1968 ~ Mark Kurlansky

Waar dat boek over zout van Kurlansky me boeide en blij maakte, liet deze uitgave me vrijwel volkomen onverschillig. Iets na de helft ben ik hele stukken gaan overslaan. Daar waren een aantal redenen voor.

Belangrijkste oorzaak voor mijn onverschilligheid is dat me vooral de uitwerking interesseert die dat ene revolutionaire jaar zou hebben gehad. In detail beschreven gebeurtenissen van toen boeien niet per se, terwijl me in dit boek weinig anders werd aangeboden.

Die uitwerking van 1968 lijkt me trouwens overschat ook, maar dit terzijde. Er leven nog te veel mensen die dat zogenaamde revolutiejaar bewust hebben meegemaakt. Zij voelen dit waarschijnlijk anders. Kurlansky zelf is van 1940; ook dat weegt mee.

Verder ontbreekt het dit boek aan een dwingende lijn in de vertelling. Ja, de beschreven gebeurtenissen vonden allemaal in die twaalf maanden plaats, en vaak waren er studenten bij betrokken; zeker als het om protesten ging. Steeds werd er politici om een reactie gevraagd. Maar wat is verder de overeenkomst tussen Polen, Tsjechoslowakije, Parijs, of de VS?

Historici, en niet-historici helemaal, kijken me iets te vaak naar de opvallende momenten om veranderingen te willen verklaren. Daarbij geen oog hebbend voor wat er van dag tot dag anders wordt.

Ontwikkelingen op korte termijn worden stelselmatig overschat. Ontwikkelingen op lange termijn worden mede daardoor heel makkelijk onderschat. Dit beide zijn wetten.

Mark Kurlansky, 1968
Het jaar waarin alles anders werd

469 pagina’s
Anthos, 2004
vertaling van: 1968. The Year that Rocked the World

Big Oyster ~ Mark Kurlansky

Er zit maar zelden een schema achter wat ik lees. Maar soms dringt zich ineens iets op dat wel degelijk een planning lijkt. Onlangs las ik Joseph Mitchell’s reportagebundel The Bottom of The Harbor. En het titelverhaal daarvan leek een directe inspiratiebron voor dit boek van Kurlansky.

Toch interessant, die geschiedenis van het water rondom New York, en de rijkdom aan voedsel die daar ooit leefde.

Nu kreeg Kurlansky de opdracht om iets over oesters te schrijven, en hun betekenis voor de stad — zo blijkt uit de verantwoording — maar hij gebruikte ook Mitchell vrij duidelijk. Op het laatst. Als het erom gaat te beschrijven dat een stad die ooit met reden aan het water gebouwd werd, zich steeds meer van datzelfde water ging afkeren. Vanwege alle industriële vervuiling die verderop in de rivier werd geloosd, en door wat die stad zelf daar nog aan rotzooi toevoegde.

Dit boek biedt daarmee twee geschiedenissen. Die van New York, en hoe in deze stad gegeten werd. En die van de oester. Wat dan weer kan, omdat beide geschiedenissen een tijd lang parallel lopen.

Vooral over de oester zullen me vele trivia bijblijven. Zoals dat het beest te trainen is zijn schelp gesloten te houden, zodat oesters in de dagen voor er koeling bestond, toch diep landinwaarts konden worden verscheept, zonder te bederven.

Ook haalt Kurlansky met zichtbaar genoegen de anekdote aan dat de Juliaanse kalender, waarin het begin van het jaar naar januari werd verplaatst, te danken is aan de oester. Door deze verandering was iedereen duidelijk dat oesters alleen eetbaar waren in de maanden met een ‘r’ in de naam. En door de schrikkeldag in te voeren, duurde het oesterseizoen soms nog een dag langer ook dan voorheen.

De Romeinen, net als alle Europeanen, aten wel heel andere oesters dan de New Yorkers. En pareloesters horen tot een weer geheel andere familie. Pareloesters zijn niet eens echte oesters, maar eerder mosselen.

Kurlansky is, zoals gebruikelijk in zijn betere boeken, gul met recepten om voedsel te bereiden. Zelfs al benut hij die ook om te tonen hoezeer de oester ooit een goedkoop volksvoedsel was.

Een recept kon rustig beginnen met als ingrediënt: men neme 150 oesters…

Tegelijk toont de geschiedenis van de oester en New York aan dat alle problemen van overexploitatie waar de visserij nu mee kampt, al in de negentiende eeuw bekend waren. Net als hoe weinig effect alle kunstgrepen hebben om de opbrengst van de oogst te verhogen, als op hetzelfde moment de kwaliteit van het water vermindert.

De eerste Nederlanders die op Manhattan landden, vonden het er zo heerlijk ruiken. Bovendien konden ze niet geloven hoe rijk de flora en fauna er was. Dat de hier eerder beschreven ‘shad’ in het Nederlands ‘elft’ heet, komt omdat dit toen liefst de elfde vissoort was die ze niet kenden. Een ‘twaalft’ determineerden ze ook, net als een ‘dertienen’.

Maar Manhattan werd al gauw vies. Al duurde het nog tot in de negentiende eeuw voor New York een grootstad werd; met alle bijhorende problemen.

Ik geloof niet me anders voor die geschiedenis geïnteresseerd te hebben. Er zijn zo veel steden op de wereld, die allemaal een ontwikkeling hebben doorgemaakt. Maar zoals in dit boek, met zijn uitgekiende mengeling van feit en anekdote, gecombineerd met historie van een volksvoedsel, zo krijgt dat verhaal iets extra’s. En was het aangenaam om te lezen.

Mark Kurlansky, The Big Oyster
A Molluscular History of New York

307 pagina’s
Vintage Books 2007, oorspronkelijk 2006

Birdseye ~ Mark Kurlansky

Kapitein Iglo uit de reclame voor vissticks heet eigenlijk Captain Birdseye.

Vanwege het merk aan diepvriesproducten dat dit typetje verkoopt. Iglo heet elders in de wereld Birds Eye. En dat merk is dan weer genoemd naar de pionier in het nuttig bewaren van voedsel. Clarence Birdseye [1886 — 1956] heeft echt bestaan.

Mark Kurlansky schreef met Birdseye een biografie over deze uitvinder — mede omdat hij diens vondsten had genoemd in eerdere boeken, en hem was opgevallen dat er geen complete levensbeschrijving bestond over de man.

Terwijl er toch een bijna sprookjesachtig verhaal zat in dat leven.

De self-made man en avonturier Birdseye ontdekte voor de Eerste Wereldoorlog, tijdens de poolwinters die hij doorbracht in Labrador, hoe goed vis later smaakte als die meteen na de vangst was bevroren. Dat hadden de lokale eskimo’s hem geleerd.

Vervolgens kostte het enige tijd en moeite voor hij doorhad waarom. Hoe sneller iets bevriest, des te kleiner blijven de ijskristallen in dat voedsel, en des te minder worden de cellen daarvan beschadigd.

Eind jaren twintig was Clarence Birdseye zo ver dat hij op industriële schaal groenten, vlees, en vis lekker blijvend kon invriezen. Daartoe had hij tal van technische vondsten moeten doen.

Punt was alleen, aan enkel een fabriek van diepvriesvoedsel heeft niemand wat. Want de productie moet vandaar nog geëxporteerd worden om ergens in een keuken terecht te komen. Alleen kan dit pas als er koelwagens bestaan bij de spoorwegen, of vrachtwagens waarin het getransporteerde voedsel bevroren blijft, en er winkels zijn met vrieskisten, en een winkelend publiek komt dat thuis iets van een koelkast heeft staan.

Ofwel, de hele infrastructuur om diepvries tot een verkoopsucces te maken, was er in de VS pas eind jaren vijftig. Dertig jaar later.

En op zich vertelt Mark Kurlansky dit verhaal wel. Die geschiedenis is ook niet helemaal te negeren. Want eten werd zelfs in de negentiende eeuw al ingevroren. Alleen gebeurde dat toen altijd te langzaam, waardoor diepvries veel minder lekker was dan vers. Was vers bovendien vrijwel nergens heel duur. Waardoor de fabrikanten van diepvriesvoedsel de laagste kwaliteit aan ingrediënten gebruikten, om tenminste nog iets te kunnen verdienen.

Pas toen de huisvrouwen massaal achter hun aanrecht vandaan waren gekomen om elders te gaan werken, en er ineens grote behoefte kwam aan eten dat snel was klaar te maken, overwon het publiek zijn grote weerzin tegen diepvries. Dat was ruim na die Tweede Wereldoorlog. En inmiddels waren de fabrikanten dus ook zo ver dat ze waren konden leveren met enige kwaliteit en smaak.

Moesten er nog supermarkten komen, bovendien.

Dus zat ik er tijdens het lezen van deze biografie mee dat de voor mij interessantste ontwikkeling — die hele technologische en culturele transitie — zich buiten het eigenlijke verhaal over de hoofdpersoon afspeelt, en me terloops werd afgedaan.

Want het is éen ding om de visie van een man te roemen — als vervolgens de hele samenleving moet veranderen voor diens ideeën uitkomen, en dit decennia duurt, dan is de factor geluk voor deze man om later nog als visionair erkend te worden ook enorm geweest.

Clarence Birdseye was slechts een klein maar heel nuttig schakeltje in het grote geheel. Hoe kleurrijk zijn verhaal ook was. Toch gaat de aandacht in het boek allereerst naar hem.

Had Birdseye bovendien het grote geluk dat hij zijn zo unieke diepvriesfabriek vlak voor de Beurskrach voor ruim $ 22 miljoen kon verkopen — omdat de kopende partij diens patenten zo waardevol achtte.

Nu stuit ik vooral bij Amerikaanse auteurs wel vaker op dit probleem. Dat zij uit het niets toch een onderwerp interessant weten te maken. En dat dit dan gebeurt door in te zoomen op het leven van éen mens. Doorgaans een man. Waarop de schrijver me vervolgens dan net teveel in de human interest blijft hangen om een echt memorabel boek te kunnen schrijven. Wat John McPhee kan, om dan ook dat grotere verhaal goed te vertellen, lukt verder haast niemand.

Mark Kurlansky, Birdseye
The Adventures of a Curious Man

251 pagina’s
Doubleday, 2012

Choice Cuts ~ Mark Kurlansky

Aan eerdere boeken van Kurlansky viel op dat hij het best over eten en drinken schrijft. Daar ligt zijn interesse; dat is een onderwerp waarvan hij zonder moeite iets over weet te brengen.

Dus leek me dit boek, dat een grote variëteit aan artikelen over voedsel beloofde, misschien wel de beste Kurlansky denkbaar.

Maar wat in de boekbeschrijvingen online niet echt duidelijk terug kwam, was dat dit een door Kurlansky samengestelde bloemlezing is. Hij heeft alleen het voorwoord geschreven, en leidt verder weleens een lemma in. Meer niet.

Dat maakte dit boek wel beter dan Kurlansky ooit zelf had kunnen bereiken. Zo valt op dat veel van de beste quotes toch bij A.J. Liebling wegkwamen. En dat geeft deze uitgave bijvoorbeeld een lucht en humor die verder wat ontbreken in Kurlansky’s oeuvre.

Voor de rest is dit boek natuurlijk een hutspotje. Waarin rustig adviezen uit de oudheid — olijven worden nog altijd zo ontbitterd als eeuwen voor Christus al gedaan werd — volgen op hedendaagse kooktips. Klassieke schrijvers prijken naast beroemde kookboekschrijvers. Anekdotes worden afgewisseld met recepten. Feiten over eten of drinken staan rustig naast meningen over de zaken, die soms al eeuwen achterhaald zijn.

Toch maakt de verzameling een heel complete indruk. Van het eten van insecten gaat het, tot hoe truffels te vinden zijn — kijk naar waar zich wolkjes vliegen verzamelen — tot waar de pizza voor staat. En zo oneindig veel meer.

Zo er éen centrale lijn in die honderden citaten en boekgedeelten te vinden is, dan toch dat het tijd kost om een goede maaltijd te maken. En wat ik niet wist, is dat niet alleen de supermarkt en de snackbar, maar ook een kookstroming als de ‘nouvelle cuisine’ in dat opzicht grote invloed heeft gehad op wat nu normaal is om te eten.

Ik kreeg alleen nergens honger van dit boek, wat toch ook een beoordelingscriterium is.

Mark Kurlansky, Choice Cuts
A Miscellany of Food Writing

474 pagina’s
Vintage 2004, oorspronkelijk 2002

Cod ~ Mark Kurlansky

Kurlansky moet over eten schrijven, zo was mijn conclusie na drie van zijn boeken te hebben gelezen. Daarover weet hij het interessantst te vertellen. Dus las ik Cod ditmaal, zijn biografie van de kabeljauw, om daarin vooral feiten langs te zien komen die ook genoemd zijn in Salt, en de Basque History of the World.

Maar goed, dat zij Kurlansky vergeven. Ik lees zijn boeken niet in chronologische volgorde. Cod maakt duidelijk waarom sommige van die latere titels er kwamen. De geschiedenis van de kabeljauw is ook de geschiedenis van hoe de mens voedsel leerde bewaren. Eerst was dat door de vis aan de lucht te drogen, zodat er stokvis ontstond. Later slaagden de Basken er weer in kabeljauw in zout op te slaan, wat aanmerkelijk smakelijker was op lange reizen.

Bovendien moest die vis ergens gevangen worden, en zijn er daarom redenen genoeg om aan te nemen dat Amerika allang bekend was onder Europeanen voordat Columbus er naartoe zeilde. Maar vissers verraden hun rijkste visgronden nu eenmaal liever niet. En goede vangstgebieden lagen in de buurt van Newfoundland.

Maar, dat wist ik al, van Kurlansky. Dus las ik dit boek anders. Voor mij werd vooral het middengedeelte interessant. Als Kurlansky ingaat op de vooruitgang in de visvangst, die zo groot is dat het hele ambacht daardoor dreigt te verdwijnen. De zee kan worden leeggevist. Al is er altijd wel een visser te vinden die daar niets van weten wil.

Die teruggang is om meerdere redenen pijnlijk. Het hangt van het land af, maar voor de Engelsen bijvoorbeeld stond het woord vis gelijk aan kabeljauw. En er verandert maatschappelijk ook van alles in de streken aan de kust, als de vissers er niet langer in hun bestaan kunnen voorzien. Hoe zeer die problemen ook de eigen schuld lijken van de slachtoffers.

Het laatste deel van dit boek bestaat uit recepten, voor de bereiding van kabeljauw. En dat is bijna schrijnend, gezien de constatering vlak daarvoor hoe veel moeite het zal kosten nog een redelijke vis ergens te krijgen. Het lekkerste van de kabeljauw zit in het midden, en daarvoor moet het beest enige lengte hebben gekregen. Maar vissen krijgen de kans niet meer om zo oud worden.

Mark Kurlansky, Cod
A Biography of the Fish
That Changed the World

294 pagina’s
Vintage Books 1999, oorspronkelijk 1997

Eastern Stars ~ Mark Kurlansky

Honkbal is niet de meest interessante sport, voor mij. Daarvoor gebeurt er te weinig tijdens een wedstrijd. En van wat er plaatsvindt, gebeurt een groot deel onzichtbaar voor de toeschouwer. Want was die goede honkslag nu een prestatie van de slagman, of een blunder van de werper?

Het schijnt namelijk nogal van de cultuur af te hangen, hoe zo’n slag geïnterpreteerd wordt. In Japan en Zuid-Korea — landen met een schaamtecultuur — zoeken de TV-camera’s nadien bijvoorbeeld nadrukkelijk het gezicht van de werper op.

Dus kan ook honkbal me best interesseren, zolang het maar om de cultuur gaat om zo’n bezigheid heen. Al wordt wat dat betreft zelfs een boek over zoiets roerloos als de vissport nog boeiend.

In The Eastern Stars onderzocht Mark Kurlansky de betekenis van honkbal voor de Dominicaanse Republiek. Dat is éen van de armste landen in de Amerika’s, mede omdat het grootste exportproduct — rietsuiker — elders efficiënter geoogst wordt, en sowieso als grondstof sterk in waarde daalde.

Tegenwoordig zijn honkballers daarom een belangrijk expertproduct geworden. Een derde van de spelers in de Minor Leagues zou uit de Dominicaanse Republiek stammen — wat dan weer mede komt omdat er voor de honkbalclubs geen rem is op het aantrekken van deze spelers. Ze kosten niets. Al helemaal niet vergeleken met honkballers die in eigen land worden opgeleid.

The Eastern Stars is daarom deels een geschiedenis van het eiland Hispaniola, en de suikerteelt aldaar. Deels een historie van baseball in het algemeen, en van honkbal op het eiland in het bijzonder. En ook biedt het portretten van enkele Dominicaanse honkbalspelers die het overzees maakten in de Major Leagues. Waarvan de bekendste waarschijnlijk Sammy Sosa is — mede om de steroïden die hij als speler gebruikte om sterker te worden, en het schandaal daarvan het gevolg.

Het boek mistte evenwel éen dragende factor om het verhaal boeiend te houden. Eenmaal Kurlansky aan de portrettengalerij begint, wordt The Eastern Stars wel erg brokkelig. Waar de uitgave eerder nu juist de anekdote zo goed inzette om grotere zaken te verduidelijken, lijken de verhalen van al die spelers misschien wel te veel op elkaar.

Arme jongen verwerft kapitaal in een ander land; door de armoede thuis vastbesloten om het daar te gaan maken. Alleen is er vervolgens altijd iets waardoor zo’n carrière dan eindigt.

Het leesgenot bij dit boek zat daarom in kleinigheden. Zoals in de beschrijving van het racisme van Dominicanen onderling — want hoe witter hoe beter. Geen groter scheldwoord in het land dan uitgemaakt te worden voor Haïtiaan; ofwel inwoner van dat andere land op Hispaniola met zijn ietwat donkerder gekeurde bevolking.

En er is een terzijde van Kurlansky over het verwende gedrag van zoveel overbetaalde sportlieden — dat ik me nog vaak herinneren zal eens de ellende van dat WK voetbal weer begint.

scheiding

Since baseball players earn their living playing in their childhood game, they have much less pressure than most people to act like adults in the workplace. […] [78]

Mark Kurlansky, The Eastern Stars
How Baseball Changed the Dominican Town
of San Pedro de Macorís

273 pagina’s
Riverhead Books, 2010

Nonviolence ~ Mark Kurlansky

Een boek als Nonviolence is een geschiedeniswerk zoals ik ze het liefste heb. Kort, en krachtig. Zelfs de algemene uitspraken over het onderwerp zijn al veelzeggend, en zetten zo het verleden in een net wat ander licht. Al begint Kurlansky wel wat demagogisch, door te stellen dat geen enkele taal een apart woord voor geweldloosheid bezit.

Altijd is er eerst dat woord voor geweld, van waaruit dan een woord voor het afwijzen van geweld is geconstrueerd.

En dat nu zegt mij op zich niets. Woorden als ongelovige, atheïst, of agnost, zijn ook afgeleid van een religieus begrip. Maar het lijkt me onzin om alleen daaruit af te leiden dat samenlevingen altijd georganiseerd waren rond religie, en daar pas later afwijkingen op ontstonden.

Als iets normaal is, wordt het namelijk zelden benoemd. De vis kent het water niet waarin die zwemt.

In Nonviolence valt overigens op dat de twee meest voorkomende religies in ons land — het Christendom, en de Islam — weliswaar vrede preken, maar tegelijk bijzonder gewelddadige verledens hebben. Al speelt daar bij mee dat religie door machthebbers misbruikt is, om zielen te kunnen onderwerpen.

Once a state takes over a religion, the religion loses its nonviolent teachings.

Kurlansky heeft ook veel aandacht voor de geweldloze varianten van het christelijke geloof. Ik was daarbij alleen al dankbaar eindelijk eens iemand te zien uitleggen waarom de Quakers zo heten — de grondlegger kwaakte tijdens zijn religieuze vervoering. Alleen blijkt dat detail volgens andere bronnen dan weer niet te kloppen. Ook noemt Kurlansky Menno Simonsz foutief Simon Menno. En dus biedt dit boek zeker het niet laatste woord over alle zaken.

Maar mij gaat het eerlijk gezegd ook om de grote lijnen. En om weetjes als dat de burgerrechtenbeweging in de VS wortelt in de activiteiten die dienstweigeraars tijdens de Tweede Wereldoorlog ondernamen tijdens hun gevangenisstraf. Om te zien dat geweldloos verzet van de Maori’s voorkomen heeft dat ze allemaal werden uitgemoord. Of om de bevestiging dat machthebbers zo vaak niet anders op geweldloos protest hebben weten te reageren dan door daar geweld tegen in te zetten.

De kwaliteit van dit boek zit in het overzicht. Dus neem ik de foutjes en de uiteindelijk nogal sterk Amerikaans-Britse focus van dit boek voor lief.

Mark Kurlansky, Nonviolence
The History of a Dangerous Idea
Foreword by His Holiness The Dalai Lama

203 pagina’s
Vintage 2007, oorspronkelijk 2006

Salt ~ Mark Kurlansky

Als ik mijn belangrijkste klacht over boeken, of de media in het algemeen, moet samenvatten, dan luidt die: vertel me liever eens iets dat ik nog niet weet. Alleen heel kleine kinderen krijgen van herhaling nooit genoeg. Door mij almaar meer van hetzelfde voor te schotelen, infantiliseert u mij.

Vandaar dat ik zo blij ben soms weer een boek te mogen lezen als dit. Dat me, ondanks de gebreken, met een geheel nieuwe blik naar de werkelijkheid laat kijken.

Over die gebreken kan ik overigens kort zijn. De auteur weet te veel, en daardoor mist dit boek vaak een dwingende lijn. Op het moment dat Kurlansky redenen genoeg heeft om de stap te maken van de traditionele zoutwinning naar de moderne industrie, komt er nog weer een uitstapje over de betekenis van zout voor de Inca’s; en dat soort grappen.

Ik geef ook toe, ik houd van dit soort totaalgeschiedenissen. Goudsblom over het vuur, Van Dalen over Arabische gom, Ileen Montijn en het gewone leven, Pitman over blond haar — de wereld krijgt altijd rijkdom als een goed schrijver op de betekenis wijst van een eerder onopvallend detail.

Maar zout?

Ook ik, als academisch geschoold historicus, kijk met ogen van nu naar het verleden. En was daarom blind.

Natuurlijk zout. Het is zo logisch als wat. Denk er maar eens over na hoe voedsel bewaard werd in de dagen voor de conserven, de koelkast, de vriezer, de supermarkt. Zout was niet voor de smaak, zout was éen van de weinig middelen om ervoor te zorgen dat het eten niet al te ver wegrotte.

Eenmaal dit verband gelegd, wordt ook de grote economische betekenis duidelijk van zout. Eenmaal zo bekeken, is zelfs de hele wereldgeschiedenis te herschrijven. In elke oorlog, tot de twintigste eeuw, waren de winplaatsen van zout van strategisch belang. Sterker nog, hele kloosters, dorpen, en zelfs steden ontstonden nabij een plaats waar zout te vinden was. Soms kwam dit dan in de naam terug.

Ik moest meteen aan Bob den Uyl denken bij het lezen, en diens verhandeling over de operettetekst ‘Im Salzkammergut, da ka’mer gut, lustig sein’.

Kurlansky houdt behalve van geschiedenis ook van koken. Dit boek is daarom deels te beschouwen als een kookboek; beschrijvingen van voedsel en de bereiding daarvan zijn er volop. Heel soms stoort dit, als we nog weer even bij de Inca’s of de Azteken langs moeten, maar vaker verheldert dit ook.

Zo liet hij mij eindelijk eens nadenken over de Hanze; dat handelsverbond van steden. Dat natuurlijk een verbond was om zout. En ook om het volksvoedsel vis. Maar om vis te kunnen verkopen, moest die in zout worden bewaard. De Hanze kon zo groeien, omdat die garandeerde dat in een vaatje vis de hele inhoud even goed was als wat de koper kon zien. In tegenstelling tot andere verkopers. En via de Hanze, en dat zout, lees ik dan ineens geboeid een verhandeling over de verschilde soorten haring die er ooit waren.

Zo legt Kurlansky een rechtstreekse link tussen het verdwijnen van de haring in de Oostzee, en het achteruitgaan van de Hanze als economische macht. Het product waarop zij een monopolie hadden, was niet langer voorhanden. En Noordzeeharing werd door anderen geleverd.

Wat wel opvalt trouwens, is dat bijna alle gezoute voedsel dat hij beschrijft ooit goedkoop volkseten was, en nu haast alleen nog in de delicatessenwinkels verkocht wordt.

Enfin, in opbouw en structuur was dit dus lang niet het beste boek dat dit ik las in 2007. Ook stond mij er iets te weinig in over die latere fase in de geschiedenis van de zoutindustrie, toen de chemie duidelijk werd achter de stabiele producten van zuur & base. En toch is me zelden meer aangereikt de laatste maanden om korrels van al bij mij aanwezige kennis steviger aaneen te kitten.

Mark Kurlansky, Salt
A World History

484 pagina’s
Jonathan Cape, 2002

Wereldgeschiedenis volgens de Basken ~ Mark Kurlansky

Over éen boek van Kurlansky was ik eerder heel enthousiast, maar over een tweede helemaal niet. En deze derde titel heeft typisch genoeg de kwaliteiten van de éen gecombineerd met de gebreken van de ander. Dus vond ik het tot de helft de moeite waard, omdat het dan ook over cultuur en technologie gaat, en daarna helemaal niet meer.

Ik houd gewoon niet van politieke geschiedenis, en politieke geschiedenis is vrijwel het enige dat Kurlansky nog biedt, chronologisch eenmaal in de twintigste eeuw beland.

Toegegeven, de betekenis van Guernica uitleggen, heeft absoluut nut. Verklaren waarom de ETA al die bomaanslagen pleegde ook. Maar het boek is uit evenwicht door de grote aandacht hiervoor.

Het wordt voor mij pas weer interessant als Kurlansky eindelijk Franco heeft laten doodgaan, en stil kan staan bij het herstel van zo onderdrukte Baskische cultuur.

Dan pas ook klinkt enige relativering.

Dit boek begint door de Basken belangrijker te maken dan ze zijn. En dat is ook wel amusant, omdat het over de bewoners van een regio gaat die de mijne niet is. Zou iemand op dezelfde toon over de Friezen schrijven, of desnoods de Hollanders, had me dat hogelijk geïrriteerd. Maar goed, op gezag van Kurlansky wil ik nog wel aannemen dat de Basken unieke zeelui waren, en dat de maritieme geschiedenis ondenkbaar is zonder hun grondige verbeteringen van het zeilschip, of de vinding van smakelijk houdbare vis voor onderweg.

Kurlansky blijft het interessantst als hij over eten schrijft.

Maar dan, eenmaal in de jaren 70 van de twintigste eeuw aangekomen, moet hij getallen gaan noemen. Dan pas heet het dat er weliswaar 2,3 miljoen inwoners zijn in die zeven provinciën die samen Spaans en Frans Baskenland uitmaken, maar dat daarvan minder dan 1 miljoen de taal spreken. Terwijl de definitie van de Basken zelf is dat iemand tot het volk behoort als die de taal gebruikt. En in het gebied woont. En een Baskische naam draagt.

Over dit alles is veel te zeggen. Maar die aandacht kan ook vrij makkelijk overdreven worden.

Mark Kurlansky, De wereldgeschiedenis volgens de Basken
383 pagina’s
De Arbeiderspers, 2001
vertaling van: The Basque History of the World