Christiaan Huygens in de onvoltooid verleden toekomende tijd ~ Vincent Icke

Natuurkundige Vincent Icke hield in 2005 de eerste Dijksterhuis-lezing. Die ging over zijn held. Christiaan Huygens [1629 – 1695]. Voor Icke was dat de grootste voorganger die hij had. Vooral omdat er nog zo weinig aan kennis en gereedschap klaarlag in diens tijd. Waardoor Huygens nog zo veel moest ontdekken, en daarbij toch heel slim opereerde.

Tegenwoordig herinneren wij ons Huygens misschien nog net als uitvinder van het slingeruurwerk. Als de naam nog iets zegt.

Wat zijn reputatie geen goed heeft gedaan, is dat Huygens nauwelijks over zijn vondsten en ideeën heeft gepubliceerd, in zijn tijd. Icke ontleent veel van zijn verhalen uit aantekeningen van de geleerde, die later een groot tal banden verzameld werden.

De Dijksterhuis waar de lezing uit 2005 naar genoemd werd, was een wetenschapshistoricus met een grote belangstelling voor de natuurwetenschappen. Hij won ooit de P.C. Hooftprijs voor zijn boek De mechanisering van het wereldbeeld.

En wat dit betoog van Vincent Icke vooral aantrekkelijk maakt, naast dat hij helder en meeslepend uitlegt, is dat hij zowel Huygens als Dijksterhuis passend eert. Enkele hoofdstukken uit de wetenschapsgeschiedenis werden ineens aangevuld door iemand met een andere kennis van zaken dan wat de doorsnee historicus paraat heeft. En als vanzelfsprekend wordt daarmee ook het belang van deze kennis duidelijk voor ons oordeel over de zeventiende eeuw.

In de lezing behandelde Icke verschillende onderwerpen. Hoe Huygens naar Saturnus keek, en ondanks de primitiviteit van zijn kijker toch heel juist waarnemingen deed; zoals dat het wel een ring moest zijn die het beeld van de ronde planeet zo vertekende. Verder blijkt Huygens zelfs al een Relativiteitstheorie te hebben verwoord.

Gezien de beknoptheid van deze uitgave ben ik alleen blij, dat Icke hierna nog een publicatie aan het werk van Huygens heeft gewijd.

[wordt daarom vervolgd]

Vincent Icke, Christiaan Huygens in de onvoltooid verleden toekomende tijd
Eerste Dijksterhuis-lezing

59 pagina’s
Historische Uitgeverij, 2006

Eekhoornformule ~ Vincent Icke

Dit is een prachtig boekje. Ik heb er maar éen ding op aan te merken, maar dat komt omdat het opgenomen materiaal niet in een geut geschreven is. Het grootste deel bestaat namelijk uit columns die tussen 1995 en 2000 verschenen in de wetenschapsbijlage van NRC-Handelsblad. Dit betekent dat een voorbeeld weleens opnieuw terugkeert; dat Icke weleens dezelfde basiskennis opnieuw moet uitleggen.

Storen doet dat niet.

Integendeel. In zo’n verzamelbundel valt ook op wat door de jaren heen de hang-ups van een schrijver zijn. En voor wie dan dezelfde klachten heeft, leest een heel prettig boek. Zoals ik dat deed.

Een van de thema’s in deze bundel is de kritiek van astrofysicus Icke op de manier waarop het onderzoek in Nederland gefinancierd wordt. Wetenschappers moeten voor hun onderzoeksprojecten namelijk telkens weer aanvragen doen, die dan in het teken dienen te staan van wat een politieke meerderheid toevallig relevant vindt.

En die politieke coalitie wil ook al steeds plannen op uitkomst, wat in de politiek al onmogelijk is maar in de wetenschap helemaal niet werkt.

Icke wijst meermaals aan tot welke krankzinnige verhoudingen dat leidt. Wetenschap is een keihard métier. Feiten zijn feiten. Al heel lang wordt het verkondigen van onzin meteen afgestraft door buitensluiting uit de wetenschappelijke gemeenschap. Dus is het merkwaardig dat politici, of managers, zonder enige vakkennis te bezitten ook nog eens menen te kunnen oordelen of onderzoek relevant is.

Vilein merkt Icke ergens op: Einstein zijn is geweldig. Maar nog mooier is het om Einstein te kunnen sturen.

Maar vergeet het geneuzel over de belabberde situatie in Nederland vooral, en lees dit boek vooral als een prachtige inleiding in waar de harde wetenschap zich op dit moment mee bezig houdt. Icke is er heel goed in begrijpelijke voorbeelden te vinden, en schrijft buitengewoon helder.

Eindelijk begrijp ik het verschil tussen fermionen en bosonen, om maar eens iets te noemen

Vincent Icke, De eekhoornformule
Over weten en wetenschap

178 pagina’s
Aula i.s.m. Uitgeverij Prometheus, 2003


Eerst de waarheid, dan de schoonheid ~ André Klukhuhn & Toef Jaeger sam.

Geen moeizamer leesteksten dan lezingen. Het oor heeft nu eenmaal meer taal nodig voor een goed begrip dan het oog. Clichés die al luisterend niet eens herkend worden, omdat ze enkel glijmiddel zijn in het betoog, zien er op papier in druk al gauw ontluisterend onnozel uit.

Als een lezingenreeks dus ooit nog tot boekuitgave leidt, dan zou dat moeten als in Eerst de waarheid, dan de schoonheid gebeurd is. Deze bundel verscheen eerst in 2004, terwijl de opgenomen teksten gebaseerd zijn op voordrachten die al in 2000 werden uitgesproken.

Toen organiseerde Studium Generale Utrecht samen met de Stichting Literaire Activiteiten daar een reeks lezingen over de vraag: Wat is belangrijker, schoonheid of waarheid?

En waar ontmoeten die twee elkaar?

Opvallend is dan dat de filosoof Jaap van Heerden amper vijf bladzijden nodig heeft voor zijn betoog over ‘Verbeeldingskracht in literatuur en wetenschap’. Waar Herman Franke er bijna dertig gebruikt, om te schrijven over de relaties tussen criminologie en literatuur.

Opvallend veel Nederlandse criminologen van de vorige generaties waren namelijk ook literatoren. Arnold Aletrino, J.B. Charles, Andreas Burnier, Manuel Kneepkens, Peter Hoefnagels. En later ontbrak die vanzelfsprekendheid. Maar kwam dit dan omdat in hun tijd het eigen vak te kalm was, terwijl de misdaad daarna sterk is toegenomen?

Een groot nadeel van bundels als deze is wel dat ze eigenlijk alleen nut hebben om met nieuwe schrijvers of denkers kennis te maken. Want, hun teksten worden altijd sterker binnen de context van hun eigen boeken.

Vincent Icke deed nog zo veel meer met zijn fascinatie voor Christiaan Huygens. En zelfs samensteller André Klukhuhn heeft elders inhoudelijker geschreven over wat hij als verschillen ziet tussen ‘de twee culturen’. Van Heerden’s betoog staat beter in zijn eigen boek.

Dus gold persoonlijk simpelweg dat een boek dat ik uitkoos omdat er zo veel auteurs aan mee hadden gewerkt die ik waardeer juist daardoor wat tegenviel. Omdat ik hun werk al kende, was er te weinig nieuw. De bundel deed me wat denken aan zo’n overzicht dat in december wordt uitgezonden op TV, van alle rampen die in een jaar gebeurden, of wie er allemaal een sportwedstrijd won. De beleving mist dan altijd die er eerder wel was.

André Klukhuhn & Toef Jaeger sam.
Eerst de waarheid, dan de schoonheid
Beschouwingen over wetenschap en kunst

174 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 2004

Leven zonder God ~ Harm Visser

De meeste van de mannen in deze interviewbundel schrijven zelf. De grote vraag voor mij was daarom: bieden de gesprekken nog iets extra’s? Zijn deze schrijvers al pratend tegen een ander niet heel veel minder dan in alleenspraak met het papier?

Dat viel erg mee. Visser kreeg er als interviewer genoeg uit.

Natuurlijk kan dit soms ook wel. In dialoog worden mensen soms gedwongen zich duidelijker uit te spreken dan ze uit zichzelf op papier hadden gedaan.

Een voordeel was verder dat er een duidelijk gespreksthema is. De religie. Want ook al heet dit boek Leven zonder God, het gaat natuurlijk toch over religie; hoe zeer de geïnterviewden dat geloven een dwaalweg mogen vinden.

Volgens Visser vertolken ze daarmee een minderheidsstandpunt. Dat wel zijn grote sympathie heeft.

Vraag ik me toch af voor wie dit boek bedoeld is. Goed, het is geen voorwaarde om te geloven om voor eigen parochie te kunnen preken. Het zijn wel boeiende gesprekken. Merkwaardig genoeg, vooral boeiend als ze niet rechtstreeks over religie gaan. Deze uitspraak van Matthijs van Boxsel bijvoorbeeld zette me even tot nadenken aan:

Veranderingen voltrekken zich bovendien traag, wat te maken zal hebben met het feit dat ieder mens van nature geneigd is zich tegen veranderingen te verzetten. Zo heeft onderzoek uitgewezen dat er een positieve correlatie bestaat tussen intelligentie, gemeten via de standaard IQ-test, en het vermogen een standpunt te verdedigen. Tussen intelligentie en het vermogen alternatieven onder ogen te zien, bestaat daarentegen een negatieve correlatie. Alsof we een ingebouwd filter hebben tegen overdonderende nieuwsgierigheid. Daardoor zoeken we bij voorkeur naar bevestigingen van een hypothese. [171]

Harm Visser, Leven zonder God
Elf interviews over ongeloof

192 pagina’s
Uitgeverij L.J. Veen, 2003


Passie en precisie ~ Vincent Icke

Stel dat ik deze bundel vorig jaar gelezen had, in plaats van Icke’s boek De Eekhoornformule. Geen enkele twijfel dat ik dan een even enthousiast besprekinkje geschreven had als over die titel toen. De inhoud had haast woordelijk dezelfde kunnen zijn.

Maar nu, bij een volkomen vergelijkbaar boek, ontbreekt dat grote enthousiasme, opvallend genoeg.

Misschien komt dat omdat de columns en artikelen in deze bundel geselecteerd zijn uit een kortere periode, waardoor er minder weg te laten viel. Maar waarschijnlijker nog ligt het gewoon aan mij, en de onbehoorlijke eis die ik aan schrijvers stel om mij te blijven verrassen.

Ditmaal was de toon me bekend, en de stokpaardjes ook. Nu ontbrak de prettige emotie om iets nieuws te beleven. Die was er de vorige keer wel, al las ik de columns van Icke in NRC-Handelsblad toen ook al jaren. Ze voor het eerst verzameld zien, deed me toen wat.

Nu zal dit zonder twijfel éen van de meest intelligent geschreven boeken zijn die ik lees dit jaar. Maar misschien ben ik de laatste maanden wel te verwend geraakt door een Steve Jones, of een Bill Bryson. Die schrijven nog net een ietsje beter dan Icke. Bovendien is hun keuze ruimer aan onderwerpen uit de wetenschap.

Waardoor mijn conclusie voorzichtig moet luiden waarschijnlijk niet zo vreselijk veel belangstelling te hebben voor de kern van Icke’s weten; niet zo veel met die astrofysica aan te kunnen. Over dat onderwerp is me bekend wat ik er van weten wil. Met die Readers’ Digest samenvatting kan het volstaan.

Icke heeft mijn kijk op de exacte wetenschappen ook niet veranderd — in die zin kan hij geen invloed hebben. Maar ik heb dankzij hem wel een wat beter idee van wat we allemaal nog niet weten, en dat is zeker ook belangrijk.

Vincent Icke, Passie en precisie
286 pagina’s
Uitgeverij Contact © 2004

Ruimte van Christiaan Huygens ~ Vincent Icke

[vervolg van hier]

Kort op de uitgave een geïllustreerde lezing over Christiaan Huygens bracht Vincent Icke nog een boek uit over deze ideeën van deze geleerde.

Huygens [1629 — 1695] schreef namelijk in zijn tijd een Cosmotheoros. Dat was een gefantaseerde ontdekkingsreis van de ruimte, vooral bedoeld voor zijn broer Constantijn. En in dat verhaal werd verwerkt wat er aan kennis was over de kosmos. Christiaan Huygens probeert daarbij dan bijvoorbeeld te verduidelijken wat iemand van de aarde zou zien, als deze op de maan stond.

Icke is dan een uitgelezen persoon om zo’n redelijk antiek stuk op zijn merites te beoordelen, en aan een hedendaagse lezer te introduceren. De sterrenkunde en kosmologie zijn samen diens werkterrein.

Bovendien bezit hij het vermogen tot bewondering. En aan Huygens is er veel te bewonderen. Niets eens alleen om zijn ideeën, want er is weinig makkelijker dan om maar iets te bedenken. Wetenschap begint er evenwel mee om ook iets te bedenken waarmee theorieën te toetsen zijn. Waarmee dan ineens door iedereen gezien kan worden wat het algemene mechanisme er achter is.

In dit boek valt het Icke onder meer op dat werk dat gemakshalve aan Galileo worden toegeschreven, of aan Newton, helemaal niet van hen is. Die valproef met de twee kogels van een verschillend gewicht werd bijvoorbeeld door Stevin gedaan, te Delft, en niet door Galileo op de toren van Pisa; zoals de legende wil.

En dat Christiaan Huygens ontdekte dat de planeet Saturnus een ringenstelsel heeft, kwam dan weer niet doordat hij de beste kijkers had van iedereen. Die van Cassini waren beter. Huygens keek echter niet alleen; hij dacht na over wat maakte dat er verschil zat in wat er was waar te nemen.

Die vage uitstulpseltjes aan Saturnus veranderen van vorm, in de loop van de tijd. Ze verdwenen ook weleens helemaal. En wie dan nadacht over de omloopbaan van die planeet, en hoe wij er van de aarde tegenaan keken, zou vervolgens kunnen berekenen wanneer die uitstulpinkjes aan Saturnus niet te zien zouden zijn. Zoals Huygens deed, waarmee hij de datum van de volgende keer kon voorspellen.

Net zo begreep hij dat zo’n ring aan materiaal alleen kon bestaan als er een versnelling op het materiaal daarin werd uitgeoefend.

Volgens Icke is het ringenstelsel van Saturnus hoogstens tien meter dik, want als het groter zou zijn, zouden de losse delen daarin te vaak op elkaar botsen.

Huygens meende dat de ringen 600 Duitse mijlen dik waren. En in zijn Cosmotheoros neemt hij aan dat er geen licht door het stelsel kan komen, wat ook niet waar is.

Heel zwaar moet dat niet wegen. Wat belangrijker is, of Huygens zijn conclusies veranderd had, als hij over dezelfde kennis had kunnen beschikken als bijvoorbeeld wij. Want theorieën kunnen inwisselen voor anderen, die uit betere argumenten bestaan, is ook wetenschap.

Vincent Icke, De ruimte van Christiaan Huygens
94 pagina’s
Historische Uitgeverij, 2009