Einde van de standaardtaal ~ Joop van der Horst

Joop van der Horst is hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan de KUL, en toch wil hij dat dit boek over taalgeschiedenis als een essay wordt beschouwd. Het is geen wetenschappelijke monografie, omdat Van der Horst verder in zijn uitspraken wil gaan dan hij misschien al onderbouwen kan. Dat vond ik prettig. De enige aanmerking van mij op dit boek is dat het zich nogal eens herhaalt.

Van der Horst laat zien dat in verschillende Europese talen parallelle ontwikkelingen zijn, die meestal iets te makkelijk worden weggehoond als taalverloedering. Dezelfde klachten dat kinderen niet meer kunnen spellen komen werkelijk overal voor. Tegelijk beseffen diezelfde klagers niet dat ook zij anders lezen en schrijven dan twintig jaar geleden. Dus is er meer aan de hand.

Als verklaring geeft Van der Horst onder meer dat de invloed van een idee over taal uit de Renaissance langzaam, en soms met horten, aan betekenis verliest.

Elke landstaal heeft verschillende processen van standaardisatie doorgemaakt — en de eerste daarvan begon zo’n vijf zes eeuwen geleden. Daarbij hadden eerst de drukkers en uitgevers een belangrijke rol. Doordat zij vast gingen houden aan éen bepaalde spelling, groeide er gestaag acceptatie dat woorden soms misschien wel anders geschreven werden dan uitgesproken.

Het Renaissancemodel van Van der Horst verklaart daarmee dat er in elk Europees land altijd verschil is tussen wat de mensen spraken en hoe zij schreven. Daar kwam bij dat, omdat er voor de volkstaal geen grammatica’s bestonden, de schrijftaal veel aan het Latijn ging ontlenen. Zelfs al werden er zo constructies gewrocht, die in het normale spraakgebruik helemaal niet voorkwamen.

Het verschil tussen schrijf- en spreektaal was lang immens, maar Van der Horst neemt ergens halverwege de negentiende eeuw het begin een trendbreuk waar. Die verandering heeft zich alleen nog lang niet volledig doorgezet. Nog altijd leven wij in een cultuur waarin schrijftaal de hoogste status heeft — zelfs al staat hoe wij schrijven aanmerkelijk dichter bij de spreektaal dan voor eerdere generaties gold. Dus worden afwijkingen van een ideale schrijftaal nog steeds maar moeilijk geaccepteerd. Dat zo veel jongeren niet lijken te kunnen spellen, wordt zelfs als een taalcrisis gevoeld, door velen. Van der Horst probeert uiteindelijk vooral dat pessimisme te temperen, en slaagde hierin voor mij.

Maar mij zal dit heldere essay vooral bijblijven door een onverwacht bijeffect. Dankzij de manier waarop Van der Horst het proces van taalstandaardisering ontleedde, kreeg ik ineens instrumenten in handen om de ontwikkeling van het Fries te kunnen analyseren.

Opvallend aan deze minderheidstaal is namelijk dat het proces van standaardisering nog altijd bezig is. Het Fries is een vrijwel pure spreektaal. Slechts een kleine, maar fanatieke, groep zet dat de taal ook als schrijftaal in. Dit leidt er bijvoorbeeld toe dat Friese woordenboeken niet de terminologie opnemen die algemeen gebruikt wordt, maar ook nog normerend willen zijn; en daarom eigen bedenksels plaatsten. Daarbij gaat het Fries ook tegen een andere pan-Europese trend in. In elke taal komen steeds meer internationale woorden voor — mede door de grote invloed van het Engels; de taal van commercie en entertainment. Hierdoor groeien talen min of meer naar elkaar toe. Maar het Fries koestert zich juist liever in afzondering.

Joop van der Horst, Het einde van de standaardtaal
Een wisseling van de Europese taalcultuur

375 pagina’s
Meulenhoff, 2008

* extra: een clip van het gesprek met Van der Horst in het VPRO-programma Boeken


click image to play. 1.30 minutes

Korte geschiedenis van de Nederlandse taal ~ Joop van der Horst en Fred Marschall

Mooi aan geschiedenisboeken, hoe beknopt ook van opzet, is dat er altijd zaken instaan die ik nog niet wist. Dus zelfs al waren me de grote lijnen wel bekend van onze taalgeschiedenis, Van der Horst en Marschall boden genoeg nieuwe feiten om telkens toch verrassingen op te leveren.

Voor een deel vertelt Joop van der Horst wel dezelfde geschiedenis in Het einde van de standaardtaal. Maar dat is toch een heel ander boek. Zo biedt dat alleen maar tekst, zoals logisch lijkt voor een boek over taal. Opvallend aan de Korte geschiedenis van de Nederlandse taal is juist dat het zo veel illustraties bevat, en dat die er zeker niet alleen voor het mooi staan.

Taalgeschiedenis is nu eenmaal voor een groot deel ook politieke geschiedenis. Omdat standaardtalen, als het Algemeen Beschaafd Nederlands [ABN], er niet zo maar kwamen. Dus zijn zelfs landkaarten nuttig, omdat die tonen hoe lang het duurde voor Nederland, of België, eenheidsstaten werden.

De auteurs verklaren overigens de kracht die het dialect in Vlaanderen nog steeds heeft uit het ontbreken van een eigen standaard-Nederlands daar. Het kosten eeuwen om een taalvariant te krijgen waaraan niet te horen is waar de spreker wegkomt, of tot welke sociale klasse die behoort. Zo veel tijd is er in Vlaanderen nog niet gepasseerd. En de Belgen konden ook een standaardtaal lenen die al klaarlag. Het ABN.

Tegelijk valt ook in Nederland op dat dialecten, en streektalen, tegenwoordig weer bloeien.

Dit boek besluit met een korte opsomming van verschuivingen in het taalgebruik, die velen nu nog moeilijk kunnen zetten, maar over enkele decennia misschien wel volkomen geaccepteerd zullen zijn. Ook al zijn de genoemde voorbeelden speculatief. Het is onvoorspelbaar hóe een taal zich ontwikkelen zal. Wat aanslaat, en wat niet.

Maar dat er voortdurend beweging blijft, is duidelijk. Net als dat veel van wat nu voor correct taalgebruik doorgaat, berust op een willekeurige afspraak. Residuen zijn het soms zelfs, van een toevallige mode in de schrijftaal in de Renaissance. Daarover zij niet gezegd dat zulke afspraken er niet toe doen. Dat taal verandert, is alleen wel een gegeven.

Joop van der Horst en Fred Marschall
Korte geschiedenis van de Nederlandse taal
184 pagina’s
SDU Uitgevers, 4e uitgebreide en herziene druk, 2000