Hatred of Poetry ~ Ben Lerner

Gerrit Komrij rekende poëzie tot de menselijke topprestaties, zelfs al vond ook hij 98% van de gedichten niets. Een liefde voor gedichten lijkt dus automatisch samen te gaan met grote onverschilligheid over andere gedichten. Het verschil tussen geslaagd en mislukt lijkt immens.

Punt wordt dan alleen dat niemand het ooit eens zal worden welke poëzie boven alle kritiek verheven is. Zo ben ik nog nooit iemand tegen gekomen die de gedichten van Komrij zelve zonder meer lief heeft; behalve dan dat er weleens bewondering is voor de ambachtelijke vaardigheden daarvan. [1]

Eén van de vragen aan het begin van boeklog, in 2004, was of het me zou lukken uit te vinden welke poëzie ik goed vind, en waarom. En hoe het komt dat verreweg de meeste gedichten mij niets zeggen; dat percentage ligt bij mij misschien wel op 99,8%. Of in het verlengde daarvan: waarom er sinds, pak hem beet, de cyclus ‘Voor dag en dauw’ van Nijhoff uit 1936 er geen Nederlandse gedichten meer geschreven lijken te zijn die me wat deden.

De enige zekerheid die ik daarover nu heb, is dat me duidelijk werd een pure lezer te zijn. Mij lukt het heel aardig om die zwarte tekentjes op die witte achtergrond zelf te ontcijferen, en tegelijk al te interpreteren. Terwijl poëzie niet per se leestekst is.

Leest of draagt een dichter het eigen werk voor, dan kan mijn waardering voor een gedicht ook radicaal verschillen vergeleken met dezelfde tekst in druk. Zo’n dichter voegt dan toe, in tempo, en toon. En luisterend ben ik simpelweg aanzienlijk dommer dan lezend, dus veel gauwer van iets onder de indruk. De magie van zo’n voordracht is bij het lezen alleen nog nooit terug gekomen.

En het verbaasde me dat de Amerikaanse dichter en romanschrijver Ben Lerner [1979] niets over zegt over dit toch wel principiële punt.

Dus is het misschien amusant om in zijn pamflet The Hatred of Poetry bij Plato te beginnen, en diens waarschuwingen in de Politeia dat dichters enkel de jeugd bedriegen en corrumperen. Alleen lijkt me dat die kunst indertijd, in die eerste eeuwen van het schrift, toen lezen nog een hele vaardigheid was, toch van een heel andere aard dan de poëzie nu.

Of dan mag Lerner meteen bekennen dat hij, zelf dichter, poëzie toch ook haat, maar er niettemin zijn leven naar heeft ingericht. En dan zegt juist zo’n statement niet zo veel. Een schrijver moet toch op zijn minst menen iets te kunnen toevoegen aan wat er al is; en daarmee denken het beter te kunnen dan velen; wil hij of zij vervolgens met dat werk naar buiten treden. Afkeer van al wat er is, lijkt me nogal een principiële drijfveer om te gaan doen.

Veel interessanter wordt daarmee dat Lerner zijn haat uitbreidt naar het eigen werk. Want, ieder gedicht bergt nog de mogelijkheden in zich van dat gedicht dat het eigenlijk had moeten zijn. Wie iets schept, roept daarmee ook zijn eigen teleurstelling op. Wat er komt, haalt het zo zelden bij wat er gehoopt werd dat er zou komen.

Zou het overigens niet best zijn als al bij die falende pogingen niet ook eens iets ongedachts werd vastgelegd.

The Hatred of Poetry was voor mij het boeiendst om de denkexercitie naar dit aspect. Hoe verhield de ambitie van de dichter zich tot de poëzie die hij of zij schreef? Want zo zijn ook heel slechte gedichten te behandelen, zonder daar verder denigrerend over te zijn.

Alleen beland je daarbij toch ook snel bij het probleem dat er twee manieren van lezen bestaan. De objectieve manier, waarin gewogen wordt of in hoeverre de dichter geslaagd is in wat hij of zij probeerde. En de subjectieve lezing, waarbij de vraag simpelweg luidt: kan dit gedicht me iets verdommen? Ook al omdat bij mij dat subjectieve oordeel zo vaak botst met de objectieve kijk.

Als poëzie de verheviging is van iets in taal, waarom wringt die taal dan voor mij te vaak? Zodat de toegepaste kunstgrepen zo zichtbaar zijn? En waarom vertrekken zoveel dichters in hun poëzie vanuit zichzelf, zonder daarbij schijnbaar te beseffen dat het niet heel interessant is wat ze vervolgens daarover mee te delen hebben?

The Hatred of Poetry heeft soms iets door de omkering die de schrijver heeft ingebracht dat de liefde voor het gedicht niet vanzelf spreekt. Poëzie schrijven, blijft voor Ben Lerner een noodzaak. Zelfs al zal hij zich zelden dichter noemen als iemand vraagt wat hij doet. De maatschappij heeft inmiddels immers geen waardering meer voor het schrijven van gedichten als beroep.

En tegenover die verkenning van al wat er op poëzie valt aan te merken, en aangemerkt is, staat dan het luttele harde gegeven dat de dichter desondanks dichten moet. En in dit boek werkt die halsstarrigheid wel. Voor even. Daarbuiten alleen toch niet echt.

Ben Lerner, The Hatred of Poetry
96 pagina’s
Farrar, Straus & Giroux, 2016
  1. Komrij zette weleens versvoeten in die niemand anders in het Nederlands ooit gebruikte. []