John McPhee
Coming Into the Country

Dit schijnt het meest verkochte boek van John McPhee te zijn. Een onverbiddelijke bestseller, mede door extra goedkope uitgaves als deze paperback.

Maar anders dan de overige titels van McPhee, hier zo vaak lovend besproken, liet dit boek me vrijwel koud. Het bestaat uit drie delen, en aan elk daarvan deugt er iets niet.

Coming Into the Country gaat over Alaska. En het eerste deel beschrijft een kanotocht die McPhee maakte op éen van de talloze wilde rivieren daar. Nu heeft McPhee vaker over kano’s en kanotochten geschreven, en vrijwel onveranderlijk zijn dat de minste gedeelten in zijn boeken. Hij kan, of wil, niet diepgravend over zichzelf schrijven. Dus moet het verhaal over de natuur gaan, om hem heen. Maar hoe indrukwekkend die ook zijn mag, en Alaska is indrukwekkend, aan natuur valt niet veel uit te leggen. Daarom houden zijn beschrijvingen iets leegs.

Het tweede deel van het boek behandelt vooral de vraag waarom Anchorage niet de hoofdstad van Alaska is, en het vrij nietige Juneau toevallig wel. Maar om éen of andere reden ontbreekt dan de luchtigheid die nodig is om dit onderwerp verteerbaar te houden.

Verreweg het dikst is het derde deel, dat op zich ook het boeiendste thema heeft. John McPhee bekeek daarvoor wie er in Alaska wonen, en beschrijft daarbij dan natuurlijk het liefst de mensen die van elders komen, om zich vervolgens in het midden van niets te willen vestigen.

En in Alaska is er nogal veel van al dat niets.

Om éen of andere duistere reden lukt het McPhee niet om een interessante vorm te geven aan de bonte verzameling individuen die aan mij langstrok. Hij kon me al snel niet meer boeien. Dat vond ik helaas vrij ontluisterend.

Wat misschien meespeelde is dat hij in andere boeken zo veel interessanter heeft geschreven over het leven in noordelijke gebieden, als Alaska.

John McPhee, Coming Into the Country
419 pagina’s
Bantam Books 1979, oorspronkelijk 1977

John McPhee
Control of Nature

Voor de vaste volgers van boeklog wordt het saai. Ik las weer eens een boek van John McPhee, en vind het opnieuw nodig dit bij iedereen aan te bevelen. Al denk ik ook dat niet alleen het lezen van dit boek volstaat. Ik heb tenminste nogal wat tijd besteed om bijvoorbeeld via Google Earth de plaatsen te onderzoeken die McPhee beschrijft in dit boek.

The Control of Nature gaat erover wat er gebeurt als mensen zich permanent vestigen in een gebied waar grote risico’s op natuurrampen bestaan. Voor elke Nederlander die achter een dijk woont, is dit een wel bekend gegeven. Op een zeker moment wordt belangrijk dat de mensen ergens kunnen blijven wonen, vanwege hun handel en nijverheid, en andere gewichtige zaken. Dan moet ineens de natuur zich maar aanpassen. En zoals Matthijs van Boxsel al schreef, daarmee wordt een zekere domheid geïnstitutionaliseerd.

McPhee beschrijft drie regio’s in dit boek.

Zijn eerste reportage gaat over de Mississipi-delta, en alle aanpassingen die er nodig zijn om de rivier zo te laten stromen als die stroomt. Zonder ingrepen was waarschijnlijk de zijrivier de Atchafalaya al de hoofdstroom geworden, en had de riverdelta zich 400 mijl naar het westen verplaatst. Tegelijk zorgen alle aanpassingen aan de Mississipi ervoor dat de rivierdijken in bijvoorbeeld New Orleans steeds hoger moeten worden. De rivier heeft door alle menselijke ingrepen stroomopwaarts geen ruimte meer om extra regenval te verwerken. Het waterpeil kan daardoor soms erg snel stijgen. McPhee lukt het heel goed om aan te geven waarom sommige van die merkwaardige keuzes gemaakt zijn zoals ze gemaakt zijn, en waarom die ook verdedigd kunnen worden.

De tweede reportage uit dit boek vond ik het boeiendst. Misschien omdat die over een soort natuurgeweld gaat dat hier niet voorkomt. McPhee reconstrueert daarin een grote vulkaanuitbarsting uit 1973, op het eilandje Heimaey, onder IJsland. De grote lavastromen bedreigen zowel het stadje Vestmannaeyjar als de bijbehorende haven. En dan besluit éen man om te kijken of die muur van lava te stoppen is door daar een waterslang op te richten.

De langste reportage gaat over Los Angeles. De paradox is daar dat mensen daar het liefst op hoger gelegen stukken van de stad willen wonen, vanwege het uitzicht en de schonere lucht. Tegelijk zijn er weinig plaatsen gevaarlijker. De natuurlijke buitengrens van de stad wordt gevormd door de San Gabriel-bergen, en die zijn steil, en extreem bros. Bovendien worden delen van de bosgrond daar na een brand waterafstotend, waardoor de lagen daarboven heel makkelijk kunnen gaan schuiven. Dus kan er na hevige regenval zo maar een lawine aan slurry naar beneden komen, die hele huizen meeneemt. Alleen gaan er soms jaren voorbij zonder dat er iets gebeurt, zodat de bewoners daarboven zich ten onterechte veilig kunnen voelen.

Zoals altijd lukt het McPhee meesterlijk om persoonlijke verhalen te mengen met soms uiterst technische details. En weinig is voor mij prettiger dan om goed schrijven gecombineerd te zien met drama en materiaal dat ook de nerd in mij tevreden stelt.

John McPhee, The Control of Nature
272 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux 1990, oorspronkelijk 1989


John McPhee
Deltoid Pumpkin Seed

Uitleggen waarom dit een bijna perfect boek is, zal waarschijnlijk terloops ook veel zeggen over wat me ergert bij andere schrijvers dan McPhee.

Allereerst heeft The Deltoid Pumpkin Seed een geweldig uitgangspunt. Een groep mannen probeert iets nieuws te maken. In dit geval een luchtschip dat kan dienen als hefplatform om grote lasten te vervoeren. Maar de vorm die ze het schip geven, wijkt enorm af van wat gebruikelijk is — dat wordt het wigvormige pompoenzaadje, uit de titel. Niemand van buiten het team geloof dat zo’n tuig ooit kan vliegen.

Alleen gaat het er tijdens het boek nauwelijks om wat buitenstaanders vinden. Veel belangrijker zijn de technische problemen die overwonnen moeten worden. En dat zijn nu eens echte problemen, geen verzonnen verhaaltjes.

Hoewel McPhee nog wel wat detaillistischer had mogen worden van mij, is deze lange reportage soms heerlijk nerdig technisch. En dit alleen al — dat een schrijver erop durft te vertrouwen dat een lezer de inhoudelijke passages wel aankan omdat ze helder geschreven zijn; of anders gewoon maar moet overslaan — dat McPhee niet op zijn hurken wil zitten, stemt dankbaar.

Helemaal perfect is dit boek niet, omdat McPhee iets over de helft een historisch intermezzo inlast over de geschiedenis van het luchtschip, beginnend bij Graf Zeppelin. Hoe prachtig deze informatie ook is, van mij had die wat organischer in het verhaal geweven mogen worden.

Overigens herlas ik dit boek, als een vervolg op Nevil Shute Norway’s autobiografie Slide Rule, dat ook grotendeels over de constructie van een luchtschip gaat. McPhee noemt dit schip niet, noch dat andere boek, en dat vind ik ergens wel jammer.

Het meest is The Deltoid Pumpkin Seed voor mij geslaagd in de beschrijving van de mannen die aan het project meedoen. Meesterlijk wordt aangeduid wat hun motivatie is. En omdat die niet bij iedereen hetzelfde is, ontstaan daardoor vanzelfsprekend fricties. Technici die een probleem op te lossen hebben, kijken nu eenmaal anders tegen moeilijkheden aan, dan financiers die al hun investeringen zien verdampen. Al is dit boek nog wel het meest een biografie van William Miller; de theoloog die directeur werd van het luchtvaartbedrijf Aereon. De man met de droom goed te kunnen doen in de wereld, met dat spotgoedkope hefplatform in de vorm van een luchtschip.

Het hele boek is éen lange voorbereiding op de laatste pagina’s, als het testschip eindelijk zijn luchtdoop krijgt. Maar het is dan nog steeds maar een schaalmodel, al zit er een piloot in. Er is enorm veel geld meer nodig om een echt hefplatform te kunnen maken. Ook al omdat zo’n luchtschip weleens tweehonderd meter lang zou kunnen worden.

En dan ook brengt McPhee terloops iets in zijn boek aan, dat ik te zelden ergens anders tegen kom. Hij laat zien hoezeer de buitenwereld onder vrijwel alles onverschillig blijft. Kun je nog zo’n goed idee of product te bieden hebben.

Enfin, kom ik toch ook weer bij Shute terug, die zijn autobiografie als motto meegaf dat de reis doorgaans veel interessanter is dan de bestemming.

John McPhee, The Deltoid Pumpkin Seed
184 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux 1992, oorspronkelijk 1973

Max Frisch
Dienstboekje

Deze memoires van Max Frisch over zijn diensttijd bieden een perfecte stem tegen John McPhee’s beschrijvingen van het Zwitserse leger. Waar de Amerikaan veel nadruk legt op de militaire kracht van het land, spreekt die voor Frisch een stuk minder voor zich.

Frisch [1911 – 1991] deed onder meer dienst tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toen Zwitserland wel neutraal was, maar er zeker in mei 1940 met een inval van de Nazi’s gerekend werd. Bleek het nog een geluk dat Nederland en België zo makkelijk vielen, zodat de Duitsers Parijs ook konden innemen zonder dat daar een tweede aanval vanuit de Alpen voor nodig was.

Wat Frisch vooral verbaasde, is hoe weinig hem eigenlijk bijstaat van al die dagen onder de wapenen, keurig in zijn dienstboekje vastgelegd. Die tijd was blijkbaar voornamelijk lege tijd.

Nu koos hij er voor gemeen soldaat te blijven. Kanonier. Waar hij gezien zijn universitaire opleiding — eerst Germanistiek, later architectuur — makkelijk officier had kunnen worden. Iedereen waar hij in het dagelijks leven mee omging, hoorde ook tot die andere kaste.

Zonder dat hij die keuze motiveert, Frisch schreef dit boek ruim dertig jaar na dato, is er wel ruime aandacht voor wat het betekent geen verantwoordelijkheid te willen dragen. Want, daar had Frisch toch zo zijn moeilijkheden mee. Als student was hij zo veel minder gewend om blind te gehoorzamen dan de medesoldaten, die meteen na hun school waren gaan werken.

En toch is gehoorzaamheid de basis van het soldatenbestaan, al heet gehoorzaamheid in het leger dan discipline. Max Frisch erkent al die jaren erg gehoorzaam te zijn geweest — dat was makkelijker, en in zijn eentje had hij toch geen verschil kunnen maken.

Boeiend aan deze memoires zijn daarom vooral de vragen die Frisch zich stelt over nut en noodzaak van het leger. Hoe was het bijvoorbeeld gegaan als de Nazi’s wel waren binnengevallen? Vanuit de bergen was natuurlijk perfect guerrilla te voeren geweest, maar hoe groot was de haat tegen de Duitsers nu werkelijk? En in de Zwitserse samenleving dan?

Al met al is dit fragmentarische boek vooral een persoonlijke zoektocht op meerdere niveaus naar wat het betekent om een land te moeten verdedigen. Want, wat wordt daarmee eigenlijk verdedigd dan? Als een land zo militaristisch, en daarmee anti-democratisch is?

Max Frisch, Dienstboekje
102 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff, 1984
vertaling van Dienstbüchlein, 1974

John McPhee
Founding Fish

Er bestaat ook een ingekorte versie van dit boek, met de titel The American Shad. Misschien moet ik nog eens onderzoeken welke hoofdstukken daar precies instaan. Het is namelijk erg begrijpelijk om The Founding Fish in te korten. Tegelijk belooft de titel van die compacte versie niet veel goeds.

The Founding Fish lijdt in de eerste helft in het enorme euvel dat het telkens te veel over hetzelfde gaat voor de lezer die McPhee leest om McPhee, en niet om zijn onderwerp. Ik heb niets met hobbyvisserij. Dat blijkt ditmaal een niet geringe handicap te zijn, terwijl de kracht van John McPhee normaal nu juist is dat hij zo interessant schrijft over schijnbaar onnoemlijk saaie thema’s.

Sinds de eerste lezing, jaren terug, me danig teleurstelde, luidt mijn samenvatting van dit boek wat geringschattend: John McPhee gaat van werkelijk elk pisriviertje aan de Amerikaanse Oostkust na of er shad in voorkomt.

Die shad heet in het Nederlands trouwens elft, en komt in Europa nauwelijks meer voor.

De elft is dan weer nauwe familie van de haring, en heet in sommige dialecten ook wel koningsharing vanwege zijn grootte. Bijzonder aan het beest is dat het in zijn eerste levensjaren regelmatig van zoet rivierwater naar zee verhuisd, en dan weer terugkomt om te paaien. In die zin is de vis te vergelijken met de zalm, en ook weer helemaal niet. McPhee doet zijn best om tot in het treurigste detail uit te leggen wat er nu uniek is aan de elft.

Daaruit begrijp ik dan vooral dat zwaar voor hem meeweegt dat de vis zo moeilijk te vangen is met hengel en haak.

Dit boek werd tijdens mijn tweede lezing nu gered door de cultuurgeschiedenis erin. Interessant is bijvoorbeeld dat al heel vroeg aan behoud van de soort werd gedaan, op sommige plekken. Er was lang geleden al sprake van overbevissing. Boeiend vind ik ook de beschrijvingen van de plaats die vis innam in het Amerikaanse menu. Zo nam de populariteit van de shad als volksvoedsel enorm snel af in de jaren dertig van de vorige eeuw, waarschijnlijk omdat de vis toen ineens te gratig werd gevonden.

Goed, dat is dan een feitje dat me misschien nog even bijblijft. En ook is wel aardig om te weten dat vissen door biologen altijd naar links kijkend worden afgebeeld, zoals op de kaft van dit boek gebeurde. Maar het is tekenend dat mij dit verteld moet worden. Alleen wie nooit naar afbeeldingen van vissen kijkt, weet zoiets niet.

John McPhee, The Founding Fish
358 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux 2003, oorspronkelijk 2002

John McPhee
In Suspect Terrain

Nederland is wat de naam zegt. Laagland. Een oneindig laagland. Slib van een rivierdelta. Restjes van elders dus. Geologisch gezien vrijwel oninteressant. Op de schaarse uitzonderingen na, waar gletsjers heel vroeger het landschap hebben gevormd.

Ik vraag me af of geologie hierom een wetenschap is waarmee ik weinig affiniteit krijg. Het land om me heen werd door de mens gevormd. Niet door natuurkrachten. Nederland leren lezen, is studie maken van de aanwezigheid van mensen daar, door de eeuwen heen.

Het is moeilijk in rotsen en aardlagen geïnteresseerd te raken voor wie vooral moeras en stinkend veen om zich heen ziet.

Tegelijk houd ik het idee heel wat te missen door zo weinig van geologie af te weten. Die biedt tenminste geschiedschrijving in het groot. Miljoenen jaren zijn niets. En als het beter uitkomt voor je theorie kun je als geoloog desnoods hele continenten verplaatsen.

Vandaar dat ik ooit heel blij was met de kennis dat John McPhee liefst drie boeken over geologie heeft geschreven. In Suspect Terrain is daarvan het middelste.

McPhee schrijft namelijk helder genoeg om ook het onbegrijpelijke niet helemaal abstract te laten lijken. Zijn enthousiasme werkt daarbij vaak aanstekelijk.

En toch had ik ook bij de tweede poging heel veel moeite met dit boek. Dit komt vooral omdat een film, of een geïllustreerd boek me zo veel meer hadden verteld dan alleen de tekst kan.

Ik had telkens grote moeite met paragrafen waarin kennis opgestapeld werd die ik niet bezit. En het boek staat daar vol mee, omdat het zo veel beschrijvingen bevat:

“Note the fining-upward cycles,” Anita said. “Those are crossbedded sandstones with mud clasts at the base, rippled to unevenly bedded shaly siltstones and sandstones in the middle, and indistinctly mud-cracked bioturbated shaly siltstones with dolomite concretions at the top.” [95]

Nochtans is dit in opzet en uitvoering een bijna belachelijk simpel boek. McPhee ging enkele malen op pad met de geologe Anita Harris — beginnend in New Jersey — en die las voor hem het landschap; en verklaarde daarbij hoe dit gevormd kon zijn.

Nu ja, ik ken dat landschap niet. Woorden schieten ook daarom tekort. Mijn voorstellingsvermogen kan mijn lacunes in kennis niet aanvullen.

Dus blijft er weinig hangen van dit boek. Behalve dan dat me bij eerste lezing niet was opgevallen dat het uit verschillende reportages bestaat, en de tekst daarom wat overlappingen bevat.

Wel maakte Anita Harris’ weigering indruk, om geologie alleen uit plaattektoniek te willen verklaren — of Wegener’s theorie van de driftende continenten. Omdat ze vrij eenvoudig aantoont dat dit heldere concept zo veel onnozele wetenschap oplevert. Lang alles niet wat bestaat is te verklaren vanuit éen verklaring alleen.

John McPhee, In Suspect Terrain
200 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux 1991, oorspronkelijk 1983

John McPhee
John McPhee Reader

Een jaar of tien geleden raakte ik even hevig in John McPhee. Dankzij internet waren zijn boeken ineens rechtstreeks te bestellen, en nooit ben ik dankbaarder geweest niet meer van schimmige importeurs afhankelijk te zijn, die zelden iets leverden.

McPhee heeft alleen éen nadeel. Of eigenlijk twee. Zijn reportagewerk is te goed. Boeken van andere schrijvers worden nogal bleek en saai naast de zijne. Bovendien is het als journalist niet fijn om te beseffen dat geen Nederlands blad ooit een reportage van 20.000 woorden zal afdrukken. Zelfs niet als McPhee die geschreven heeft, laat staan dan een mindere auteur.

Zelfs al zou je hem willen navolgen, dan is dat alleen in boekvorm mogelijk. Wat het probleem oplevert dat én de financiering van de reportages, én de financiering van het schrijfwerk een toer wordt.

Toch vind ik het niet overdreven om hem een directe bron van inspiratie te noemen.

Ik ken geen auteur die zo goed mensen beschrijft, en tegelijk zo veel exacte feiten in zijn verhalen weet te stoppen. Neem nu deze bloemlezing, die ik nooit eerder las omdat ik een groot deel van de twaalf hierin geselecteerde fragmenten al uit de boeken ken. Zelfs in zijn allereerste reportage, over een veelbelovende basketballer, gaat het McPhee er niet alleen om wat dit nu voor man is. Hij probeert ook te analyseren wat er trainbaar is aan diens vaardigheden, en wat uniek.

Een verhaal over een kanotocht gaat ook over natuurbeheer.

Het portret van de museumconservator Thomas P.F. Hoving gaat ook over de kunsthandel, en de trucs die vervalsers toepassen. Zo heeft Hoving weleens oud ivoor vervalst, om te kijken of dat kon. Waarbij het patina van de ouderdom te benaderen was door het ivoor een hele tijd langs zijn dijbeen te wrijven. De meeste experts geloofden in de echtheid van het eindresultaat.

Deze bloemlezing heeft als aardig extraatje een introductie van William L. Howarth, die me voor het eerst meer inzicht gaf in McPhee’s werkmethoden. Niet dat daarmee het geheim nu ontsluierd is, iedereen moet nu eenmaal zelf uitvinden hoe die het beste schrijft. En goed kijken kan misschien wel niet eens worden aangeleerd. Maar John McPhee is niet gul met interviews. Bekendheid zou hem maar hinderen in zijn werk. Daardoor is werkelijk alle informatie over hem schaars.

Alleen die keuze zegt al veel.

The John McPhee Reader
Edited by William L. Howarth
387 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux, 1976


John McPhee
Levels of the Game

Het werd tijd om weer eens een McPhee te lezen. En omdat de US Open tenniskampioenschappen begonnen waren, moest deze dan maar. Zelfs al zal Levels of the Game weinig te maken hebben met hoe de tennissport tegenwoordig bedreven wordt, met alle commercie eromheen, het boek heeft een kern die universeel blijft. Als de tegenstanders in een spel fysiek van een gelijk niveau zijn, begint de psychologie een rol te spelen.

McPhee beschrijft in dit boek éen wedstrijd — beginnend met de eerste opslag, en eindigend met het winnende punt. Die wedstrijd is de halve finale van de US Open in 1968 waarin de Nederlander Tom Okker niet uitkwam, maar er twee Amerikanen tegen elkaar speelden. Dat waren Arthur Ashe, en Clark Graebner. Beiden geboren in 1943. Beiden op dat moment amateursporters.

Ashe was luitenant in het Amerikaanse leger. Graebner werkte als vertegenwoordiger in papier.

Ik weet niet of John McPhee het hierom gedaan heeft, maar aan die halve finale tussen Graebner en Ashe kleeft nogal wat symboliek. Zeker was dat de wedstrijd een Amerikaanse finalist zou opleveren, voor de eerste US Open waaraan zowel professionals als amateurs meededen. En dan was er nog het gegeven dat Ashe met een houten racket speelde, en Graebner met staal. Of dat het jaar 1968 is, Martin Luther King net doodgeschoten was, en Ashe weleens anonieme telefoontjes kreeg van ouders die hem verweten al te leuk op de tennisbaan te huppelen, terwijl hun kinderen doodsgevaar liepen in Vietnam.

Arthur Ashe was zwart. Dus afkomstig uit een omgeving waar niet getennist werd. Omdat tennis een lelieblanke sport was. En nog altijd is.

Terwijl Graebner alles van zijn vader had geleerd; hoewel die hem hoogstens wat had willen bijbrengen waar hij zijn hele leven plezier van zou kunnen hebben.

Ashe was de stilist. Graebner de hardhitter; de man met de snelste opslag van het circuit.

Graebner baseerde zijn strijdplan op het gegeven dat Ashe vaak onmogelijke ballen maakte, maar de makkelijke punten liet liggen. Ashe vond dat Graebner een stijve, en blank Republikeinse vorm van tennis speelde.

Knap blijft hoe McPhee in zijn vertelling telkens naar de tennisbaan brengt, waar die wedstrijd bezig is, en zich er ook weer van verwijderd, voor een groter perspectief. Voor sommigen is Levels of the Game alleen daardoor al het ultieme sportboek.

Ik vind het zeker goed, en knap. Maar wat dit boek toch ontbeert, is waar McPhee niets aan kon doen. De wedstrijd zelf eindigde al na vier sets, en was na de derde set niet spannend meer. De latere finale tussen de winnaar en Tom Okker nam wel vijf sets in beslag. En daarom fantaseer ik toch weer even wat de tegenstelling tussen deze twee spelers aan boek had opgeleverd.

John McPhee was vast een stuk bekender geweest in Nederland had hij die finale beschreven.

John McPhee, Levels of the Game
150 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux 2000, oorspronkelijk 1969

John McPhee
Looking For a Ship

Ik moet ontstellend veel boeken hebben gelezen over varen. Al zullen dit vooral jeugdboeken zijn geweest, met lectuur die ooit verantwoord werd geacht. Boeken vol met ferme jongens, stoere knapen. Boeken ronkend van de blinde verheerlijking, blatend over de glorie van de Hollandsche driekleur, en de zegeningen daaronder gebracht in de Oost.

Op mijn Lagere school stond nog gewoon propaganda in de kast. Zoals die boeken over varen. Zoals De held van de Spionkop — waarin de wandaden van de Britten tegen de Boeren in Zuid-Afrika breed zijn uitgemeten. Dat de Nederlanders tezelfdertijd nog wreder oorlog voerden in Atjeh paste in een jeugdboek niet.

Maar wie heb ik de laatste vijfentwintig jaar nog gelezen over de scheepvaart, dan misschien Biesheuvel en Alberts? Terwijl een vrachtschip, met zijn relatief kleine bemanning, en de beperkte ruimte aan boord, op zich een ideaal decor is om ergens een drama te plaatsen.

Deze omslachtige inleiding dient om uit te leggen waarom deze lange reportage van John McPhee me dubbel melancholisch maakte. Het is al een boek over het mogelijke einde van de Amerikaanse koopvaardijvloot. Maar voor mij woog nogal mee dat hij een wereld beschreef die ik kende, en waar me vooral leugens over zijn verteld.

Tegelijk, wat een rijk boek is ook deze McPhee weer.

John McPhee reisde eind jaren tachtig als betalend passagier mee op de Stella Lykes, op een maanden durende trip langs havens in Zuid-Amerika. Onderweg zijn er piraten, verstekelingen, en is er mechanische pech. Onder meer.

Mij lijkt het geen toeval dat het boek eindigt als het schip zonder motorkracht ronddobbert, omdat er water in de diesel kwam. En voor het eerst vind ik een stilistische vondst van McPhee wat te zeer opgelegd. Alsof daarvoor al niet duidelijk was geworden met hoeveel problemen de Amerikaanse koopvaardijvloot te kampen heeft.

Het boek begint ermee als éen van de twee hoofdrolspelers probeert aan te monsteren op een schip. Maakt haast niet uit welk schip. Hij is al bijna een jaar zonder. Volgens de regels van de vakbond komt hij daarom eerder voor een plek in aanmerking dan iemand die korter zonder schip heeft gezeten. Maar duurt het bestaan aan wal langer dan een jaar, dan verliest hij al zijn voorrechten weer.

Blij monstert hij aan op de Stella Lykes. Al is het schip onderbemand, zoals de hele Amerikaanse vloot, al is de gemiddelde leeftijd van de bemanningsleden tegen de zestig.

Voor reders pakt het inmiddels nu eenmaal goedkoper uit om schepen onder een de vlag van een derdewereldland te laten varen. Liggen de salarissen een heel stuk lager, kost de verzekering ook heel wat minder.

Onvergetelijk wordt mede daarom de figuur van de kapitein van de Stella Lykes. Overgrootvader is hij inmiddels, en toch zal deze Paul McHenry Washburne nooit een bestaan aan de wal kiezen. Op zijn verplichte vakanties doet hij niets anders dan wachten tot hij weer varen kan. Nu ja, en golfen. Al heeft hij voor niets in het leven een liefde zo groot als zijn haat tegen golfen is.

Maar zijn generatie en die daarop nog volgde, lijkt toch een laatste te zijn. Dan blijven enkel nog hun portretten over. En hoe meesterlijk de levens van de zeelui ook zijn vastgelegd door John McPhee, bijna lezen ze als in memoriams.

John McPhee, Looking for a Ship
242 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux 1991, oorspronkelijk 1990

John McPhee
Oranges

Dit bleek weer eens een kort, maar bijna perfect boek van John McPhee te zijn. Dat is een auteur die er als geen ander in slaagt een onderwerp uit te kiezen dat te saai voor woorden lijkt, om dit vooroordeel al in de eerste pagina’s te ontkrachten.

Ik weet nu dus even alles over de sinaasappel; althans wat er over te weten was in 1966. En afgezien daarvan is me een stevige dosis cultuurgeschiedenis aangereikt. Inclusief de observatie dat ons koningshuis alleen Van Oranje heet, omdat de oorspronkelijke naam van dat Franse prinsdommetje zo leek op een later geïmporteerd woord voor een citrusvrucht.

Fruit is een merkwaardig soort leven. Stop een zaadje van een sinaasappel in de grond, als er tenminste zaadjes van zijn, en het kan tot van alles ontkiemen. Een boompje met limoen, citroen, grapefruit, en heel soms zelfs met sinaasappel. Al hoeft dat niet dezelfde soort te zijn. Fruitbomen in een commerciële bongerd bestaan daarom uit takken die geënt zijn, op de stammen van andere bomen.

Ook leerde ik dat sinaasappels slechts oranje worden, als het ’s nachts koud genoeg is geweest — maar ook weer niet te koud. Een oranje of groene schil zegt niets over rijpheid of smaak. Maar onze perceptie is zo anders, dat de vruchten alleen daarom maar soms oranje worden geverfd.

Goed, het gaat natuurlijk niet om zulke feitjes. Het gaat erom hoe ze gebracht worden. Terloops. In een verhaal. En hoe zo’n verhaal dan verder opgezet werd en bevolkt is. Maar bij McPhee zit dat altijd wel goed.

John McPhee, Oranges
149 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux 2000, oorspronkelijk 1966, 1967

John McPhee
Pieces of the Frame

Vervelend aan nogal wat boekbesprekingen elders is dat die weliswaar een samenvatting van de inhoud geven, maar een boek verder niet plaatsen. Weet ik na het lezen daarvan wel iets meer, maar niet het belangrijkste. En dat belangrijkste is heel egoïstisch gesteld: interesseert het mij ook?

Van John Mcphee kan ik waarschijnlijk blind alle boeken bestellen die hij ooit geschreven heeft, maar toch merk ik eerst de titels te willen lezen die gaan over wat mij het meest interesseert. Dus had het nog jaren kunnen duren voor ik dit boek in handen had gehad. Het omslag is namelijk non-descript; en de inhoudsbeschrijving rijkelijk vaag, omdat er een hele reeks reportages in staat. Gelukkig daarom dat in The John McPhee Reader niet alleen twee opvallend goede stukken uit dit boek prijkten, maar achterin ook een bibliografie werd opgenomen, waaruit bleek hoe veel werk er in Pieces of the Frame verzameld werd.

En het is natuurlijk wel interessant om de meester van de lange reportage ook eens aan het werk te zien op de korte baan.

Deze bundel bevat misschien daarom wel een paar atypische McPhee-verhalen. Als de ruimte noodgedwongen wat ontbreekt om achtergrondinformatie te geven, worden zijn verhalen meteen vlakker. En daarmee normaler. Een reportage zoals die waarin McPhee met zijn dochtertjes op zoek gaat naar het monster van Loch Ness is aardig, maar er staat tegelijk niets in dat beklijft.

Interessant vind ik deze bundel vooral om McPhee’s experimenteerdrang met de narratie, waarmee een paar keer duidelijk van alles wordt geprobeerd.

Toch is memorabel aan dit boek dat er weer een paar langere stukken in staan, die op éen of andere manier een kern weten te raken over een onderwerp, die ik nog niet eerder zo beschreven zag. Het meest viel mij dit op aan de reportage ‘Centre Court’. Daarin beschrijft McPhee het toernooi van Wimbledon, in 1970. Mooi daarin is aan de ene kant het tijdsbeeld. Het tennis is net een professionele sport geworden, waardoor het duidelijk nog wennen moet dat de spelers reclame dragen. Tegelijk schaaft een groot kampioen als Rod Laver zelf, al televisiekijkend, het handvat van zijn houten rackets nog bij tot die een lekkere greep hebben. Er zit veel heden in dat verhaal, en tegelijk toch ontwikkeling, omdat er nog vrij veel over het verleden wordt verteld. Maar bovenal slaagt McPhee erin wonderbaarlijk goed om vast te leggen wat het dagelijkse bestaan van een topsporter inhoudt, zonder daar nu dramatisch over te doen. Dat maakt een op zich achterhaald verhaal uit 1970 merkwaardig genoeg opvallend tijdloos.

Prachtig vond ik ook de reportage ‘Firewood’, vanwege de onderkoelde humor daarin. Weer is het een verhaal over een schijnbaar onbetekenend onderwerp, en toch slaagt McPhee er opnieuw in om aan te geven dat in werkelijk alles een goede reportage zit, voor wie maar kijken kan.

Tijdens de oliecrisis begin jaren zeventig ging New York ineens massaal over tot het stoken met hout, wat maakte dat ook de prijzen van brandhout exorbitant stegen. Dus werd het ineens populair om buiten de stad concessies te huren, om zelf bomen om te zagen in het bos. Nu is houthakken zelfs voor de professionals een doodlinke bezigheid. McPhee ging dus eens kijken wat er gebeurde als een stelletje stadsbewoners dit deed.

John McPhee, Pieces of the Frame
308 pagina’s
Noonday 1989, oorspronkelijk 1975


John McPhee
Pine Barrens

The Pine Barrens bevat een serie reportages, die John McPhee schreef over een afgelegen bosregio in New Jersey. Zelden wordt New Jersey als staat gezien, eerder denken mensen erover als de snelweg naar New York toe. En in die tegenstelling zit dan ook de voornaamste attractie van dit boek. Vlak bij de dynamische grootstad bestaat er nog een wereld, die zo geïsoleerd gebleven is dat de mensen er alles op geheel eigen wijze doen.

Nu schreef McPhee de reportages in het midden van de jaren zestig. En dat alleen maakt nieuwsgierig naar hoe het gebied er nu bij zou liggen. Fundamentele veranderingen kunnen zich al in een generatie voltrokken. In het begin van de twintigste eeuw woonden er bijvoorbeeld nog tamelijk veel mensen in de afgelegen regio. De natuur leverde genoeg grondstoffen en voedsel op die elders afzet vond, en er waren zelfs kleine hoogoventjes. Water dat door een dek van afgevallen naalden sijpelt, neemt ijzer uit de aarde eronder mee, zodat ertslagen met weer heel speciale eigenschappen ontstaan.

In het zo vreedzame woud werden nogal wat kanonskogels gegoten voor de Amerikaanse burgeroorlog.

McPhee’s verslagen zijn dan ook vaak reportages over een verdwenen wereld. Hele dorpen bleken al te zijn verdwenen, toen hij kwam kijken. Voorzieningen als scholen, kroegen, of winkels, waren er alleen nog buiten het gebied te vinden.

Maar bovenal is dit een nederig makend boek, voor iemand die ook wel eens een tekst moet schrijven. Want, het lijkt me éen van de moeilijkste schrijfklussen die er bestaat. Maak maar eens een interessant boek over een regio, waarvan de voornaamste karakteristiek is dat die vol staat met overal dezelfde bomen, en dat er nauwelijks meer mensen wonen. McPhee slaagt er schijnbaar moeiteloos in.

John McPhee, The Pine Barrens
157 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux 1988, oorspronkelijk 1968

John McPhee
Place de la Concorde Suisse

Zoals de McPhee’s gaan, is deze wel goed, maar niet uitzonderlijk. Dus vraag ik me af waar die kleine teleurstelling aan ligt. Misschien komt het omdat McPhee eerder een portret schetst van een land, dan van éen of twee interessante mensen daar in. Misschien omdat het jaar van publicatie nog in de Koude Oorlog viel, en er toen een duidelijke vijand was waar een Middeleuropees land zich tegen wapenen moest.

Er wordt me wat te veel gehamerd op de guerrillatactieken die Zwitserland heeft om zich bij een inval te verdedigen. Het boek biedt me te veel feiten, en te weinig mensen om die feiten levend te maken.

Toch was het een gouden greep om na te gaan wat het betekent om een man te zijn in Zwitserland, met een militaire dienstplicht die er dertig jaar duurt. Niet alleen die lange tijd betekent iets — het hele bedrijfsleven en de overheid weet dat hun personeel regelmatig op herhalingsoefening gaat. Maar ook de beslissing die mannen al jong in hun leven nemen, kan hun hele carrière bepalen. Wel officier of niet officier worden? Tot de kaste van de leidinggevenden toetreden, of daar buiten blijven?

Wie voor carrière in de militie kiest, erkent zich daar vele uren extra voor te moeten gaan inspannen. Zelfs een baan in het buitenland komt nog met de verplichting thuis op herhaling te moeten. Wie liever gewoon soldaat blijft, weet dat het veel moeilijker wordt om hogerop te komen bij tal van organisaties.

Dienstweigeraars hebben overigens helemaal geen leven in Zwitserland.

McPhee laat onder meer zien dat top-managers van de grote Zwitserse banken ook een hoge rang hebben in het leger, en dat het ene bestaan invloed heeft op het andere.

Hij laat het Zwitserse bankwezen zelfs beginnen met een soldaat. Eeuwen had het land weinig te exporteren, behalve huurtroepen. Die waren overal in Europa zeer geliefd om hun vechtkracht en organisatie, maar kostten veel.

En wat hij wel probeert, maar waar hij mij wat minder goed in slaagt dan in andere boeken, is om verschillende portretten te maken.

Meest geslaagd is nog dat McPhee op oefening gaat met soldaat Luc Massy. Die is in het dagelijks leven een wijnmaker, met een eigen bedrijf. Veel zin heeft hij doorgaans niet om op herhaling te gaan, zeker niet als het druk is op de zaak.

Het boek eindigt prettig relativerend als Massy met zijn patrouille in een restaurant zit te fonduen, tijdens een oorlogsspel, terwijl over zijn portofoon de ene militaire ramp na de andere gemeld wordt. De soldaten kiezen een toetje, en er valt een kleine atoombom.

Maar onder de officiersportretten is er geen die in het boek een ideale tegenstem geeft aan Massy. Daarvoor blijven die verhalen misschien net te onpersoonlijk.

wordt vervolgd

John McPhee, La Place de la Concorde Suisse
150 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux 1991, oorspronkelijk 1984

John McPhee
Ransom of Russian Art

Sommige waargebeurde verhalen zijn zo merkwaardig dat ze als fictieboek niet hadden gewerkt. Dit boek biedt éen van die verhalen. Het is de opmerkelijke geschiedenis van Norton Townshend Dodge, een uiterst verstrooide college-professor uit de VS, die vrijwel in zijn eentje duizend kunstwerken van underground-artiesten de Sovjet-Unie uit smokkelde. Toen hem dat te gevaarlijk werd, in de jaren zeventig, wist hij via inmiddels gevestigde contacten nog eens 8.000 van dergelijke kunstwerken te verzamelen. Daarmee bezit Dodge de grootste verzameling in de wereld van deze kunst, terwijl die kunst eigenlijk nooit had mogen bestaan.

Mooi aan dit boek is dat het rijk geïllustreerd werd, met kunstwerken uit Dodge’s collectie.

Mooi is ook dat McPhee vreselijk zijn best doet om te begrijpen hoe het kan dat die Dodge zo’n vijftien jaar lang vrijwel ongemoeid verboden kunst uit de Sovjet-Unie kon smokkelen. Daarbij worden de belangrijkste vragen wel gesteld, maar lang niet altijd volledig beantwoord.

Hoe kwam Dodge bijvoorbeeld aan het geld, om in de USSR al die kunst te kunnen kopen? Van zijn salaris als universiteitsdocent had dat toch moeilijk gekund?

En hoe zat het met Dodge en de Amerikaanse geheime dienst? Was hij benaderd? Werkte hij misschien in opdracht van de overheid, en waren daarmee een hele reeks van andere vragen ook te verklaren?

Want, hoe kwamen al die kunstwerken uiteindelijk de Sovjet-Unie uit, terwijl Dodge zei nooit kunst mee door de douane te nemen; om maar nergens op betrapt te kunnen worden…

Maar ondanks de pogingen van McPhee om iets op het verhaal van Dodge af te dingen, is daar gewoon die enorme opslagplaats met alle kunst. En er zijn al die Russen, die in de Amerikaan een Lorenzo di Medici zien. Pas toen Dodge kunst ging kopen, werd er een geldwaarde gekoppeld aan al die kunstwerken die gemaakt werden, enkel omdat ze gemaakt moesten worden. Zelfs al had dit de artiest zware straffen kunnen opleveren. Pas door Dodge zagen de kunstenaars mogelijkheden om wel erkend te worden; zelfs al was dit dan alleen in het buitenland.

John McPhee, The Ransom of Russian Art
181 pagina’s
The Noonday Press, 1994

John McPhee
Roomful of Hovings

Wat me altijd weer opvalt bij het lezen van John McPhee, is de zo hoge en constante kwaliteit van zijn oeuvre. In de jaren zestig schreef hij al minstens even goed als vorig jaar nog. En omgekeerd. Sterker nog, het is zelfs moeilijk wezenlijke verschillen aan te wijzen tussen zijn aanpak toen, en die van nu.

Goed, deze bundel met profielen van verschillende Amerikanen is misschien nog iets meer geworteld in de herkenbaar dagelijkse journalistiek dan zijn latere boeken. McPhee heeft op een gegeven moment wel zo zijn onderwerpen gevonden, en is daar toen niet veel meer vanaf gaan wijken. Dat specialiseren maakt dan verdieping mogelijk.

Maar in A Roomful of Hovings gaat het laatste profiel bijvoorbeeld over een inmiddels vergeten schrijver van reisgidsen. Temple Fielding. Een man die in de jaren vijftig en zestig zo’n invloed had op de reisbestemming van Amerikaanse toeristen, dat bijvoorbeeld de Deense regering hem een tijd gratis onderdak bood, met een ruim dagelijks zakgeld daarbij. Zo’n portret zou McPhee later nooit meer schrijven, en eigenlijk is dat jammer.

Tegelijk had het werkelijk ontroerend prachtige tweede portret, ‘A Forager’, waarschijnlijk zo weer in een nieuw boek van McPhee kunnen verschijnen. In deze reportage gaat de schrijver een week lang op trektocht, met Euell Gibbons. Die had een kookboek geschreven, over wat het land aan werkelijk lekker eten op kan brengen. En dat moet geprobeerd worden, te voet, en in de kano. Ook al is het dan al november, en heeft de natuur misschien niet veel meer aan eetbaars te bieden.

Zo’n verhaal is dan meteen ook drie, vier verhalen ineen. Oppervlakkig gezien gaat het erover wat eetbaar is in de Amerikaanse natuur aan de Oostkust, tijdens het eind van het jaar. Tegelijk vertelt McPhee heel subtiel, in nauwelijks opvallende porties, het opmerkelijke levensverhaal van zijn gids. Daarnaast gaat het ongemerkt ook over smaak, en massaconsumptie. En tegelijk weet de schrijver weer eens de vraag open te houden wat nu normaal is, en wat toch eigenlijk niet.

Van de in totaal vijf profielen is er éen voornamelijk amusant, omdat dit over de beroepsijver gaat van het hoofd grasverzorging bij het tennistoernooi van Wimbledon. Maar dan staat er toch ook weer een reportage in over hoe de Amerikanen in de jaren zestig aan ontwikkelingshulp deden. En dan gaat het bijvoorbeeld ook al over de problemen in Darfur, en de achterliggende oorzaken daarvan.

Over het titelstuk schreef ik elders al eens eerder. Maar ook dat profiel is, door de enorme aandacht voor het juiste detail, een tekst die ik elk jaar probleemloos zou kunnen herlezen. Om er dan toch telkens weer iets nieuws in op te merken.

John McPhee, A Roomful of Hovings
And Other Portraits
238 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux, zonder jaartal, oorspronkelijk 1968

John McPhee
Second John McPhee Reader

McPhee is a master in a genre virtually unknown in the Netherlands: the documentary on paper. He is a journalist — an understated, measured, and precise journalist — but his articles can easily be as long as 30,000 words. Most of them have been published in the New Yorker.

I admire almost anything McPhee wrote since the 1960’s, except for the detailed books on geology, also because of his experiments with the narration. There really is more than one way to tell a story, and John McPhee always gives perfect examples how.

This Reader offers pieces and chunks of articles he wrote between 1976 and 1996. Highlight for me, time and time again, is the story about a bush pilot named John McPhee, who wrote letters to the New Yorker the other John McPhee was ‘using’ his name.

A delight, this anthology.

John McPhee, The Second John McPhee Reader
With an introduction by David Remnick

394 pages
The Noonday Press, 1996

John McPhee
Sense of Where You Are

Iedere schrijver moet ergens mee debuteren, en John McPhee begon met een modern Amerikaans heiligenleven. A Sense of Where You Are beschrijft de tijd begin jaren zestig dat Bill Bradley basketbal speelde voor het universiteitsteam van Princeton. Dit gegeven leverde een wat merkwaardig boek op.

Het grootste gedeelte aan tekst van dit boek bestaat uit een profiel dat eerder verscheen in de New Yorker. Wat er in deze uitgave bij kwam, was de uitleg hoe McPhee van het bestaan leerde van Bradley — die immers maar een studentsporter was in een discipline waarin een imposante profliga bestaat — en ook hoe het de man verder verging.

Een derde van deze herziene uitgave bestaat dan nog uit sportfoto’s met bijschriften.

Dat oorspronkelijke profiel is een imposant werkstuk; voor mij nog altijd een voorbeeld van hoe een sporter geportretteerd moet worden. Met inzicht in al de moeite die hij doet om zijn zo hoge niveau te bereiken en vast te houden, maar ook met aandacht voor diens zwakke punten.

Punt is alleen dat Bradley een griezelig perfect mens blijkt te zijn, zelfs naast de sport, en dit een wat doods boek oplevert in de overige hoofdstukken.

Dat dit nog net geen echte hagiografie is, komt niet eens door McPhee, maar door de aard van de sport die Bradley bedreef. Basketbal is een teamsport, maar een team dat éen heel sterke speler heeft, wordt daar erg makkelijk afhankelijk van.

Basketbal is ook een contactsport. Op de foto’s in het boek speelt Bradley opvallend vaak met een kniebrace, maar in de tekst gaat het nauwelijks over de vele blessures die hij moet hebben gehad.

Basketbal is eveneens een sport waarin contact soms juist niet mag, en dan bestraft wordt met een persoonlijke fout. Een speler mag tijdens het spel hoogstens vier van zulke fouten maken, bij de vijfde moet hij eruit. Bill Bradley maakte weleens een vijfde persoonlijke fout terwijl de wedstrijd nog niet afgelopen was, waarop zijn team het zonder hem moest doen, en dan niet altijd redde.

Dit gegeven brengt nog net wat nederigheid in het boek.

John McPhee, A Sense of Where You Are
A Profile of Bill Bradley at Princeton

218 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux 1988, oorspronkelijk 1965

John McPhee
Table of Contents

Kom bij mij niet klagen dat internet de cultuur verarmt. Zonder internet was er nooit iemand geweest die mij de schrijver John McPhee had aanbevolen. Zonder internet was het onmogelijk om diens boeken aan te schaffen. En dat was voor mij persoonlijk een verarming geweest.

Een deel van mijn werk bestaat uit journalistiek. En dat vak komt met een aantal praktische problemen. Telkens ben ik gedwongen een aantrekkelijke vorm te vinden om informatie te presenteren, om net die tekenende details te kiezen uit een grote verzameling meer. McPhee is alleen al een interessante schrijver om het voorbeeld dat hij geeft van hoe non-fictie geschreven moet worden.

Al blijft het nogal jaloersmakend dat hij reportages van twintig-, dertigduizend woorden kan schrijven. Een van de artikelen uit deze bundel, ‘Heirs of General Practice’, verscheen in zijn geheel in The New Yorker; en is later ook nog apart als boek uitgegeven. Het telt iets meer dan honderd pagina’s.

Dit was het eerste boek dat ik ooit van McPhee las, ruim tien jaar geleden. Sindsdien las ik alles, en inmiddels ben ik aan het herlezen begonnen.

Table of Contents was een goede introductie tot het werk van McPhee. Al strekt zijn belangstelling zich ook uit tot beeldende kunst; en die kant van de cultuur komt niet aan bod in dit boek. Maar mensen staan vrijwel altijd centraal, en in deze bundel komt een aantal van de boeiendste mensen voor uit het hele werk van John McPhee.

Zo is daar die andere John McPhee, een bush-piloot uit Maine, die er per brief bij The New Yorker over klaagde dat iemand zijn naam misbruikte. Deze McPhee werkt als natuurbeheerder. De andere schreef kritisch over het natuurbeheer, en de eerste werd daar op aangekeken. Beide mannen worden vrienden.

Het boeiendst in deze bundel zijn de verhalen over menselijke ondernemingslust. Zoals ‘Riding the Boom Extension’; het verhaal over Richard Hutchinson, die persoonlijk het elektriciteitsnet en de telefoon aanlegde in het stadje Circle, in Alaska. Of ‘Ice Pond’, het artikel over een systeem om met windenergie water te bevriezen tot ijs; daar grote pakhuizen mee te vullen, en deze zomers te gebruiken als airco.

Eigenlijk vond, en vind, ik ‘Heirs of General Practice’ het minst interessant, hoewel ik het geprezen had als het van een andere schrijver was geweest. Het is erg informatief. Maar in een lange reportage over verschillende plattelandsartsen moet een auteur iets aan zijn personages meegeven om ze memorabel te maken. En al die geportretteerde artsen werden op duur toch wat inwisselbaar, omdat ze nu eenmaal allemaal patiënten behandelen van allerlei aard. In een TV-documentaire was dit niet opgevallen, dan hoeft hun verschijning of manier van spreken niet eerst door dat filter van de interpretator. Maar in een documentaire op papier zijn sommige vanzelfsprekendheden dus aanzienlijk moeilijker vanzelfsprekend te maken.

John McPhee, Table of Contents
293 pagina’s
The Noonday Press 1992, oorspronkelijk 1985

John McPhee
Uncommon Carriers

Nederlandse kranten en tijdschriften hebben éen journalistiek genre totaal genegeerd de afgelopen decennia. En dat is de lange, inzicht verschaffende reportage. Terwijl lezers daar toch grote behoefte aan blijken te hebben, gezien de uitstekende verkoop van boeken als die van Geert Mak, of een Frank Westerman. Boeken die vooral uit goed onderbouwde reportages bestaan.

Nu schrijven beide zeer leesbaar, en maken ze heel aardige dingen. Alleen komen ze nog lang niet in de buurt van de kwaliteitsreportages die John McPhee nu al decennia schrijft. Dit is zijn zevenentwintigste boek.

Eenmaal weer van McPhee’s observaties geproefd, ziet de wereld er daarna rijker uit. Hij slaagt er altijd in het meest alledaagse boeiend te maken; om het gewone van zijn banaliteit te ontdoen, door juist de details te laten spreken.

In dit boek verdiept hij zich in transport en logistiek. En eenmaal met hem in de cabine gezeten van zo’n grote Amerikaanse Peterbilt komt als vanzelf het verlangen om samen het hele land door te reizen. Waarbij zelfs interessant is hoe zo’n enorme vrachtwagen een berghelling afrijdt, zonder te remmen. Of welke invloed dat enorme gewicht aan lading daarachter direct heeft op het rijgedrag. Hoe onwaarschijnlijk dit misschien ook voor u klinkt.

McPhee moet geweten hebben dat zijn reportage over het bestaan van een zelfstandig trucker erg geslaagd was. In het laatste hoofdstuk gaat hij met dezelfde man nogmaals op reis.

Verder zijn er onder meer verhalen over het bulkvervoer met een duwboot, of met een enorm lange kolentrein, en ook een reportage die begint bij de kreeftenkweek en eindigt in de sorteercentra van koerierdienst UPS. Waarbij McPhee terloops even laat zien dat pakjesbezorgers hele diensten van anderen hebben overgenomen, zoals de reparatie van computers.

Al willen lang niet alle bedrijven toegeven dat ze dit werk uitbesteden aan een onderneming die het beter kan.

Toegegeven, McPhee is niet zuinig met het geven van keiharde kennis. Maar dat kan ik alleen maar als compliment zien. Hij neemt zijn lezers serieus.

En het gaat hem nooit alleen om het tonen van wat hij weet. Veel belangrijker zijn de mensen die zijn verhalen bevolken, in hun professionaliteit, en met hun humor.

McPhee dringt zich ook nooit op, zoals een Geert Mak nog wel eens doet. Wat misschien verklaart dat deze bundel éen half-mislukte reportage kent. McPhee beschrijft daarin een kanotocht die hij met zijn schoonzoon ondernam. Weliswaar is de tekening meesterlijk van die vroeger zo belangrijke waterweg waar hij over vaart, maar omdat hij nauwelijks over zichzelf schrijft, zit er te weinig mens in dat verhaal.

Maar de rest van dit boek is zó rijk.

John McPhee, Uncommon Carriers
248 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux, 2007, oorspronkelijk 2006