Handorakel und Kunst der Weltklugheit ~ Baltasar Gracián

Arthur Schopenhauer vertaalde het Spaanse woord prudencia met ‘Weltklugheit’. Terwijl de schrijver Theo Kars in zijn Nederlandse versie koos voor ‘voorzichtigheid’.

Beide vertalingen zijn mogelijk; al heb ik geen idee wat de belangrijkste zeventiende-eeuwse Spaanse connotatie was bij het woord. En die zal er zijn geweest. Prudentie is ook éen van de vier klassieke kardinale deugden — en daarvan zelfs de belangrijkste.

Voor de keuze gesteld ben ik geïnteresseerder in lessen wereldwijsheid dan in aanwijzingen om voorzichtig te zijn. Zelfs al komen beide waarschijnlijk op hetzelfde neer.

Gracián’s Handorakel heeft me alleen nooit zo veel gezegd, in welke taal ook. En dat was bij deze herlezing niet anders. Een sluitende verklaring waarom er altijd die afstand blijft, kan ik alleen niet geven.

Al zijn er evenmin andere boeken uit 1647 die me wel onverkort kunnen boeien.

Wellicht is de tekst me gewoon te katholiek schijnheilig. Ik kan bijvoorbeeld niet zoveel met uitspraken zoals nummer 126, dat je je fouten altijd zo goed mogelijk moet verbergen. Zelfs niet als ik zo’n stelling toereken aan een man die de gelofte van gehoorzaamheid heeft afgelegd, en die functioneren moest binnen strikt hiërarchisch georganiseerde structuren.

Ik lees er decennia aan ontkenning in binnen de Rooms-katholieke kerk dat hun priesters niet van kinderen konden afblijven.

Ik zie in te veel van Gracián’s driehonderd aanwijzingen het goedpraten van de richtlijn: werkelijk alles kan en mag, zolang je maar niet betrapt wordt.

– 126 –

Dumm ist nicht, wer eine Dummheit begeht; sondern wer sie nachher nicht zu bedecken versteht

Seine Neigungen soll man unter Siegel halten; wie viel mehr seine Fehler. Alle Menschen begehn Fehltritte, jedoch mit dem Unterschiede, daß die Klugen die begangenen verhehlen, die Dummen aber die, welche sie erst begehn wollen, schon zum voraus lügen. Unser Ansehn beruht auf dem Geheimhalten, mehr als auf dem Thun: denn nisi caste, tamen caute. Die Verirrungen großer Männer sind anzusehn wie die Verfinsterungen der großen Weltlichter. Sogar in der Freundschaft sei es eine Ausnahme, daß man seine Fehler dem Freunde anvertraut; ja, sich selber sollte man sie, wenn es seyn könnte, verbergen: doch kann man sich hiebei mit jener andern Lebensregel helfen, welche heißt: vergessen können.

Baltasar Gracián [1601 — 1658] was een Spaanse jezuïet, die door zijn te cynisch geachte boeken grote tegenwerking opriep, bij zowel de kerkelijke als de wereldlijke autoriteiten. Zijn Handorakel bevat driehonderd statements over hoe een mens moet handelen om zich enigszins te kunnen handhaven in een wereld die niet deugt.

Elk van die driehonderd uitspraken leest als een dogma, dat vervolgens nog even wordt toegelicht.

En misschien kan ik daar gewoon niet tegen. Dat iemand me vertelt: zo-en-zo is het, zonder dat er verder moeite werd gedaan om te verklaren waarom de auteur tot deze conclusie kwam.

Het Handorakel heeft ook iets te algemeens, zoals een horoscoop. Lezers kunnen in de uitspraken zomaar ineens iets tegenkomen dat zij precies zo ervaren hebben, en wat daarmee dus waar is. Waarmee de omringende statements als vanzelf ineens ook waar lijken.

Verder heeft Gracián generaties aan auteurs na hem beïnvloedt — die mij waarschijnlijk beter lagen. Waardoor ik misschien wel gretig hun tweedehands wijsheden heb geconsumeerd, en de bron van al deze kennis me vervolgens betrekkelijk weinig nieuws te vertellen had.

Zelfs al schrijft hij heel grote waarheden op. Er zijn lessen genoeg te trekken uit Gracián’s woorden — onder meer dat de menselijke cultuur veel minder verandert dan iedereen denkt. En dat een zekere mate van conformisme aan alle onzin van het moment altijd het beste loont.

– 43 –

Denken wie die Wenigsten und reden wie die Meisten

Gegen den Strom schwimmen zu wollen, vermag keineswegs den Irrthum zu zerstören, sehr wohl aber, in Gefahr zu bringen. Nur ein Sokrates konnte es unternehmen. Von Andrer Meinung abweichen, wird für Beleidigung gehalten; denn es ist ein Verdammen des fremden Urtheils. Bald mehren sich die darob Verdrießlichen, theils wegen des getadelten Gegenstandes, theils wegen dessen, der ihn gelobt hatte. Die Wahrheit ist für Wenige, der Trug so allgemein wie gemein. Den Weisen wird man nicht an dem erkennen, was er auf dem Marktplatz redet: denn dort spricht er nicht mit seiner Stimme, sondern mit der der allgemeinen Thorheit, so sehr auch sein Inneres sie verleugnen mag. Der Kluge vermeidet eben so sehr, daß man ihm, als daß er Andern widerspreche: so bereit er zum Tadel ist, so zurückhaltend in der Aeußerung desselben. Das Denken ist frei, ihm kann und darf keine Gewalt geschehn. Daher zieht der Kluge sich zurück in das Heiligthum seines Schweigens: und läßt er ja sich bisweilen aus; so ist es im engen Kreise Weniger und Verständiger.

Baltasar Gracián, Handorakel und Kunst der Weltklugheit
Aus dem Spanischen von Arthur Schopenhauer
128 pagina’s
Anaconda, 2005

Memoires van een slecht mens; Deel 1 ~ Theo Kars

Er klopt iets niet aan de boeken van Theo Kars. Maar ergerlijker is nog dat me nog nooit is gelukt om te formuleren wat dan precies.

Al ontstaat die ergernis waarschijnlijk alleen omdat ik Kars wel mag — zo’n conclusie kan een ervaren lezer trekken na het intieme contact met een auteur dat diens boeken brengen — en ik daarom graag zou zien dat hij wat beter schreef dan hem blijkbaar lukt.

Misschien is het probleem simpelweg enkel dat Kars zijn leven zo zeer heeft ingericht voor zijn eigen plezier dat daar de kortsluiting ontstaat. Wellicht ontbreekt het hem daarom aan voldoende nieuwsgierigheid om meer te willen verklaren, en daarmee zien, dan de grillen van de mensen met wie hij toevallig contact heeft.

Toegegeven, aan deze autobiografie verwijten dat die er te zeer vanuit gaat dat de lezer even geïnteresseerd in Theo Kars zou zijn als Theo Kars zelve, is dan ook weer zo wat. Het probleem dat ik had bij het lezen van de Memoires van een slecht mens; Deel 1, was namelijk precies dezelfde moeilijkheid als bij al Kars’ boeken eerder.

Eerlijkheid alleen in het schrijven volstaat niet. Hoe nietsontziend ook. Kars verveelt me vrij snel.

Theo Kars begint weliswaar met te benadrukken dat hij weet hoe onbetrouwbaar het geheugen is. En hij stelt ook vooral op zoek te zijn gegaan naar wat hem heeft gemaakt tot wat hij werd. Toch ontkwam ook hij niet aan het probleem dat elke schrijversbiografie of -autobiografie bijvoorbeeld benadrukt dat de hoofdpersoon naar school ging, en daar anders bleek te zijn dan zijn of haar medeleerlingen.

Boeiendst aan deze memoires vond ik het tijdsbeeld dat Theo Kars — zijns ondanks — weleens wist te vatten. Hoe hij begin jaren zestig een stuk schrijft tegen Harry Mulisch de hem te kritiekloos bewierookt wordt, bijvoorbeeld. Terwijl Mulisch aantoonbaar slecht schrijft. En hoe anderen, als een H.J.A. Hofland, dat dan zien als een geslaagde poging om een reputatie te verwerven in het literaire wereldje — terwijl het er Kars enkel om ging dat boeken die geen lof verdienen niet horen te worden geprezen.

Het eerste deel van de Memoires van een slecht mens eindigt in 1964, als Kars net een tweede grote misdaad heeft gepleegd, met het inwisselen van spaarbankboekjes. Eerder had hij al veel geld verworven met een postwisseltruc — een kapitaal dat hij onder meer gebruikte om een literair tijdschrift op te zetten. Tegenstroom.

Die fraude is dan een feit die in elke biografie, hoe kort ook, van Theo Kars terugkomen. Dat interesseert me daarom niet zo erg. Boeiender was al veel meer hoe hij bijvoorbeeld Boudewijn van Houten leerde kennen; en het portret dat hij vervolgens van deze schrijver schetste.

Weinigen komen er slechter vanaf in dit boek — op Kars’ moeder na dan, die hij achterbaks vond en dom.

[ is vervolgd ]

Theo Kars, Memoires van een slecht mens
Deel 1
1940 — 1964

359 pagina’s
Athenaeum―Polak & Van Gennep, 2010

Memoires van een slecht mens; Deel 2 ~ Theo Kars

Er zal nog een derde deel verschijnen, van Kars’ Memoires van een slecht mens. Alleen wel postuum. In het tweede deel hint hij naar een misdaad, waarover nu nog niets te vertellen is, die hij pleegde om te zorgen dat er de rest van zijn leven een redelijk inkomen zou zijn.

Maar tot nu toe ben ik niet heel erg onder de indruk van de misdrijven die Kars gepleegd heeft. Steunfraude voor een paar maanden was daar bij, verzekeringsfraude. En dan die algemeen bekende zaken nog uit het begin van de jaren zestig, met de postwissels en de spaarbankboekjes, waarvoor hij naar de gevangenis moest.

Toegegeven, in de autobiografie van een schrijver is het al heel wat als deze in zijn leven niet enkel geschreven heeft. Deel 2 van Kars’ memoires is ook aanzienlijk interessanter dan Deel 1 — juist vanwege zijn uitvoerig beschreven verblijf in de gevangenis. Omdat dit een ervaring is die weinig delen. Waar Deel 1 nu net vooral gaat over wat iedereen heeft moeten doorstaan; zoals van kind tot mens worden en naar school toe gaan.

Bij echt doortrapt slechte misdadigers denk ik alleen aan eerder aan mensen als een Jan Peter Balkenende, die terloops een heel land een illegale oorlog inrommelde, wat daar honderdduizenden doden kostte, en dus daarmee een oorlogsmisdadiger werd naar de letter van het Volkenrecht. Het gegeven dat deze man zich daar nooit voor zal hoeven te verantwoorden, of dat de minister van Defensie van toen nog altijd in een huidig kabinet zit, zegt mij veel, zo niet alles, over de samenleving waarin wij leven.

En zelfs Balkenende’s oorlogsmisdaad kost mij geen slaap. Ik zou me daar gek zijn.

Kars onderging zijn straf van twee jaar als een monnik. Het geregelde leven zonder afleiding in een gevangenis lag hem wel. Bovendien had hij iets om hem bezig te houden. Tijdens zijn verblijf in het gevang schreef hij zijn debuutroman, De vervalsers, die gebaseerd was op de misdaad die hij en enkele anderen net daarvoor hadden gepleegd.

Bovendien aanvaardde hij zijn straf zonder bijgedachte; zo stelt hij dan. Kars had nu eenmaal het risico genomen om buiten de wet om snel flink wat geld te verkrijgen, en was daarvoor gepakt. Risico’s nemen, levert ook het gevaar op dat het mis kan gaan. En gaat het mis, dan baat het niet daarover te gaan zeuren.

Aan die gevangenisstraf, en het proces vooraf, zit alleen wel een wat naar triomfantelijk kantje. Kars werd psychologisch onderzocht, en daarbij gedeeltelijk wilsonbekwaam bevonden. En verhelen kan hij de vreugde niet de onderzoekers daarmee toch behoorlijk bedrogen te hebben.

En misschien is dat het dan wat de boeken van Theo Kars wel aardige boeken maakt, terwijl ik toch altijd het idee houd dat er iets aan ontbreekt. Deel 2 van de Memoires van een slecht mens staat vol met wat ik nu voor het gemak maar solipsismen noem. De werkelijkheid wordt in het boek telkens zo gedraaid dat Kars er het best vanaf komt.

Dus staan er telkens enerzijds interessante observaties in, en dan doet deze schrijver daar vervolgens zelf weer vanaf door er koket over te zijn.

Mij intrigeerde bijvoorbeeld Kars’ herhaalde weerzin over het gemiddelde niveau van de Nederlandse literatuur.

En goed, dan heeft hij daar elders over geschreven, en hoefde zijn tegenzin dus niet in detail te verwoorden in zijn memoires. Inkijkjes genoeg overigens in hoe kwalijk uitgevers als Theo Sontrop opereerden.

Wat Kars nu doet in dit boek, is alleen toch een ander uiterste. Zijn boeken werden doorgaans slecht tot zelfs vijandig besproken. En volgens hem ligt dat dan uiteindelijk aan de kliekgeest van de Nederlandse literati, waar hij niet bij hoort, en die er daarom op ingesteld zijn om vreemde elementen te weren.

Vervolgens is die vijandigheid alleen niet erg, omdat het niveau van de Nederlandse literatuur toch al niet deugt.

En zulke verdedigingsmechanismen van Kars vind ik dan zo doorzichtig koket dat de schrijver in mijn achting daalt. Ik als lezer houd er niet van voor onnozel te worden gehouden.

Theo Kars, Memoires van een slecht mens
Deel 2

1965 — 1991
479 pagina’s
Athenaeum―Polak & Van Gennep, 2013

Praktisch verstand ~ Theo Kars

Theo Kars heeft vijftig jaar terug nog eens aan Guus Luijters uitgelegd hoe je dat deed, een vrouw verleiden. Het ging er daarbij om de juiste dingen te zeggen en te doen.

Zo moest je tegen meisjes zeggen dat je een hekel aan voetbal had.

Dat vond zo’n meisje dan zo bijzonder dat ze jou ook bijzonder vond. […]

Luijters vertelde Kars toen maar niet dat meisjes toch zelden nee tegen hem zeiden als hij ze vroeg om zondag mee te gaan naar het voetballen.

En deze kleine anekdote, opgetekend in de dagelijkse krantenrubriek Klein geluk, vond ik in kort bestek de perfecte recensie bieden van Theo Kars’ handboek Praktisch verstand. Want weliswaar poneert deze schrijver daarin tientallen stellingen over hoe je in bepaalde situaties hoort te handelen. Als je Theo Kars niet bent, en ook al niet een even egocentrisch karakter hebt als hem, kan een andere manier van doen vaak een net zo goed resultaat opleveren, zo niet een beter.

Kars [1940 — 2015] schreef dit boek na zijn zestigste, deels puttend daarbij uit zijn eigen ervaring, en vooral tal van wijsheden debiterend uit zijn boekenkast; met daarin een beperkt tal eeuwig herlezen titels — grootste verrassing daarbij voor mij, het grote tal citaten uit The Summing Up van W. Somerset Maugham. Anders dan de meeste mensen was Theo Kars sinds zijn dertiende namelijk vrijwel geheel door boeken opgevoed, aldus de eerste woorden van deze uitgave.

Ik was zo vrij om dit ‘Klein handboek voor non-conformisten’ te lezen als een extra deel van Kars’ autobiografie — ook al omdat deel drie van zijn Memoires van een slecht mens nooit meer zal uitkomen, naar het schijnt. De worstelingen die Theo Kars in zijn leven te overwinnen had, komen er allemaal in terug. Voor de meeste lemma’s in dit boek geldt dat die de man nogal duidelijk tonen, in al zijn overtuigingen. Al geeft de schrijver wel vergoelijkend aan dat de aard van dit handboek vereiste dat hij éen en ander nogal stellig moest brengen.

Verre reizen maken? Tijdrovend, vermoeiend, en kostbaar.

Tegelijk staat eerder in het boek dat het maken van een reis nuttig kan zijn om overtollige ballast achter je te laten. En ballast, zoals het bewaren van spullen, voor later, daar heeft niemand iets aan, zo staat elders dan weer.

Theo Kars komt uit dit boek naar voren als een man die allereerst op zijn eigen geluk uit was, en niet bereid was daartoe al te grote compromissen te sluiten. Vrij wilde hij zijn. Onafhankelijk. Geen baas hebben, en ook geen baas zijn.

Trof het even dat hij schrijver werd.

Praktisch verstand bleek alleen geen boek te zijn om in door te lezen — terwijl ik dat toch heb gedaan. De stelligheid in toon leidt gauw tot oververzadiging. Veeleer is het een naslagwerk dat per lemma best de wijze raad kan geven waar een lezer dan toevallig om verlegen zit. Moest die lezer dan misschien wel een stuk jonger zijn dan ik inmiddels ben. Kars kon weleens te zeer die jongen van dertien in gedachten hebben gehad die hijzelf was toen hij in boeken om wijsheid ging zoeken.

scheiding

Quasiwijsheden


‘Wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart,’ zo luidt een vaak met instemming geciteerde spreuk van Salomo. In het bijbelboek Prediker, waaruit de spreuk afkomstig is, staat zelfs: ‘Want hoe groter de wijsheid, hoe groter de kwelling, en wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart.’ Anders gezegd: hoe minder ontwikkeld, hoe gelukkiger. Dit is een typisch voorbeeld van een quasiwijsheid — een opmerking die wijsgerig klinkt, maar bij nadere beschouwing een domheid blijkt te zijn. Een nuchter denkend mens is immers juist blij met de kennis die hij verwerft, omdat deze hem in staat stelt zich beter aan de werkelijkheid aan te passen. Hij lijdt niet onder onaangename waarheden, maar doet er zich voordeel mee. Als hij ontdekt dat de meeste mensen laf, leugenachtig, en onbetrouwbaar zijn, dan legt hij zich erop toe uitzonderingen op die regel te vinden, en geniet vervolgens van die zeldzame exemplaren.

Niet kennis is de oorzaak van verdriet, maar een verkeerde levenshouding. Kennis biedt je de mogelijkheid meer van het leven te genieten. Je moet daarom je ogen niet sluiten, maar ze zo wijd mogelijk openhouden.

scheiding
Theo Kars, Praktisch verstand
Klein handboek voor non-conformisten

Uitgebreide editie
232 pagina’s
Van kwadraat, 2014

Spelen met stof ~ Henry de Montherlant

Pas na afloop van het interview dat Theo Kars ooit afnam aan Henry de Montherlant kwam er een compliment. De Franse schrijver [1896 — 1972] had met zijn boeken namelijk meer betekend voor hem dan zijn eigen vader had gedaan. Alleen had Kars dit niet willen zeggen voor het vraaggesprek; of om Montherlant tot een interview te verleiden. Hem was bekend dat deze niet om loze praatjes gaf.

Kars was erg getroffen door Montherlant’s eigenzinnigheid; om hoe de auteur altijd zijn eigen plan had weten te trekken; zonder daarbij compromissen te sluiten voor kapitaal of roem.

En ik moet toegeven, het was door deze scène uit Kars’ memoires, dat ik nog weer eens Spelen met stof wilde proberen. Dat is een beknopte bloemlezing uit de Carnets; aantekeningen die Montherlant bijhield na zijn dertigste.

Een eerste lezing, lang geleden, had me vrij weinig gebracht.

Montherlant is namelijk ook éen van de grote dubieuzen onder de schrijvers. Al trek ik dat oordeel misschien wat makkelijk nu. Begin jaren veertig schreef hij alleen onder meer een betoog waarin de overwinning van de Nazi’s op het Franse leger vanzelfsprekend werd genoemd — éen van de zaken die hem fout maakte in de oorlog; en dus ook tot een publicatieverbod leidde daarna.

Verder was hij zeker misogyn, zo hij niet geheel misantroop was. Al maakte hij daarbij éen uitzondering. Terwijl hij wellicht homosexueel was, zou hij met vrij grote zekerheid een pederast zijn geweest. De beperkte bronnen die ik heb zwijgen dan weer over hoe jong de jongens waren die zijn begeerte wekten.

Had het stierenvechten bovendien nog een enorme aantrekkingskracht op Montherlant.

En zo iemands denken ooit zo consistent kan zijn dat dit een kern heeft, dan lijkt me die bij deze auteur meer machismo dan mij lief is. Spelen daarbij wellicht nog allerlei ideeën ook over ras en cultuur uit de decennia van voor 1940, die na Hitler gelukkig dubieus zijn geworden, terwijl Montherlant deze ooit voor een groot deel zal hebben onderschreven.

Daardoor viel me op dat samensteller Ed. Jongma lang niet alle aspecten uit de biografie van Montherlant laat terugkomen in deze bloemlezing. Zelfs in zijn nawoord negeert Jongma bovendien nogal veel van wat ik hierboven aangaf. Hoogstens is verwerkt dat de Franse auteur zich eenmaal oud en ziek bewust heeft gedood — iets dat wij tegenwoordig ‘euthanasie pleegde’ noemen — omdat zijn krachten hem te zeer verminderd waren. Want er komen nogal wat opmerkingen in Spelen met stof terug over het nut van zelfmoord.

Dus is er bij veel van de korte aantekeningen die Montherlant maakte enige twijfel. Want staat zo’n opmerking daar los? Of ondersteunt zo’n uitspraak het denkraam van de man?

Het meest troffen mij, daarom misschien wel, notities over de beperkte waarde van oordelen. Teken iets aan, en jaren later blijk je ineens diametraal anders over hetzelfde te denken — zoals ik ook op boeklog met regelmaat constateer.

Maar soms blijven vroege oordelen wel degelijk staan. Lang geleden al oordeelde ik over Spelen met stof dat deze bloemlezing te zeer een verzameling los zand was om er veel leesplezier aan te blijven. Geen nut had het boek ook om de auteur beter te leren kennen. Daarop verdween deze uitgave voor vijfentwintig jaar in de kast. En dat was niet onterecht.

scheiding

Weet een criticus dat hij, terwijl hij ons beoordeelt, ook zichzelf beoordeelt? [6]

scheiding

Wat wij het meest bejubelen in een auteur is datgene waarin wij onszelf herkennen. Vandaar dat het heel vaak door hun minst originele kant is dat de genieën blijven voortleven. [38]

scheiding

Wij schrijven te veel en ik hoop wel dat de toekomst in wat ik geschreven heb de treurige coupures zal aanbrengen die ik zelf had moeten aanbrengen door minder te schrijven. [38]

scheiding

Als je het niet op een brullen zet zal niemand geloven dat je pijn hebt. [97]

scheiding
Henry de Montherlant, Spelen met stof
Keuze, vertaling en nawoord van Ed. Jongma

223 pagina’s
De Arbeiderspers, 1980
privé-domein nr. 66