Alles op de fiets ~ Rutger Kopland

Er moet een moment zijn geweest dat de wereld voor het eerst kennis maakte met het gedicht ‘Jonge sla’ van Rutger Kopland. En verrast was, over de ironie die toch geen ironie leek te zijn.

Ik ben daar niet bij geweest. Toen de ‘Jonge sla’ op mijn pad kwam, behoorde het al tot het gezonken cultuurgoed. Het vers kwam voor in een leerboek op school.

En weinig cultuur overleeft publicatie in een lesboek. Wat dit betreft begrijp ik de gretigheid ook niet waarmee zo veel mensen telkens in de weer zijn om canons op te stellen. Alles wat zij belangrijk achtten, maken ze voor schoolkinderen allereerst saai. En dat effect blijft vervolgens vele decennia hangen.

‘Jonge sla’ kan ik hoogstens nog waarderen, omdat er prachtige parodieën op te maken zijn [1].

Ik las Alles op de fiets, omdat ik wel bloemlezingen met het werk van Kopland heb gelezen, maar nooit een losse bundel. En als het goed is, biedt zo’n bundel meer, aan eenheid in toon. ‘Jonge sla’, waarvan ik niet wist dat het uit deze bundel stamde, is dan ineens omringd door andere gedichten, die ook naar iets lijken tasten, en daarbij telkens iets dubbels uitstralen.

Het bracht me niet nader tot Kopland’s oeuvre. Slechts die eerste regel, uit het gedicht dat de titel van de bundel verklaart, waarin weer een uitspraak wordt gedaan die zo kan worden ingetrokken, die regel zei wat. Voor een tel of twee. Maar de laatste regel van dat vers met al die schwa’s is dan weer puur lelijk.

scheiding

De drie mogelijkheden van het menselijk denken

Op de fiets gaat alles wel langzaam
maar toch nog behoorlijk hard.

Wie heel goed luister aan een stilstaand
horloge hoort een zacht tikken.

Waar blijft de tijd? Om daar over na
te denken hebben we het zwerk.

Rutger Kopland, Alles op de fiets
32 pagina’s
G.A. van Oorschot 1988, oorspronkelijk 1969
  1. click voor groter


    uit de stripreeks Dirkjan

    []


Eerst de waarheid, dan de schoonheid ~ André Klukhuhn & Toef Jaeger sam.

Geen moeizamer leesteksten dan lezingen. Het oor heeft nu eenmaal meer taal nodig voor een goed begrip dan het oog. Clichés die al luisterend niet eens herkend worden, omdat ze enkel glijmiddel zijn in het betoog, zien er op papier in druk al gauw ontluisterend onnozel uit.

Als een lezingenreeks dus ooit nog tot boekuitgave leidt, dan zou dat moeten als in Eerst de waarheid, dan de schoonheid gebeurd is. Deze bundel verscheen eerst in 2004, terwijl de opgenomen teksten gebaseerd zijn op voordrachten die al in 2000 werden uitgesproken.

Toen organiseerde Studium Generale Utrecht samen met de Stichting Literaire Activiteiten daar een reeks lezingen over de vraag: Wat is belangrijker, schoonheid of waarheid?

En waar ontmoeten die twee elkaar?

Opvallend is dan dat de filosoof Jaap van Heerden amper vijf bladzijden nodig heeft voor zijn betoog over ‘Verbeeldingskracht in literatuur en wetenschap’. Waar Herman Franke er bijna dertig gebruikt, om te schrijven over de relaties tussen criminologie en literatuur.

Opvallend veel Nederlandse criminologen van de vorige generaties waren namelijk ook literatoren. Arnold Aletrino, J.B. Charles, Andreas Burnier, Manuel Kneepkens, Peter Hoefnagels. En later ontbrak die vanzelfsprekendheid. Maar kwam dit dan omdat in hun tijd het eigen vak te kalm was, terwijl de misdaad daarna sterk is toegenomen?

Een groot nadeel van bundels als deze is wel dat ze eigenlijk alleen nut hebben om met nieuwe schrijvers of denkers kennis te maken. Want, hun teksten worden altijd sterker binnen de context van hun eigen boeken.

Vincent Icke deed nog zo veel meer met zijn fascinatie voor Christiaan Huygens. En zelfs samensteller André Klukhuhn heeft elders inhoudelijker geschreven over wat hij als verschillen ziet tussen ‘de twee culturen’. Van Heerden’s betoog staat beter in zijn eigen boek.

Dus gold persoonlijk simpelweg dat een boek dat ik uitkoos omdat er zo veel auteurs aan mee hadden gewerkt die ik waardeer juist daardoor wat tegenviel. Omdat ik hun werk al kende, was er te weinig nieuw. De bundel deed me wat denken aan zo’n overzicht dat in december wordt uitgezonden op TV, van alle rampen die in een jaar gebeurden, of wie er allemaal een sportwedstrijd won. De beleving mist dan altijd die er eerder wel was.

André Klukhuhn & Toef Jaeger sam.
Eerst de waarheid, dan de schoonheid
Beschouwingen over wetenschap en kunst

174 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 2004

Mechaniek van de ontroering ~ Rutger Kopland

Tweemaal beschrijft Kopland in deze essaybundel uitvoerig hoe een gedicht van hem tot stand kwam. En ik herinner me éen van deze die teksten, uit een krant of een tijdschrift. Waar ze in afleveringen toonden dat het maar een moeizame gang is, dat schrijven van die paar regels poëzie.

Aan zo’n essay in een boek ontbreekt dan ineens de dimensie tijd, die de publicatie van dezelfde woorden over de weken als feuilleton in een periodiek wel had. En dat maakt zo’n tekst dan ineens minder interessant. De worsteling is minder voelbaar.

Veel van het werk in de bundel Het mechaniek van de ontroering gaat zo’n beetje over dit, wat ik hierboven aanstipte. Er bestaat misschien wel iets dat maakt waarom de ene tekst ons wel raakt, en waardoor een andere onverschillig passeert.

Maar, simpel is het niet om deze criteria vast te stellen. Of het nu om eigen werk gaat, of om dat wat anderen te bieden hebben. Deze bundel bevat ook kritieken, die niet zelden tonen dat Kopland gauw eens zoekt naar wat collega’s dan niet altijd in huis hebben.

Kopland vergeet ook dat het vaak de omstandigheden buiten de tekst kunnen zijn die deze een lading geven. Tegelijk, hoeveel boeklogjes moest ik niet schreven, voor zoiets elementairs tot mij zou doordringen.

Bovendien geldt voor deze bundel dat ik zijn oeuvre niet goed genoeg ken, om te oordelen of hij uiteindelijk werkelijk het recept prijsgeeft achter zijn eigen poëzie.

Het blijft ook ingewikkeld, om in woorden iets vast te leggen dat een ander wat zegt.

scheiding

Ik lees weinig nieuwe gedichten, na één bladzijde heb ik het meestal wel gezien, ze blijven in de handel, misschien dat iemand anders er iets mee kan. Waarom? Er rijzen bij mij geen vragen. […] De meeste regels die ik lees zij mij of te eenvoudig, geven dus een antwoord op een vraag die wat mij betreft niet gesteld hoeft te worden, of ze zijn te raadselachtig, zoals een bladzijde wiskundige formules die mij ontmoedigt. Het scheppen van een conventie is geen scheppen, het scheppen van een individuele geheimtaal evenmin. Het moet ertussenin. […] Poëzie is dus exploratief, vragen opwerpend. Taal, waarin eigenzinnige mensen zich bezig houden, niet met het repliceren van geaccepteerde wereldbeelden, maar met vragen wat zij te vragen hebben. [ 102]

Rutger Kopland, Het mechaniek van de ontroering
223 pagina’s
Uitgeverij G.A. van Oorschot, 1995

Mens als speelgoed ~ R.H. van den Hoofdakker

Ook de hoogleraar psychiatrie Van den Hoofdakker belandde ooit als patiënt in zijn eigen kliniek. Net als zijn collega Piet Kuiper. Ik vond dat toeval groot genoeg om er toch even verder onderzoek naar te doen. Mede omdat Kuiper er eigenlijk niet over schreef hoe hij onder bekenden behandeld was als patiënt.

Serieel lezen, zoals boeklog deze week toont, biedt ook altijd wat extra’s. Naast de inhoud van het ene boek staat er dan wat dat andere boek vertelt. Soms vult dit elkaar heel mooi aan. Even zo vaak ook maakt de ene tekst duidelijk wat mist in de andere.

Van den Hoofdakker [1934 — 2012] — die beter bekend zal zijn onder zijn dichtersnaam Rutger Kopland — raakte in de war na een auto-ongeluk. Hij reed tegen een boom, nadat hij onwel werd; waarschijnlijk door een hartaanval. Blijvende schade van dit ongeval was dat zijn geheugen sterk verminderde, en dat hij snel vermoeid raakte. Het verblijf op de gesloten afdeling van het UMCG was tijdelijk, zo blijkt uit een interview [pdf]. [via] Maar hij was thuis simpelweg even niet te handhaven.

Hem kwelden als patiënt vooral onverklaarbare angsten ’s nachts — en waarschijnlijk ook een lichte depressie, naast zijn verwarring. En wat dit betreft, is het jammer dat zo’n interview niet ingaat op wat maakte dat Van den Hoofdakker uiteindelijk verlichting vond.

Want, in zijn werkzame leven had hij hierover ideeën volop. Zij het dat hij als hoogleraar biologische psychiatrie, met als specialisatie depressie, in het publiek vooral zijn best lijkt te hebben gedaan om modieuze tendensen te ontkrachten. Al was juist hij dan weer sterk voor herintroductie van de elektroshock als behandelmethode voor patiënten die niet op therapie reageerden.

De mens als speelgoed is een verzamelbundel met werk dat dateert uit verschillende decennia — wat komt omdat er ook opstellen uit oudere bundels in staan opgenomen. ‘Het bolwerk van de beterweters’ was zelfs ooit de titel van een heel boek. Verder bevat deze bundel het script van een documentaire.

In het meest recente stuk, ‘De mens als speelgoed’, richt hij zich vooral tegen de zegeningen die Prozac zouden brengen bij de behandeling van depressie. Daar werd volgens hem veel te kritiekloos over gedacht. Door patiënten zowel als doctoren. Menselijk gedrag gelijkstellen aan hoe moleculen in de hersenen zich gedragen, is een mens tot een speelgoedautootje maken waarvan de radertjes niet meer werken.

En de tijd heeft Van den Hoofdakker ondertussen gelijk gegeven. Prozac werd veel te snel voorgeschreven. Betwijfeld wordt inmiddels zelfs of het middel wel positief werkt bij depressie. Zeker is hoogstens dat geneesmiddelen van die aard stevige bijverschijnselen kunnen hebben, zoals diepe depressie — onder Prozac-slikkers kwam bovenmatig veel zelfmoord voor.

Maar ondertussen blijft het mechanische denken over zaken als gedrag, en daarmee ook afwijkend gedrag, onverminderd populair. Een hersensnijder als Dick Swaab scoorde onlangs nog een bestseller met de titel Wij zijn ons brein. En gelukkig zijn er ook nu weer tegenstemmen die kritisch opmerken dat het zo simpel allemaal niet is; zoals van een Bert Keizer.

Van den Hoofdakker weerde zich in de jaren zeventig al tegen de ergste uitwassen van de anti-psychiatrie, volgens De mens als speelgoed. En vrijwel steeds blijkt dat zijn weerleggingen erop neer komen dat de ander een te simpele blijde boodschap uitdraagt.

Onpopulairder standpunt kun je niet hebben. Als auteur al niet, laat staan als autoriteit.

Een succesvolle behandeling bestond voor Van den Hoofdakker én uit het geven van medicijnen, indien nodig, en het bieden van therapie. Alleen was hij er niet blind voor dat ook de omgeving voortdurend negatief op iemand kon inwerken, en ook dat effect zal hebben. En zonder dat dit zo uitgesproken werd, zit in zo’n constatering natuurlijk wel de machteloosheid van de ingehuurde geneesheer.

R.H. van den Hoofdakker, De mens als speelgoed
191 pagina’s
Bohn Stafleu Van Logchum, 1995