dit is het dossier:

Johan Huizinga

© Boeklog 2005-2018. Alle rechten voorbehouden

 

Homo ludens ~ J. Huizinga

Het beste is, zo heb ik ondertussen geleerd, om vooraf aan het lezen van een klassiek boek geen verwachtingen te hebben over de inhoud. Wat ooit uniek was aan zo’n tekst zal gauw eens zijn overgenomen door navolgers, die daarmee onzichtbaar hebben gemaakt wat de eigenlijke kwaliteit was van het werk. Daarentegen zal doorgaans snel duidelijk zijn waarin zo’n boek is achtergebleven in de tijd.

Alleen was wel nuttig geweest als ik van Homo ludens had geweten dat het uiteindelijk een cultuurkritiek is. Dat de historicus Johan Huizinga heel zijn boek gebruikte om te wijzen op welke rijkdom het spel de cultuur heeft gebracht, om daarop te kunnen klagen dat het spelelement inmiddels nogal schrijnend ontbreekt overal. Impliciet stelt hij dat verkalking lijkt te zijn opgetreden in alles. Bewegingsvrijheid ontbreekt.

Al ontstond dat probleem al in de negentiende eeuw, volgens Huizinga, door de opkomst van de massabewegingen met een politieke kleur.

En in een boek uit 1938 hoefde de auteur zijn publiek waarschijnlijk ook niet met nadruk te waarschuwen tot welk een geestelijk klimaat een massabeweging kan leiden, in al zijn onbarmhartige ernst en bijbehorende dogma’s.

In de weken die ik uittrok om dit boek te lezen, viel het me moeilijk om te begrijpen waar de schrijver heen wilde met zijn betoog, voor eindelijk diens kritiek in de laatste twee hoofdstukken geuit werd. Huizinga had zich tot dan toe toch allereerst een soort vlindervanger getoond, die telkens blij van weer een nieuw onderwerp in zijn netje liet zien welke invloed het spel daarop had gehad ooit.

Wetenschap bedrijven zonder bewijs, noem ik dat. Want honderden schijnbare bewijsjes tonen voor een geponeerde stelling toont niet meer aan dan dat de onderzoeker heel graag wil dat wat hij beschrijft waar is. Meer niet. Kan de schrijver nog zo erudiet zijn, en zoveel talen kennen.

Vrijwel heel het boek vermoedde ik daarom dat Huizinga zich had laten verblinden door de kracht van een metafoor. Want voor wie eenmaal een hamer heeft, wordt alles een spijker. Terwijl wie dat wil, toch bijvoorbeeld ook in alle sociale contact op een dag toneelstukjes kan zien waarin we voor even slechts éen bepaalde rol hebben; om slechts éen voorbeeld te geven van waarom ik niet geloof dat het spelelement in de cultuur per se verdwenen zou zijn.

Ofwel, ik meende dat Johan Huizinga een krachtige nieuwe manier had gevonden om van alles mee te kunnen verklaren waar eerder nooit een goede verklaring voor had bestaan. Zoals bijvoorbeeld ook de socioloog Norbert Elias in dezelfde periode deed, in diens Über den Prozeß der Zivilisation.

Beiden hadden opgemerkt dat er iets opvallends was aan de regels die er waren in de samenleving waarin ze leefden. Lang niet al deze regels stonden ergens opgeschreven. En evenmin hield iedereen zich altijd en overal aan zulke afspraken.

Voor Huizinga woog daarbij onder meer mee dat een spel tijdens het spelen de ernstigste zaak denkbaar kan zijn, maar ook dat er een einde kan komen aan een spel; waarop er dadelijk een grote afstand mogelijk wordt tot wat er geschied is.

Huizinga zag trouwens zelf ook, in éen van de slothoofdstukken, dat hij met zijn ideeën over het spel een wel zo sterke metafoor gevonden had, die zo makkelijk over alles te projecteren was, dat de werkelijkheid daar geheel onder kon verdwijnen. Deze constatering van de schrijver kwam alleen wat laat. Elke lezer had dezelfde conclusie al zo veel eerder kunnen trekken.

Johan Huizinga, Homo ludens
Proeve ener bepaling van het spelelement der cultuur

288 pagina’s
Pandora pockets 1997, oorspronkelijk 1938

Vals spel ~ Bert Wagendorp

Lijkt me dat er wel een en ander speelt rondom sport dat Bert Wagendorp negeert in Vals spel. Zo is er het gegeven dat er zo weinig jonge kijkers zijn voor sportwedstrijden op televisie. Het publiek dat zo passief van sport kan genieten, wordt almaar grijzer. En waarom is dat?

Want in een boek dat vooral gaat om de fnuikend invloed van geld, te veel geld, op de normen en waarden in de sport, weegt dus ook de macht van de adverteerders nogal mee. Grijze kijkers reageren amper meer op reclame, enkel jongere generaties zijn door marketing te bereiken.

Wellicht valt de schade voor het voetbal nu nog mee, om de uren wielrennen of het snelschaatsen op TV zijn de advertentietarieven al gedaald. Net als deze sporten door zo’n culturele verschuiving weer minder interessant raken voor sponsoren die om aandacht zoeken — wat ook nog direct raakt aan de inkomsten van de ploegen en de sporters.

Bert Wagendorp signaleert terecht dat de belangstelling van het grote publiek zich wel ineens kan verschuiven; al helemaal als er plots successen behaald worden door ‘de onzen’. Het Nederlands vrouwenelftal scoorde toch prachtige kijkcijfers toen ze op weg waren Europees kampioen te worden.

Toch is het nog niet zo heel lang geleden dat er voor het eerst een hele vrouwenwedstrijd rechtstreeks werd uitgezonden op een publiek net.

En dan gaat het te ver om ook Wagendorp openlijk sexistisch te noemen. Alleen is het merkwaardig dat in een boek gaat over eerlijk en oneerlijk in de sport de notie ontbreekt dat de belangstelling in de massamedia nog altijd allereerst uitgaat naar mannensporten. Omdat nog steeds de antieke opinie opgaat dat vrouwen vergeleken met mannen niet meer dan gehandicapten zijn, want zoveel minder sterk of snel, en daarmee ook minder interessant.

Topsport moet wel éen van de weinige activiteiten zijn waarin zulk een openlijk sexisme nog speelt; of sterker nog, doorgaans niet eens beseft wordt.

Inherent aan topsport is ook dat er slechts éen ding aan telt. Winnen. De tegenstander verslaan; met alle oorlogsmetaforen die daar dan bij horen. En dus dat dit winnen zo vreselijk belangrijk is. Of wordt gemaakt.

Terwijl toch weinig zo’n luttele betekenis heeft als het winnen van een sportwedstrijd, of een toernooi, die immers telkens weer opnieuw plaatsvinden — gebeurt het niet komend jaar, dan hoogstens vier jaar later. Toch zou volgens de legende zelfs de economie van een land sneller groeien als het nationale voetbalteam er internationaal kampioen is geworden. Zo’n prestatie zou de hele bevolking dan een stoot aan zelfvertrouwen geven.

Sinds het Nederlands mannenvoetbalelftal niets meer presteert is het hier ook diepe economische crisis.

Wie over sport nadenkt, kan volgens mij niet om het merkwaardige gegeven heen dat strijd zo’n enorme betekenis heeft in onze cultuur.

Natuurlijk, ooit moest de mens wel strijden, om te overleven. Duurde het vervolgens nog vele millennia voordat we ontdekten dat het aanzienlijk profijtelijker was om vreemde mensen niet direct als vijand te zien, en ze daarop dood te maken — al geloven talloos veel miljoenen nog altijd dat sommige mensen, van hun type toevallig, meer mens zijn dan al die anderen.

Nee zelfs de publieke belangstelling voor het beste dat de mensheid heeft voortgebracht — wetenschap en cultuur — moet nog gevoed worden door daar prijzen aan te koppelen. Geen boek kan ooit het beste boek zijn voor iedereen, toch doet menige jury net alsof. Sponsor dat gedoe met een smak geld, en de sponsor weet zeker daarmee het TV-journaal te halen.

En ook de Nobelprijzen hebben een dubieuze achtergrond; een dynamietfabrikant kocht zo zijn slechte nagedachtenis af.

Wil ik al evenmin negeren dat in dit neoliberale klimaat iemands armoede of welke maatschappelijke achterstand almaar vaker als iets gezien worden dat mensen volkomen aan zichzelf te wijten hebben; want die hebben dan niet hard genoeg gevochten. Of dat het volkomen normaal is om over ziekte en genezing te praten in termen van strijd en verlies. Wat daarmee de implicatie krijgt dat iemand die doodgaat aan kanker niet hard genoeg gestreden heeft; en dus een loser was.

En dan is vanzelfsprekend te billijken dat Bert Wagendorp zich enkel op de georganiseerde topsport richt, in zijn boek. De geringe omvang van deze uitgave dwingt als vanzelf tot beknoptheid. Alleen is het ook weer zo wat dat alomvattende verhaal over strijd te negeren. Zijn boek werd me er te voorspelbaar door. Hij inventariseert vooral, zonder verder heel ver door te hebben gedacht over het onderwerp.

Hoogstens raakt Wagendorp aan het grote verhaal als hij beschrijft welke invloed nationalisme kan hebben op de sportprestaties van een land. Voor Oost-Duitsland loonde het om sporters als kind al te scouten, zo goed mogelijk te prepareren daarop, inclusief doping daarbij, om zo internationaal successen te kunnen oogsten. Dat land leed eronder internationaal niet erkend te worden als land.

De uitsluiting van Putin’s Rusland bij de internationale kampioenschappen — behalve het WK voetbal dan dit jaar — laat zien dat inmenging van de staat in het prepareren van sporters niet meer geduld wordt; maar dat is waarschijnlijk alleen omdat de Russen de dopingstalen van hun sporters vervalsten zodat geen hunner sporters ooit betrapt zou worden.

Wagendorp reageert met zijn boek op een passage uit Homo ludens, het boek over de spelende mens van de historicus Johan Huizinga; de tekst waar we het woord ludiek aan hebben te danken. En speels is topsport allang niet meer.

Al stelt Wagendorp terecht dat er ook een tijd was dat sport een bezigheid was van gentlemen, voor wie het geen pas gaf om daarvoor te trainen.

Opvattingen van wat kan en niet kan verschuiven. Voor de legende Anquetil was wielrennen een sport van professionals, die zich zo goed mogelijk verzorgden als kon; en vanouds hoorden daar middelen bij die ineens illegaal waren verklaard. Dus weigerde hij op commando te plassen na een uurrecord te hebben gereden.

Daarop verdween doping niet uit het wielrennen. De strafmaat werd enkel absurd veel strenger voor wie betrapt werd. De renners van wie in de jaren zeventig en tachtig dopinggebruik bewezen werd, kregen nog net een boete en tien minuten tijdstraf in het algemeen klassement, als hun bedrog nog tijdens een grote ronde werd aangetoond. Tegenwoordig worden resultaten geschrapt, en kan er een levenslange verbanning uit de sport worden opgelegd.

Al zijn er ook internationale sportbonden die zich niet zo veel aantrekken van dopingbestrijding. Tennissers worden vrijwel nooit getest, vergeleken met atleten of wielrenners. En voetbal is evenmin een schone sport — er nog van afgezien dat voetbal tot nader order een jurysport is omdat het onevenredig loont om de scheidsrechter te bedriegen.[1] Om nog van het totaal geaccepteerde bedrog op grote schaal door voetbalbond Fifa te zwijgen.

Wagendorp verklaart ook niet echt waarom doping ineens als zo’n groot probleem wordt gezien. Het grote publiek kan het immers zelden wat schelen of sporters gebruiken of niet. De schrijver herhaalt enkel de staande mythe dat de Amerikaanse netwerken, die miljarden investeerden in de TV-rechten van de Olympische Spelen, onder invloed van hun adverteerders ‘fair play’ gingen eisen. En die verklaring is me te simpel.

De vraag wat geoorloofd is in sport, en wat niet, is nu eenmaal onderdeel van dat grotere aspect: waarom strijd zo gewaardeerd wordt — terwijl de mensheid zo veel meer te danken heeft aan samenwerking, en delen.

Bert Wagendorp, Vals spel
Nieuw licht op sport, macht en geld

103 pagina’s
Ambo | Anthos, 2018
  1. Hopelijk maakt de video-scheidsrechter daar een einde aan []