dit is het dossier:

Patricia de Martelaere

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

Losse opmerkingen ~ Ludwig Wittgenstein

In mijn boekenkasten staan vele boeken die daar wel nooit meer uit zullen komen. Titels die ooit betekenis hadden, maar horen bij andere tijden, en inmiddels vergeten interesses. Zo bezit ik een aardig stapeltje met boeken van en over Ludwig Wittgenstein [1889 – 1951]. Maar over hem, en zijn werk, ben ik al enige tijd uitgedacht.

Zijn Tractatus Logico-Philosophicus was een poging om te kijken of en hoe de gewone taal in te zetten is om ware uitspraken te doen, zoals in de logica lukt dankzij de daarin gebruikte wiskundige notatie. Maar Wittgenstein vond zijn eigen boek uiteindelijk niet geslaagd. Daarom deed hij veel later nog eens een poging, in Philosophical Investigations | Philosophische Untersuchungen. Dat is weliswaar aardig om de conclusies die Wittgenstein trekt over hoe juist de taal de filosofen weghoudt van begrip. Alleen heb ik nooit van dat inzicht opgekeken.

En hoewel beide boeken aforistische kwaliteiten hebben, volstaat het voor mij wel te weten dat ik er ooit belangstelling voor had. Herlezen hoeft niet.

Alleen was er nog dit zwerfboek, dat niet op de plank bij Wittgenstein stond. En waarvan ik me afvraag of ik het ooit eerder las. Misschien ben ik eerder wel nooit verder gekomen dan de inleiding van Patricia de Martelaere.

Wittgensteins filosofie is een filosofie van de mislukking [het onvermogen om definitieve waarheid noch enig andere vorm van houvast te vinden] mét de suggestie dat zij precies hierdoor de ‘ware’ filosofie is geworden. [19]

Er kleeft aan Wittgenstein inderdaad iets dat tot interessantdoenerij leidt bij sommigen. Een lot dat hij trouwens met menige andere filosoof deelt. Spaar me alleen voor al deze uitleggers, de vrienden, en andere blinde adepten.

Misschien daarom ook hoef ik verder niets meer met dat oeuvre

Enfin, ik las Losse opmerkingen als een bundel aforismen, met vaag die kennis van al dat andere werk in mijn achterhoofd. En dan kon ik het wel met de conclusie eens zijn dat dit boek nooit was uitgegeven ware het van een onbekende auteur geweest. Er nog van afgezien dat de inhoud bijeengeschraapt werd uit kladjes.

Maar toch stond er zo nu en dan wel een memorabele uitspraak in:

De gedachte is reeds vermoeid en kan niet meer gebruikt worden. [Een soortgelijke opmerking betreffende muzikale gedachten hoorde ik eens van Labor]. Zoals zilverpapier dat eenmaal verkreukeld is, nooit meer helemaal glad gemaakt kan worden. Bijna al mijn gedachten zijn al een beetje verkreukeld. [1931]

undefined

Esperanto. Het gevoel van walging, wanneer we een bedacht woord met bedachte afleidingslettergrepen uitspreken. Het woord is koud, heeft geen associaties en speelt toch ‘taal’. Een tekensysteem dat alleen in schrift bestaat, zou ons niet zo doen walgen. [1946]

undefined

Wat de lezer ook kan, laat dat aan de lezer over [1948]

undefined
Ludwig Wittgenstein, Losse opmerkingen
Een keuze uit de nalatenschap
door George Henrik von Wright
met medewerking van Heikki Nyman

148 pagina’s
De Balie, 1992
inleiding Patricia de Martelaere
vertaling Willem de Ruiter en Wim Stange

Vergeten te bestaan ~ Ger Groot

Wie fictie leest, weet wat daarin verteld wordt ‘niet echt’ is. Toch kan een roman of een kort verhaal enorme indruk maken. En de emoties die dan in de tekst worden geïnvesteerd, zijn wel degelijk levensecht.

Voor een lezer volstaat het dan om te weten dat een boek even heel veel kan betekenen. Of op zijn minst: hopelijk een kans tot ontsnapping biedt; juist doordat het zelf zich even kan verliezen.

Voor een filosoof geldt dat niet. Die wil het waarom begrijpen van het raadsel dat iets bedachts toch als volkomen echt kan worden beleefd. Dat stelde Ger Groot tenminste, in zijn intreerede bij de aanvaarding van het buitengewoon hoogleraarschap ‘Filosofie en literatuur’, in Nijmegen.

Vergeten te bestaan biedt een uitgebreide versie van deze rede. Die bevat een beginselverklaring over wat hij onderzoeken wil, waarin hij nog sterk leunde op observaties van wijlen Patricia de Martelaere.

Zij stelde onder meer dat onze identificaties met anderen nooit sterker zijn dan bij het lezen van fictie. Juist omdat we in het normale leven nimmer zo’n totaal geloof in alles hebben kunnen; omdat die onvoorwaardelijke overgave dan enorme risico’s oplevert.

Dus moest ik het tijdens het lezen van dit boek niet met éen maar zelfs met twee filosofen in innerlijk debat.

En vanzelfsprekend ging ik daardoor enorm tegensputteren, omdat ik nu eenmaal bijna altijd vind dat filosofen met een te beperkte blik naar de wereld kijken.

Zo is vrij simpel te falsificeren dat mijn identificatie met anderen nooit sterker zou zijn dan tijdens het lezen van fictie.

Neem bijvoorbeeld mijn beleving bij het kijken naar een rechtstreekse sportwedstrijd — goed, cynici zullen wielrennen of voetbal ook fictie noemen; vanwege de doping en andere wedstrijdvervalsing; daar gaat het nu niet om.

Als ik tijd investeer in het passief beleven van een sportwedstrijd, is dat niet eens omdat die sport me interesseert — al helpt dat wel, helemaal als ik favorieten kies — maar veel meer nog omdat ik de afloop wil weten.

Hoe gaat het verder? Elementairder vraag om onze eeuwige nieuwsgierigheid op te roepen, bestaat er haast niet, en toch zegt Ger Groot daar niets over.

Tijdens de laatste fase van een wielerklassieker, mits de uitkomst dan nog onzeker is, stijgt mijn hartslag fors en mijn bloeddruk vast ook. Bij het lezen heb ik zulke sterk fysieke reacties nu nooit — vast omdat het gedrukte woord eerst nog een vertaalslag door moet. Terwijl het televisiebeeld veel directer verwerkt wordt.

Een behoorlijk gebrek aan hoe wij mensen denken, is dat dit vrijwel altijd in verhaalvorm gebeurt. En in die verhaalvormen bestaan maar een beperkt aantal lijnen die direct aanvaard worden. Zo moet er innerlijke logica bestaan binnen een verhaal.

En een verhaal moet dus een uitkomst hebben — is er die niet, dan blijft dat een tergend gemis; een mechanisme dat de massamedia maar al te handig uitmelken.

Zo zeer hangen wij zelfs aan een innerlijke logica, dat die telkens als verhaal kan worden geprojecteerd op de werkelijkheid. Daardoor denken we te makkelijk in reeksen van oorzaak en gevolg. En daardoor is ons benul van risico’s bijvoorbeeld zo slecht — risico’s gaan zo gauw tegen de intuïtie in.

Bovendien, fictie wordt niet alleen gecreëerd door schrijvers, in romans. Ook religies zijn verhalen, en daarmee fictie. En de grootste schijnwerkelijkheid nog komt van politici, en de media die alleen op hun woorden ingaan, zonder daarbij de daden te wegen.

Is over zulke mechanismen te leren en dus te filosoferen door enkel romans te bestuderen? Ik denk van niet; en dat bewijst boeklog ook. Maar ik heb het hier dan ook makkelijker dan een academicus die zich tot een vakgebiedje moet beperken.

Ger Groot, Vergeten te bestaan
Echte fictie en het fictieve ik
32 pagina’s
Vantilt, 2010