Alles wordt niets ~ Bert Keizer

Vind ik Bert Keizer de beste Nederlandse schrijver van het moment? Het is een wat belachelijke vraag, maar wel éen die verduidelijken kan wat ik goed schrijven vind. En dat levert misschien nuttige kennis op. Op m’n andere weblog ga ik uitgebreid in op de mogelijke antwoorden.

Dit blijft een boeklog tenslotte. De besprekingen hier hebben zo hun eigen bandbreedte om iets over iemands schrijven te zeggen.

Zo is de belangrijkste vraag altijd bij een bundel als deze of de stukken daarin winnen of verliezen door de verzameling. En dan moet meteen gezegd worden dat de columns van Keizer in dit boek elkaar enorm verrijken.

Wel was het moeilijk om er meer dan een paar op een dag te lezen. Keizer schrijft sterk gecondenseerd, en dan is er natuurlijk altijd nog de lading van dat ene onderwerp waarover hij het vrij vaak heeft. Wat leven is. Keizer werkt als arts in een verpleeghuis. Daar gaat regelmatig een bewoner dood, al dan niet met enige hulp van buiten. Niet dat Bert Keizer daar niet met distantie, en regelmatig zelfs humor, over schrijven kan. Maar al te snel lezen, kan haast als oneerbiedig voelen.

Afgezien daarvan, de schrijver haalt ook voldoende wijsheid van anderen aan, over onderwerpen als de geneeskunde, om niet vaak ook denkpauzes op te roepen. Zodat er even afstand tot het geschrevene kan worden genomen.

Vreemd genoeg vond ik de langere stukken achterin veel wisselender van kwaliteit dan de opgenomen columns. Blij was ik met het essay ‘Filosofie van de geneeskunde, een aanzet’. Maar de rest zei me minder. Het was haast of die vorm van die krantecolumn, of de verwachtingen die het lezerspubliek van bijvoorbeeld Trouw over hem koesteren, Keizer tot grotere prestaties dwongen dan hem in alle vrijheid mogelijk was.

Bert Keizer, Alles wordt niets
Columns & Essays

234 pagina’s
Uitgeverij SUN © 2002

Alles wordt niets ii ~ Bert Keizer

Merkwaardig hoe het geheugen werkt. Ik las de bundel Alles wordt niets eerder in oktober 2006, zoals toen op boeklog werd aangetekend. Ruim acht jaar later, en zeker 2.500 boeken verder, viel mij op dat in Bert Keizer’s meeste recente bundel, Tumult bij de uitgang, columns en essays stonden die ik al kende.

De meest logische verklaring daarvoor leek me dat ik die dan ondertussen wel ergens online zou hebben gelezen.

Alleen bleek me toen bij herlezing van Alles wordt niets dat daarin voor een deel gewoon dezelfde teksten staan als in dat latere boek. Beide uitgaven hebben dan ook beschouwingen over de dood als onderliggend thema; zoals al uit de titels blijkt.

Keizer veranderde ondertussen alleen van uitgever.

En wellicht heeft deze gedacht straffeloos een themabundel uit diens werk uit te kunnen geven, zonder daarbij aan te geven dat de inhoud deels gerecycled is. Hoeveel kopers had Alles wordt niets nu eenmaal gehad? Essaybundels trekken per definitie geen lezers in Nederland. En was dat eerdere boek niet kansloos verrasmjt?

Herlezing nu leverde dus een gemengde ervaring op — terwijl ik Bert Keizer toch meer dan eens een geliefd schrijver heb genoemd; zo het ooit mogelijk is om straffeloos auteurs te omarmen.

Er speelden twee zaken. Niet alleen herlas ik een boek, waarvan ik delen zelfs vorige maand nog gelezen had. Ook woog het eeuwige bezwaar mee dat een schrijver zich zo veel minder ontwikkelen kan dan een lezer.

Bert Keizer’s kritische opvattingen over de gezondheidszorg hebben mijn blik gescherpt, lang terug inmiddels al. Kwam daar vervolgens nog wat praktijkervaring bij die enkel bevestigde wat Keizer zoal gelaakt heeft. Dus is zo’n verzameling van columns en essays vervolgens nooit meer onbevangen te herlezen. Delen van de kennis die er in staat, is ondertussen volkomen eigen geworden. Dus lijkt de auteur ook opvallend vaak niet meer te brengen dan variaties op hetzelfde.

Tegelijk, wie moest hij anders herhalen? Zijn werkkring veranderde niet. Hij bleef allereerst die verpleeghuisarts.

Blijft bovendien staan dat de o zo fundamentele kritiek van Keizer nog alle dagen genegeerd wordt; wat dus enkel bewijst dat de woorden van een wijs man geen enkele waarde hebben.

Ook morgen zullen de media weer op een totaal vertekende manier de resultaten van medisch onderzoek presenteren – daarbij kritiekloos de hype van éen of andere PR-kloot of -kut omarmend.

Zo stormde collega Cools uit Nijmegen op 23 maart 2000 de publiciteit in. Met als gevolg deze kop op de voorpagina van Trouw: ‘Nieuw middel stopt Parkinson vrijwel geheel.’ Let op het woordje ‘vrijwel’.

Cools heeft achteraf nog wel tegengeprutteld dat het zo niet bedoeld was. U denkt wat ik denk: hou dan je mond. Maar onlangs zag ik weer zo’n grapjas in de weer, dit keer voor een wat kleiner zaaltje, maar toch. Collega Scheltens beweert in Synaps, het AZVU-magazine: ‘Ik voorzie dat binnen afzienbare tijd de ziekte van Alzheimer in ieder geval in een vroeg stadium tot staan kan worden gebracht, misschien zelfs worden genezen.’ Jongens, hou hier toch in godsnaam mee op. Het kost ons uren om uit te leggen aan wanhopige familieleden dat ‘binnen afzienbare tijd’ voos gezwets is. Áls je de wonderpil hebt tegen Alzheimer, dan ligt de hele wereld binnen zeven minuten gegarandeerd snikkend aan je voeten. Als je hem niet hebt: hou dan je mond. [146-147]

Alles is niets toonde in het gedeelte met de columns een opvallende preoccupatie met de schrijver Samuel Beckett, die nogal vaak de maat aller dingen is. Die teksten zijn dan overigens telkens net te kort om te begrijpen waarom. Zoals een dominee naar God grijpt in zijn preken, zo roepen columnisten dus blijkbaar ook autoriteiten aan.

Waarbij ik dat trekje overigens wel begrijp. Geen schrijver heeft al zijn of haar kennis zelf ontdekt. Dus past het niet om andermans vondsten te presenteren als eigen ideeën. Terwijl het tegelijk dus niet altijd mogelijk is om de bron van de geponeerde wijsheid elegant binnen het eigen betoog te noemen.

Toch viel weer op in de stukken waar Bert Keizer niet aan een maximumlengte gebonden was — het gedeelte met de essays achterin — dat zijn teksten daar niet per se beter van werden. Deze opstellen waren minder constant in kwaliteit.

Bert Keizer, Alles wordt niets
Columns & essays

234 pagina’s
SUN, 2002

Being Mortal ~ Atul Gawande

Rondom die ene zekerheid van het leven, dat het eindig is, veranderde nogal wat in de loop van de twintigste eeuw. De artsenstand kreeg ineens wel de mogelijkheid om vele tot dan toe tamelijk fatale aandoeningen te genezen. Plots werd ook zoiets als veiligheid belangrijk op het werk, en in het verkeer. Groeide de algemene welvaart daarnaast enorm, zodat sociale verbanden zich wijzigden.

Ineens werd het hier abnormaal om vader of moeder in huis te nemen tijdens hun laatste jaren.

De dood kwam daarmee op een almaar grotere afstand te staan. En vreemd genoeg: de waardigheid van ouderen eveneens.

Ik las Being Mortal van de Amerikaanse internist Atul Gawande over deze onderwerpen, en dat boek riep gemengde gevoelens op bij mij.

Enerzijds was het genadeloos goed. Want een prettig formulerend medicus weet nogal treffend te beschrijven wat ouder worden eigenlijk is. Wat er daarmee lichamelijk verandert, en geestelijk. En ook, wanneer dit verval intreedt.

Gaf hij zelfs waardevolle tips om te kunnen zien hoe het eigenlijk met iemand is. Kijk dan vooral naar hun voeten; want daar kunnen ze doorgaans niet meer goed bij. Als bij ouderen de voeten slecht verzorgd zijn, kan dit veel zeggen over hun staat van zijn.

Alleen is dit dus ook het boek van een medicus. En medici maken weliswaar meer doden mee in hun dagelijks werk dan vrijwel iedereen — op de begrafenisondernemers na. Alleen worden artsen nog altijd eerst opgeleid om mensen beter te maken.

Doen ze volgens Gawande ook nog veel te weinig van hen iets aan ouderengeneeskunde tijdens hun vorming.

Met als gevolg dat er nogal wat mishandeling plaatsvindt van oudere patiënten — omdat hen behandelingen opgedrongen worden die hun leven weliswaar vaak nog even rekken, maar de kwaliteit van dat leven ondertussen behoorlijk drastisch kunnen verminderen.

Een gegeven dat ik overigens ook al uit het werk van Bert Keizer had opgestoken.

Keizer stelt daarbij alleen altijd expliciet wat Gawande in Being Mortal veel implicieter verwoordt: dat de medische stand niet zo goed raad weet met de dood. En ik ben als lezer dan nog weer kritischer, ik verwijt Atul Gawande bijvoorbeeld zelfs te onnozel naar euthanasiewetten te kijken; omdat die er allereerst zijn gekomen om de doktoren te vrijwaren van moordaanklachten. En er hoogstens zijdelings kwamen om de rest van de mensheid ook nog te dienen.

Het is kortom jammer dat de medische stand zo veel te zeggen heeft over leven en dood — en dan al helemaal over de kwaliteit van dat leven op het einde — en tegelijk deze verantwoordelijkheid liever niet lijkt te hebben. Want ook Gawande doet net of een patiënt de reikwijdte kan begrijpen van een ingreep die een medicus voorstelt.

Dat maakt de vele ziektegeschiedenissen in dit boek vaak ook zo schrijnend. De auteur zal ze bedoeld hebben als portretten van indrukwekkende mensen, die totterdood hun waardigheid behielden. Terwijl ik toch enkel zie hoe aan patiënten behandelingen worden opgedrongen; enkel omdat de arts in hen het sprankje hoop ontwaart dat het allemaal nog goed kan komen.

Toegegeven, Gawande biedt hierover ook een tegenvoorbeeld. Zijn vader, die eveneens arts was, liet zich een hele tijd niet opereren aan een langzaam groeiende tumor in diens ruggenmerg; omdat de gevolgen als het mis zou gaan hem te groot waren. En dit besluit pakte redelijk goed uit.

Alleen blijft de conclusie over de betekenis van zijn vader’s wens, die daarmee tegen het advies inging van éen van de geraadpleegde specialisten, mij dan weer te impliciet in dit boek.

Is die dood daarom elders dan inmiddels zo’n taboe dat er enkel zo omfloerst over te schrijven is? Heeft Bert Keizer gewoon gelijk met zijn stelling dat Nederland decennia voorop ligt in begrip; omdat wij hier tenminste die euthanasiediscussies hebben gehad?

Atul Gawande, Being Mortal
Illness, Medicine, and What Matters in the End

282 pagina’s
Profile Books 2015, oorspronkelijk 2014

Koud liggen ~ Bert Keizer

Toen dit boekje verscheen in 2003, als essay voor de Boekenweek die de dood als thema had of zoiets, kwam ik er niet goed doorheen. Daarom was dit een tweede poging, in de slipstream van Keizer’s geslaagde roman en de goodwill die daarmee ontstond.

Ik zie nu dat dit niet uitmaakt. Er staat eenvoudigweg niets in dit boekje wat beklijft. Dat ligt vanzelfsprekend aan mij. Maar ik las enkel pogingen om een essay te beginnen vanuit verschillende invalshoeken, niet de doorwrochte of de inzicht verruimende beschouwing zelve.

Bert Keizer, Koud liggen
54 pagina’s
Stichting CPNB, 2003

Ludwig Wittgenstein ~ Bert Keizer

Ik was veel nieuwsgieriger naar Bert Keizer dan naar Ludwig Wittgenstein bij het lezen van dit boek. Met de laatste had ik mijn eigen strijd al eens gestreden. Twintig jaar geleden inmiddels. Veel lust om al dat nog eens op te halen, was er niet.

Dus interesseerde me niet zo zeer wat Wittgenstein beweerd heeft, en wat daarin verschoof, maar hoe Keizer dit ervaren had. Wittgenstein heeft namelijk een groot vermogen om zijn lezers te bedwelmen met zinnen die begrijpelijk lijken, en dat toch net niet zijn.

Maar Ludwig Wittgenstein bleek in de eerste plaats een introductie in het leven en het werk van de man, plus een bespreking te bevatten van onder meer zijn twee belangrijkste boeken. Daarbij stelde Keizer zich nogal bescheiden op, omdat hij geen vakfilosoof is. Dat had hij van mij niet hoeven doen. Dit is een heel prettig boek — een nieuwsgierig makende introductie.

En hoewel ik veel van de bronnen gelezen heb die Keizer gebruikte — zoals de biografie door Ray Monk — beschreef hij Wittgenstein’s leven toch zo dat ook mij regelmatig iets nieuws verteld werd.

Of anders werd me wel iets in herinnering gebracht. Zoals de geschiedenis met de Tractatus Logico-Philosophicus, die in 1929 nog eens moest dienen om Wittgenstein een graad te verlenen.

Wittgenstein moest daarbij ook nog mondeling examen doen, bij Russell en Moore. Aan wie hij al eens had gezegd dat hij wel begreep dat zij niets van boek snapten.

Moore schreef naderhand:

Het is mijn persoonlijke opinie dat mijnheer Wittgensteins these een geniaal werk is, maar, afgezien daarvan, het is zeker op het niveau dat vereist wordt voor de graad van Doctor of Philosophy aan de universiteit van Cambridge. [72]

In het voorwoord van dit boek noemt Bert Keizer het denken een activiteit die moeilijker is dan gedacht. En uiteindelijk lijkt hij Wittgenstein vooral te waarderen als iemand die een hoop denken obscuur heeft gemaakt, door te wijzen op de onvolmaaktheden van taal. Wat als gedachte geformuleerd kan worden, is lang niet altijd wat.

Filosofie zoals Wittgenstein die bedrijft levert in zekere zin niets op. Maar ze leert ons wel een hoop af.

  • onze neiging om te generaliseren: hoe zit het eigenlijk? Zeg niet ‘alle taal is beschrijven of bevelen of vragen of aankondigen’, maar koester de verschillen. Kijk hier eens, en daar, en daar, en dit dan?
  • betekenis is geen spook dat zich in geluid hult. Begrippen, alle begrippen, hebben wortels in het dagelijkse doen en laten van ons mensen.

[…]

  • filosofie kan niets afdwingen op het toontje van: zo moet het zitten (de Tractatus), Filosofie kan slechts vaststellen: zo ligt het nu eenmaal. [125]

Bij het werk van denkers als Wittgenstein heb ik dan het probleem dat hun ideeën er niet waren voordat zij ze formuleerden. Later lijkt alles zo veel meer vanzelfsprekend. Als kennis er eenmaal is, kan met een Reader’s Digest-samenvatting worden volstaan. Bert Keizer lukte het in dit boek toch ook om te wijzen op het onbekende van het gebied dat Wittgenstein betrad, en waar hij daardoor in het begin te ver ging.

Ook dat maakt dit boek de moeite.

Bert Keizer, Ludwig Wittgenstein
Taal, de dwalende gids

158 pagina’s
SUN, 2000

Man die stierf op een eiland ~ Bert Keizer

Keizer heeft het wonderbaarlijke vermogen om de meest trieste zaken toch licht te beschrijven. Die schrijfkracht was al duidelijk in zijn romandebuut, Het refrein is Hein, waar heel goed om te lachen is. Zelfs al gaat het boek om een verpleeghuis. Waar de patiënten enkel naartoe komen om dood te gaan.

De man die stierf op een eiland biedt een nieuwe variant op de levensverhalen die verteld worden in Het refrein is Hein. Dit boek had ook in die roman kunnen worden opgenomen, bij wijze van spreken.

Dus is Bert Keizer’s beheersing over zijn stof weer wonderbaarlijk groot. En toch bleef ik na lezing achter met een vraag.

Het verpleeghuis neemt op goede dag een nieuwe patiënt op. Een man van negentig, die iets voornaams heeft, en alleen daardoor al indruk maakt. Helder is hij absoluut nog, alleen wil zijn hart niet meer, zodat hij al niet meer lopen kan.

De man wil euthanasie. Straks kan hij niet eens meer zelfstandig zijn bed uit.

Illustratief is dan hoe de verpleeghuisarts in het boek de patiënt coacht in wat deze zeggen moet tegen de andere arts, die in Nederland komt controleren of een euthanasie-aanvraag wel terecht is gedaan. En dus of er geen moord wordt gepleegd.

Leg de nadruk vooral op je lichamelijke lijden, heet het dan. Anders wil die andere dokter je nog antidepressiva voorschrijven ook, en dat schiet niet op.

Als de patiënt dood is, na een drankje, blijkt dat er geen gelegenheid bestaat om echt afscheid te nemen van de man. Een rouwplechtigheid wilde hij niet. Kaarten worden pas verstuurd als de crematie al geweest is. Zelfs na zijn sterven houdt de man de hele wereld superieur op afstand.

Naderhand blijkt er toch wel degelijk familie te zijn. Terloops wordt de verpleeghuisarts dan nog gevraagd of de man ooit over zijn persoonlijke verleden heeft gesproken. En dit was niet zo.

Dus gaat de arts zelf nog op onderzoek uit. Om daarbij meer informatie te vinden dan hem misschien wel lief is.

En dat gegeven leverde dus een vraag op, bij mij.

Zorgprofessionals zijn gewoon mensen, achter hun professionele methodieken. Dus zullen ze ook patiënten blijven behandelen die zichzelf de vernieling in hielpen — zoals de longpatiënten die blijven roken, of de suikerzieken die zich niet aan een dieet houden. Al zullen artsen daar zo hun gedachten bij hebben.

Maar gaat het aan dat een dokter een speurtocht onderneemt naar heel het leven van patiënt? Ondanks dat deze even onbehoorlijk veel indruk maakte, als mens?

Of is dit boek juist een waarschuwing om dat toch vooral liever te laten?

Hoe zwaar telt het verleden — buiten de anamnese, van een patiënt — want gaat het in de behandeling uiteindelijk niet allereerst om zijn of haar heden en verwachting? Hoe kort die toekomst in een verpleeghuis misschien ook is?

Waarom wil de hoofdpersoon per se de kennis, die hem vervolgens tot een oordeel dwingt?

Bert Keizer, De man die stierf op een eiland
70 pagina’s
Balans, 2011

 


Onverklaarbaar bewoond ~ Bert Keizer

Onwillekeurig riep dit boek herinneringen op aan de roman Het refrein is Hein. Of eigenlijk is dat al zo bij elk boek van Bert Keizer, omdat ik hoop dat hij die prestatie nog eens herhaalt.

Onverklaarbaar bewoond mist alleen iets, ten opzichte van dat vroege meesterwerk. Hoe goed de beide boeken verder ook te vergelijken zijn. Noem het humor, noem het lucht. Noem het overzicht.

Wat Het refrein is Hein zo prachtig maakte was het evenwicht. Want ja, voor buitenstaanders was het nogal grimmig wat er allemaal plaatsvindt in een verpleegtehuis; die stille laatste halte voor de dood. Maar Keizer had al even in die omstandigheden verkeerd, voor hij aan zijn boek begon. Als hij niet had kunnen relativeren, was het werk daar nooit vol te houden geweest.

In Onverklaarbaar bewoond is Keizer een indringer, die even in een andere wereld kijken mag, en uiteindelijk toch buitenstaander blijft. Hij liep een tijd mee, als toeschouwer, op de afdeling neurochirurgie van het Academisch Medisch Centrum van de Vrije Universiteit [VUMC] in Amsterdam.

Waarom nu per se daar, op die afdeling? Als Keizer dat aan de daar werkzame artsen moest uitleggen, begrepen zij hem niet echt. Terwijl het voor hem toch zo duidelijk was. Wie iets in of aan zijn hersenen oploopt, loopt daarbij ook het gevaar op een andere manier gekwetst te worden. Anders dan bij een beenbreuk, of ander probleem elders in het lichaam. Bert Keizer gebruikt daarbij dan nog het woord ‘ziel’, als de gebruikelijke steno, voor wat er dan aangetast kan raken. En misschien is dat het dan wel wat op onbegrip stuit.

De medici vinden het juist een nogal beperkt vak.

Want Keizer beschrijft in het boek ook vooral een technocratie, met artsen die alle hulpmiddelen hebben om diagnoses te stellen, en vervolgens iets te doen. Of juist niet. Maar wat kunnen ze dan precies?

Over neurochirurgie zei Gorter van Wagendonk: ‘Je kunt het een aap leren’

‘Maar alleen chimpansees hoor,’ sust Suzanne, ‘bavianen kunnen het echt niet.’

Over snijvaardigheid zegt Kees: ‘Het is als het pellen van een sinaasappel. De ene gaat moeiteloos, schil laat lekker los, partjes vallen makkelijk uiteen, maar de volgende is een en al probleem. Of je nou wilt of niet, je trekt alles stuk. Technisch moet je zo ver zien te komen dat je ze allemaal even keurig pelt’ [199]

Reparaties aan een beschadigd ruggenmerg zijn ook Keizer te eenvoudig, en worden daarom genegeerd. Die behelzen immers weinig meer dan basale werktuigbouw, van een stel kabels die in hun buis ongehinderd moeten kunnen werken.

Alle eerbied gaat in het boek uit naar de hersenen. Dat onbegrijpelijke ding van ruim een kilo, in die schedel.

Zo veel eerbied is er zelfs dat Keizer blijft schrikken van de manier waarop hersenoperaties plaatsvinden. Hij kan niet wennen aan het geluid waarmee het zaagje een luikje in de schedel maakt. Hij vindt het verschrikkelijk als een patiënt tekenen van leven geeft tijdens de ingreep. En dat een chirurg dan bijvoorbeeld laconiek ijswater op de hersenen kan spuiten om weer rust te krijgen.

En ondertussen realiseert hij zich tot welke gewoonten zijn eigen beroep hem gedwongen heeft. Omdat hij weet niet zo veel te kunnen doen voor zijn patiënten, dan ze bij staan of te trachten om hun pijn te verlichten.

feit blijft dat ik als verpleeghuisarts vaak bij een patiënt sta met pijn, angst, benauwdheid, zwelling, koorts, bloedverlies, roodheid enzovoort als een voorbijganger tegenover een huis waar hij niet in kan, terwijl zich binnen mogelijk allerlei akeligs afspeelt. Je hoort een kreet, een slag, geratel of gepiep, maar het blijft gissen naar wat er nou echt gebeurt daarbinnen.

Hier kunnen ze dan wel het huis binnen. En dikwijls weinig uitrichten, behalve uitstel regelen bij de meeste tumoren. [119]

In het laatste hoofdstuk van dit boek gaat Keizer langs bij twee patiënten die hij in het VUMC heeft meegemaakt. Beide mochten nog even wat langer doorleven. Al is éen zich daar bewuster van dan de ander, wat de beperking verlicht dat er nu altijd een looprek nodig is.

En het is mooi dat hij even die moeite nam zich om deze mensen te bekommeren.

Tegelijk had ik bij dit boek steeds het gevoel een ongeluk mee te maken. Maar, wat was dat ongeluk dan?

Bert Keizer, Onverklaarbaar bewoond
Het wonderlijke domein van de hersenen

269 pagina’s
Uitgeverij Balans & VU Uitgeverij, 2010

Refrein is Hein ~ Bert Keizer

Hoewel ik dit boek eerder gelezen had, en mijn exemplaar achterin uitpuilt met krantenknipsels van en over de schrijver, was me helemaal ontschoten dat het een roman is. Merkwaardig genoeg had ik dus wel de inhoud van Keizer’s betoog in de kern onthouden, maar niet de vorm.

Fictie kan trouwens misschien ook wel beter waarheden vertellen, dan monografieën die voor de helft uit voetnoten bestaan. Als het ergens schuurt, kan in een roman voelbaar worden gemaakt hoe het daardoor schrijnt.

De hoofdpersoon van dit boek is als arts aan het minstbedeelde kant van de gezondheidszorg terecht gekomen, in een verpleeghuis. Alles draait in de geneeskunde om diagnostiek, genezing en zorg lijken er nauwelijks toe te doen. Miljarden worden er weggesmeten aan kankeronderzoek dat nooit iets oplevert. Ondertussen kunnen de mensjes in de verpleeghuizen niet eens een eigen kamer krijgen in hun ellende. Daar zit duidelijk iets scheef.

Er gaan in Het refrein is Hein tal van mensen dood, al dan niet geholpen door de hoofdpersoon. Euthanasie is ook bijna de enige actieve genezing die de verpleeghuisartsen kunnen bieden aan het type patiënten die ze binnen krijgen. Verder is het zien de pijn en het lijden draaglijk te houden.

Ondertussen houden de doktoren zich door een professionele distantie overeind, vaak gevoed door galgenhumor. Toch worden ook zij weleens emotioneel, al mag dat dan hoogstens twee keer per jaar.

Keizer heeft met Het refrein is Hein een even wreed als prachtig boek geschreven. Nog even afgezien van de euthanasie-kwestie als onderwerp, is het erg bijzonder dat in de Nederlandse literatuur eens professionals aan het woord komen die realistisch praten over de valse pretenties in hun métier.

Bert Keizer, Het refrein is Hein
Dagen uit een verpleeghuis

316 pagina’s
Uitgeverij SUN, 1994

Tijdelijk feest ~ Bert Keizer

Ze krijgen elkaar aan het eind van dit boek, net als in iedere een beetje zwijmelende doktersroman. En dat is leuk. Het gebeurde nog niet eerder in wat ik las dit jaar. Al was een liefdesgeschiedenis ook wel nodig als balans tegen het cynisme in het boek.

En zou ik een recensie voor een groot publiek moeten schrijven, was het ook misschien wel een aardig idee om verontwaardigd te gaan opsommen waarin deze doktersroman afwijkt van alle genreclichés. Zo gaan er erg veel patiënten dood in het boek, en deinen de verpleegstertjes misschien wel geil voorbij, maar krijgen ze nooit iets met de dokters. Nee, de hoofdpersoon in dit boek krijgt iets met de vrouw van een collega, oe schande.

Maar goed, de artsen in doktersromannetjes zijn ook nooit zo onzeker over hun capaciteiten als de hoofdpersoon in dit boek. En al evenmin zijn die zo belezen in de literatuur en filosofie. Herken het citaat was voor mij een aardige extra sport tijdens het lezen.

Dit boek verhaalt van de wederwaardigheden van een onervaren arts die daktari gaat spelen in een Keniaas ziekenhuis ver van alles weg. Een plaats weer de Keniaanse artsen zelf niet naar toe willen, zo beseft de hoofdpersoon pas als hij weer naar Nederland vertrekt. En daarmee gaat Tijdelijk feest over de verschillen tussen Afrika en Europa, de verstikkende werking van zending, of de zinloze pretenties van ontwikkelingshulp. Kernzin uit het boek, van de wijze non Jane:

You can help someone with the washing up, but you cannot help a people or a nation with its development.

Het boek gaat ook over de goddelijke kwaliteiten die doktoren zichzelf ineens kunnen toedichten in hun werk om de dood te verslaan. De extreme ziektebeelden die in het Afrikaanse ziekenhuis dagelijks langskomen, kent de gemiddeld arts in Nederland alleen uit zijn leerboeken. Een dokter betekent daardoor iets. Daar slaat ‘Tijdelijk feest’ uit de titel waarschijnlijk op; geneeskunde in een ontwikkelingsland is iets anders dan aanhoren wat zich aan klachten heeft verzameld op maandagochtend in de wachtkamer bij de huisarts.

Maar wat betekent dit? Zowel voor het werk in Nederland, als wat er als eenling in Afrika mogelijk is.

‘Tijdelijk feest’ kan ook inhouden dat ze elkaar misschien wel krijgen in dit boek, maar dat wittebroodsweken niet eeuwig blijven duren. Iets dat in de traditionele doktersroman altijd ontkend wordt. De hoofdpersoon krijgt ook een baan in een verpleeghuis, aan het slot, dat waarschijnlijk geen van zijn patiënten levend zal verlaten.

Allebeide betekenissen dan maar?

Bert Keizer, Tijdelijk feest
‘Postkoloniale doktersroman’

288 pagina’s
Uitgeverij SUN, 1998

Tumult bij de uitgang ~ Bert Keizer

Maak een wet, en de werkelijkheid heeft zich daar dan ineens naar te voegen. Wat situaties niet zelden binair maakt. Iets mag dan, of iets wordt juist verboden. Andere smaken zijn er niet.

Wetten hebben daarom dikwijls onbedoelde gevolgen. Politici lijken dat nooit te begrijpen.

Aardigste voorbeeld van waar juridisering toe leiden kan, vind ik altijd nog de uitvinding van ‘de etnische Fries’, als gediscrimineerde minderheid, die er in 2004 zomaar ineens was op papier — door politiek gemanoeuvreer om wat Europese subsidietjes binnen te harken. Bijna jammer dat nog geen Fries de macht beseft die deze positie oplevert.

Nederland heeft sinds 2002 een Euthanasiewet — na in de jaren daarvoor met een soort gedoogconstructie te hebben gewerkt voor professionele hulp bij het sterven. Mensen die uitzichtloos lijden, zij het geestelijk of fysiek, kunnen, mits hun arts meewerkt, hulp krijgen bij het bespoedigen van hun dood.

Voorwaarde is wel dat ze deze wens aantoonbaar hebben geuit op een moment dat ze bij hun volle verstand waren. En ziet, daarmee ontstaan de juridische moeilijkheden al. Want nogal wat ouderen worden kinds, om dat oude begrip maar weer eens te gebruiken; die raken de weg kwijt in hun eigen hoofd. En zij voldoen daarmee dus al niet aan die ene eis uit de wet, dat ze toerekeningsvatbaar horen te zijn bij het nemen van de beslissingen over hun leven of dood.

Bert Keizer heeft nogal eens met dit probleem te maken. Hij is, of was gezien zijn leeftijd, verpleeghuisarts; werkzaam derhalve in het minst bedeelde hoekje van de zorg. En in dergelijke tehuizen belandden nu eenmaal slechts de mensen die helemaal niet meer voor zichzelf kunnen zorgen. Waaronder de flink demente bejaarden.

En Keizer heeft met regelmaat over deze problematiek geschreven, in bredere zin. Zijn debuutroman Het refrein is Hein ging er deels al over. En de recente bundel Tumult bij de uitgang bevat voor een groot deel korte teksten over de dood, en over niet dood mogen — die al gauw eens ergens anders zijn gepubliceerd.

Zo heeft Bert Keizer al tijden onder meer een column in het protestants-christelijke dagblad Trouw; wat ik altijd pikant heb gevonden. Christelijke partijen hebben zich nu eenmaal altijd blind gekeerd tegen euthanasie. En de christelijke kranten deden dit ook; die hadden nu eenmaal een doelgroep te bedienen.

Maar mooi aan de woorden van Keizer is alleen al diens eeuwige nuance.

Want zelfs al is er van alles op die Euthanasiewet aan te merken, dat de Wet bestaat is al van grote betekenis. Hij heeft bijvoorbeeld als beginnend arts nog net meegemaakt dat er werkelijk niets kon. Dat hij en zijn collega-artsen beurtelings, zonder daar over te praten, het lijden van doodzieke mensen wegnamen door hen telkens wat extra morfine toe te dienen; tot de dood eindelijk intrad. Overleg had zo’n dood toen nog tot moord gemaakt. Om de voorbedachten rade.

In landen zonder wetten of regels wordt oude en kwetsbare mensen nog altijd flink afgebeuld, door ingrepen die in Nederland al gauw als overbodig medisch handelen zouden worden gezien. Want in een verpleegtehuis hier staat elke patiënt onder de hoede van éen arts, die de hulp van collega’s desnoods inroept als dat nodig is. In Duitsland, dat Keizer als afschrikwekkend voorbeeld aanhaalt, bestaat zo’n coördinatie niet, en gaat elke specialist telkens nog op eigen gezag in de weer met doodzieke mensjes.

Komt daar bij, wat wel weer ook voor Nederland geldt, dat de medisch specialisten doorgaans veertigers zijn. Relatief jonge mensen, met al gauw eens jonge kinderen, die hun eigen doodsangst projecteren op hun oudere patiënten. En die daardoor al gauw te veel willen doen.

Artsen hebben ook levensjaren nodig om te beseffen dat ingrijpen lang niet altijd het beste hoeft te zijn.

En Keizer is inmiddels zo’n arts op leeftijd. Die enerzijds schrikt als een jongere collega in tranen uitbarst nadat er euthanasie gepleegd is. Maar die tegelijk moet toegeven dat het nooit helemaal went om een ander dood zien te gaan.

Nogal wat werk uit Tumult bij de uitgang bleek ik al eens eerder te hebben gelezen. Los. In het vrije wild wellicht [1]. Al kan het ook zijn dat ik Bert Keizer inmiddels wel erg goed ken als auteur. Zijn principiële boodschap verandert niet; zelfs al is het verhaal misschien net even anders waarin hij zijn conclusies giet.

Ik lees hem ook graag.

Alleen komt er nu ineens schoorvoetend een publieke discussie op gang, mede geëntameerd door Boudewijn Chabot, dat het eigenlijk vreemd is dat doktoren zo’n centrale rol hebben bij de vragen over de dood. En zelfs Bert Keizer maakt duidelijk dat die artsen helemaal niet op die verantwoordelijkheid te wachten zaten.

Alleen is er vervolgens die wet. Of domweg het gegeven dat er ook altijd partners of kinderen zijn die het sterven van iemand best willen bespoedigen, met een handig middeltje. Zelfs als er nog geen ondraaglijk lijden speelt.

Bert Keizer, Tumult bij de uitgang
253 pagina’s
Lemniscaat, 2014
  1. Nee, er is behoorlijk wat uit de bundel Alles wordt niets hergebruikt in dit boek []

Waar blijft de ziel? ~ Bert Keizer

Geen onpopulairder boodschap dan de mededeling: jullie kunnen je bewering nooit staven — want daarvoor schiet onze kennis domweg te kort.

Mensen die relativeren zijn ongeveer even populair als klokkenluiders, of als het kind dat zo terecht gelyncht werd toen het waagde op te merken dat de keizer helemaal geen kleren droeg. Blijkbaar zit de menselijke psyche zo in elkaar dat we liever geloven dat autoriteiten het goede nastreven; de waarheid in pacht hebben; en ons aller belang daarbij voorop stellen.

Anders zouden die autoriteiten toch zeker wel steviger kritiek ontmoeten ook?

Bert Keizer deelt harde kritiek uit in Waar blijft de ziel? — dat in 2012 actieboek was voor de Maand van de filosofie. Hij valt daarin de vrij eenvoudige visie aan die de neurosofie uitdraagt. Dat is de leer die plotseling opkwam sinds het mogelijk is om met scans in de hersenen van levende mensen te kijken, en daar activiteit in waar te nemen.

Voornaamste profeet van dit neuroreductionisme is in Nederland Dick Swaab. Een onderzoeker is dat, die voorheen slechts in hersenen sneed van mensen die al dood waren. En die volgens Bert Keizer op basis van vooral die kennis, en de bijbehorende autoriteit, er veel te stellige oordelen op nahoudt over alle gebieden waarvoor Swaab niet heeft doorgeleerd.

Wij zijn ons brein luidt de titel van de bestseller die Swaab uitbracht in 2010. Een programma van vier luttele woorden is dat waar Keizer zich uit alle macht tegen keert in zijn boek; omdat dit een verkeerd frame laat ontstaan, en omdat Swaab ook met zijn stelling nogal wat helemaal niet kan verklaren.

Voor Keizer is daarbij een uitspraak van zijn intellectuele held, Ludwig Wittgenstein, de meest indrukwekkende relativering.

Het menselijke lichaam is het beste beeld van de menselijke ziel.

In het boek houdt Keizer er overigens liever nog een driedeling op na — lichaam, geest, en omgeving — om aan te geven wat bepaalt wie wij zijn.

En van mij had Bert Keizer best wat meer harde medische kennis tegenover de neurosofie mogen stellen. Zo wordt bijvoorbeeld almaar duidelijker dat onze darmflora grote invloed heeft op ons welbevinden, en zelfs op zaken als overgewicht. Die flora bestaat uit bacteriën — een kilo of vier aan vreemd bezoek bij een gezonde volwassene — en is toch bijna als een tweede brein te zien; voor wie graag reduceren wil. Een extern brein dan nog bovendien.

Belangrijkste boodschap van Bert Keizer in dit boek luidt wat mij betreft dezelfde als hij al uitdroeg in zijn eerste boek, Het refrein is Hein. Het is nogal mager gesteld met het onderdeel zorg in de gezondheidszorg. De middelen en methoden om diagnoses te stellen worden steeds verfijnder. Technisch kan er ook wel wat meer in de chirurgie. Maar te vaak bestaat de geneeskunde nog altijd uit het enkel wegnemen van symptomen — zonder dat duidelijk is wat er nu precies ten grondslag ligt aan de kwaal.

De populariteit van neurosofie heeft vooral kwalijke gevolgen in de geestelijke gezondheidszorg. Om niet te zeggen dat het gevaarlijk en dom is om een mens te reduceren tot een stel hersenen in chemische onbalans, voor wie allereerst medicijnen baat kunnen brengen.

Het psychofarmacologisch arsenaal bevat wel degelijk effectieve pillen: antipsychotica, angstremmers en sommige middelen tegen bipolaire stoornis. Maar er is geen wetenschappelijk kader waarbinnen hersenstoornissen eenduidig gecorreleerd blijken aan specifieke psychische nood. Psychose, depressie, bipolaire stoornis, borderline-syndroom, ADHD, autisme e.v.a. zijn (nog) niet te herleiden tot een anatomische grondslag, Men doet echter alsof dit wel het geval is en het meest groteske gevolg daarvan is dat 950.000 Nederlanders antidepressiva slikken. Dat krijg je ervan als er geen empirische wal is die het pillenschip keert. In mijn dagelijks werk heb ik veel te maken met psychiatrische patiënten. De ernstige ijver waarmee psychiaters hen volproppen met angstremmers, antipsychotica, antidepressiva en anti-epileptica, niet zelden in persoonlijk verzonnen combinaties, contrasteert pijnlijk met de vastbeslotenheid waarmee ze de langdurige ontmoeting met deze mensen uit de weg gaan. [84]

Maar de simpele constatering alleen al dat dezelfde kritische visie op de gezondheidszorg al twintig jaar lang te geven is, toont dat Keizer’s ideeën niet populair zijn.

Bert Keizer, Waar blijft de ziel?
148 pagina’s
Maand van de filosofie, 2012