Another Day of Life ~ Ryszard Kapuściński

Toen de Nederlandse politiek steggelde over de uitzetting van een Angolese jongen die volwassen was geworden, moest ik toegeven niets over zijn land van afkomst te weten. En dan kun je Wikipedia opslaan in zo’n geval. Maar dan is ook haast zeker dat de informatie uit zo’n encyclopedie nauwelijks zal beklijven.

Beter is het dan om iemand te lezen die er was, en verslag heeft gedaan over al het verwarrende dat hij of zij er aantrof.

Ryszard Kapuściński trok in 1975 naar Angola voor het Poolse persbureau PAP. Het land zou onafhankelijk gaan worden, zo was in Portugal besloten — vlak na de val van de kolonelsregime daar. Alleen was nog niet duidelijk welke groep de macht zou krijgen als Angola eenmaal zelfstandig geworden zou zijn.

Drie heel verschillende facties hadden zo hun ideeën.

Maar zolang de Portugezen er waren, was ook de NAVO betrokken, vanwege het lidmaatschap van Portugal.

En van onderuit zouden de Zuid-Afrikanen nog een inval doen.

Ineens ook mengden Cubanen zich in de strijd, als adviseur aan de meest communistische groepering.

Kapuscinski’s verslag begint met een zeldzaam effectief hoofdstuk over zijn verblijf in de hoofdstad Luanda. Die langzaam leeg loopt, omdat iedereen uit angst veiliger oorden opzoekt.

Vervolgens gaat de schrijver dan zelf maar naar het front.

Alleen is er geen vastliggend strijdperk. Daarvoor is het land veel te groot, en te weinig bevolkt. Elke troep strijders vormt zijn eigen front. En vooral op de uitgestrekte hoogvlakte, waar er nauwelijks water is, kan iedereen zich koning wanen omdat de tegenstand einden weg is.

De reportage had in dit deel van het boek wat willekeurigs. Kapuściński sprak wat mensen uit éen van de facties, trok even met hen op, en maakte daardoor éen en ander mee. En dan moeten we maar aannemen dat over de mannen van de andere partijen eenzelfde verhaal te schrijven zou zijn geweest. Omdat ze er hetzelfde uitzagen, dezelfde uniforms droegen; en met een vergelijkbare verwarring kampten.

Mij zal dus vooral het eerste hoofdstuk bijblijven — met die stad waar langzaam alle leven uit verdween. En er is me veel meer duidelijk geworden over de geschiedenis van Angola. Het gebied waaruit meer slaven zijn weggevoerd dan waar ook; het land dat daarom ongewild grote delen van Zuid-Amerika en de Caraïben heeft bevolkt.

Volgens het boek, dat achterin een chronologie bevat die is bijgewerkt tot het jaar 2000, woedt de burgeroorlog nog altijd in het land. Waarbij de internationaal erkende regering de olie-inkomsten heeft, en de tegenstanders hun strijd bekostigen met diamanten.

Maar in 2002 is er een wapenstilstand bereikt. Al wordt door Another Day of Life heel begrijpelijk dat wie dit wil zich makkelijk aan zulke afspraken kan onttrekken.

Ryszard Kapuściński, Another Day of Life
149 pagina’s
Penguin Modern Classics 2001, oorspronkelijk 1976/1987

Cobra’s Heart ~ Ryszard Kapuściński

Er wordt ineens weer flink geschreven over Kapuściński. De biografie die Artur Domosławski enkele jaren terug publiceerde in het Pools is eindelijk in het Engels vertaald. Dus mogen nu ook de Britten en Amerikanen zich buigen over de vragen die het leven van de schrijver oproepen.

Was alles in diens prachtreportages wel naar de waarheid getekend? Had Kapuściński soms niet wel erg veel literaire vrijheid genomen, waar dat eigenlijk niet kon?

En wat betekende het voor Kapuściński’s reputatie dat hij toch wel heel wat nauwer tot het Communistische Poolse bewind had gestaan dan het leek in zijn boeken? Zo was hij ook spion geweest, naast journalist…

Misschien is het laf, maar heel bijzonder interesseren deze kwesties mij niet. Aan schrijvers deugt wel vaker iets niet. En begenadigd door de geschiedenis oordelen over hoe iemand zich staande had weten te houden tijdens een totalitair bewind lijkt me ook al niet heel opportuun.

Voor mij telt eerst dat Ryszard Kapusinski met regelmaat pagina’s schreef die er toe blijven doen. Waarin hij laat zien dat waarnemingsvermogen en taalgevoel tezamen iets opleveren dat dwars door de vertaling heen enorme kracht blijft houden. Hij kwam ergens, en slaagt vervolgens in het onmogelijke, om over te brengen hoe het was.

The Cobra’s Heart is niet meer dan een bloemlezinkje uit een dikker boek, met wat reportages uit Afrika.

Al bestaat Afrika niet eens, zo zou Kapusinski schrijven. Die bonte verscheidenheid aan landen en stammen onder éen noemer vatten, kan alleen een buitenstaander in al zijn onwetende arrogantie doen.

Meeste indruk in deze uitgave maakte een korte beschrijving van een boek dat Kapuściński nooit schrijven zou. Naast zijn levensbeschrijvingen van de Shah en keizer Haile Selassie had er een derde biografie zullen komen over een absoluut heerser. Idi Amin. Maar soms volstaat een luttel tal pagina’s wel om genoeg ellende te tonen.

Kapuściński’s beschrijving van zijn bijna dodelijk malaria-aanval mag er ook zijn. Maar eigenlijk volstaat wel om te schrijven dat The Cobra’s Heart enkele bladzijden met het krachtigste proza leverde dat ik deze zomer las.

Ryszard Kapuściński, The Cobra’s Heart
97 pagina’s
Penguin Great Journeys, 2007
bloemlezing uit: The Shadow of the Sun, 2001

Imperium ~ Ryszard Kapuściński

Merkwaardig is dat ik dit boek indertijd gewoon gemist heb, en tegelijk toch steeds het idee had alles van Kapuściński gelezen te hebben. Wat er in vertaling te krijgen was tenminste. Nu is herlezen het ware lezen, dus maakt de omissie op zichzelf niet uit. Maar ik heb me al deze tijd uit pure domheid een goed boek onthouden.

Imperium is alleen al de moeite waard om de scènes uit 1939. Als Kapuściński beschrijft hoe zijn geboortedorp Pinsk door de Sovjet-Russen wordt ingenomen, en er al de eerste winter meteen gebrek is aan alles.

Dit boek gaat over Ryszard Kapuściński’s persoonlijke verhouding tot de Sovjet-Unie, en over de laatste jaren van dat rijk, waarin het einde sneller komt dan verwacht. Zo is het laatste van de drie boekdelen nogal fragmentarisch, omdat zijn onderwerp dan ineens ophoudt te bestaan.

Voor het grootste gedeelte bevat Imperium reisreportages, naar de kleurrijke rafelranden van het land, die tegenwoordig vrijwel allemaal weer zelfstandige staten zijn. En dat geeft dit boek wel een mooi evenwicht. Enerzijds zijn er die gruwelen, uit het verleden vooral, die de blinde wreedheid maar ook de incompetentie tonen van het Sovjet-regime. Anderzijds klinkt er hoop door, dat het beter zal worden. Al weet Kapuściński vaak wel beter dan de mensen die hij citeert.

Wat ik ook in hem als schrijver waardeer, zijn de terloopse maar zo veel inzicht scheppende opmerkingen. Zo heb ik recent toch eveneens Karel van het Reve en Paul Theroux over de Transsiberië-spoorlijn gelezen. Maar alleen Kapuściński maakte de observatie dat de geheime dienst er wel voor gezorgd had dat de treinreizigers niets interessants te zien zouden krijgen onderweg.

Net zo verschafte zijn uitleg over bijvoorbeeld de gedwongen volksverhuizingen onder Stalin weer duidelijkheid over conflicten die nog altijd bestaan tussen sommige inmiddels zelfstandig geworden deelrepublieken.

Enfin, dan is dit geen geschiedenisboek, waarin het uiteenvallen van het Sovjet-rijk helder wordt uitgelegd. Wat het wel biedt, is een blik op de chaos eind jaren tachtig, begin jaren negentig, en wat deze betekende voor de mensen die met al de bijbehorende onzekerheden leefden. De menselijke maat maakt zijn boeken zo goed.

Het verschil tussen toen en nu werd alleen al duidelijk, omdat de mensen die hij ontmoette op een gegeven moment durfden te praten. Terwijl daarvoor niemand ooit iets zei:

scheiding

Scènes in de literatuur, bijvoorbeeld bij Grossmann, waarin de terugkeer uit het kamp wordt beschreven. Iemand komt thuis na tien lijdensjaren in een Siberisch kamp. De eerste avond gaat hij met zijn vrouw, kinderen, en ouders aan de familietafel zitten. Ze eten samen, misschien wordt er zelfs gepraat, maar niemand vraagt de aangekomene waar hij al die jaren is geweest, wat hij heeft gedaan, meegemaakt.

Waarom zouden ze?

De wijze zin uit prediker: ‘. . .als iemand kennis vermeerdert, vermeerdert hij smart.’ [140]

Ryszard Kapuściński, Imperium
Ondergang van een wereldrijk

312 pagina’s
De Arbeiderspers, 1993
vertaling door Gerard Rasch uit het Pools

Keizer ~ Ryszard Kapuściński

Niet het unieke van dit verhaal maakt indruk op mij, maar het universele. Omdat ik denk dat in alle rijken waar éen persoon de macht had, of heeft, eenzelfde corruptie voorkomt als in Ethiopië, onder Haile Selassie [1892 – 1975].

Verschil is alleen dat zijn keizerrijk nog in twintigste eeuw werd gevestigd. Waardoor contemporaine verslaggevers van elders, met heel andere ideeën over macht en bestuur, met bevreemding konden optekenen hoe machtsgebruik eruit ziet als daar geen rem op zit. Middeleeuwse vorstenhoven kennen wij verder alleen uit de geschiedenisboekjes. En de afstand in tijd alleen al maakt zaken dan zo veel onschuldiger.

De Poolse journalist Ryszard Kapuściński kon gewoon de bediende spreken die enkel in dienst was om de pies om te ruimen van het favoriete rothondje van de keizer. Altijd in de weer om de schoenen van gasten snel droog te wrijven.

En er was iemand, die er altijd voor zorgde dat de beentjes van de onovertroffen keizerlijke majesteit niet in de lucht bungelden, omdat een stoel of troon gauw te hoog was voor zijn kleine gestalte. Dus plaatste een bediende vlug een kussen onder zijn voeten.

Sexuele excessen vallen blijkbaar dan weer buiten dit boek. De Keizer.

Ondertussen tipte Kapuściński wel de ongelooflijke corruptie aan in het land. Waar het sterven van boeren in afgelegen provincies als een alledaags natuurverschijnsel werd gezien, en vrijwel heel het staatsbudget naar politie en leger ging. Hoewel de generaals het grootste deel van dat geld in eigen zak staken.

En ergens in een woestijnregio stond een paleis, vol met bedienden en voorraden, altijd paraat om de keizer te ontvangen mocht hij eens een nacht in de buurt zijn. Maar in de 43 jaar van zijn regering, heeft Haile Selassie er éen nacht in doorgebracht.

Dus komt het tot een opstand, die Kapuściński indrukwekkend beschrijft, juist door er amper woorden aan te wijden. Het boek eindigt onverwacht snel, met een reportage van een ander, uit 1974, waarin beschreven wordt hoe de afgezette heerser dan leeft. Haile Selassie dacht tot zijn dood dat hij nog altijd keizer was.

Ryszard Kapuściński , De Keizer
macht en ondergang van Ras Tafari
Haile Selassie I

256 pagina’s
In de Knipscheer 2009, oorspronkelijk 1978
vertaald door Pszisko Jacobs

Lapidarium ~ Ryszard Kapuściński

Van Ryszard Kapuściński [1932 – 2007] had ik tot diens dood de grote boeken wel gelezen — voor zo ver die beschikbaar waren in het Nederlands. Daaraan was veel te bewonderen. Kapuściński had vaak de omstandigheden die in zijn nadeel waren, behoorlijk in zijn voordeel omgedraaid. Voor hem, als correspondent van een Pools persbureau, was er eigenlijk nooit geld. Dus deed hij zijn werk anders dan journalisten van Westerse media. Waarbij vooral zijn geduld opviel, en zijn eeuwige sympathie met de armsten en zwaksten; plus zijn blijvende vermogen zich in hen te verplaatsen.

Tegelijk was Kapuściński historicus genoeg om ook de grote lijnen te kunnen zien in de ontwikkelingen die hij beschreef, zoals de voetbaloorlog tussen Honduras en El Salvador, de val van de Sjah, of de dekolonisatie in Afrika.

Dus weet ik nu niet goed of dit deeltje Privé-domein me niet opgevallen is bij de eerste publicatie, of dat ik indertijd besloot dat het nauwelijks zin heeft een bloemlezing te lezen met werk van een auteur die me al goed bekend was. Want, ook al heet dit boek Lapidarium, Kapuściński heeft uiteindelijk vijf genummerde delen met notities uitgegeven met deze titel. En dit is niet een vertaling van het gelijknamige eerste deel uit deze reeks, maar slechts een beperkte keuze uit de eerste vier delen.

Deze vaker voorkomende beschetenheid van de Arbeiderspers maakt dat ik de zo prestigieuze reeks Privé-domein al een tijdje wantrouw.

Van dit boek was ik het meest benieuwd naar Kapuściński’s ideeën over het einde van het communisme. Zou hij bijvoorbeeld de omwentelingen in Polen op dezelfde invoelende maar afstandelijke manier kunnen beschrijven als hij eerder met revoluties elders had gedaan?

Het antwoord op die vraag kwam helaas niet. Daarvoor is dit te veel een boek met losse aantekeningen. Vanzelfsprekend keren daarin vele thema’s terug waar Kapuściński vaker over schreef, die hierboven al aangehaald werden — maar daar kan de vertaler op geselecteerd hebben, dus dat zegt niet alles.

Interessantst waren uiteindelijk Kapuściński’s overpeinzingen over de reportage, als vorm om informatie over te brengen. Hij blonk uit in dit genre. En tegelijk zegt hij ware woorden als hem opvalt dat de reportage niet iets voor journalisten is. Die ontbreekt het aan geduld. Daardoor kunnen ze niet kijken. Of die hebben de taalbeheersing niet om van een observatie meer te maken dan de kille weergave van een luttel feitje.

De beste reportages worden geschreven door mensen die gewend zijn werken met een wat langere adem te schrijven. En de hausse aan wat tegenwoordig literaire non-fictie heet, heeft hem daarin gelijk gegeven.

Ryszard Kapuściński, Lapidarium
Observaties van een wereldreiziger 1980–2000

196 pagina’s
De Arbeiderspers, 2003
Privé-domein 252
Uit het Pools gekozen en vertaald door Gerard Rasch

Notizen eines Weltbürgers ~ Ryszard Kapuściński

Kapuściński was er niet voor om een bloemlezing uit zijn Lapidaria uit te geven in het Nederlands. Op bladzijde 101 en 102 van dit boek legt hij vertaler Gerard Rasch uit dat een keuze uit het beste gevaarlijk is. Een keuken die enkel krenten biedt, uit de pap, wordt ongenietbaar.

Dat zo’n bloemlezing er dan toch kwam, zal dus de uitgever te verwijten zijn. Ik vermoedde zoiets al, en het is opmerkelijk daarvoor nu ook eens bevestiging te krijgen.

Bovendien ben ik het met Kapuściński eens — als het om zijn aantekenboeken gaat tenminste. In het vierde en vijfde deel van de Lapidaria, die in het Duits tezamen Notizen eines Welbürgers heten, zijn een aantal belangrijke thema’s dezelfde als in het tweede en derde deel.

Ryszard Kapuscinski denkt nog steeds hardop na over de armoede in de wereld.

Ryszard Kapuscinski vraagt zich af hoe de media zich ontwikkelen.

Dus herhaalt hij zich wel eens. Alleen maakt dat niet uit. Omdat de bewoordingen verschillen, en de invalshoek vaak ook verschilt.

De aantekeningen in Notizen eines Weltbürgers lopen van 1996 tot en met 2002. Neem ik aan. Deze jaartallen worden tenminste genoemd in de tekst. En dat tijdperk is in zoverre belang, dat Kapuściński niet ongevoelig bleek voor het terugkijken op de twintigste eeuw, wat zo’n massaal tijdverdrijf was indertijd.

Tegelijk trekt hij ontwikkelingen door. Dus als voor Kapuściński de dekolonisatie éen van de belangrijkste verworvenheden is van de vorige eeuw, en daarmee de terugtrekking van Europa uit de wereld, speelt daarbij meer. Armoede is zo’n effect gebleken. En ook, onverschilligheid hier voor wat er elders gebeurt.

Toen Kapuściński begon als correspondent in Afrika, kende hij bij wijze van spreken iedereen die over dit continent schreef. Toen maakte hij de opkomst van de televisie mee, dat venster op wereld, om vervolgens te zien dat TV-ploegen altijd enkel even in een land kwamen om een itempje te draaien. Voor het land, en zijn bewoners, interesseerden zj zich verder niet.

En in dit soort observaties, en de conclusies die daaruit volgen, zit hem ook de aantrekkelijkheid van deze aantekenboeken. Kapuściński maakt rijkere notities dan de meeste van zijn collegaschrijvers is gelukt. Dus heb ik de Lapidaria II tot en met V langzaam gelezen.

Zoals hij trouwens aanbeveelt — al heeft hij het dan over andermans boeken.

Ryszard Kapuscinski, Notizen eines Weltbürgers
Lapidarium IV & Lapidarium V
296 pagina’s
Piper, 2008
Aus dem Polnischen von Martin Pollack

Other ~ Ryszard Kapuściński

Iedereen die wil begrijpen wat normaal is, moet op reis. Fysiek naar andere oorden, of liever nog een verplaatsing maken in de geest, terugkerend naar het verleden. Juist met de geschiedenis erbij is te zien aan hoe veel ongeschreven regels wij ons houden — meestal zonder dat te weten.

Dan pas valt bijvoorbeeld op dat hoe recent het idee nog maar algemeen leeft dat ‘de ander’ ook een mens is, die niet per se doodgeslagen hoeft te worden vanwege dat anders-zijn.

Toegegeven, er zijn altijd mensen geweest die ‘hen’ niet meteen veroordelend bekeken. Die ‘de ander’ neutraal durfde te bekijken. Verwonderd, dat ‘zij’ de dingen anders deden, zonder daarbij die vreemde zeden meteen ook minderwaardig te achten.

Kapuściński’s grote held Herodotus veroordeelde niet, maar beschreef liever de eigenaardigheden van de anderen. Ook dat is een manier.

In The Other zijn een aantal lezingen gebundeld die de Poolse reportageschrijver Ryszard Kapuściński gaf, voor het merendeel in 2003 en 2004.

Heel veel nieuws had hij mij daarbij niet te vertellen. Maar dit komt simpelweg omdat Kapuściński zo vaak gedachten wijdde aan ‘de ander’ in zijn aantekenboeken; die verschenen onder de verzameltitel Lapidaria. En deze aantekeningen heb ik recent vrijwel allemaal gelezen — voor zover ze vertaald zijn in een voor mij begrijpelijke taal.

De ontvangst van een boek hangt zo af van de al aanwezige kennis bij de lezer.

Ik vond de nu gebruikte formuleringen ook niet opvallend veel beter of sterker. Ondanks dat de lezingen wel een context gaven, en Kapuściński’s gedachten wel voor even een definitieve vorm hadden gekregen. De schok — zo die er kwam — van de eerste kennismaking was al geweest.

Zo heb ik ook ooit dienst geweigerd. Dus hoeft Kapuściński me niet uit te leggen dat het heel moeilijk is om oorlog te rechtvaardigen; omdat iedereen in oorlogen verliest; behalve een stel wapenfabrikanten.

Uiteindelijk rest een mens drie mogelijkheden in confrontatie met ‘de ander’.

he could choose war, he could fence himself in behind a wall, or he could start up a dialogue. [82]

Het is niet moeilijk te raden waar voor Kapuściński’s of mij de voorkeur bij ligt. Punt wordt dan wel dat zo’n dialoog ook eisen aan onszelf stelt. Want in hoeverre laten we ‘de ander’ bepalen wie wij zijn?

Tot nu toe heb ik in mijn dossier over de geschiedenis van het ik vooral gekeken naar wat mijn positie zoal bepaalt.

Kapuściński’s grootste verdienste in The Other is wat mij betreft dat hij me wees op wat de positie van ‘de ander’ kleurt. Nogal wat landen ontlenen ineens een groeiend bewustzijn aan hun plotselinge economische groei, bijvoorbeeld. Maar dan had hij ook religie mogen noemen — of kunnen verwijzen naar de talloze naamlozen die in een ander land ineens vrijheid van meningsuiting hebben, en die dan zullen gebruiken ook.

Vorige week liepen in Londen bij een betoging Moslims rond met het protestbord:

Onthoofd iedereen die de Islam een agressieve godsdienst noemt.

En dat was geen grap. Zo’n uitspraak wordt pas idioot buiten zijn directe context.

Ryszard Kapuściński, The Other
with an introduction by Neal Ascherson

100 pagina’s
Verso Books, 2009

Shah of Shahs ~ Ryszard Kapuściński

Door dit leesdagboek ben ik er achter gekomen hoe prettig het kan zijn om kort op elkaar boeken te lezen die goed te vergelijken zijn. Komen die uitgaven van dezelfde schrijver, dan verrijkt dat mijn blik op alle titels gauw. Zijn de boeken juist van verschillende auteurs dan kan er iets prettig vonken in de botsing tussen hun beider opvattingen.

Alleen werkt deze aanpak niet altijd.

Toen ik de roman Teheran, een zwanezang van F. Springer wilde herlezen, was het de bedoelding om daar Shah of Shahs van Ryszard Kapuściński naast te zetten.

Dat was alleen al aardig geweest om het contrast tussen de uitgangspunten van de auteurs. Springer werkte als ambassadeur in Iran, en diende daarmee goede relaties te onderhouden met welk regime er maar de macht had. Zo’n ambassade is vaak allereerst een handelspost, die de belangen van de Nederlandse industrie in den vreemde behartigt.

Zet daar dan Kapuściński tegenover, die komend uit een dictatuur ging beschrijven hoe een andere dictatuur eruit zag. Wat zoal de middelen waren van een regime om de bevolking eronder te houden. Die een boek schrijft dat laat zien hoe een revolutie wel onvermijdelijk werd — terwijl hij ook opmerkt hoe zeldzaam revoluties eigenlijk zijn. Verschilde de situatie in zo veel landen elders nu echt met die in Iran?

Maar Springer’s Teheran, een zwanezang bleek bij herlezing een veel te matige roman om die nog eens te laten contrasteren met een klein meesterwerkje van reportagekunst. Daar had ik in vergelijking dan helemaal niets meer van overgelaten.

Shah of Shahs is Kapuscinski’s beste boek. Dat oordeel had ik al, en het werd bij herlezing bevestigd. Zelfs al zijn diens aantekenboeken dan misschien de boeken om vaker naar terug te keren.

Ook nu weer viel op hoe beknopt Shah of Shahs is, met zijn 140 pagina’s tekst in een vrij grote letter. Hoeveel details het desondanks biedt, en hoe goed Kapuściński die dan beschrijft — want opvallend veel kon ik me herinneren.

En, hij komt zelf nauwelijks in het boek voor; anders dan in de rest van zijn boeken.

Kapuściński laat zichzelf een paar keer over straat lopen, en met mensen praten. Uit de beschrijvingen blijkt bovendien dat hij in Teheran is geweest, en het zo theocratische Qom; waar Khomeini woonde. Maar dat zijn eerder verteltrucs, dan bepalende wendingen in het verhaal.

Net als dat hij een opvallende truc heeft om de recente geschiedenis van Iran samen te vatten tot het moment van de revolutie. Kapuściński gebruikt daarvoor een reeks foto’s, om al associërend vanuit die afbeeldingen tot een verhaal te komen.

Vanzelfsprekend staan die foto’s niet in het boek afgebeeld.

Sterkste verteltruc staat evenwel op de pagina’s waarin wordt uitgelegd waarom het moderniseringsoffensief van de laatste Sjah wel moest mislukken.

Toen Iran zeker was dat het miljarden ging verdienen uit de olie onder het land, kondigde de Sjah trots aan dat hij daarmee het land in tien jaar op een zelfde beschavingspeil ging brengen als welk Westers land ook. Dus werd er meteen ook maar van alles besteld. En toen waren er geen havens, waar de schepen met hun ladingen binnen konden varen. En toen die er wel waren, ontbraken pakhuizen om de goederen op te slaan. En toen er pakhuizen waren gebouwd, ontbraken er vrachtwagens om de goederen het land in te brengen. Kwamen de vrachtwagens er, ontbraken de chauffeurs.

De samenvatting hier doet geen recht aan de hypnotiserende anderhalve pagina die Kapuściński aan deze problemen wijdt.

En de inhoud van die anderhalve pagina doet dan weer geen recht aan het werkelijke probleem. Dictaturen houden alles het liefst klein, onder ons, en hebben geen zin om nieuwe elites op te leiden. Iran kwam een klein miljoen experts tekort op allerlei gebied om de sprong vooruit te maken, en dat tekort was vooral ontstaan omdat de Sjah het universitair onderwijs in eigen land vrijwel onmogelijk maakte. Universiteiten waren maar vervelende plaatsen van onrust.

Iraniërs genoeg die een hogere opleiding volgden; alleen deden deze dat bijna allemaal in het buitenland. Verspreid. Zodat zich geen kliekjes vormden van opstandige jonge mensen. [1]

Daarmee wordt het bijna vanzelfsprekend dat de voornaamste weerstand tegen het bewind groeide binnen het enige instituut waar de barbaarse geheime politie niet almachtig was. De moskeeën in het land.

Shah of Shahs bestaat uit twee delen. Het eerste schetst wat Iran voor land was, en waarom een revolutie daar broeide. Het tweede vertelt iets over wat er gebeurde toen de revolutie kwam.

Daar was op het moment van schrijven alleen veel minder duidelijkheid over te geven. Kernzin daarbij luidt wel:

Dissent soon broke out in the revolutionary camp. Everyone had opposed the Shah and wanted to remove him, but everyone had imagined the future differently. [148]

En door dit boek, en de parallellen die het maakt met de situatie in Polen — voor wie deze wil zien — ben ik voor het eerst echt nieuwsgierig geworden naar die zo kritische biografie over Kapuściński.

Boeken kennen is éen ding. Daartoe volstaat het al gauw om zo’n ding te lezen. Weten hoe een boek ontvangen werd door het publiek waarvoor het geschreven werd, is al iets anders.

Ryszard Kapuściński, Shah of Shahs
152 pagina’s
Penguin Modern Classics 2006, oorspronkelijk 1985
vertaling van Szachinszach, 1982
  1. Zo bezien is internet een revolutionair wapen. []

Soccer War ~ Ryszard Kapuściński

Dat Honduras en El Salvador ooit een oorlog begonnen na twee tumultueuze kwalificatiewedstrijden voor het WK in Mexico wist ik. Het feit is curieus genoeg om quizvraag te worden; of om op een andere wijze volkomen losgezongen te raken van de ware gebeurtenissen.

Een land hoeft tegenwoordig maar even emotioneel te worden over de prestaties van hun nationale voetbalelftal, of hoe het benadeeld is door de tegenstander of scheidsrechter, en die oorlog duikt al gauw weer op in de commentaren.

Maar die voetbalwedstrijden waren niet meer dan een katalysator voor een explosie die wel plaats vinden moest. Sinds 1960 hadden vele tienduizenden El Salvodarianen hun overvolle land verruild voor een bestaan in het veel grotere en legere Honduras. Dat leverde uiteindelijk grote spanningen op tussen de buurlanden; waarop de Hondurese regering de immigranten begon terug te sturen.

Het verhaal over die omstandigheden was ik vergeten. Terwijl ik dat toch ook geweten hebben moet. Kapuściński’s verhaal over de Voetbaloorlog was me grotendeels bekend. Ik had het eerder gelezen. En meende daarmee heel lang ook dat het niet nodig was om dit boek nog eens door te nemen.

Maar na The Soccer War is er twijfel hoe ik de reportage over die oorlog in Midden-Amerika ooit gelezen kan hebben. Dat verhaal is een relatief kort stuk, in een bundel met een paar aanmerkelijk indrukwekkender reportages. Wellicht kende ik het voetbalverhaal dus slechts uit een andere bloemlezing.

Kapuściński maakte zevenentwintig revoluties en coups mee als journalist tijdens zijn werk in Afrika en Latijns-Amerika. Hij zocht het rumoer dan ook op. Vaak door zich een land binnen te smokkelen op het moment dat delen van de bevolking daar het probeerden te verlaten.

Meermaals bracht de drang om er bij te willen zijn Kapuściński in acuut levensgevaar. Het enkele voorbeeld daarvan uit deze bundel, hoe onderkoeld verteld ook, maakt overduidelijk hoe weinig een leven waard is in tijden van onrust. Willekeur was het soms waardoor hij overleefde. Toeval waardoor hij net zo goed had kunnen sterven.

In het boek worden slechts enkele conflicten beschreven. Jaartallen geeft Kapuściński daarbij niet altijd. Als om aan te geven dat het verhaal en de omstandigheden belangrijker zijn dan de puur journalistieke feiten.

The Soccer War leverde me wel een excuus op. Ik weet bijvoorbeeld van het bestaan van recent bekroonde boeken over hoe het er in ex-kolonies toeging. En veel lust zulke boeken te gaan lezen, is er niet. De teneur van de inhoud lijkt me grotendeels te zeer voorspelbaar.

Als Kapuściński terloops in een reportage over Congo iets zegt over de schoolboekjes daar — hoe de kinderen geleerd werd dat er maar éen land bestond: België — is zo’n detail tekenend genoeg om heel veel andere boeken nog even te mogen overslaan.

Deze Britse editie van The Soccer War bevat achterin een later interview met de Poolse reportageschrijver. Daarin kijkt Kapuściński onder meer terug op wat hij de moeilijke ontwaking van het continent Afrika noemde; een ontwikkeling die voor hem tot de belangrijkste van de twintigste eeuw hoorde. Toen ik het las voor ik aan de rest van het boek begon, maakte het vraaggesprek indruk. Bij herlezing achteraf bleek het een vrij vlak stuk te zijn; een introductie door een ander die toevallig op de laatste pagina’s van het boek was afgedrukt in plaats van voorin.

Ryszard Kapuściński, The Soccer War
afterword by Bill Bruford
244 pagina’s
Granta Books 2007, oorspronkelijk 1990

Travels with Herodotus ~ Ryszard Kapuściński

Kapuściński’s verhaal over zijn reizen met Herodotos eindigt anders dan het begint. En dat is jammer. Nu kleeft er iets haastigs en makkelijks aan het boek. Terwijl het toch al indruk maakt. Dus had het een waar meesterwerk kunnen zijn, zonder dat uiteindelijk te worden.

In de eerste hoofdstukken is Travels with Herodotus een autobiografie over het werkzame leven van een Poolse journalist. Ryszard Kapuściński moest voor zijn eerste opdracht bijvoorbeeld meteen al naar India. En hij stuitte daar onmiddellijk op het probleem geen enkele taal te kennen die daar gebruikt wordt — nog afgezien van alle andere moeilijkheden die hij had om voor het eerst van huis te zijn.

Later belandt hij in China, waar dezelfde taalproblemen opduiken. Bovendien is Kapuściński zich er telkens goed van bewust dat hij als buitenstaander tegenover veelgelaagde culturen staat. Waardoor een grotere kennis van de taal hoogstens het begin is van een beter begrip van het land. Laat staan het continent Azië.

Dus verlegt hij zijn werkterrein naar Afrika — waar hij zich redden kan met de talen van de kolonisatoren. En bij al dit is een Poolse uitgave van Herodotos’ [ca. 484 – ca. 425] Verslag van mijn onderzoek zijn vaste metgezel. Omdat het boek van deze Griekse oer-historicus zo veel verhalen en waarnemingen bevat. En ook omdat Kapuscinski een verwantschap voelt met de oer-reportages die zijn vroege collega schreef. Ook deze man reisde — in een tijd bovendien zonder dat de wereld al begrijpelijk was gemaakt in landkaarten. Ook deze schrijver probeerde zelf te zien, zonder meteen al de vooroordelen over te nemen die er indertijd leefden.

In dit eenentwintigste-eeuwse boek verdwijnt Kapuściński’s levensgeschiedenis alleen vrij snel uit beeld. Hij is weliswaar telkens in Afrika, maar jaartallen en gebeurtenissen doen er dan niet meer toe. Vele pagina’s worden ook slechts gevuld met citaten uit Herodotos. Waarbij Kapuściński daar dan hardop over nadenkt.

Dat boekgedeelte heeft daardoor wat onafs, iets haastigs zelfs. Alsof de lezer aantekeningen voorgeschoteld krijgt — van als ik hier nu dat stukje Herodotos geef dan heb ik daar dat en dat over te zeggen.

Wat dit boek uiteindelijk dan weer redt, is dat Kapuściński wel de juiste vragen heeft gezien. Want, wat zijn de taken eigenlijk van de journalist, de reportageschrijver, of de historicus? En wat betekent het om bij dat werk telkens zo afhankelijk te zijn van horen-zeggen? Verhalen door te geven die op zich al gereduceerd en gestroomlijnd zijn tot verhaal?

Ook heeft Kapuściński groot gelijk dat er weinig mensen echt nieuwsgierig zijn, en zelf willen weten wat er zoal gebeurt. Wat het dan zo geweldig maakt — als je wel met dat virus behept bent — om ineens op iemand met dezelfde afwijking te kunnen vertrouwen.

scheiding

There aren’t many enthusiasts born. The average person is not especially curious about the world. He is alive, and being somehow obliged to deal with this condition, feels the less effort it requires, the better. Whereas learning about the world is labor, and a great, all-consuming one at that. Most people develop quite antithetical talents, in fact–to look without seeing, to listen without hearing, mainly to preserve oneself within oneself. So when someone like Herodotus comes along — a man possessed by a craving, a but, a mania for knowledge, and endowed, furthermore, with intellect and powers of written expression — it’s not so surprising that his rare existence should outlive him. [267]

Ryszard Kapuscinski, Travels with Herodotus
275 pagina’s
Penguin Books 2007, oorspronkelijk 2004

Welt im Notizbuch ~ Ryszard Kapuściński

De Poolse chroniqueur Ryszard Kapuściński [1932 – 2007] bracht vanaf 1990 verschillende boeken met aantekeningen uit. Die dragen allen de titel Lapidarium, wat het woord is voor een verzameling steenwerken. In het Pools zijn zes van deze bundels verschenen.

De Nederlandse uitgave met de titel Lapidarium bevat, heel verneukeratief, een bescheiden bloemlezinkje uit de eerste vier bundels. En dat ergerde me, en nam me niet in voor de uitgever. Dus werd het zoeken naar een betere uitgave, in een taal die ik wel lezen kon.

En dan zou de Duitstalige bundel Die Welt im Notizbuch volgens bronnen online de integrale inhoud van de Poolse deeltjes Lapidarium II en Lapidarium III bevatten. Alleen staat zoiets niet in het boek zelf aangegeven.

Maar dat de vertaler de inhoud niet geschift heeft, wil ik dan wel weer geloven. Kapuściński verwoordde in de loop der jaren weleens precies dezelfde gedachte. Dus bevat dit boek doublures.

Uit deze uitgave interesseerden me de pure dagboekaantekeningen het minst. Kapuściński reisde nogal eens ergens naartoe, en ordent dan zijn gedachten door impressies op te schrijven van wat hem ter plaatse was opgevallen.

Mij was het vooral te doen om het meer persoonlijke materiaal, of wat hij aantekende over de gedachten van mensen na de val van het Communisme.

Verder hebben ook de aantekeningen nut die hij vastlegde, als hulp bij het schrijven van essays later. Dan denkt Kapuściński bijvoorbeeld eerst hardop na over wat domheid is, en tekent hij daarna aan wat anderen over zo’n onderwerp hebben opgemerkt.

Helemaal van belang vond ik Kapuscinski’s ideeën over de opkomst van internet, en andere beschouwingen over de media. Ook die Nederlandse bloemlezing geeft bijvoorbeeld al weer wat hij schrijft over de reportage — en dat dit genre ongeschikt voor journalisten is, omdat deze altijd te veel haast hebben om iets te zien. Deze bundel geeft nog meer voorbeelden.

Belangrijk lijkt me ook de zelfverantwoording. Kapuściński legt verschillende keren uit dat het belangrijkste thema in zijn werk het leven van de armen is. Waarbij vervolgens per land verschilt wat daar armoede is, en er tegelijk, over de hele wereld beschouwd, toch ook constanten zijn aan te wijzen.

De mondiale trek naar stad komt wel degelijk omdat zelfs de armsten in steden al van meer voorzieningen kunnen profiteren dan plattelandsbewoners.

En vooral zulke opmerkingen, als zichtbaar wordt hoe Kapuściński van feiten redeneert naar oordelen, maken een toch zo fragmentarisch boek als dit vaak zeer de moeite.

Ryszard Kapuściński, Die Welt im Notizbuch
Lapidarium II & Lapidarium III
336 pagina’s
Piper, 2008
Aus dem Polnischen von Martin Pollack