‘Alle cultuur is streven’

Eerder kwam op boeklog al de Huizinga-lezing van Rudy Kousbroek langs. Ook werd eens verwezen naar de voordracht die Karel van het Reve gaf. Dus lag het in de rede om te kijken of deze lezingen-cyclus meer spraakmakend materiaal had opgeleverd. En dan het liefst niet door van elk jaar apart het uitgaafje op te moeten speuren.

Deze bundel was wat dit betreft perfect. Het boek biedt een overzicht van wat de eerste vijftien sprekers brachten, vertelt iets over de achtergronden van de cyclus, en H.L. Wesseling geeft in zijn inleiding vaak ook al in bedekte termen een oordeel over het gebodene.

Sommige lezingen waren niet zo goed. Die van Mary McCarthy over de gothiek bijvoorbeeld.

Chomsky gaf de VS weer eens van alles de schuld, op een zo gechargeerde manier dat Europeanen er toch wat vreemd van opkeken.

En Mulisch, ach Mulisch kwam vanzelfsprekend de wereld uitleggen in het ene uurtje dat hem ter beschikking stond. Met alle kul over octaviteit die hem voor mij voor eeuwig hebben gediskwalificeerd als een serieus te nemen schrijver. Ik kan hem enkel nog lezen door in hem een charlatan te zien, die wil kijken tot hoe ver de wereld bedrogen kan worden.

Nu was Johan Huizinga een historicus. Wat er waarschijnlijk toe heeft bijgedragen dat nogal wat historici zijn uitgenodigd in de cyclus van dit boek. En hun lezingen zijn ook vaak het best houdbaar gebleken. Logischerwijs omdat een verhandeling over geschiedenis al gaat over iets dat verouderd is — daar krijgt de tijd veel minder extra greep op. In elk geval heb ik de historici met de meeste plezier gelezen. Zelfs al bracht alleen de verhandeling van Robert Darnton over sprookjes mij ertoe toch eens te kijken wat nog meer van hem te lezen is.

Sprookjes waren nogal wat ruwer, voor ze tot verhaaltjes voor kinderen bewerkt werden. Dat wist ik, in theorie. Maar zo veel ruwer?

‘Alle cultuur is streven’
De verzamelde Huizinga-lezingen 1972 – 1986

352 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 1987

Ad Zuiderent red.
100 beste gedichten van 2003

Zuiderent koos uit de 88 bundels die werden ingezonden voor de VSB Poëzieprijs 2003 de volgens hem honderd beste gedichten. En ziet, werkelijk niemand rijmt meer. Vele vrije versen hebben bovendien nog het meest van hakkelig proza weg.

Desalniettemin trof ook ik wel wat aardigs aan in deze bundel, al gaan die gedichten het anecdotische waarschijnlijk niet te boven. Maar goed, ik mag me waarschijnlijk niet eens poëzieliefhebber noemen, gezien mijn onverschilligheid voor vrijwel alles wat er uit een staalkaart als deze te kiezen is. Indruk maakten dan toch het gedicht ‘Harvey Kennedy’ van Huub Beurskens, twee homerische vergelijkingen van Louis Lehmann, en ‘Errata*’ van Rudy Kousbroek:

Voor ‘kussen’ lees: ‘kussens’,
Voor ‘vliegen’ lees: ‘liegen’,
Voor ‘van jou’ lees: ‘van niemand’,
Voor ‘nood’ lees: ‘wet’.

Voor ‘nu’ lees: ‘later’,
Voor ‘later’ lees: ‘nooit’,
Voor ‘weten’ lees: ‘vergeten’,
Voor ‘waarom’ lees: ‘daarom’.

Voor ’stenen’ lees: ‘brood’,
Voor ‘trouwen’ lees: ‘branden’,
Voor ‘jong’ lees: ‘oud’,
Voor ‘zwijgen’ lees: ‘goud’.

‘Twee’ moet zijn ‘een’,
En geen vraagteken meer achter ‘meer’.

* In de geest van Paul Muldoon

Ad Zuiderent ed., De 100 beste gedichten van 2003
158 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers © 2004


Rudy Kousbroek
Aaibaarheidsfactor

Veel in het boek Medereizigers kwam me nogal bekend voor. En hoewel duidelijk was dat Kousbroek aardig wat van zijn fotosyntheses gerecycled had, vroeg ik me toch af of er niet meer herkauwd werd.

Dat extatische verhaal over de kat van Céline bijvoorbeeld?

De meest voor de hand liggende vindplaats voor Kousbroek’s verhalen over poezen blijft De aaibaarheidsfactor. Een kleinood van een boek is dat, door het formaat, het fluwelige kaft, en de vele kindertekeningen van zijn dochter Hepzibah. Dus was het geen straf dit nogmaals te herlezen.

En die kat van Céline komt inderdaad voor in dit boek. Net als dat Kousbroek al in de jaren zestig dieren als ‘medereizigers’ aanduidde, op pagina 75 in deze bundel, met uitleg en al. Maar niets dat ruim veertig jaar later nog eens letterlijk overgenomen werd in dat nieuwe boek. Dat had trouwens ook niet gekund.

Als iets opvalt aan het lezen van twee Kousbroeken na elkaar, is dit dat hij tegenwoordig minder woorden nodig heeft. Of misschien ligt het niet aan hem, en is de hele cultuur veranderd; met vrij duidelijke wijzigingen in de manier waarop Nederlanders zich schriftelijk uitdrukken tot gevolg.

Willekeurig voorbeeld, de openingszin van ‘De ander zijn brood’ op pagina 64:

Van de manieren waarop wij de dingen zin geven in overeenkomst met het patroon van onze cultuur, is de manier waarop wij zin geven aan de relatie met de dieren een van de meest fundamentele.

Kousbroek schrijft aardig strakker tegenwoordig.

En verder, ach verder is dit een kleine Kousbroek. Waarvan het bestaan absoluut nut heeft als illustratie dat Kousbroek niet alleen hersens heeft, maar ook gevoel. Of dat alle getut met dieren in zijn meest recente boeken geen nieuw element in diens oeuvre is, maar er al lang een onvervreemdbaar deel van uitmaakt.

Rudy Kousbroek, De aaibaarheidsfactor
119 pagina’s
De Harmonie 1983, oorspronkelijk 1969

Rudy Kousbroek
Archeologie van de auto

Ik herinnerde me niet dit boekje eerder gelezen te hebben, maar dat was wel degelijk het geval. Het heeft er indertijd zelfs voor gezorgd dat ik Kousbroek als autoriteit ben gaan wantrouwen.

In het eerste hoofdstuk klaagt hij namelijk dat wij zo’n rare afkeer van zuiver geometrische vormen hebben. Waarom moeten al onze gebruiksartikelen toch vage ronde stroomlijn bezitten? Dit gaat in een adem met zijn beklag dat niemand verstand van technologie heeft, en dat stoorde mij toen.

Iedereen die weleens heeft nagedacht over hoe staal verwerkt moet worden, weet namelijk dat zo’n vage ronde stroomlijnvorm boven alles al bij een dunne plaat erg stevig is. Weinig materiaal gebruiken is goedkoop, en levert lichte producten op.

Enfin.

Had hij die basiskennis over staal wel gehad dan had Kousbroek ook wat leuker kunnen vertellen over waarom zijn Citroën HY van golfplaat was gemaakt. Bijvoorbeeld.

Dit is overigens geen onaardig boekje. Kousbroek mijmert wat over de relatie tussen vorm en functie. Klaagt zoals gewoonlijk dat auto’s vroeger meer karakter hadden. En verhaalt over een gouden tijdperkje even na de oorlog toen auto’s voor bijna niets werden weggegeven die tegenwoordig onbetaalbare klassiekers zijn geworden.

Wel is het wat dun.

Rudy Kousbroek, De archeologie van de auto
88 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff © 1989


Rudy Kousbroek
Archeologie van de auto | uitgebreide editie

Eerder klaagde ik wat over de dunte van Kousbroek’s boekje De archeologie van de auto uit ‘89. Daar is nu iets aan gebeurd. Er kwam een herziene en uitgebreide editie uit van het boek.

Die is alleen nog niet altijd niet bijzonder dik.

En de meest indrukwekkende uitbreiding van deze versie, over de nuttige schoonheid van de deux-chevaux, kende ik al uit een ander boek van Kousbroek. Dat essaytje staat ook in Verborgen verwantschappen.

Derhalve, wie de versie van dit boek uit 1989 al bezit, en Verborgen verwantschappen heeft, kan deze nieuwe uitgave rustig negeren.

Ik wou dat iemand mij daarvoor gewaarschuwd had.

Rudy Kousbroek, De archeologie van de auto
135 pagina’s
Uitgeverij Augustus, 2006
uitgebreide en herziene uitgave

Rudy Kousbroek
Avondrood der magiërs

Kousbroek schrijft altijd over cultuur en subcultuurtjes, maar op het moment doet hij dat slimmer dan in dit boek. Tegenwoordig blikt hij terug om aan de hand van het verleden aan te tonen wat er mist in het heden. In dit boek reageert hij direct op wat speelde in 1967 en -68, en dat maakt het nu op plaatsen volkomen onbegrijpelijk. Want, het is enorm gedateerd.

Wat een gedoe om LSD de hele tijd.

Neemt niet weg dat de kern van veel stukken nog altijd geldig is. Mensen hebben liever een magisch wereldbeeld dan zich te moeten verdiepen in wetenschappelijke verklaringen. Dat is van alle tijden. Pas sinds de Franse Revolutie wordt God door wetenschappers als verklaring geweerd.

Nee, dit is nu typisch een boek dat eens in de tien jaar bijgewerkt zou moeten worden, om de onzin van dat moment te tonen.

Maar voor een oorspronkelijk schrijver is zoiets vast een corvee om te doen.

Rudy Kousbroek, Het avondrood der magiërs
159 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff © 1970


Rudy Kousbroek
Ethologie en cultuurfilosofie

Het gaat niet aan om de bioloog Dick Hillenius alleen maar te bejubelen op boeklog, zoals ik eerder dit jaar deed. Er is goede kritiek op hem mogelijk. Harde verwijten kwamen bijvoorbeeld van Rudy Kousbroek, in diens Huizinga-lezing uit 1972.

Zo vond Kousbroek onder meer dat Hillenius iets te makkelijk de ideeën van omstreden denkers als Lorenz volgde. Hillenius’ uitleg van de ethologie maakt de mens te veel tot dier, terwijl de cultuur nu juist zo veel invloed heeft op diens gedrag.

Kousbroek vond de ethologie zo vaak alleen gebruiken wat wel goed uitkwam voor het betoog:

Er is kortom analogie tussen de gedragingen van sommige diersoorten en sommige mensen of groepen mensen, bij sommige gelegenheden. Ons aandoenlijke begroetingsritueel, de kus, vertoont met het van mond tot mond voeden, dat ook bij bepaalde diersoorten het karakter heeft van een begroetingsritueel, een overeenkomst die niet toevallig kan zijn. Maar is het daarom ook een instincthandeling, erfelijk en onuitroeibaar? Bepaalde volken kennen de kus niet, en van sommige is bekend dat zij deze begroeting in een recent verleden van andere culturen hebben overgenomen. Het zijn kortom niet alleen de overeenkomsten die moeten worden verklaard, maar ook de verschillen. En dat doen de ethologen niet. [15]

Kortom, Kousbroek doet in de lezing weinig anders dan betoog houden over nature/nurture. En, hoewel zijn tegenwerpingen tegen een al te biologische manier van kijken duidelijk zijn, blijft hij daarin toch op een wat abstract academisch niveau hangen bij menselijk gedrag. Terwijl daar de antwoorden niet te vinden zijn, volgens mij.

Daar komt bij dat ik de vraag niet zo interessant vind wat allemaal tot de natuur van de mens zou horen, en wat tot diens cultuur. Het ene vult het andere aan, afhankelijk van sommige omstandigheden. Het éen bestaat nauwelijks zonder het ander. Punt. Mijn boeklogjes over titels van Ridley en Jones geven ook aan dat ik me veel meer interesseer voor de gevolgen van de vraag, dan voor het eigenlijke probleem.

Om maar een voorbeeld te noemen: hoe strafbaar is iemand na openlijke geweldpleging, als deze tijdens zijn opvoeding verwaarloosd is? En hoe strafbaar is dan iemand die door zijn genenpakket voorbestemd is tot aanvallen van redeloos blinde woede? Moet de rechtspraak verschil maken tussen beide soorten daders? En het onderwijssysteem dan?

Of, wanneer gaan we meten welke genen iemand bezit, en welke erfelijke eigenschappen worden dan kwalijk genoeg bevonden, voor een abortus bijvoorbeeld?

Rudy Kousbroek, Ethologie en cultuurfilosofie
55 pagina’s
Uitgeverij De Harmonie, 1973

Raymond Queneau
Exercises de style


De stijloefeningen van Raymond Queneau leveren geen echt leesboek op, maar eerder een leerboek.

Queneau vertelde in Exercises de style 99 maal vrijwel hetzelfde verhaaltje, dat op zich niet zo veel voorstelt. Een naamloze verteller ziet een jonge man met een lange nek in de bus — in de vertaling een gemeentetram — en komt deze een paar uur later opnieuw tegen op straat verderop in Parijs, als die in gesprek is. Maar dit gegeven is op nogal wat radicaal verschillende manieren uitgewerkt; waarbij de inhoud ook weleens licht wil wijzigen.

Daarbij zijn sommige stijloefeningen puur literair; die tonen hoe een schrijver zo’n scène zou kunnen uitwerken.

Andere oefeningen bewijzen op zijn best een principe. Dat is in het Franse origineel niet anders dan in de vertaling. Zo is het mogelijk alle zelfstandige naamwoorden in de tekst te vervangen door eentje dat er in het woordenboek op een paar plaatsen naast prijkt. En ja, die twee scènes zijn ook in éen telegramtekst te stoppen. Dat zegt me allemaal niet veel. Nu goed, ik herken bepaalde principes, zoals die ook in de Opperlandse taal- en letterkunde werden toegepast. Of hoe heette die verwante beweging ook weer waar Queneau toe behoorde.

Oulipo

Knap vind ik vooral de oefeningen die de grote taalbeheersing van Queneau laten zien. Of in het geval van het origineel, de exercities die me onbarmhartig inwrijven wordt hoe slecht mijn kennis van het Frans is. De teksten in kindertaal, en dieventaal, en al die andere manieren van uitdrukken. De teksten vol italicismen, waar Kousbroek in vertaling dan maar germanismen van heeft gemaakt.

Moeilijker te vertalen dan een dichtbundel, noemde Kousbroek dit boek in zijn inleiding. Leuker toch wel om te vertalen dan de doorsnee poëzie, zo lijkt me.

Raymond Queneau, Exercises de style
158 pagina’s
Gallimard, zonder jaar, oorspronkelijk 1947
 
Raymond Queneau, Stijloefeningen
Inleiding en vertaling Rudy Kousbroek

148 pagina’s
De Bezige Bij 1992, oorspronkelijk 1978

Rudy Kousbroek
Hoger Honing

Kousbroek polemisch tegen religie. Omdat de meeste van deze anathema’s al in NRC-Handelsblad hadden gestaan, heb ik indertijd nooit naar de verzameling in het boek getaald. In de krant las ik ze ook maar half.

Daar zijn ook wel redenen voor. Rudy Kousbroek kan nog zo zijn best doen religie belachelijk te maken, mij als ongelovige hond raakt dat toch geen moment. Bovendien maak ik een groot verschil tussen iemand’s persoonlijke geloofsbeleving, en de geïnstitutionaliseerde vormen van religie. Omdat het bij de georganiseerde vorm van geloof nooit zo zeer om de God[en] alleen gaat, maar juist ook om macht en alle indoctrinatie die tot de controlemechanismen van die macht behoren. Ik vertrouw de schrijver dan ook niet zodra hij zich afvraagt hoe het toch komt dat godsdiensten het hogere zo graag eerbiedigen door bij aardse problemen van het slechtste van de mens uit te gaan. Zo naïef kan Kousbroek toch niet zijn?

Rudy Kousbroek beschrijft in éen van zijn boeken hoe hij als twaalfjarige in een angstig doorwaakte nacht zijn geloof in God is kwijtgeraakt. Hij heeft dus ooit wel geloofd, wat betekent dat hij uiteindelijk nu toch met de felheid van een bekeerling anderen de dwalingen hunner wegen probeert te laten inzien:

Een beetje geloven bestaat niet.

Anderen melden hem dan dat de meeste katholieken weinig anders doen dan een beetje geloven; sterker nog, dat de meeste gelovigen waarschijnlijk weinig meer doen dan een beetje geloven. Maar voor Kousbroek maakt dat niet uit. Een beetje corrupt is ook al corrupt. Waar de rot eenmaal inzit, is alle bederf al aanwezig. Boem, paukenslag.

Enfin, merkwaardig dan toch hoe een goed geschreven boek, met vele ware opmerkingen, me vrijwel geheel onverschillig laat.

Rudy Kousbroek, Hoger honing
112 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff, 1997


Rudy Kousbroek
In de tijdmachine door Japan

Was de TV-serie beter dan het boek? Die vraag heb ik nog niet vaak hoeven stellen op dit boeklog. En gelukkig ook maar.

Toch dwingt dit boek van Rudy Kousbroek me wel om een paar woorden te wijden aan het verschil tussen taal en bewegend beeld. Want, ik denk dat een geschreven verslag van een reis door een vreemd land moeilijk kan concurreren met een paar uur daarover aan dromerige TV. Al was het maar omdat taal wel te kleuren is met wat onbekende woorden, maar tegelijk ook begrijpelijk moet blijven. Terwijl bewegende beelden van een vreemde cultuur zonder moeite overtuigen dat er ook iets heel anders kan bestaan, ergens ver weg, waar de kijker toch even bij is.

En al staan er tal van illustraties in dit boek, die missen toch éen dimensie. Maar ook weer alleen als het andere gezien is.

Kousbroek kwam in 1972 al eens naar Japan. Doel daarvan was toen om de tocht na te reizen die leden van de Nederlandse handelskolonie in Deshima eens in de zoveel tijd maakten naar de hoofdstad Edo. Een Hofreis van vele weken.

Het boek over zijn reis toen, of die van de kooplieden, kwam er niet. Delen van wat Kousbroek schreef staan wel in dit werk. Dat geeft hem niet alleen gelegenheid over de Nederlanders van toen te schrijven, maar ook vergelijkingen te trekken tussen ’72 en ’99. Toen deed hij namelijk de Hofreis over, maar dan voor een documentaire van filmer Hans Keller. Anders was dit verhaal nooit geschreven.

Toch is dit boek meer een geschiedenisboek dan iets anders. Waarbij Kousbroek tegelijk historiografie bedrijft door interpretaties naast elkaar te zetten. Al komt de opmerking me iets te vaak terug dat Deshima ten tijde van Napoleon de enige plek was waar de Nederlandse driekleur nog aan de vlaggenmast klapperde.

Maar was het boek minder dan de documentaire? Volgens mij kleurt toch ook nogal erg wat je het eerst onder ogen kwam. Veel van het bijzondere wordt dan al verwerkt.

De TV-uitzendingen zag ik dus jaren voor ik dit boek las. Maar ik herinner me daar ook vaag opmerkingen uit, die in het boek niet terugkwamen.

Rudy Kousbroek, In de tijdmachine door Japan
De Hofreis van het jaar 2000

200 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff, 2000


Rudy Kousbroek
Kuil om snikkend in te vallen

Welk een mooi vormgegeven klein boekje is dit. Alleen daarom al roept het de vraag op waarom tegenwoordig bijna alles hetzelfde formaat heeft als iedereen gebruikt. Door de digitalisering van de uitgeverij moet het immers makkelijker zijn dan ooit eens iets anders te maken? Boeken hoeven toch geen eenheidsworsten te zijn?

Ik merk namelijk dat de vormgeving duidelijk bijdraagt aan mijn appreciatie. Ondanks dat de pagina’s klein zijn, staat er veel op. En waar het op een groot formaat misschien gestoord had dat het boek amper 120 bladzijden heeft, telt dat nu absoluut niet.

Ook over de inhoud zijn er geen klachten. Kousbroek’s thema’s zijn me inmiddels vertrouwd. Daarvoor lees ik hem nu lang genoeg. Wel dringt zich de observatie op dat elk van zijn boek inmiddels leest alsof ik het al eens eerder las. Zelfs al is dat niet het geval, zoals nu.

Tegelijkertijd verrast hij toch ook altijd weer, bij elke herlezing. En dat is geen onprettige constatering.

Rudy Kousbroek, Een kuil om snikkend in te vallen
119 pagina’s
Thomas Rap uitgevers © 1971


Harm Visser
Leven zonder God

De meeste van de mannen in deze interviewbundel schrijven zelf. De grote vraag voor mij was daarom: bieden de gesprekken nog iets extra’s? Zijn deze schrijvers al pratend tegen een ander niet heel veel minder dan in alleenspraak met het papier?

Dat viel erg mee. Visser kreeg er als interviewer genoeg uit.

Natuurlijk kan dit soms ook wel. In dialoog worden mensen soms gedwongen zich duidelijker uit te spreken dan ze in alleenspraak met het papier hadden gedaan.

Een voordeel was ook dat er een duidelijk gespreksthema is. De religie. Want ook al heet dit boek Leven zonder God, het gaat natuurlijk toch over religie; hoe zeer de geïnterviewden dat geloven dan ook een dwaalweg vinden.

Volgens Visser vertolken ze daarmee een minderheidsstandpunt. Dat ook zijn grote sympathie heeft.

Vraag ik me toch af voor wie dit boek bedoeld is. Goed, het is geen voorwaarde om te geloven om voor eigen parochie te kunnen preken. Het zijn wel boeiende gesprekken. Merkwaardig genoeg, vooral boeiend als ze niet rechtstreeks over religie gaan. Deze uitspraak van Matthijs van Boxsel bijvoorbeeld zette me even tot nadenken aan:

Veranderingen voltrekken zich bovendien traag, wat te maken zal hebben met het feit dat ieder mens van nature geneigd is zich tegen veranderingen te verzetten. Zo heeft onderzoek uitgewezen dat er een positieve correlatie bestaat tussen intelligentie, gemeten via de standaard IQ-test, en het vermogen een standpunt te verdedigen. Tussen intelligentie en het vermogen alternatieven onder ogen te zien, bestaat daarentegen een negatieve correlatie. Alsof we een ingebouwd filter hebben tegen overdonderende nieuwsgierigheid. Daardoor zoeken we bij voorkeur naar bevestigingen van een hypothese. [171]

Harm Visser, Leven zonder God
Elf interviews over ongeloof

192 pagina’s
Uitgeverij L.J. Veen, 2003


Rudy Kousbroek en Peter Vos
Lieve kinderen hoor mijn lied

Eind jaren tachtig publiceerde Rudy Kousbroek regelmatig gedichten over dieren op de kinderpagina van NRC-Handelsblad. Daarvan zijn de beste gebundeld in dit boek. Dat een prijs won. Maar dit was voor de illustraties van Peter Vos.

Nu gaan de gedichten niet echt over dieren. Ze zijn nu eenmaal voor kinderen bedoeld. En die worden traditioneel met antropomorfe misbakseltjes opgevoed; van die leuke knuffelige beestjes met typisch menselijke hebbelijkheden.

Vreselijk boeiend is dat allemaal niet meer, op zekere leeftijd gekomen.

Dus, hoe las ik dit boek? Ik keek op metaniveau naar de gedichten. Bij welke voorbeelden was Kousbroek uit winkelen geweest? En was hij van plan geweest Jules Renard’s Natuurlijke historietjes in kwaliteit te evenaren?

Nou nee.

Ik vond het haast merkwaardig dat deze kinderpoëzie het tot een uitgave heeft gebracht. De gedichten lijken me vaak gelegenheidsversjes. Waarvan het plezier van de vondsten, dat er op het moment zelf vast geweest zal zijn, toch moeilijk houdbaar is gebleken. En dat kwam nog niet eens alleen door het rijm, en alle dwang die daarbij hoort. Kousbroek gebruikt nogal eens antieke zinsconstructies — zoals ’schoon’ voor het toch al bedenkelijke ‘ofschoon’ — waarvan ik dacht dat die met Hieronymus van Alphen [1746 – 1803] waren uitgestorven.

Rudy Kousbroek en Peter Vos, Lieve kinderen hoor mijn lied
64 pagina’s
De Harmonie, 1990

Rudy Kousbroek
Logologische ruimte

Dit boek is me eerder altijd ontgaan, terwijl Kousbroek ooit toch een held was. Desalniettemin kende ik gedeelten al, omdat die ook elders verschenen. Zo staan al Kousbroek’s bijdragen aan de oerversie van de Opperlandse taal en letterkunde ook in dit boek. Want, het gaat grotendeels over spelen met taal.

Een vraag die regelmatig terugkomt op dit boeklog is of losse stukken winnen bij bundeling, of helemaal niet. Ook de opstellen in De logologische ruimte verschenen eerder ergens in couranten. En daar zullen ze de ernst van de andere artikelen waarschijnlijk prettig doorbroken hebben. Ik kan dat slecht inschatten. Niemand schrijft tegenwoordig nog zulke stukken.

Door alle werk van Hugo Brandt Corstius, Gerrit Komrij, Rudy Kousbroek lijkt het me ook vrijwel onmogelijk zelf nog wat met het Nederlands te spelen en daarbij origineel te zijn.

Ik las grote delen van dit boek met nostalgie; in het idee dat ik de inhoud twintig jaar geleden aanmerkelijk leuker had gevonden. Toen het Opperlands nog werkelijk voor me leefde, en niet begraven was in dat veel te dikke naslagwerk van een paar jaar geleden. Maar die nostalgie voelde wel goed trouwens.

Ik begrijp onmiddellijk wat Kousbroek bedoelt als hij op de humoristische kwaliteit van een zin wijst als: ‘A man, a plan, a canal: Suez!’ [De beroemde Engelstalige palindroomzin eindigt met Panama]. Hij vond in mij een goede verstaander. Dat was niet onprettig.

Maar meest houdbaar voor mij bleken toch zijn eigen recensies in dit boek, al waren veel titels me ook al bekend. Zo ben ik het met Kousbroek eens dat het Oera Linda Bok tegenvalt bij het lezen; dat het veel leuker is te fantaseren over wat er allemaal geschreven had kunnen worden over de Friezen die ooit goden waren.

Rudy Kousbroek, De logologische ruimte
Opstellen over taal

181 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff © 1984


Willem Frederik Hermans  Rudy Kousbroek  Ethel Portnoy
Machines en emoties

Er bestaan boeken waarvoor ik blijkbaar de ideale lezer ben. Waarbij alles in mijn leesgeschiedenis ineens een voorbereiding lijkt op het moment dat de eerste bladzijde wordt opgeslagen. Omdat daarna zo veel herkenning volgt.

Rudy Kousbroek en Willem Frederik Hermans hebben mij dan ook mede gevormd, door hun werk. Ethel Portnoy voegde daar wat later nog aan toe. De briefwisseling die zij gedrieën hadden — tussen 1955 en 1971 — die werd vastgelegd in Machines en emoties, zei mij veel. Wat toch vrij uitzonderlijk is voor een verzameling brieven.

Tegelijk kan ik me goed voorstellen dat de op papier gevoerde conversaties een ander zullen tegenvallen. Die gaan toch wel vaak over buiten-literaire zaken, afgezien van passages over Wittgenstein en Céline. Hun gemeenschappelijke belangstelling lag ook bij stereofotografie, of auto’s, en andere mechanische technologie; zoals typmachines en stoommachines. Waarvoor ik toevallig ook interesse heb.

Dit brievenboek leverde wel de teleurstellende kennis op dat Hermans en Kousbroek samen een tijd aan een boek over werktuigen hebben gewerkt — werktitel Machines in bikini’s – maar dit er nooit gekomen is.

Zoals bij Kousbroek wel vaker projecten tot niets leiden; of pas na lange tijd iets opleveren, via een omweg.

Tegelijk geldt ook: wie het in een privé-conversatie over zijn plannen heeft, kan daar toch moeilijk publiek op afgerekend worden.

Hermans dan weer raakte altijd met mensen gebrouilleerd; zelfs als het vrienden waren. In dit geval brak hij bruut met Kousbroek, omdat deze in de Weinreb-affaire niet onvoorwaardelijk zijn kant koos, maar de kerk in het midden hield. Volgens Kousbroek was dit, zoals hij toelichtte in een interview achterin, vooral uit medeleven met Renate Rubinstein en haar door de Duitsers weggevoerde vader.

Mooi aan de verzameling brieven is dat er een oprechte vriendschap uit spreekt, toen de vriendschap er was — dat verwante geesten elkaar even vonden.

Opvallend aan de collectie is verder dat Kousbroek en Portnoy nog in Parijs woonden, en Hermans in Groningen. Terwijl in de periode aan het eind van dit boek Hermans naar Frankrijk trok, en de familie Kousbroek inmiddels naar Den Haag was verhuisd.

Wat mij het meest beviel aan het boek, was het onverwachte extraatje dat ik Ethel Portnoy eindelijk eens ongefilterd in eigen woorden lezen kon. Want, dat is zo merkwaardig aan haar werk. Ze schreef dat in het Engels, liet dit normaal altijd vertalen, meestal door naasten, waardoor ik haar alleen in het Nederlands kende.

Portnoy bleek ook de meest humoristische schrijver dan de drie te zijn — en humor is voor mij toch een basisingrediënt van een goede brief. Van haar woorden heb ik in verhouding de meeste aantekeningen gemaakt — waarbij vooral haar karakterisering van de vertaalpraktijk naar het Engels me interesseerde; dat de merkwaardig kunstmatige toon die literaire meesterwerken krijgen na te zijn overgezet, meehelpt aan het idee bij Amerikanen dat ze iets groots aan het lezen zijn.

Hermans was ook goed voor een uitspraak of drie om nog eens over na te denken. Kousbroek bleek niets van dien aard te hebben geschreven. Misschien komt dat omdat Kousbroek pas nadien voor mij zijn beste boeken heeft geschreven, terwijl de periode van de briefwisseling samenvalt met Hermans’ beste tijd als schrijver. Misschien ligt dit ergens anders aan.

scheiding

Ik lees W[ittgenstein] misschien te veel zoals anderen Heidegger lezen, d.w.z. litterair. Voor mij staat niet de vraag voorop: wat heeft W. bedoeld — maar in hoeverre past het in wat ik zelf denk.

Willem Frederik Hermans, 27 juni 1965
scheiding

Filosofische problemen zijn nutteloos, verwarrend, neerdrukkend en bloeduitzuigend voor wie niet van plan is zelf een filosoof te zijn, door zijn voorgangers te verkrachten of te vermoorden.

Ibidem
scheiding

Ik heb waarschijnlijk nooit de overtuiging verloren dat schrijven niets is, een vorm van parasitisme, al maak ik veel kabaal over de techniek van het schrijven, vakmanschap en zo. De meest creatieve kunsten zijn wiskunde, muziek en architectuur, dàt is werkelijk scheppen uit het niets.

Willem Frederik Hermans, 14 december 1965
scheiding

It would have been nice to hear your voice on the phone, but on the other hand telephone conversations are so full of banalities that they could be cancelled altogether, or else reduced to their function which is the making of friendly noises, ahhh, mmm, prr etc.

Ethel Portnoy, 28 oktober 1966
scheiding
Willem Frederik Hermans  Rudy Kousbroek  Ethel Portnoy
Machines en emoties
Een briefwisseling

bezorgd door Willem Otterspeer
414 pagina’s
De Bezige Bij, 2009

Magistrale vernuft

Wat maakt de ene verzameling herinneringen zo veel meer de moeite waard dan de andere? De bijdragen aan dit boek zijn geschreven voor Rudy Kousbroek, bij zijn vijfenzestigste verjaardag. Dat alleen al blijkt dwingend genoeg te zijn om ze een aangename consistente toon en te geven, hoe verschillend de herinneringen ook mogen zijn.

Aardig is vooral de bijdrage van Marja Roscam Abbing, die mijmert wat jeugdherinneringen van anderen nu precies de moeite waard maakt. Algemene gebeurtenissen terug kunnen halen, is eigenlijk veel mooier dan speciale, stelt ze daarbij. En herinneringen met een duidelijke clou zijn vervalsingen van de werkelijkheid.
Het gaat ook niet om het verhaaltje. Veel belangrijker is het proces, de emoties die bij de verteller opwellen bij het ophalen van de herinneringen.

En ook zijn er herinneringen die verder niemand hoeft te kennen. Ze slijten in het gebruik, ze worden minder waar door ze aan anderen te vertellen.

Desalniettemin.

Zie over dit thema trouwens ook mijn eigen herinneringen uit de tijd van voor ik kon schrijven

Het magistrale vernuft
Jeugdherinneringen voor Rudy Kousbroek

180 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff © 1994


Rudy Kousbroek
Medereizigers

Ik kocht dit boek in een boekwinkel. En dat is inmiddels opmerkelijk genoeg om aangetekend te worden. Boekhandels hebben namelijk veel van hetzelfde, en zelden precies wat ik zoek. Internet kent dat probleem niet. Maar de handel online komt met het bezwaar dat de boeken meestel niet zijn in te kijken. En van wat ik in recensies al over deze nieuwe Kousbroek had gelezen, leek me dat er nogal wat oude Kousbroek in stond.

Dit was niet helemaal waar, zo zag ik al bij het doorbladeren in de winkel. Er worden weliswaar enige fotosyntheses gerecycled, maar driekwart van het boek is nieuw. Of beter: nieuw, en tegelijk nogal vertrouwd. Kousbroek schreef natuurlijk altijd al over de dieren in zijn leven. En breder ook, over het dier in het algemeen.

Door al die vertrouwdheid bracht deze bundel essays niet bijzonder veel nieuws. Behalve dan dat ik geïntrigeerd werd door de spijt waarmee Kousbroek terugkeek op zijn Huizinga-lezing uit 1972. Hij had ethologen als Hillenius nooit zo hard aangevallen als die Lorenz niet zo hadden vereerd. En Konrad Lorenz was voor Kousbroek toen zo’n ontstellende Nazi, dat iedereen die waarde zag in diens ideeën alleen daardoor al medeschuldig werd.

Kousbroek werd dus in sommige opzichten milder, terwijl hij tegelijk nog altijd wel spijkerhard blijft voor iedereen die niets in het bijzonder met dieren heeft. Zulke mensen deugen niet, en kunnen ook niet deugen.

Dat fanatisme verbaast me. Ik vind het zelfs op een verkeerde manier doctrinair. Het is alsof Kousbroek de lezer meedeelt: pas wie is zoals ik die kan deugen.

Alsof de dierenliefde van de fanatieke veganist, of anders wel de zelfbenoemde dierenbevrijders, niet uit een ontstellend eng wereldbeeld voortkomen.

Interessantst aan dit boek waren uiteindelijk toch Kousbroek’s essays die op zijn best indirect over dieren gingen, en veel meer over hun afbeelding in de cultuur. Zo maakte hij me onbarmhartig duidelijk dat ik Natuurlijke historietjes/Histoires naturelles van Jules Renard altijd veel te onzorgvuldig heb gelezen.

Hij noemt het zelfs een boek om Frans voor te leren.

Rudy Kousbroek, Medereizigers
Over de liefde tussen mensen en dieren

191 pagina’s
Augustus, 2009

Rudy Kousbroek
Meer der herinnering

Kousbroek’s fascinatie voor de werking van het geheugen werd al eens eerder aangestipt op dit boeklog, bij de bespreking van het liber amicorum Het magistrale vernuft. In de inmiddels klassieke bundel Het Meer der herinnering zijn acht van de vierentwintig essays gewijd aan het onthouden.

Maar wat daarover te zeggen?

Het is lang niet de eerste keer dat ik dit boek las. Kousbroek’s gebundelde vervloekingen [anathema's] zijn een onderdeel van mijn geestelijke vorming geweest. Maar ik merk nu dat ik hem niet eeuwig zal kunnen herlezen. Zijn werk heeft me veel gegeven, maar ik ben verder nu.

De essays brengen tal van interessante observaties, over cultuur. Maar daar houdt het ook mee op. Het zijn weliswaar scherpe diagnoses, als er al een geneeswijze voor de gesignaleerde kwaal geopperd wordt, is die soms merkwaardig naïef. Ben ik toch al te veel historicus geworden om dat niet op te merken.

Lees ik Kousbroek misschien wel vooral nog om zijn eloquente gemopper, eigenaardig genoeg. Niet om wat ik uit zijn betogen eventueel vergeten ben inmiddels.

Rudy Kousbroek, Het meer der herinnering
Anathema’s 5

174 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff, 1984


Rudy Kousbroek
Nederland: een bewoond gordijn

Merkwaardig dat ik, zonder daarop uit te zijn, ineens zo veel over het leven van Rudy Kousbroek meekreeg binnen een paar dagen. Dit boek gaat voor een deel over hoe ons land binnenkwam, voor het eerst in het vaderland na de Tweede Oorlog. En het deed bij mij de vraag rijzen of de teleurstelling van toen, dat het daar niet zo was als hem altijd verteld, in de rest van zijn boeken is blijven doorklinken.

In elk geval zat Kousbroek een paar jaar later al in Parijs, om daar al snel met Ethel Portnoy te trouwen.

Dit is een boekenweekgeschenk dat ik blijkbaar indertijd gemist heb. Het heeft met alle boekenweekgeschenken gemeen dat het maar een mager beeld geeft van wat de schrijver eigenlijk kan.

Onderhavig boek is niet veel meer dan wat jeugdherinneringen, en een lange prijzende recensie van Rentes de Carvalho’s boek over Nederland Waar die andere God woont. Enfin.

Rudy Kousbroek, Nederland: een bewoond gordijn
62 pagina’s
Stichting CPNB © 1987

Rudy Kousbroek
Onmogelijke liefde

Ik herinnerde me De onmogelijke liefde als een redelijk geslaagde voorganger van de fotosyntheses. Goed er aan was dat de vele foto’s op glanspapier zijn afgedrukt, zodat ook de kleine details opvallen. Maar aan die voortreffelijkheid werd dan weer afgedaan doordat ook de tekst van de essays op dat glimmende papier stond, en dit het lezen bemoeilijkte.

Mijn herinnering klopte alleen niet helemaal, in de zin dat Kousbroek slechts in het eerste gedeelte rechtstreeks schrijft over wat hij ziet op de foto’s in het boek.

Dat gedeelte wordt bovendien gevolgd door een reeks inleidingen die hij schreef voor fotoboeken van anderen. En hoe helder die stukken soms ook mogen zijn, Kousbroek beschrijft daarin weleens foto’s die dan weer niet in dit boek staan afgebeeld, wat me lichtelijk irriteerde.

Verder bevat De onmogelijke liefde een aantal stukken over pornografie. Die getuigen vooral van Kousbroek’s spijt dat de porno, gezien het zo illegale verleden, alleen gemaakt wordt door oplichters, snelle jongens, en ander kunstarm volk, waardoor vrijwel niets in het aanbod enige kwaliteit heeft. Tegelijk moest hij ook ingaan op het merkwaardige idee van feministen dat het bestaan van porno meteen maar alle vrouwen tot slaaf zou maken.

Ook staat er een stuk in tegen de mode, en het slavengedrag van de volgers, waarover ik al eens schreef Kousbroek blinde afkeer niet zo goed te begrijpen.

Maar het meest valt toch weer de dierenliefde op. In sentimentaliteit doet dit boek niet onder voor het dit jaar verschenen Medereizigers.

Kousbroek ging zelfs een polemiek aan met de bioloog Midas Dekkers, die volgens hem nooit een dier geaaid kon hebben.

Zo is het nooit goed of het deugt niet. Overal legt hij nog een schepje bovenop. Als een dier een strik om krijgt is dat nog niet erg genoeg, het wordt dan ‘een fleurig strikje om een half dichtgeknepen strot’. Mensen die hun liefde op dieren botvieren (vaak nog de vereenzaamde kneusjes van onze samenleving) worden mensen die dieren ‘op indecente en naar sodomie neigende wijze opvrijen’. [28]

Zo’n stuk is vijfentwintig jaar na dato vreemd om te lezen. Blijkbaar was er een tijd dat zelfs belezen mensen niet wisten dat Dekkers de hyperbool met graagte hanteert. Blijkbaar begreep Kousbroek niet het ook mogelijk is om bepaalde praktijken op geheel andere manier te vervloeken dan hijzelf gewoon was.

Rudy Kousbroek, De onmogelijke liefde
Anathema’s 7

171 pagina’s
Meulenhoff, 1988

Rudy Kousbroek
Oostindisch kampsyndroom

Dit was de enige bundel van Rudy Kousbroek die ik niet eerder gelezen had. Mijn vooroordelen waren te groot. Niet dat ik Kousbroek wantrouwde. Maar Het Oostindisch kampsyndroom leek me een boek vol polemiek. En het is heel moeilijk om geïnteresseerd te blijven in een pennenstrijd over een onderwerp dat me niet raakt.

Het glorierijke koloniale verleden van het vaderland zegt me niets.

Hoogstens is het psychologisch interessant wat er met al de Indische Nederlanders gebeurde toen ze in het moederland kwamen na de oorlog. Waar ze in een samenleving belandden die zich niet interesseerde voor hun problemen.

Daarmee werd het verblijf in een Jappenkamp voor sommigen ineens een emotioneel kapitaal, waarmee anderen te overbieden waren. Het slachtofferschap ontheft iemand bovendien van allerlei verantwoordelijkheden. Helemaal als het slachtoffer meent op van alles recht te hebben. En opvallend is dan dat iemand als Kousbroek, die telkens zo actief tegengas bood tegen deze trend, daarmee de vervelende querulant werd genoemd.

Maar dit wist ik al, daar hoefde ik niet per se meer van te weten. En daarmee werd het lezen van de tweede helft van dit boek inderdaad iets van een corvee.

Waar ik meer van hoopte te zien, was iets van Kousbroek’s heimwee naar Nederlands Indië; nog weer een beschrijving over zijn verdrijving uit het paradijs. En dat element zat er wel in, maar is in andere boeken prettiger aanwezig. In het brievenboek Verloren goeling bijvoorbeeld. Of in Terug naar Negri Pan Erkoms.

Ik houd nu alleen aan dit boek over hoe zeer Kousbroek bewondering toont voor Studs Terkel’s interviewbundel The Good War. Waarover toch ook op te merken is, dat dit boek vol met gesprekken staat met overwinnaars. Nauwelijks met slachtoffers. Wat prompt alle verongelijktheid scheelt.

Rudy Kousbroek, Het Oostindisch kampsyndroom
Anathema’s 6

494 pagina’s
Meulenhoff, 1992

Rudy Kousbroek
Opgespoorde wonderen

Merkwaardig aan Opgespoorde wonderen, maar ook aan het hier eerder besproken Verborgen verwantschappen, is dat Kousbroek’s praatjes bij de plaatjes me zo rustig maken.

Zijn teksten hebben op mij het kalmerende effect van bedaarde klassieke muziek, op de achtergrond. Terwijl Kousbroek nu juist heel verontrustende dingen zeggen kan, over wat er allemaal verloren ging. En nooit meer goed zal komen.

Het is dan ook niet de inhoud van zijn woorden, maar de klank en de dictie die me rustig maken. Plus het idee: er zijn gelukkig nog schrijvers die én met verstand én met stijl aardige stukken weten te bedenken.

Rudy Kousbroek, Opgespoorde wonderen
Fotosynthese

143 pagina’s
Uitgeverij Augustus, 2003

Rudy Kousbroek
Raadsel der herkenning

Na Opgespoorde wonderen en Verborgen verwantschappen is dit Kousbroek’s derde bundel met fotosyntheses. Het zal ook de laatste zijn, zo staat voorin.

Eerder noemde ik Kousbroek’s aanpak in deze boeken wat oneerbiedig ‘praatjes bij plaatjes.’ Alleen kiest hij nooit foto’s uit om hun fraaie esthetiek. Integendeel. In Het raadsel der herkenning wordt uitgelegd dat juist wat mysterieuze foto’s zijn voorkeur hebben.

In dit boek is er veel aandacht voor foto’s met beesten en beestjes. Daarbij kan de fotosynthese ‘Krokodillenwonder’ zelfs gelezen worden als Kousbroek’s motivatie om lijstduwer te worden van die politieke partij voor de dieren [PvdD]. Die onderwerpskeuze maakt dit boek tijdlozer dan de eerdere delen. Het gedrag van dieren verandert niet.

Maar ik miste daarom Kousbroek’s exacte kant wat, in dit boek.

Wel merk ik bij dit derde boek deze fotosyntheses steeds meer te gaan waarderen. Al blijft er het bezwaar dat de tekst in kolommen staat, en de grijs-wit afgedrukte foto’s vaak de details missen die Kousbroek er wel in kan zien, volgens de tekst.

Het kostte tijd om in te zien dat deze boeken de verwondering dienen, en niet de opinie.

Ik ben steeds meer geneigd deze boeken te zien als illustraties bij een klassieke uitspraak van hem, over het geheugen.

Niets is erger dan de weg te weten in een huis dat niet meer bestaat.

Niet alleen huizen worden gesloopt, hele wijken verdwijnen. Straatbeelden veranderen ongemerkt, tot aan de hand van een foto getoond kan worden dat het ooit anders was. Het geheugen heeft soms zo’n prikkel nodig om zijn informatie kwijt te geven.

Weinig is boeiender dan de informatie op foto’s aangevuld te krijgen door iemand die altijd al goed keek. Zelfs als hij schrijft over beelden die hij nooit gezien kan hebben. Omdat Kousbroek daarmee ook over deze tijd iets zegt.

Rudy Kousbroek, Het raadsel der herkenning
Fotosynthese 3

127 pagina’s
Uitgeverij Augustus, 2007


Rudy Kousbroek
Verborgen verwantschappen

Praatjes bij plaatjes. Zo is dit boek wat oneerbiedig te typeren. Kousbroek zocht wat oude fotos uit, en mijmert daar wat over. Meestal over wat ooit was en niet meer is.

Daarbij komen regelmatig van Kousbroek inmiddels bekende voorliefdes terug. Zoals het dier bijvoorbeeld, en dan in het bijzonder het varken. Vaak zijn die mijmeringen dan weer gekoppeld aan verzuchtingen hoe slecht wij mensen sommige beesten behandelen.

Technologie was vroeger interessanter, aldus Kousbroek. Want, toen was tenminste nog duidelijk wat de functie van een apparaat was. De neiging om alles te stroomlijnen, heeft veel verpest.

En ach, af en toe mijmer ik wat met Kousbroek mee. De oer-deux chevaux was een prachtig elementaire auto.

Verder is dit een boek éen dat mij wat te veel voortkabbelt. Heel bijzonder zijn de meeste fotos niet, maar vooral ouderwets. Ze moeten bijzonder worden gemaakt door Kousbroeks woorden, zijn persoonlijke ideeën en herinneringen.

Dat lukt lang niet altijd. Kousbroek heeft veel indrukwekkender boeken geschreven.

Gek genoeg deed dit boek me nog het meest denken aan een geïllustreerd weblog, waarvan sommige praatjes bij plaatjes beter gelukt zijn dan anderen, omdat de schrijver niet iedere dag even goed in vorm is.

Extraatje: download hier een fotosynthese die Kousbroek schreef voor het alumniblad van de Rijksuniversiteit Groningen. Al was het maar om een idee te krijgen van zijn aanpak en stijl.

Rudy Kousbroek, Verborgen verwantschappen
Fotosynthese

143 pagina’s
Uitgeverij Augustus © 2005


Rudy Kousbroek
Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam

Een oermechanisme is het, om de wereld hanteerbaar te maken door verhalen. Al zullen kinderen dit meer doen dan volwassenen, omdat kennis de fantasie verlamt. Tegenwoordig heet het professionele voorbereiding, als ik me voor een interview afvraag wat de geïnterviewde zal gaan zeggen, en hoe ik daar dan op moet ingaan. Maar bij mij houdt het daarmee wel op.

Toch grijpen weer anderen alles in hun omgeving aan om verhalen te bedenken. Die beginnen al hele verwikkelingen te verzinnen als ze twee mensen zien lopen die op het oog helemaal niet bij elkaar passen.

Nog opvallender vind ik de blijkbaar heel algemene neiging om verhalen te gaan verzinnen waar voor mij al helemaal geen verhalen meer zijn.

In de documentaire ‘Searching for the Wrong-Eyed Jesus‘ komt aan het begin een prachtige scene voor, als verhalenverteller Harry Crews uitlegt wat het in zijn jeugd betekende als de Sears Roebuck-catalogus werd bezorgd. Dat postorderboek bood de inwoners van de arme zuidelijke staten niet alleen een blik op begerenswaardige goederen, ook de modellen erin waren van een paradijselijke lichamelijke perfectie die daar ongewoon was. Ze hadden niets eens gewoon zweren. Om toch te verklaren hoe het kon sommige modellen zo ontevreden keken, werd dan het verhaal verzonnen waarom.

Dat kinderidee, om verbanden te willen zien waar die er niet zijn, wordt nog opvallend vaak professioneel uitgewerkt. Zo verscheen bijvoorbeeld in het begin van de twintigste eeuw het prachtige boek What a Life!; dat is een satirische biografie over het leven van een Britse gentleman aan de hand van plaatjes uit de Whiteley’s General Catalogue.

Achter het boek Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam gaan dezelfde principes schuil. Rudy Kousbroek moest in de jaren vijftig zijn dochtertje vertellen wat het verhaal was bij de gravures in een verzamelband met oude tijdschriften. Probleem daarbij was dat er steeds verschillende feuilletons achter elkaar stonden in die tijdschriften, waardoor er geen logisch verband tussen opeenvolgende illustraties was. Dit is iets waar volwassen lezers aan gewend zijn geraakt, maar dat kinderen niet per se accepteren.

De vindingrijkheid die Kousbroek daarbij moest toepassen werd voorgezet in dit boek, dat grotendeels eerder als dagelijks feuilleton in NRC-Handelsblad verscheen. En ik denk dat het in dagelijkse porties ook aanzienlijk interessanter om te lezen was, dan nu. Dus om dit boek naar waarde te beoordelen, had ik er driekwart jaar over moeten doen. Maar aan die discipline ontbreekt het me.

Nu heb ik eigenlijk alleen de oude gravures goed bekeken, die Kousbroek uitzocht. Maar dat telt ook zwaar, voor mij.

Rudy Kousbroek, Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam
262 pagina’s
De Bezige Bij © 1981


Rudy Kousbroek
Waanzin aan de macht

‘Verspreide ergernissen’ en ‘Verzamelde ergernissen’, zo heten twee van de delen in deze inmiddels klassieke bundels essays. Kousbroek moppert wat af in dit boek. Over de Nederlandse radio onder meer, de reclame, en vooral over de spellingshervorming van toen; de vervloekingen daarover krijgen zelfs een apart deel.

Maar zie, opvallend aan veel van deze stukken is toch hoe tijdloos ze zijn. Medio 2006 verandert volgens het nieuwe Groene boekje de voorkeursspelling in ‘ideëeloos’; en hoe ‘n toepasselijk woord is dit wel niet. Dat voorbeeld doet mij bovendien denken aan dat redeloos, radeloos, reddeloos; van het rampjaar.

En nog altijd is er gemiddeld genomen vrijwel niets op de Nederlandse radio te horen dat de moeite van het beluisteren waard zou zijn, ondanks dat er sinds Kousbroek’s beklag een klassieke zender bijkwam. Maar er wordt te veel op de radio geluld, uitgezonderd dan op de stations die steeds de twintig verschillende liedjes draaien die toevallig in de mode zijn.

Ondanks dat Kousbroek vaak reageert op wat ooit de actualiteit was, lukt het hem toch zo te doen dat er universele gedachten over naar voren komen.

De waanzin regeert nog altijd. De redenen daarvoor opgemerkt te hebben, is knap.

Rudy Kousbroek, De waanzin aan de macht
Anathema’s 4

200 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff, 1979