kwam omdat de blik van een goede historicus, zoals Hobsbawm, zaken uit het heden nogal eens verduidelijken kan door de ontwikkelingen breder te bekijken dan vrijwel alle anderen dat altijd doen.

Zo is er helderder over bijvoorbeeld kunstsubsidies na te denken door mee te wegen wie er voorheen de cultuur bekostigden, wat daarin veranderde, en waarom dan wel. Zelfs al nam ook Hobsbawm niet direct mee dat de grootste mecenassen van de kunsten nog altijd de kunstenaars zelf zijn.

Here we have two players in the game of ‘culture’ and politics at the beginning of the twenty first century: politics and the market. They decide how cultural goods and services are to be financed — essential by the market, or by subsidy. Politics comes in as an obvious source of, or refuser of, subsidies. But there is a third player who decides what can, ought or ought not to be produced. Let us call him or it ‘the moral mechanism’, both in the negative sense of that which defines and discourages the impermissible, and in the positive sense of imposing the derirable. This is essentially a matter of politics (i.e. political power). For the market in principle decides only what makes or fails to make money, not what one ought or ought not to sell. […] [44]

Eric Hobsbawm [1917 — 2012] heeft lang genoeg geleefd om mee te maken dat de Taliban eeuwenoude monumenten ging vernietigen omwille van hun geloof. En hij heeft nog lang genoeg doorgewerkt om dit gegeven mee te nemen in een beschouwing over cultuur.

Graag ook had ik hem gehoord over de vernietiging van de bibliotheken in rijke westerse landen op dit moment — alleen is Fractured Times daar het boek niet naar. Deze uitgave biedt veelal lezingen, en een enkele boekbespreking, uit het laatste gedeelte van Hobsbawm leven, uitgezocht op een gemeenschappelijk thema. Volledigheid viel daardoor niet te verwachten, helaas. Hoewel Hobsbawm in elk van zijn bijdragen wel iets opmerkt dat me verraste.

Dankzij hem weet ik nu de periode van pakweg 1968 tot 2008 voortaan als een tijd van ongekende hoogconjunctuur te moeten zien — die waarschijnlijk zo niet meer terugkomt. Toen ook de overheden zoveel geld hadden dat ze van gekkigheid niet meer wisten wat daar mee te doen. Nooit werden er meer musea en operahuizen gebouwd of verbouwd als in deze periode, zo merkt de auteur daarover onder meer op. Om vervolgens vooral te schrijven over de schaarste die daarmee kunstmatig gecreëerd werd.

Musea tonen unica; en daar zijn er nooit veel van — wat nogal wat oude meuk, in mijn interpretatie, bovenmatig duur maakt. En dus, weer naar mijn idee, wordt het prestige van sommige unica nogal overdreven. Want door zulke teksten keek ik ineens net iets anders naar een nieuwsfeiten als dat de VVD-kabinetten hier het ene moment structureel € 200 miljoen aan cultuursubsidies afschaffen, wat dan tienduizenden mensen direct treft, en een volgend moment rustig € 160 miljoen wilden betalen voor twee totaal oninteressante portretten door Rembrandt.

Hobsbawm maakte zelfs intelligente observaties over de opkomst van een op digitale informatie gebaseerde cultuur. Hij signaleerde namelijk wél dat er zo veel standaarden in gebruik zijn, en zo veel verschillende technologieën, dat veel aan digitaal materiaal ondertussen al ontoegankelijk is geworden, zo niet vergaan.

En dan is het voor mij niet zo zeer nieuws dat er momenteel op grote schaal cultuurvernietiging plaatsvindt, online en daarbuiten. Ik klaag er al over zolang als mijn weblogs bestaan. Alleen heb ik zo’n ontwikkeling nooit in een groter verband gezet, gekoppeld aan de vraag wat er blijft en wat niet, en waarom, waar Hobsbawm dit dus wel deed.

Ik geef toe, dat idee van een boekuitgave uit boeklog leek mede zo aantrekkelijk ooit om dat er dan tenminste iets tastbaars zou zijn op papier. Omdat ik zo veel oud papier in handen heb gehad door mijn opleiding tot historicus, dat daar niet ook een overdreven eerbied voor is gegroeid.

Eric Hobsbawm, Fractured Times
Culture and Society in the Twentieth Century

320 pagina’s
The New Press 2014, oorspronkelijk 2013

Interesting Times ~ Eric Hobsbawm

Hobsbawm’s autobiografie is een interessante tegenhanger van zijn werk over de korte twintigste eeuw — Age of Extremes. Dat boek begint in 1914, het leven van historicus startte in 1917. Toen hij geboren werd in Alexandrië, en een ambtenaar zijn achternaam verkeerd opschreef.

Hobsbawm’s vader heette Hobsbaum. En is die spelling al begrijpelijker, zijn voorvaderen heetten Obstbaum, voor ook die naam verminkt werd door een Britse douanier bij binnenkomst in Groot-Brittannië.

Interesting Times viel wel op éen niveau tegen. Het boek is typisch de autobiografie van een man, die altijd aan het werk was, en het daarom niet nodig vind om over zijn huwelijk te schrijven, of zijn kinderen — of noem de normale hoogtepunten uit iemands persoonlijke leven maar op.

Interesting Times bood tegelijk iets dat ik niet eerder zo tegenkwam. Harry Mulisch heeft weleens gezegd de Tweede Wereldoorlog te zijn — om zijn Duitse vader, en zijn Joodse moeder. Hobsbawm houdt zich gelukkig verre van zulke uitspraken over zichzelf. En toch vertegenwoordigt hij nog meer de Europese geschiedenis van de twintigste eeuw.

Na die geboorte in Alexandrië woonde hij in Wenen, en Berlijn. Zijn Britse vader overleed jong, zijn Weense Joodse moeder leefde niet heel veel langer. Hobsbawm kwam begin jaren dertig in Groot-Brittannië terecht, waar hij dankzij een beurs in Cambridge mocht studeren. Daar werd hij even actief in de Communistische Partij — die dan weer de enige partij met communisten in Europa zal zijn geweest zonder facties, of afscheidingen.

Die vroege interesse in de Marxistische ideeën over sociale zaken en economie, heeft zijn leven getekend. Zo moest hij wel dienst nemen in de Tweede Wereldoorlog, maar werd hij waarschijnlijk te zeer als een gevaar gezien om nuttig werk te krijgen. Dus was die oorlogstijd voor Hobsbawm opvallend onproductief en vervelend.

Tijdens de Koude oorlog mocht hij dan weer niet naar de VS, vanwege zijn ideeën als tiener; en ondanks dat hij nauwelijks actief was in de partij; terwijl Hobsbawm na de Hongaarse revolutie in 1956 keurig een fellowtraveller werd. Pas toen zijn status als historicus onbetwistbaar was, viel deze reisbeperking weg.

Tegelijk zijn het niet de grote ontwikkelingen die het boek interessant maken. De autobiografie moest het voor mij hebben van zijn terzijdes. De opmerkingen die Hobsbawm maakt over collega-historici, of over lesgeven, bijvoorbeeld. Of dat hij weinig begrijpt van de culturele voorkeuren generatie die na hem kwam, de babyboomers — wat mij dan weer toonde hoe een cultuur te beschrijven is.

scheiding

[…] Levis triumphed, like rock music, as the badge of youth. By then I was no longer young. I had no great sympathy for the contemporary equivalent of Peter Pan, the adult who wants to stay an adolescent for ever, nor could I see myself credibly performing the role of oldest teenager on the scene. I therefore decided, almost as a matter of principle, never to wear this gear, and I have never done so. This handicaps me as a historian of the 1960s: I stood outside them. What I have written about the 1960s is what an autobiographer can write who never wore jeans. [261-262]

Eric Hobsbawm, Interesting Times
A Twentieth-Century Life

463 pagina’s
Allen Lane, 2002

Invention of Tradition ~ Eric Hobsbawm & Terence Ranger [ed.]

Vreemd genoeg herinnerde ik me dit boek als éen dat Hobsbawm alleen had geschreven. Maar het blijkt een bundel te zijn met opstellen van zes historici. Die ik dus niet eerder gelezen kan hebben. Dus is me waarschijnlijk eerder alleen het inleidende artikel van Hobsbawm onder ogen gekomen. En heeft dat er al lang geleden toe geleid om me de centrale idee van dit boek eigen te maken.

De meeste tradities die wij eerbiedigen zijn uitgevonden, en vaak niet eens zo heel lang geleden. In de negentiende eeuw kwam de natiestaat namelijk op, terwijl de inwoners daarvan vooral binding hadden met de eigen stad of streek. Die moest dus met kunstgrepen een nieuw wij-gevoel worden aangeleerd.

Daarom ook komen er nog steeds nieuwe tradities bij; nogal wat geschiedenis wordt bedacht om iets te bewijzen.

Serieuze historici hebben dan weer de taak om echt van onecht te onderscheiden, en uit te vinden waarom een samenleving éen aspect uit het verleden dan toch zo graag verheerlijken wil.

Het bekendste voorbeeld dat dit boek heeft opgeleverd is dat van de mythische Schotse ruit. Zogenaamd had iedere clan al eeuwig zijn eigen tartan. Maar dat bleek helemaal niet waar te zijn. De Schotten stonden juist lang sterk onder Ierse invloed; ook in hun kleding. Die Schotse ruit was dus een duidelijk 19e-eeuwse uitvinding om het verleden bij te kleuren, die later ook nog leuk commercieel te exploiteren viel, zo legt Hugh Trevor-Roper uit.

Hobsbawm schreef een artikel dat het meeste overzicht biedt over deze ontwikkelingen in West-Europa.

Ranger beschreef hoe de koloniale machten tradities in Afrika vestigden, als bestuurlijke bureaucratie. Dit was onder meer nodig omdat doorgaans niet het beste volk naar de kolonies trok, en deze als blanken toch ergens status aan moesten kunnen ontlenen.

Maar het meest zei mij het artikel van Prys Morgan, over hoe de Welsh een eigen identiteit probeerden te ontwikkelen in de 18e en vroeg 19e-eeuw. Vooral de kunstgrepen die sommige inwoners van Wales toepasten om hun zo weinig homogene taal toch een echt volwaardige cultuurtaal te laten lijken, kwamen me zeer bekend voor — uit de recente Friese taalgeschiedenis.

Eric Hobsbawm and Terence Ranger [ed.], The Invention of Tradition
320 pagina’s
Cambridge University Press, 1983

Nations and Nationalism since 1780 ~ E.J. Hobsbawm

De historicus Hobsbawm gaf ooit in Dublin vijf ‘Wiles Lectures’ over nationalisme. Dit boek biedt een achteraf bewerkte weergave van die lezingen uit 1985, omdat hij nogal wat commentaren moest verwerken. Bovendien kwam er al snel een tweede editie uit. Want, waar Europa, die wieg van het uitgesproken nationalisme, zo stabiel was sinds het eind van Tweede Wereldoorlog, zorgde het einde van het communisme ineens voor een heel nieuwe golf van natievorming.

Hobsbawm relativeert die laatste ontwikkeling tegelijk. Hoewel nationale overheden op zich belangrijker dan ooit zijn — door het netwerk aan sociale zekerheid dat zij bieden, en om hoe ze welvaart herverdelen via belastingen — speelt er ook genoeg dat dit belang van de staat meteen weer inperkt. Geen landseconomie is meer autarkisch. Of, om deze visie actueel te maken: de crisis in het ene werelddeel heeft grote invloed op het welvaren van andere.

De waarde van dit boek is dan ook vooral dat Hobsbawm laat zien hoe zeer het begrip ‘natie’ en ‘nationalisme’ veranderde, in de loop van eeuwen. De geschiedenis die hij daarbij beschrijft, is bijna afstandelijk abstract; het boek biedt een schijnbaar breed palet van telkens in betekenis veranderende ideeën, die alleen toch steeds met dezelfde woorden werden aangeduid.

Zo valt op hoe relatief kort racisme nog maar onderdeel is het blinde nationalisme. En dat zelfs het idee ‘eigen volk eerst’ niet altijd vanzelfsprekend was, maar ergens weg komt. Of omgekeerd, hoe zeer een land als Groot-Brittannië eeuwenlang trots was een smeltkroes te zijn van allerlei invloeden van buiten — en hoe die trots ook weer verwaterde.

E.J. Hobsbawm, Nations and Nationalism since 1780
Programme, Myth, Reality

Second edition
205 pagina’s
Cambridge University Press 2008, oorspronkelijk 1990 & 1994

On History ~ Eric Hobsbawm

Rijk is de tetralogie van Hobsbawm; vol met duizenden feiten, die toch in een logische tekst zijn samengebald. Wie in kort bestek de negentiende en de twintigste eeuw aan wereldgeschiedenis doorneemt, moet nogal wat behandelen. Die rijkdom maakte wel dat het me vele weken kostte om die boeken te lezen.

En nu is het merkwaardige dat deze bundel, On History, waar vele lezingen in staan, die per definitie lang zo veel inhoud niet bieden als leesteksten, me bijna net zo veel tijd kostte als de vier boeken vol geschiedenis samen.

Kwam dit omdat ik telkens moest nadenken over wat Hobsbawm schreef, over het vak? En een gewoon geschiedenisboek toch veel passiever is te consumeren?

Dat idee zou voor de hand liggen — ware het niet dat veel van Hobsbawm aan zijn publiek meedeelde me bekend was. Voor een groot deel doet hij weinig anders dan de ontwikkelingen in de aanpak van de geschiedschrijving uitleggen aan een groot publiek. En van die ontwikkelingen had ik al weet. Mijn studie geschiedenis begon met een inleiding hierover, en het verplichte deel van die studie eindigde met een filosofisch-theoretische beschouwing van het métier.

Als ik in dit boek las, amuseerde het me wel. Alleen ontbrak een reden om na éen of twee lezingen door te lezen.

Enfin, misschien is het simpel, en heeft Hobsbawm me in zijn andere boeken zo verwend dat dit boek met een te grote belofte kwam. Misschien had ik een diepgravende persoonlijke theorie van hem verwacht over hoe geschiedenis beschreven moet worden. Terwijl me toch duidelijk kon zijn dat Hobsbawm’s aanpak in twee zinnen valt samen te vatten.

De geschiedenis is niet de geschiedenis van grote mannen alleen. En historici schrijven voor iedereen, niet slechts voor dat kleine kringetje vakgenoten.

Uiteindelijk waren de interessantste stukken in deze bundel die waarin Hobsbawm de werkwijze toelichtte op de boeken die hij geschreven had. Waarbij hij, geboren in 1917, het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914 steeds zag als het natuurlijke eindpunt van de tijd om te bestuderen.

Over de eigen tijd wilde Hobsbawm pas schrijven aan het eind van de twintigste eeuw. Toen niet alleen de eeuw bijna voorbij was, maar ook zijn leven de langste tijd geduurd had.

wordt morgen vervolgd

Eric Hobsbawm, On History
403 pagina’s
Abacus 2005, oorspronkelijk 1997