Schrijven ~ Jan Brokken

Dertig jaar nadat Jan Brokken de belangrijkste schrijvers in Nederland interviewde — op Reve en Hermans na dan — zijn de meeste van hen dood of uitgeschreven.

Nu goed, Maarten ’t Hart publiceert nog weleens wat. Guus Kuijer ook. Mensje van Keulen. K. Schippers. En Remco Campert zelfs.

Toch maakte deze interviewbundel om een andere oorzaak een merkwaardig gedateerde indruk. Brokken was om éen of andere reden nogal gefascineerd door het materiaal waarmee de schrijvers hun ambacht uitoefenden. En eind jaren zeventig gebruikten auteurs hier nog geen computers.

Dus mocht Harry Mulisch zagen ‘het echte HB potlood’ te gebruiken voor de passages waar hij onzeker over is.

Wolkers legde uit vellen van zestig centimeter lengte in zijn typmachine te draaien.

Biesheuvel heeft zelfs een typmachine waarmee het schrijven eigenlijk te makkelijk gaat.

En Maarten ’t Hart kon maar met éen speciale pen schrijven, omdat hij van de andere kramp kreeg, ook als het werk per se nog door moest.

Zelden zal er zo veel aandacht besteed zijn aan zoiets onzinnigs. Ik bedoel, al zou een auteur elke ochtend een ader openrijten om het eigen bloed als inkt te kunnen gebruiken, dan nog is dat van secundair belang; en hoogstens interessantdoenerij.

Gelukkig had Brokken nog wel oog voor nuttiger informatie, zoals hoe vaak er herschreven werd; of hoe de auteurs de redactie inpasten in hun normale schrijfpatroon.

Ik herlas dit boek om het interview met Bob den Uyl, en knikte maar weer eens bij diens uitspraak:

Een verhalenbundel is een roman waaruit de vervelende stukken zijn weggelaten […]

Toen moest het gesprek met de zo zelden geïnterviewde F.B. Hotz ook maar. En voor ik het wist had ik tien van de negentien interviews gelezen, en moest het boek ook maar uit.

Maar waarom eigenlijk toch?

Jan Brokken, Schrijven
Interviews
230 pagina’s
De Arbeiderspers, 1980

* in het boek staan interviews met:

  • J.M.A. Biesheuvel
  • Willem Brakman
  • Remco Campert
  • S. Carmiggelt
  • Hugo Claus
  • Hella S. Haasse
  • Maarten ’t Hart
  • F.B. Hotz
  • Mensje van Keulen
  • Anton Koolhaas
  • Gerrit Krol
  • Guus Kuijer
  • Marga Minco
  • Harry Mulisch
  • Bert Schierbeek
  • K. Schippers
  • Bob den Uyl
  • Theun de Vries
  • Jan Wolkers

 


Tobias en de dood ~ J. van Oudshoorn

Ooit had ik wel een zwak voor Nederlandse naturalisten. Voor hun van somberheid doortrokken romans en verhalen, zoals die verschenen in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Ik heb toen zeker Van Oudshoorn gelezen, alleen weet ik niet meer of dit boek er bij was.

Wel weet ik dat latere auteurs zich nogal eens waarderend over Tobias en de dood hebben geuit. F.B. Hotz wijdde bijvoorbeeld een essaytje aan het boek, dat opgenomen werd in de bundel De vertegenwoordigers.

En ik heb nu toch ook maar herlezen wat Hotz aan de roman te prijzen vond. Mij liet deze klassieker uit de Nederlandse romankunst vrijwel geheel onverschillig.

Hotz vond vooral Van Oudshoorn’s taal goed. Omdat deze de juiste zinnen had laten staan om de werkelijkheid van het verhaal treffend mee te pakken. En ook was prettig dat Van Oudshoorn in staat bleek om een amusante schelmenroman te schrijven zonder daarbij te gaan moraliseren. Waardoor het boek leesbaar is gebleven.

Dit waren geen van beide kwaliteiten die mij nu het meest in de roman waren opgevallen.

Tobias en de dood gaat alleen maar over Tobias Termaete; die een bon-vivant is met zwarte snorren. In het boek komt hij op zo’n leeftijd dat hij eens moet nadenken over leven en dood. Tobias speculeert nogal makkelijk, met geld van een ander, of met haar genegenheid. Maar hij leidt op het oog toch een leventje waar geen armoede of gebrek in voorkomt.

De belangrijkste bedreiging in het boek lijkt een chantagepoging, om zijn omgang met een te jonge vrouw.

Van Oudshoorn behandelde de details van die chantagezaak prettig terloops. Net als gevolgen. En net als hij andere dramatische verhaalmogelijkheden — zoals de dood van Tobias’eerste vrouw — laconiek afdeed.

Daar was goed mee te leven, ware het niet dat Van Oudshoorn dus zo ook toonde waar het hem wel om te doen was met het boek. En dat is enkel om die Tobias, en zijn angsten, te tonen uit het perspectief van een alwetende verteller.

Dit boeide me toch minder dan gehoopt.

Op een gegeven moment werd het prettig bij het lezen dat de hoofdstuktitels nog de conventie hadden om wat daarop volgde samen te vatten. Het werd zo mogelijk sommige stukken iets sneller te lezen dan bedoeld.

  1. Reisplannen. Tot ongerief van de juffrouw kan Tobias er niet toe komen om te vertrekken
     
  2. Kleine onaangename wederwaardigheden doen het Tobias raadzaam voorkomen overdag zijn kamers niet te verlaten
     
  3. Na lange tijd komt Tobias weer in beter gezelschap. Bedenkelijke gevolgen daarvan
     
  4. Een korte doch hevige ongesteldheid roept in Tobias vage toekomstplannen wakker

Etc.

J. van Oudshoorn, Tobias en de dood
288 pagina’s
Rainbow Klassiek 2006, oorspronkelijk 1925

Vertekening ~ F.B. Hotz

Over een jaar of vijf zo schat ik, moet het me weer mogelijk zijn om de verhalen te herlezen van F.B. Hotz. De laatste leesbeurt ligt dan twintig jaar achter me. Duizenden andere boeken passeerden sindsdien. Een onbevangen reactie op dat werk wordt dan wellicht weer mogelijk.


Ik kijk er naar uit.

Bij een vrij recente poging om iets te herlezen, bleek me namelijk dat te veel van Hotz’ verhalen me nog veel te goed bijstaat. Het verhaal, de toon, zowel als de taal.

Daardoor zijn eigenlijk alleen de boeken van Hotz te herlezen die me de eerste keer niet zo veel zeiden. Zoals zijn enige roman, De vertekening, uit 1991.

Directe aanleiding om de roman eens te lezen, kwam van Maarten ’t Hart. Omdat hij er in zijn collectie van stukken over Hotz op wijst dat De vertekening ooit begon als sleutelroman.

Er is namelijk éen moment in het leven van Hotz geweest dat het hele vervolg heeft getekend. Toen in 2011 de biografie verscheen van Aleid Truijens over Hotz werd daar nog besmuikt over gedaan ook. Zij sprak zelfs over zijn grote geheim.

Alleen had onder meer Maarten ’t Hart dat geheim al zo veel eerder onthuld dat het me verbaasde dat daar in 2011 nog zo moeilijk over gedaan werd. Bovendien overkwam alles Hotz slechts. Zijn vrouw Barbara had namelijk een minnaar — de echtgenoot van een andere schrijver, Helga Ruebsamen — en zij heeft deze minnaar op zekere dag in bed na de daad met een mes omgebracht.

In de eerste versie van De vertekening reageerde F.B. Hotz nog vrij direct op dit kwade moment in zijn leven. Maarten ’t Hart werd om commentaar gevraagd op dat manuscript, en die was heel enthousiast. Ook al omdat Hotz nu eens duidelijk over zichzelf had durven schrijven.

Maar die eerste versie is nooit uitgegeven. De uiteindelijke roman is waarschijnlijk een bewerking van een bewerking van een bewerking. En bij iedere nieuwe versie heeft Hotz moeite gedaan om het verhaal verder van hem weg te schrijven. De mannelijke hoofdpersoon was ineens geen jazz-muzikant meer, zoals Hotz, maar een kunstschilder. Het kind dat deze man had met zijn overspelige vrouw werd een meisje, en geen jongen. En de geslaagde moord werd in het boek een poging tot zelfmoord.

Blijft staan dat het verhaal wel degelijk over een slecht huwelijk gaat, met een overspelige vrouw, en een man die niets verdient met wat hij het liefst doet, en om zijn huisvaderlijke plicht werk verricht dat hem niet interesseert.

Als ik Maarten’t Hart moet geloven, heeft Hotz in zijn drang tot controle, en om de zoon uit dat huwelijk te beschermen, alle levendigheid uit het boek weggegumd. En misschien dat dit oordeel mijn lezen kleurde. Ik kan nu slechts schrijven dat het resultaat verbleekt naast wat dit boek had kunnen brengen.

Alleen, is dat niet altijd zo? Ergens?

F.B. Hotz, De vertekening
100 pagina’s
© 1991
in: In: F.B. Hotz, Het Werk | 2
569 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1997
 
Maarten ’t Hart, De man met het glas
Over F.B. Hotz

93 pagina’s
De Kler, 2003

Voetnoot ~ F.B. Hotz

Is het alweer tijd om Hotz te herlezen? In 1997 verscheen zijn verzamelde werk in twee banden, nadat hij de P.C. Hooftprijs won. Dat maakt het niet heel moeilijk om te dateren wanneer ik hem voor het laatst gelezen heb.

Hotz is éen van de weinige schrijvers die op zo’n manier verhalen in het verleden kan plaatsen, dat de historicus in mij niet ogenblikkelijk protesteert. Integendeel.

Bovendien heeft hij werktuigbouwkunde gestudeerd, net als ik. En hij mislukte daarin, evenals ik. Toch geloof ik dat de manier waarop ingenieurs worden getraind te denken invloed op zijn schrijven heeft gehad. Al was het maar omdat hij het kleine maar tekenende technische detail niet schuwt, waar collega’s zich zo vaak blind tonen voor de wereld aan dingen die hen omringt.

Waar Hotz ook erg goed in was, is sfeer. En mij blijkt bij het herlezen van de novelle De voetnoot dat ik sfeer heel goed onthoud. In tegenstelling tot plot. Thrillertjes als die van Dick Francis zijn straffeloos weer op te pakken, en lijken na tien jaar bijna als nieuw. Met goede literatuur is dat lang niet altijd zo.

Ik herinnerde me te veel van dit verhaal om het onbevangen te herlezen. Al viel me wel weer op hoe weinig de schrijver nodig heeft om de vrouwelijke hoofdpersoon als raar mens af te schilderen. Dat lukt alleen al door van haar een bijfiguur in het verhaal te maken, bijvoorbeeld.

Prachtig is ook hoe Hotz heel terloops de technische redenen weet te geven achter dat beruchte treinongeluk bij De Vink.

Toch moest zijn werk voorlopig nog maar even dieper rijpen, in mijn kast.

F.B. Hotz, De voetnoot
42 pagina’s
© 1989
In: F.B. Hotz, Het Werk | 2
569 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers © 1997