dit is het dossier:

Gijs van Middelkoop

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

Amerikanen fietsen niet… ~ Gijs van Middelkoop

De Trans Am Bike race is bezig, op het moment van schrijven. Een wedstrijd voor fietsers is dat die zonder enige steun of hulp van buiten op de openbare weg van Astoria naar Yorktown rijden; van het westen aan de Grote Oceaan naar het oosten aan de Atlantische kust. Of andersom. De race begon op 3 juni en de eerste deelnemer moet nog binnenkomen. Wellicht dat de koploper van het moment aanstaande woensdag finisht.

Deze heeft dan 4.300 mijl afgelegd, zo’n 6.880 kilometer. Want de route staat vast. Die rijdt iedereen.

Niet verplicht wordt of deelnemers van west naar oost moeten fietsen, of van oost naar west. Toch blijkt er nu slechts éen rijder te zijn die van de Atlantische kust naar de Pacific gaat. De rest oordeelde dat het gunstiger is om van west naar oost te fietsen. Want dan doemen de ergste bergen het eerst op, en dan bestaat er een grotere kans op windje mee.

En ik moest aan dit gegeven denken bij het lezen van Amerikanen fietsen niet… van Gijs Middelkoop. Waarin de auteur met zijn vriendin Aimée in zes maanden tijd van kust naar kust reed. Van Miami in Florida ging het naar San Francisco, Californië.

Want bij elke beschreven fietsreis speelt namelijk de vraag in hoeverre de avonturen werden opgezocht, of gewoon toevallig gebeurden; dan wel voortkwamen uit domme pech. Al weegt bij zo’n vraag vanzelfsprekend nogal wat projectie van de lezer mee. Ik ben een voorbereider. En in deze eeuw helemaal, nu er zo veel kennis online te vinden is over fietsreizen, zijn er geen excuses als er iets gebeurt dat met wat inlezen of oefenen, een testrit desnoods, makkelijk voorkomen had kunnen worden.

Het reisboek van de gevestigde auteur Peter Delpeut bijvoorbeeld, dat nota bene pretendeert een kleine filosofie van het fietsen te brengen, werd in éen klap onnozel toen bleek dat de schrijver en zijn vriendin er nooit over bleken te hebben nagedacht dat er ook weleens wat stuk kon gaan aan hun vervoermiddel.

En Delpeut’s Grote bocht moet hier wel genoemd worden, doordat daarin een nogal vergelijkbare tocht wordt beschreven van een man en een vrouw, die van oost naar west reden door de zuidelijkste staten van de VS. Alleen vond ik Gijs van Middelkoop’s Amerikanen fietsen niet… als boek een beter boek; ondanks het enorme verschil in status tussen beide schrijvers. Omdat deze auteur tenminste niet pretentieus ging doen over die reis. In plaats daarvan heeft hij enkel geprobeerd hun wederwaardigheden luchtig op te schrijven; wat hem wonderwel lukte.

Het is namelijk vrij belachelijk om per se te willen gaan fietsen in het land van de auto — daar waar fietsers óf geen geld hebben voor een auto, óf door een veroordeling hun rijbewijs zijn kwijtgeraakt, óf dan meteen een dure racefiets hebben waar een beetje renner de Tour de France op zou kunnen winnen.

Gijs van Middelkoop concludeert op een gegeven moment dat hun reis altijd op iets van meewarigheid stuit bij de Amerikanen die ze ontmoeten onderweg. Alsof zij kleine kinderen zijn, met grootse plannen, waarover volwassenen dan niet flauw willen doen.

En goed, dan ontkwam Van Middelkoop evenmin aan de moeilijkheid van dit genre boeken, dat die altijd enkel over de momenten gaan dat er niet wordt gefietst. Alleen een lange etappe over ‘the loneliest road of America’, door de droogte van Nevada, waarin ze die dag 1200 meter hoger zullen eindigen, wordt in redelijk detail beschreven.

Dat levert ook het enige moment op waarop de schrijver hardop reflecteert over dat fietsen:

Natuurlijk, ik snap ook wel dat het met de auto door Utah en Nevada rijden veel gerieflijker, makkelijker, koeler en sneller is. Maar als je negentig kilometer door de bergen fietst, ’s avonds een douche neemt en voor je tentje de natuur in zit te staren, met een bord warm eten voor je neus, voel je je zoveel meer tevreden, zo oneindig veel meer, dan wanneer je zeshonderd kilometer in een auto hebt gereden en daarna te veel eet in een restaurant.

De inspanning lijkt recht evenredig met de bevrediging.

Misschien is het nog wel erger, misschien neemt voor iedere eenheid inspanning, de bevrediging wel met twee eenheden toe.

Er zit nog een aspect aan en dat is zelfvertrouwen. Als je elke dag fietst, voel je dat het menselijk lichaam tot meer in staat is dan je van tevoren ooit hebt gedacht. […]

Dit boek bracht mij in elk geval even prettige lectuur, tijdens de dotwatching van de deelnemers aan de Trans Am Bike race. Want al plaatsen die nog zo veel fotootjes op de sociale media, hun verhalen komen pas later, veel later, nog eens naar buiten. Misschien. Terwijl ik nu net behoefte had aan verhalen over het onderweg zijn in dat enorme land. Verhalen liefst van het soort waarvan ik blij ben ze niet zelf te hebben hoeven meemaken.

Tegelijk, zo bezien bracht Amerikanen fietsen niet… vrij weinig goedkoop leedvermaak.

Gijs van Middelkoop, Amerikanen fietsen niet…
Van Miami naar San Francisco door het land van de auto

191 pagina’s
Elmar, 2015

Japanners komen nooit te laat ~ Gijs van Middelkoop

Twee reizen, in hetzelfde jaar, maakte Gijs van Middelkoop recent met zijn Aimée naar Japan. Bij de eerste trip, naar het zuidelijke deel van het land, gingen hun eigen fietsen nog mee. De tweede keer, toen hun basis Tokyo werd, huurden ze daar wat om op rond te rijden.

En was Japanners komen nooit te laat bedoeld geweest als reisgids, dan zou er mede daarom vast aandacht zijn besteed aan het gedoe dat het is om een fiets mee te nemen op een vliegreis. Elke maatschappij heeft daar zijn eigen regels voor, en bovendien leggen hun employees die op elk vliegveld weer anders uit. Dat is zo wat de enige zekerheid.

Japanners komen nooit te laat was helaas nogal licht aan fietsverhalen — voor mij toch de enige reden om een boek als dit te lezen. Want verhalen van gewone reizigers zijn er al genoeg; ook van auteurs die al uitblinken in andere genres.

Wel komt nog de nuttige informatie langs dat de autoriteiten in Japan in de berggebieden gek zijn op het bouwen van tunnels; ook zonder dat daarmee grote stukken lijken te worden afgesneden. En weinig is er onprettiger dan als fietser door zo’n tunnel te rijden — op een moment tenminste dat die gedeeld moet worden met auto- en vrachtverkeer, en de uitlaatgassen nergens heen kunnen, en al het motorgedaver talloze malen versterkt weerkaatst wordt tegen de wanden.

Alleen hoef je niet naar Japan om de kennis op te doen dat tunnels in de bergen te vermijden zijn.

Nee, Gijs van Middelkoop melkt een andere trope uit in dit boek. Dit is weer eens een verhaal van de vreemdeling in een land ver weg, waar deze plotseling analfabeet wordt omdat daar een vreemd schrift in gebruik is. Houdt de bevolking er ook nog eens andere zeden op na ook. Misverstanden en andere conflictsituaties zullen daardoor automatisch ontstaan.

Zolang de auteur zich daarbij dan maar niet superieur gaat opstellen, en daarbij een zeker talent heeft om zulke gebeurtenissen luchtig op te schrijven, dan kan een reis zonder enige narigheid een aardig boek opleveren. Mag de schrijver zelfs vooral de clichédingen doen die schijnen te horen bij een reis naar Japan.

En Gijs van Middelkoop had zelfspot genoeg om me tot doorlezen aan te zetten. Werd ik me door dit boek er alleen ineens wel bewust van dat veel van mijn kennis over Japan uit boeken komt waarvan de westerse auteur zijn bevreemding daar tot amusement heeft willen maken. Paul Theroux of David Sedaris gingen hem voor, onder meer. En dat zijn nog betere schrijvers.

Gijs van Middelkoop, Japanners komen nooit te laat
Een reis door Japan

268 pagina’s
Elmar, 2016