60 000 uur ~ Gerrit Krol

Curieuze autobiografie. 60 000 uur is onder meer een vrij gedetailleerd verslag van de problemen die Gerrit Krol te overwinnen had op kantoor om automatisering geaccepteerd te krijgen bij de NAM. Omdat hij meende dat het aardgasveld onder Slochteren daarmee beter te exploiteren was.

Ik ben zeer benieuwd hoe veel literair geïnteresseerde lezers de belangstelling hebben kunnen vasthouden bij alle technische details die Krol verschafte.

Zelf ben ik dan weer nerd genoeg om te betreuren dat Krol niet nog meer details gaf over de computers waar hij mee werkte. Tegelijk is tegenwoordig online na te zoeken wat van deze apparatuur de specificaties waren. Al lukte dat nu net niet bij het eerste apparaat.

Automatisering betekende indertijd nog meestal: een computer delen met anderen. En programmeren op papier, dus in den blinde. Waarbij dan een randapparaat van de telex gebruikt werd om de ponsband te maken, om zo de geprogrammeerde software te kunnen invoeren in de computer.

Later werd het beter.

Al duurde het nog opvallend lang tot éen aspect van de gaslevering geautomatiseerd werd. Een mooie passage in het boek is gewijd aan de secretaresse, die nog met de hand, en een telmachine, de rekeningen opstelde voor de GasUnie; de enige afnemer van wat het veld produceerde. Daarbij ging het telkens slechts om miljarden.

60 000 uur is éen van die schaarse boeken waarin een Nederlandse literator nu eens met kennis over een andere professie schrijft dan over het schrijven van boeken — of het niet kunnen schrijven van die boeken.

Dit betekent onder meer dat er ook nogal wat kantoorpolitiek voorbij komt in dit boek. Die er vrijwel steeds op neer komt dat een oudere generatie het nut niet ziet van wat de jongeren willen.

Ook wordt er ontstellend veel geld verspild, met cursussen waarmee niemand iets kan. Of met het inhuren van experts, wier werk vervolgens ongebruikt de kast in gaat.

En Krol signaleert dit alles nogal laconiek. Zonder oordeel. Want, zo gaan de dingen. Er is nu eenmaal vaak enorm veel werk te verrichten, voor met het echte werk begonnen kan worden.

Toch zal me uit dit boek van alles éen beschrijving het best bijblijven. Dat is die van het gasveld onder Groningen. Simpelweg omdat Gerrit Krol daarmee leemten aan kennis opvult waarvan ik niet wist dat die er waren.

Het gasveld Groningen strekt zich uit van Hoogezand tot Winschoten, tot Delfzijl en in het noorden tot de zeedijk. Het heeft een platte, ovale vorm, met een diameter van dertig tot vijftig kilometer. Het gas is gevangen in een poreuze zandsteenlaag, die gemiddeld honderd meter dik is. Dit zogenaamde reservoir ligt drie kilometer diep en zou, naar boven gebracht, op een pannenkoek lijken.

scheiding
Gerrit Krol, 60 000 uur
Een autobiografie

114 pagina’s
Em. Querido’s Uitgeverij, 1998

Eerst de waarheid, dan de schoonheid ~ André Klukhuhn & Toef Jaeger sam.

Geen moeizamer leesteksten dan lezingen. Het oor heeft nu eenmaal meer taal nodig voor een goed begrip dan het oog. Clichés die al luisterend niet eens herkend worden, omdat ze enkel glijmiddel zijn in het betoog, zien er op papier in druk al gauw ontluisterend onnozel uit.

Als een lezingenreeks dus ooit nog tot boekuitgave leidt, dan zou dat moeten als in Eerst de waarheid, dan de schoonheid gebeurd is. Deze bundel verscheen eerst in 2004, terwijl de opgenomen teksten gebaseerd zijn op voordrachten die al in 2000 werden uitgesproken.

Toen organiseerde Studium Generale Utrecht samen met de Stichting Literaire Activiteiten daar een reeks lezingen over de vraag: Wat is belangrijker, schoonheid of waarheid?

En waar ontmoeten die twee elkaar?

Opvallend is dan dat de filosoof Jaap van Heerden amper vijf bladzijden nodig heeft voor zijn betoog over ‘Verbeeldingskracht in literatuur en wetenschap’. Waar Herman Franke er bijna dertig gebruikt, om te schrijven over de relaties tussen criminologie en literatuur.

Opvallend veel Nederlandse criminologen van de vorige generaties waren namelijk ook literatoren. Arnold Aletrino, J.B. Charles, Andreas Burnier, Manuel Kneepkens, Peter Hoefnagels. En later ontbrak die vanzelfsprekendheid. Maar kwam dit dan omdat in hun tijd het eigen vak te kalm was, terwijl de misdaad daarna sterk is toegenomen?

Een groot nadeel van bundels als deze is wel dat ze eigenlijk alleen nut hebben om met nieuwe schrijvers of denkers kennis te maken. Want, hun teksten worden altijd sterker binnen de context van hun eigen boeken.

Vincent Icke deed nog zo veel meer met zijn fascinatie voor Christiaan Huygens. En zelfs samensteller André Klukhuhn heeft elders inhoudelijker geschreven over wat hij als verschillen ziet tussen ‘de twee culturen’. Van Heerden’s betoog staat beter in zijn eigen boek.

Dus gold persoonlijk simpelweg dat een boek dat ik uitkoos omdat er zo veel auteurs aan mee hadden gewerkt die ik waardeer juist daardoor wat tegenviel. Omdat ik hun werk al kende, was er te weinig nieuw. De bundel deed me wat denken aan zo’n overzicht dat in december wordt uitgezonden op TV, van alle rampen die in een jaar gebeurden, of wie er allemaal een sportwedstrijd won. De beleving mist dan altijd die er eerder wel was.

André Klukhuhn & Toef Jaeger sam.
Eerst de waarheid, dan de schoonheid
Beschouwingen over wetenschap en kunst

174 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 2004

En toen viel ik van het podium ~ Lidewijde Paris (sam.)

Waarom schrijft iemand een boek? Niet om daar vervolgens de boer mee op te gaan, en lezingen te geven, of in de media te verschijnen. Lijkt me. Want, voor wie in de eerste plaats die publieke optredens ambieert, zijn er eenvoudiger methoden voorhanden, dan om zich eerst jarenlang in alle eenzaamheid op te sluiten en een publicabel boek te maken.

In deze tijd van het jaar, als de Boekenweek weer eens op de evenementenkalender staat, en rijen auteurs het land doorreizen — als exploiteerden ze kermisattracties — groeit er altijd een groot medelijden met hen.

De handel moet weer eens worden verkocht.

Deze bloemlezing van Lidewijde Paris geeft verdere voeding aan dit medelijden. Zelfs al zullen de opgenomen verhalen ook weleens lekker zijn aangezet, voor het effect.

Een aantal auteurs uit deze bundel had de ervaring een kermisattractie te zijn al eens verwerkt in een boek. Van onder meer Joost Zwagerman en Geerten Meijsing werden passages opgenomen, die geheel, of voor een groot deel uit romans stammen, met schrijvers als hoofdpersonen.

Anderen stuurden elders gepubliceerde columns en krantendagboeken in. Zoals Gerrit Krol het deed, met de bekende column over zijn black out op televisie.

Niet dat ik het overige werk allemaal ook al kende, maar toch viel me op dat de beste stukken speciaal voor dit boek geschreven werden. Zo gaf Nelleke Noordervliet als prettig meta-commentaar dat schrijvers altijd nog wel een stukkie hebben liggen, voor wat er nu weer geëist wordt voor de themaweek of themabundel.

Christiaan Weijts maakte bijvoorbeeld bedroevend duidelijk dat media-optredens allemaal volgens een stramien verlopen. En in zijn geval was dit dat interviewers het steeds heel belangrijk vonden dat Weijts zelf voor stalking was aangeklaagd. Was dit ook nog eens een onderwerp in zijn debuutroman.

En bij Gerbrand Bakker kwam als gênant moment voor dat de zaal wilde weten door welke Nederlandse schrijver hij beïnvloed was. Twee werelden botsten, want hij wist zo gauw alleen Amerikanen.

Enfin, ik schreef hier eerder al eens dat lezingen of andere publieke optredens van schrijvers me totaal niet meer lokken. In dezelfde tijd die een bezoek zou kosten, kun je ook een intiem tête-à-tête met ze hebben, door een boek uit te lezen.

Deze bloemlezing bracht me van die overtuiging niet af.

En toen viel ik van het podium
Schrijvers in verlegenheid

Samengesteld en ingeleid door Lidewijde Paris
256 pagina’s
Prometheus, 2007

Gemillimeterde hoofd ~ Gerrit Krol

Vrijwel alle boeken die Gerrit Krol gepubliceerd heeft, zijn door mij gelezen. Enkel zijn laatste, over de wanen die de medicijnen tegen Parkinson hem brachten, is bewust niet in huis gehaald.

Geen zin aan ook. Terwijl ik best weet dat het bij een goede schrijver niet uitmaakt waarover hij of zij schrijft.

Toch heugt me weer niet ooit een heel serietje boeken van Krol op rij te hebben gelezen; zoals dezer dagen gebeurt.

Evenmin herinner ik me welke titel de eerste was die me ooit onder ogen kwam. Was dat Een Fries huilt niet uit 1980? Dat moet haast wel, omdat de titel me ooit zeer intrigeerde. Het enige dat me overigens bijstaat over dit boek is dat de hoofdpersoon zo goed zijn tranen terug kan dringen dat hij zelfs in de regen droog bleef op zijn brommer.

De vaakst door mij herlezen titels ken ik wel. Dat zijn De schrijver, zijn schaamte en zijn spiegels. En Het gemillimeterde hoofd.

Ik houd nu eenmaal van boeken die hun rijkdommen niet in éen keer openbaren. Waarin bij een hernieuwde kennismaking altijd zo veel meer in blijkt te staan dan is onthouden.

Tegelijk is Het gemillimeterde hoofd een nogal merkwaardig boek. De roman laat zich bijvoorbeeld slecht samenvatten — waarschijnlijk mede omdat Krol al in het boek een weerzin uitspreekt tegen boeken die zich goed laten samenvatten. Waarom dan nog moeite doen om zo’n uitgave te lezen? Als de inhoud ook op een briefkaart past?

99 genummerde hoofdstukken biedt het boek, waarbij de inhoud van hoofdstuk 11 nog altijd vacant is.

En wat de lezer daarbij onder meer in brokjes krijgt geserveerd is het leven van een inmiddels dertigjarige man, die in Amsterdam bij Shell werkt als computerexpert. Deze man ging in Groningen op school, en studeerde er ook wiskunde; zonder daar een graad in te halen. Ook zijn er terugblikjes naar een nog vroeger verleden in Friesland. Waarbij me altijd weer de spelfout ergert die er staat in het luttele paar Friese zinnetjes dat Krol dan geeft. [Er staat ‘dei’ waar ‘dy’ is bedoeld].

Terwijl hij dan toch ook al heeft toegegeven analfabeet te zijn in die taal. Net zoals bijna ieder ander, moet ik daar dan aan toevoegen.

Dat persoonlijke en nogal autobiografisch ogende verhaal van die man wordt afgewisseld met hoofdstukken die op wiskundige vondsten lijken die de hoofdpersoon enthousiast heeft aangetekend.

En deze wiskunde blijft het vervelendst aan dit boek — omdat het kwaliteitsgehalte daarvan varieert van platvloers tot obscuur. Pagina’s worden besteed aan overbekende wiskundigen of ontdekkingen die elke eerstejaars in het vak al kent — zoals het parallellenpostulaat. Andere hoofdstukken behandelen vondsten die er domweg niet toe doen. Daarmee lijkt de hele verzameling aantekeningen de waan te tonen van de autodidact die zich nooit zo in de stof heeft moeten verdiepen dat er ook overzicht kon groeien. Alles lijkt de hoofdpersoon nog van een even groot belang.

Tegelijk heeft Krol in interviews aangegeven niet te snappen waarom literaire critici altijd over die wiskunde struikelden. Die mocht van hem gewoon overgeslagen worden. Ook vond hij van dit boek dat het met elk hoofdstuk begonnen kon worden.

Ik heb simpelweg ook nooit iets aan de wiskunde in de boeken van Krol gehad, anders dan zijn opmerkingen over zaken als schrijven bijvoorbeeld — dat zal mede mijn onverschilligheid kleuren.

Nu viel me weer aan Het gemillimeterde hoofd op dat er maar éen exact bedoelde passage in staat die ooit mijn kennis vermeerderd heeft.

49
De machine en de taal. De machine beneden heeft 32 instructies die aangegeven worden met een getal dat ligt tussen 0 tot en met 31. 16 is optellen, 17 aftrekken, 25 vermenigvuldigen, 1, 3, 5, en 7 besturen de tabellering, 4 de schrijfmachine, 28 de magnetische banden, enzovoort. Er zijn twee instructies, 0 en 8, die geen werk hebben. Dat zijn dummies. Hun snoertjes zijn samengebonden–ze hebben geen betekenis. Agnes vertrokken.

Omdat ik in machinetaal/assembly heb leren programmeren, is het mij volstrekt helder wat hier staat. Zij het dan dat de machine waarmee Krol werken moest nog éen stap primitiever was dan de PLC‘tjes waar ik twintig jaar na hem mee stoeide. Bij mij stonden de instructies aan de machine al in lettercodes. En ooit wist ik dus niet dat dit al vooruitgang was.

Maar codes als ADD en SUB zijn aanzienlijk minder makkelijk te verwisselen dan 16 en 17 — of 10 en 11 in de hexadecimale notatie de Krol’s machine zal hebben benut. En dit omwisselen gebeurde vroeger nogal eens. [Ooit is er bijna een Amerikaanse maanlander neergestort om zo’n basale omdraaiing. De tijd ontbreekt me nu om na te zoeken of optellen en aftrekken daarbij ook echt in de computercode waren omgedraaid, en niet gewoon plus en min].

Voor de rest was programmeren ook toen nog steeds een tijdrovend goochelen met geheugentabellen, die per computertype verschilden, om de inhoud van het ene vakje nuttig te kunnen manipuleren en weg te schrijven naar een ander vakje, opdat deze nieuwe waarde op een later moment gebruikt zou kunnen worden.

Blind ontzag voor Krol’s schijnbaar zo exotische uitstapjes naar exacte kennis in zijn romans heb ik dus nooit echt gehad. Mij was duidelijk dat die gedeelten een soort franje waren dat zijn boeken uniek maakten; zonder dat de inhoud daar nu zo veel rijker van werd.

Tegelijk bood Het gemillimeterde hoofd ook nu weer genoeg om te weten dat ik de roman zeker nog eens herlezen zal. Over anderhalf decennium wellicht. Bij leven en welzijn. En dat is dan vooral om het verhaal van die eigenwijze computerprogrammeur. Die als eerstejaars student wiskunde ook de vakken bijwoonde waar hij nog lang niet aan toe was. Die het verdomde om tentamen te doen, omdat hij al die honderden medestudenten zag in de collegezalen, en het onzin vond om precies hetzelfde te moeten doen als hen; en daarmee het identieke te moeten denken.

Van de weeromstuit misschien zocht de hoofdpersoon het dan weer te veel bij onbegrepen geniën in de wiskunde.

Maar, de lust tot weten en verklaren die uit de roman spreekt is zo mooi — ondanks dat deze dus kennis opleverde van een sterk wisselend niveau.

Gerrit Krol, Het gemillimeterde hoofd
160 pagina’s
Em. Querido’s Uitgeverij 1987, oorspronkelijk 1967

Kleintje Krol ~ Gerrit Krol

Gerrit Krol won de P.C. Hooftprijs in 2001, voor zijn proza. Ter gelegenheid daarvan verscheen dit bloemlezinkje uit zijn werk. Ik nam het nu door, om te zien of ik iets uit dat oeuvre gemist had. Volgens mij heb ik het meeste van wat Krol schreef, gelezen. Tegelijk is dat allemaal wel een tijd geleden.

Uit dit boekje neem ik éen mij nog onbekende titel mee. Krol’s idee van een autobiografie, 60.000 uur, heeft me misschien nog wel wat te bieden.

Uit de inhoud van het bundeltje zal me vooral het openingsstuk bijblijven: ‘Wat ik nooit hoop te beleven’. Daarin beschrijft Krol hoe hij volledig stilviel, tijdens een talkshow op televisie.

Nu herinner ik me die uitzending, van De Plantage, waarin Krol inderdaad als een niet al te vlotte spreker figureerde. Alleen herinnerde ik me geen details. Maar Krol heeft groot gelijk met zijn impliciete klacht, dat het onzin is om alle gasten van zo’n programma tegelijk aan tafel te zetten. Degene die niet als eerste geïnterviewd wordt, is daarmee tot een tergende verveling gedwongen.

En Krol kwam pas als tweede aan het woord, toen de ander al het publiek voor zich gewonnen had.

De haast kinderlijke blijheid van Krol met de P.C. Hooftprijs verbaasde me overigens wat. Zijn beschrijving daarvan in ‘De prijs’ verwonderde me, terwijl dat sinds Montale niet meer zo zou moeten zijn, misschien.

Gerrit Krol, ’n Kleintje Krol
57 pagina’s
E. Querido’s Uitgeverij, 2001

Krol & de Koninklijke ~ Gerrit Krol

Krol kreeg in 2001 de P.C. Hooft-prijs voor zijn hele oeuvre. Dus zal het geen toeval zijn geweest toen ook Krol & de Koninklijke uitkwam. In dat boek zijn de drie romans verzameld die hij schreef met zijn baan als computerexpert bij Shell als inspiratiebron — die voor een literator zo afwijkende werkkring.

Verder werden er nog drie verhalen met datzelfde thema in gebundeld.

Van die romans had ik slechts éen nog niet eerder gelezen. 60 000 uur. Een autobiografie uit 1998. En dat gemis is eerder deze maand rechtgezet. Maar bij de speurtocht naar dat boek ontdekte ik dus ook dat deze verzamelband bestond. En die drong dan weer de vraag op of zo’n boek een grotere eenheid kon zijn dan een verzamelbundel normaal is, gezien het thema.

Lag nog wel open of ik al dat oude werk in éen keer zou herlezen; de romans De chauffeur verveelt zich uit 1973, en In dienst van de ‘Koninklijke’ uit 1974.

Maar eigenlijk is het nooit een vraag of het de moeite loont om Krol’s boeken te herlezen. Het verhaal is namelijk nooit de sterkste kant van zijn fictiewerk. Bij hem gaat het ook in de romans altijd al om de terzijdes, de observaties, en dus de taal, en de verrassing in die taal.

In die zin schreef hij in 1973 en 1974 ook romans die hun tijd een kleine veertig jaar vooruit waren. Tegenwoordig zullen weinigen nog moeite hebben met een betoog dat bestaat uit schijnbaar losstaande alinea’s, door witregels gescheiden. Internet heeft leespatronen veranderd. Gerrit Krol is daarmee leesbaarder geworden dan ooit.

Evenmin was het een probleem om In dienst van de ‘Koninklijke’ meteen te lezen na De chauffeur verveelt zich. De ene roman biedt een vervolg op het andere. Al is er ook wel enige overlap, in de introductie, en heet de vrouw van de hoofdpersoon in het oudste boek ‘Marie’, en in het vervolg ineens ‘Laura’; zonder dat er verder iets in de relatie veranderd lijkt te zijn. [Krol’s vrouw heet overigens Janna].

Door het soms wat fragmentarische karakter van de romans, die gaan over zijn begintijd bij Shell, plus een eerste uitzending naar Venezuela, deed ik wel lang over de boeken. Opmerkingen genoeg die verder lezen beletten; die het verdienden om niet meteen onder te sneeuwen.

Ik tekende onder meer aan:

Om wetenschap te bedrijven moet je creatief en methodisch. Welke van deze twee eigenschappen is het belangrijkst? Ongetwijfeld die welke je het minst bezit.

De chauffeur verveelt zich, 13
scheiding

Waarom ik overigens zulke stukjes in mijn boeken doe? Gewoon omdat mijn systeem dit met zich meebrengt. Over een paar jaar is het heel gewoon. Misschien is het zelfs mode om een boek zulke onleesbaarheden mee te geven. Over een paar eeuwen kun je zien dat dit boek typisch een product is van de twintigste eeuw. Kunnen ze zich ergeren aan de mode van deze tijd. […]

De chauffeur verveelt zich, 97
scheiding

Dit boek is overigens niets iets om in één keer uit te lezen. Wie het in een keer uitleest, heeft zeker niet alles begrepen. Het dient er meer toe om iemand situaties in zijn werk te laten herkennen. Een serie praktijkgevallen, meer is het niet. Een naslagwerk voor kantoorpersoneel met hier en daar een kwinkslag; […]

De chauffeur verveelt zich, 128
scheiding

Waarom worden gedichten gelezen door voornamelijk jonge mensen? Bij oudere mensen wie dezelfde regels ter beschikking staan, roepen zij lang zoveel niet op omdat ze niet nieuw meer zijn. Die regels niet en die mensen niet. Maar als je pas bent begonnen over je omgeving na te denken, is bijna elk woord dat kracht heeft, goed. Bijna elk woord dat je dan onder ogen krijgt, geeft je een koers aan, richting, wil.

In dienst van de ‘Koninklijke’, 167
scheiding

De stelling dat een kunstenaar een beeld maakt ter expressie van zijn eigen gevoelens, is onvoldoende. Zij verklaart niet waarom hij pas gelukkig is als hij dit beeld ten toon kan stellen aan het publiek. Zij verklaart ook niet waarom het per se nodig dat de kunstenaar uiting geeft aan de gevoelens van een ander.

In dienst van de ‘Koninklijke’, 248
scheiding
Gerrit Krol, Krol & de Koninklijke
365 pagina’s
Em. Querido’s uitgeverij, 2001

Man achter het raam ~ Gerrit Krol

Schrijvers lijken niet zelden de minst goede beoordelaars van hun eigen werk. En dat zal vast zijn omdat ze hun boeken nu eenmaal ook nog schreven; waardoor de lol van het scheppingsproces kan meewegen in de opinie.

Zo heeft Gerrit Krol meermaals aangegeven De man achter het raam tot zijn meest geslaagde boeken te rekenen. En ik ben dan zo vrij dit niet met hem eens te zijn — al is wel degelijk zichtbaar dat de schrijver plezier heeft beleefd aan het schrijven van deze roman.

Het boek gaat me wat te simpel rechtuit. Andere romans van Krol bieden meer, door hun kronkelwegen.

De man achter het raam is een computer, die langzamerhand steeds meer menselijke eigenschappen krijgt toebedeeld van zijn makers Rudy en Wessel. Op een gegeven moment krijgt het ding zelfs een menselijke naam. Adam.

De lol voor Gerrit Krol aan dit boek was dat hij niet echt geloofde in alle grootse beloften van het vak Artificiële Intelligentie. Als programmeur dacht hij met kennis te kunnen inschatten welke problemen computers nooit zouden kunnen oplossen — op welke gebieden zelfs de domste mens nog aanzienlijk slimmer zou blijven.

Dus ontdekt Adam, die het verhaal vertelt, op haast elke bladzijde wel iets over het menselijke bestaan dat voor iedereen vanzelf spreekt.

De aardigheid van de roman hoort dus te zijn dat elke lezer aanzienlijk meer weet dan de verteller, en dat ook beseft.

Tegelijk wilde Krol zijn publiek tock ook tot mededogen bewegen. Omdat Adam op een gegeven moment beseft altijd iemand achter hetzelfde raam te blijven, en daar nooit achter weg te kunnen.

Toch blijven er raadsels over de verteller. Want dat het een computer is, wordt meteen duidelijk. Het ding blinkt uit in schaken, zoals schaakcomputers dat kunnen. Maar in de loop van het boek lijkt het eerder of Krol er steeds meer een intelligente robot van maakt, die ook allerlei menselijke taken kan uitvoeren.

Is er nog de grootte van het apparaat, en de randapparaten die het gebruikte, die naar de standaard van begin jaren tachtig misschien correct was, maar in een tijd van smartphones de meest achterhaalde indruk maakte.

Toch schrijnde het einde wel weer. Het budget was op om meer met Adam te doen — of beseften de makers iets gecreëerd te hebben dat geen enkel doel had? Dus speelde Krol ook nog met het cliché dat de mens het enige wezen zou zijn dat zich de eigen dood indenken kan.

Aardigst aan De man achter het raam was evenwel de vreemde reactie op de roman van Maarten ’t Hart. Die was met het boek naar de wiskundigen van zijn universiteit gelopen, en had van hen te horen gekregen dat wat Krol beschreven had ‘een volstrekte misser’ was.

Voor ’t Hart was dit reden om de roman de toegang tot de literatuur te ontzeggen, omdat het verhaal niet echt mogelijk kon zijn.

Voor Gerrit Krol was die reactie reden om eens af te wegen wat al dat lezen van Maarten ’t Hart nu waard was. Zo veel wist ’t Hart over literatuur, om er dan blijkbaar toch helemaal niets van te begrijpen.

En ik blijf hoogstens achter met een vraag. Had Gerrit Krol lol in platte omdraaiingen? Doorgaans zitten vrouwen achter een raam, en mannen niet. Zegt hij met dit boek kortom dat computers onze hoeren zijn? En moeten zijn? Zullen blijven ook?

[ wordt vervolgd ]

Gerrit Krol, De man achter het raam
119 pagina’s
Em. Querido’s Uitgeverij, 1982

Mechanica van het liegen ~ Gerrit Krol

Achterhalen waarom ik de colleges van Gerrit Krol niet bezocht indertijd lukt me niet meer. Krol was in het najaar van 1994 gastschrijver aan de Rijksuniversiteit Groningen (RuG). En ik liep daar toen ook nog rond. Bovendien waren grote delen van zijn werk me bekend; en had dit zelfs al invloed gehad.

Had ik andere verplichtingen op dezelfde uren? Dat moet haast wel.

Ging ik er vanuit dat als de colleges iets van waarde zouden opleveren dat vast wel tot een boek zou leiden? Ook dat kan.

Spijt iets waardevols te missen is er in elk geval toen nooit geweest. Waar dat zo makkelijk gekund had. Want inmiddels groeit die spijt er wel. Nu Gerrit Krol [1934 — 2013] overleden is, en ik enkel door het lezen van zijn boeken nabij hem heb verkeerd.

Krol’s werk bevat nogal wat elementen die hem uniek maken, binnen de Nederlandstalige letteren. Elementen die mij in het bijzonder aanspreken dan ook nog. Er is dat werk van hem als programmeur, voor Shell en de NAM; waarvan hij het bestaan nooit verheelde in zijn romans. Gerrit Krol’s belangstelling voor exact denken daarom, en daarmee tegelijk zijn eeuwige verkenning naar de limieten van taal en het verhaal.

Gerrit Krol’s colleges in 1994 werden als nogal pittig ervaren, zo tekende de Universiteitskrant (UK) op indertijd. De studenten wisten niet heel goed wat ze met de springerige geest aanmoesten van de auteur; omdat Krol zich zo zelden beperkte.

En datzelfde probleem zal voor nogal wat lezers gelden, zo schat ik in.

Al is dat een oordeel van nu. Gedaan door een door alle wateren gewassen boekenliefhebber.

Of ik de colleges indertijd probleemloos had kunnen volgen, is ook een ander chapiter.

Schrijvers waren indertijd nog autoriteiten — vergelijkbaar met de professoren. Inmiddels ben ik allang van de reflex verlost om zulke autoriteiten zonder meer macht te geven over mij. Ondertussen zie ik Gerrit Krol ook als een veel humoristischer en anarchistischer auteur dan me toen ooit is opgevallen. Het is heel wel mogelijk dat ik indertijd al evenmin raad had geweten met die anarchie — zelfs al was er wat gewenning door de boeken.

Tegelijk is Krol geen bijzonder moeilijke of ingewikkelde schrijver, vind ik. Zijn teksten zijn hoogstens wat onvoorspelbaarder dan die van de meesten. Het vergt daarom misschien enige moeite om hem te leren lezen.

Vooroordelen over al wat het lezen hoort te brengen, moeten domweg even worden losgelaten.

De mechanica van het liegen biedt de inhoud van die RuG-colleges uit 1994, die voornamelijk een verkenning tonen over wat dat nu precies is: schrijven. Zij het dat Krol achteraf nog wijzigingen aanbracht in de teksten; al te driest gebleken speculaties werden in druk weggelaten. Meest traditioneel in deze essaybundel zijn de twee publieke colleges, getiteld ‘De schrijver als filosoof’ en ‘De schrijver als prieelvogel’.

Al zie ik nu dat Krol daar geen wezenlijk andere dingen in zegt dan hij ook in andere boeken verkend heeft.

Er is een plaatsbepaling van zichzelf als schrijver:

U ziet hoe het komt dat ik steeds weer zo’n moeite heb met de klassieke logica. En dat ik liever mijn eigen logica gebruik. De logica die ik bewandel is een gammele, slingerende brug waarop je je leven niet zeker bent. Een trap waarvan de treden onder je voeten afbreken zodat je je met alle handen en voeten tegelijk probeert vast te houden. Want zo zit de wereld in elkaar. De taal suggereert een volgorde, waarin het ene keurig na het andere komt, maar de wereld zelf is geen volgorde, de wereld is een geheel waarvoor–om beschreven te worden–honderd handen en voeten nog te weinig zijn. [93]

En er staat Krol’s klassieke opsomming in, als hij verteld waarom hij altijd schrijver wilde worden:

Om een schrijver te zijn heb je vier dingen nodig:

  • je moet iets te vertellen hebben;
  • je moet een eigen stijl hebben (dat is wat men talent noemt);
  • je moet, om de stroom op gang te brengen, onzin durven schrijven;
  • je moet een of andere neurose hebben, een geestelijke afwijking.

Alle vier voorwaarden hebben met elkaar te maken. Ze voeden elkaar en houden elkaar in stand. Als een van de vier ontbreekt, blijft er van de andere drie niet veel over. [101]

Heel erg verbaast het me dan weer niet dat de studenten van toen Krol’s colleges moeilijk vonden. De mechanica van het liegen toont de preoccupaties van iemand die al een tijd ontdekt heeft dat geen enkele manier van werken erin slaagt om grip te krijgen op alles. Ook het schrijven niet. Het toont de ideeën van een man op een zekere leeftijd.

In feite gaf Krol anti-college. Want de waarheden die voor al zijn toehoorders het nuttigst zouden zijn, konden weleens uit strikt persoonlijke waarheden bestaan. Terloops meegedeeld bovendien. In plaats van rechtstreeks verteld, en dan ook nog getentamineerd; zodat een toets kon verduidelijken of alles wel begrepen was — zoals al de waarheden waarvoor zij hun collegegeld betaalden.

En lang leve de schrijver die zijn publiek voor minstens zo intelligent houdt als zichzelf.

[ wordt vervolgd ]

Gerrit Krol, De mechanica van het liegen
Essays
130 pagina’s
Em. Querido’s Uitgeverij, 1995

Schriftelijke natuur ~ Gerrit Krol

Literatuur is er voor ons plezier. Twee keer meldt Gerrit Krol dit in de essaybundel De schriftelijke natuur. En beide malen citeerde hij daarbij Al. Alvarez. Vooral omdat deze het boek The Savage God schreef; dat over zelfmoord gaat. Wat het dan weer aardig maakt dat juist Alvarez literatuur iets vindt voor ons aller genoegen.

Krol is dat overigens zonder meer met hem eens.

Ik denk dat ik er net iets anders tegenaan kijk. Meer nog dan plezier te willen, of genoegen, is mijn eerste eis aan een boek dat het me niet moet vervelen. Wat Kurt Vonnegut’s eerste punt was in zijn advies over het schrijven van een goed verhaal.

Vul de tijd van een vreemde zo dat hij of zij niet het idee krijgt dat die tijd verspild werd;

En dan geldt dat er nogal wat schrijvers zijn die met mijn geduld spelen.

Lezen biedt vele rijkdommen. Nog altijd. Door veel te lezen groeide er bij mij alleen ook iets dat dan nu maar kwaliteitsbesef moet heten. Als er de mogelijkheid is om te vergelijken, pakken vervolgens lang alle vergelijkingen niet gunstig uit.

Gerrit Krol was in de decennia voor boeklog bestond een redelijk geliefd schrijver, omdat hij me zelden verveelde. Waarmee ik niet zeg dat hij me altijd zo geweldig vermaakt zou hebben. Terwijl Krol bijvoorbeeld de naam heeft zo veel wiskunde in zijn werk te stoppen, en daarmee exact denken, was dat nu net het gedeelte in zijn boeken dat me bijna nooit boeien kon.

Te vaak liep Krol namelijk bij dit onderwerp bekende paadjes af. Te dikwijls kon hij zijn oningevoerde lezers overbluffen met iets dat me de moeite van het beschrijven niet waard leek.

Mij bevalt vooral de rijkdom aan ideeën in Krol’s werk. Waarmee ik dus accepteer dat hij ook weleens mis schoot in al die denksalvo’s.

In de bundel De schriftelijke natuur zijn veel van de meest ‘exacte’ stukken ook het meest verouderd — omdat deze over sterk modegevoelige onderwerpen gaan die even in waren op het moment van schrijven, in de jaren zeventig en tachtig. Hofstadter’s boek Gödel, Escher, Bach. Struycken’s eerste primitieve ontwerpen met de computer.

Het best houdbaar gebleven zijn daarentegen de stukken over literatuur. Als Gerrit Krol als relatieve buitenstaander naar schrijversconferenties gaat in het buitenland, om daar de zeden op te tekenen. Als hij reageert op andermans boeken. Als hij weegt wat anderen vinden van zijn werk.

Langste tekst uit deze bundel gaat evenwel over de meest geciteerde Nederlandse filosoof na Spinoza: de wiskundige L.E.J. Brouwer. En dat is juist geen essay, omdat Krol zichzelf ditmaal buiten het onderwerp hield en de beschrijving daarvan. Gerrit Krol noemde dit stuk een scriptie.

scheiding

Het nut van ’t maken van een scriptie is dat je gedwongen wordt (1) om na te denken over iets waar je dit tot dusver altijd aan een ander overliet en (2) van je gedachten mededeling te doen op een wijze die je verantwoorden kunt, wat voor bepaalde geesten wel ’s goed is: het moet helemaal waar zijn. Als je een essay schrijft, doe je dat om iets te beweren dat maar voor de helft waar is, waarbij je hoopt dat de lezer door jouw schrijfkracht ook overtuigd wordt van de waarheid van de andere helft. Een essay is explorerend: voelen met één been of het ijs houdt. Maar ook als het ijs houdt, kan het gevaarlijk zijn. […]

[Het intuïtionisme van L.E.J. Brouwer, 152-153]
scheiding

[ wordt vervolgd ]

Gerrit Krol, De schriftelijke natuur
Essays over kunst en wetenschap

182 pagina’s
Em. Querido’s Uitgeverij, 1985

Schrijven ~ Jan Brokken

Dertig jaar nadat Jan Brokken de belangrijkste schrijvers in Nederland interviewde — op Reve en Hermans na dan — zijn de meeste van hen dood of uitgeschreven.

Nu goed, Maarten ’t Hart publiceert nog weleens wat. Guus Kuijer ook. Mensje van Keulen. K. Schippers. En Remco Campert zelfs.

Toch maakte deze interviewbundel om een andere oorzaak een merkwaardig gedateerde indruk. Brokken was om éen of andere reden nogal gefascineerd door het materiaal waarmee de schrijvers hun ambacht uitoefenden. En eind jaren zeventig gebruikten auteurs hier nog geen computers.

Dus mocht Harry Mulisch zagen ‘het echte HB potlood’ te gebruiken voor de passages waar hij onzeker over is.

Wolkers legde uit vellen van zestig centimeter lengte in zijn typmachine te draaien.

Biesheuvel heeft zelfs een typmachine waarmee het schrijven eigenlijk te makkelijk gaat.

En Maarten ’t Hart kon maar met éen speciale pen schrijven, omdat hij van de andere kramp kreeg, ook als het werk per se nog door moest.

Zelden zal er zo veel aandacht besteed zijn aan zoiets onzinnigs. Ik bedoel, al zou een auteur elke ochtend een ader openrijten om het eigen bloed als inkt te kunnen gebruiken, dan nog is dat van secundair belang; en hoogstens interessantdoenerij.

Gelukkig had Brokken nog wel oog voor nuttiger informatie, zoals hoe vaak er herschreven werd; of hoe de auteurs de redactie inpasten in hun normale schrijfpatroon.

Ik herlas dit boek om het interview met Bob den Uyl, en knikte maar weer eens bij diens uitspraak:

Een verhalenbundel is een roman waaruit de vervelende stukken zijn weggelaten […]

Toen moest het gesprek met de zo zelden geïnterviewde F.B. Hotz ook maar. En voor ik het wist had ik tien van de negentien interviews gelezen, en moest het boek ook maar uit.

Maar waarom eigenlijk toch?

Jan Brokken, Schrijven
Interviews
230 pagina’s
De Arbeiderspers, 1980

* in het boek staan interviews met:

  • J.M.A. Biesheuvel
  • Willem Brakman
  • Remco Campert
  • S. Carmiggelt
  • Hugo Claus
  • Hella S. Haasse
  • Maarten ’t Hart
  • F.B. Hotz
  • Mensje van Keulen
  • Anton Koolhaas
  • Gerrit Krol
  • Guus Kuijer
  • Marga Minco
  • Harry Mulisch
  • Bert Schierbeek
  • K. Schippers
  • Bob den Uyl
  • Theun de Vries
  • Jan Wolkers

 


Schrijver, zijn schaamte en zijn spiegels ~ Gerrit Krol

Gerrit Krol schreef in 1979 en 1980 een reeks luchtige columns over het schrijven, voor de achterpagina van NRC-Handelsblad. Deze bundel is daar het gevolg van. En plots heten de columns tezamen essay.

Ik weet dit boek eerder gelezen hebben, een hele tijd geleden. Want, er staat me nog bij onder de indruk te zijn geweest. Een echte schrijver had zo maar zijn geheimen verraden in een boek, zoiets moet ik toen gedacht hebben. Helemaal kon ik de waarde van die geheimen toen nog niet inschatten, maar dat zou hopelijk nog weleens komen.

Ditmaal las ik het bundeltje geheel anders. Zo was ik me vrij goed bewust van de oorsprong van de hoofdstukken. Een krantencolumn heeft een vaste lengte, maar een gedachte heeft die meestal niet. Vaak kon ik zien dat Krol zijn ideeën wat had moeten aanlengen om het gewenste aantal woorden maar te krijgen.

Bovendien is dit geen boekje over de geheimen van het ambacht. Gerrit Krol toont ideeën over wat van auteurs verwacht mag worden, die vaak net iets afwijken van de verwachtingen die onder de goegemeente leven. Zo maakt hij zich toch wel vrolijk over de angst onder lezers voor de grafieken waarmee hij sommige van zijn boeken heeft aangekleed.

Maar uiteindelijk is dit voor mij vooral een bundeltje met enkele nuttige, haast aforistische uitspraken. Terwijl Krol toch een hekel had aan aforismen.

Als ik een boek na een tijdje wegleg omdat het me niet boeit, kan dat twee redenen hebben. Het boek bevat te weinig ideeën, of het bevat genoeg ideeën, maar te weinig verhaal.

undefined

Het probleem met literatuur, als je erin wilt doceren, is dat je je beweegt op het niveau van de illustere schrijvers zelf en dat, als je daartoe niet in staat bent, of de leerling is daartoe niet in staat — er zo weinig overblijft. Daarom wordt er zo vaak gezegd dat je er niets aan hebt, aan literatuur, in de maatschappij en dat is dan nog waar ook.

undefined

Minimum aan middelen, maximum aan effect. Misschien moet je ’t noemen: de kunst van het samenvatten. Daar zou je wat aan hebben, want dat is iets wat je in geen van de andere kunsten aanwijsbaar kunt doen, film niet, schilderkunst niet, muziek niet… in de literatuur wel. Zelfs zo goed dat je de literatuur ermee zou kunnen definiëren.

Literatuur is de kunst van het samenvatten. ’n Aantal gebeurtenissen wordt met een enkele zin beschreven.

undefined
Gerrit Krol, De schrijver, zijn schaamte en zijn spiegels
Essay

120 pagina’s
Em. Querido’s Uitgeverij, 1981

Time and the Hunter ~ Italo Calvino

Schrijvers zijn zo goed als hun beste werk. Wat maakt dat ik Italo Calvino tot mijn eeuwige favorieten zal blijven rekenen. Zelfs al las ik zelden zo’n vervelend boek als diens verhalenbundel Ti con zero [Time and the Hunter].

En daarmee bedoel ik niet eens: vervelend binnen het oeuvre van Calvino. Dan meen ik echt: vervelender teksten binnen alles wat me ooit onder ogen is gekomen van serieuze auteurs waren er zelden.

Een geniaal schrijver kan dus ook geniaal mislukken.

Naar aan de verhalen in Ti con zero [Time and the Hunter] is niet eens dat Italo Calvino inspiratie zocht in de exacte wetenschappen. Want dat zouden van mij heel wat meer auteurs mogen doen.

Vervelend is dat hij merkwaardig lang uitgesponnen verhaaltjes maakte van een reeks verschijnselen zoals de wetenschap die verklaart, of probeert te verklaren. Elke vertelling begint ook steeds met een heldere inleiding over het onderwerp van éen alinea.

Alleen verrijkte Italo Calvino’s de kijk op zulke fenomenen vervolgens nooit, de blik werd juist nogal vertroebeld door zijn holle gebabbel; door zijn keuze onder meer om menselijke stemmen te geven aan natuurlijke verschijnselen, terwijl antromorfisering daar nu net niets aan toe voegt.

Een heel deel van de bundel gaat bijvoorbeeld over het mirakel dat het ontstaan van nieuwe cellen is, door celdeling. En in die zin kunnen deze verhalen van Calvino dus ook over het ontstaan van nieuw leven gaan; namelijk als ze die allereerste cruciale celdeling beschrijven nadat het erfelijke materiaal van twee kanten versmolten is.

Ik moet dan meteen toegeven mijn meiose niet meer recht van mijn mitose te kunnen onderscheiden — ondanks de 9 op biologie waarmee ik ooit afstudeerde. En dus had Calvino heel wel de gelegenheid om die halfvergeten kennis, die nu nooit eens nuttige toepassing vond in de afgelopen dertig jaar, op verrassende wijze op te frissen.

Dit gebeurde alleen niet.

Wat mede komt omdat Calvino zo vaak eindeloze zinnen schrijft, en daarin dan toch nog niets zegt:

So I am speaking then of the initial phase of a love story which afterwards is probably repeated in interminable multiplication of initial phases just like the first and identified with the first, a multiplication or rather a squaring, an exponential growth of stories which is always tantamount to the first story, but it isn’t as if I were so very sure of all this, I assume it as you can also assume it. I’m referring to an initial phase that precedes the other initial phase, a first phase which must surely have existed, because it’s logical to expect it to exist, and also because I remember it very well, and when I say it’s the first I don’t in the least mean first in the absolute sense, that’s what you’d like me to mean but I don’t; I mean first in the sense that we can consider any of the identical initial phases the first, and the one I refer to is the one I remember, the one I remember as first in the sense that before it I don’t remember anything.

[Mitosis]

Om diens dood lees en herlees ik Gerrit Krol momenteel. Om daarbij nu pas op een bespreking te stuiten die Krol ooit wijdde aan Calvino’s Kosmikomische verhalen.

Gerrit Krol’s oordeel was daarbij simpel. Italo Calvino kon schrijven noch denken in zijn ogen.

En helemaal kan ik dat niet met hem eens zijn, vanwege mijn liefde voor dat ene boek van de Italiaan. Maar Gerrit Krol’s wrevel voel ik wel.

Wetenschap, en wetenschappelijke kennis, is een prachtig ding; ook al omdat de blik daarmee zo gescherpt wordt. En wie dit vindt, en dan op deze verhalen van Calvino stuit, bestaande uit fantasietjes enkel leuk voor de schrijver, die ergert zich makkelijk.

Italo Calvino, Time and the Hunter
pagina’s 153 – 294
© 1967
in: Italo Calvino, The Complete Cosmicomics
402 pagina’s
Penguin Modern Classics 2010, oorspronkelijk 2002