Aan tafel! ~ Ileen Montijn

Historica Ileen Montijn blikte in dit herdenkingsboek terug op 50 jaar eten in Nederland. Wat kwam er op tafel, hoe ging de bereiding, en waar werd het gekocht?

Omdat het Voorlichtingsbureau voor de Voeding in 1941 werd opgericht, speelt ook de Tweede Wereldoorlog een rol in dit boek. En wat een merkwaardige periode was dat toch. Nooit was er in de recente geschiedenis minder keuze aan eten voor de Nederlanders, en nimmer aten zij gezonder, naar de inzichten van nu. Een beetje eenzijdig alleen, dat misschien wel.

Naast eten gaat dit boek gelukkig ook over koken, over landbouwopbrengsten en wat de winkels in stelling brachten. Over de opkomst van de supermarkt dus, en de intrede van koelkast in het huishouden, of bijvoorbeeld de magnetron.

De nog almaar groeiende populariteit van het eten buiten de deur.

En dan blijken die vijftig beschreven jaren heel veel enorm wezenlijke veranderingen te hebben gebracht. Zo veel zelfs, dat het na het lezen raar aanvoelt dat dit boek maar 159 pagina’s telt.

Ileen Montijn, Aan tafel!
Vijftig jaar eten in Nederland

159 pagina’s
Uitgeverij Kosmos, 1991

Dromenland ~ Ileen Montijn

De columns in deze bundel verschenen eerder in NRC-Handelsblad. Dat was me opgevallen, want ik herinnerde me sommige al eens gelezen te hebben. Toch was het goed ze verzameld te zien; ze winnen bij bundeling. Al speelde bij mijn waardering misschien mee pas nog twee monografieën van Ileen Montijn te hebben gelezen. Als ze in dit boek vertelt over wat haar fascineert, is dat vaak ook te relateren aan wat ik net las.

Zo bekent Montijn geboeid te zijn door sociale verschillen, en wat die verschillen dan zijn, of waren. Welke vragen daarbij kunnen spelen wordt soms al in de titels van de column duidelijk. ‘Is cremeren burgerlijk?’ staat er dan. En het mooiste voor de lezer is het natuurlijk als er op zo’n vraag geen eenduidig antwoord bestaat, en Montijn moet toelichten waarom niet.

Er verandert vaak veel, maar soms ook helemaal niets.

Heel prettig vind ik hoe Montijn het verleden dichtbij weet te halen door een terloops detail. Zoals de opmerking hoezeer iedereen tegenwoordig zich heeft overgeleverd aan de grillen van de mode-industrie. Een armzalig gevolg van de welvaart is dat alleen kleren in de kleuren van het moment te krijgen zijn. Terwijl warenhuizen een eeuw geleden in de eerste plaats nog stoffenwinkels waren, en iedereen wel een beetje kijk op stoffen moest hebben ook.

Ook is daar haar constatering dat het wreed onverdoofde thuisbevallen alleen in Nederland nog populair is, als een residu uit oudere tijden. Toen ziekenhuizen nog besmettingshaarden waren waar patiënten vaker stierven dan beter werden, en de rijken daarom thuis werden verpleegd.

Van de week las ik nog het propagandistische argument van de kraamindustrie in de krant dat baby’s na een thuisbevalling minder allergieën zouden ontwikkelen. Omdat ze dan meteen aan de bacteriewereld in zo’n slaapkamer worden blootgesteld, in plaats van een dag later, na een nachtje in het inmiddels zo steriel geworden ziekenhuis.

Het is misschien wel de taak van een historicus om te laten zien waarom gewoonten zijn zoals ze zijn. Opdat het publiek leert te begrijpen waar het vragen bij kan stellen.

Houd de leugen maar lang genoeg vol en vanzelf wordt die cultuur, heb ik hier vaker betoogd.

Montijn is er heel goed in om te laten zien hoe gewoonten zijn ontstaan.

Ileen Montijn, Dromenland
Stukjes over vroeger en nu

120 pagina’s
Inmerc, 2005


Ik heb nooit iets gelezen ~ Karel van het Reve

Toen ik dit boek voor de eerste keer las, direct bij het uitkomen in 2003, viel het tegen. Ik weet niet meer wat mijn verwachtingen precies waren. Misschien was mijn hoop een nieuwe Luisteraars! te krijgen. Uit dat boek bleek ineens dat Karel van het Reve allerlei columns op de Wereldomroep had voorgelezen die vrijwel niemand kende.

Misschien had hij meer van zulke trucs uitgehaald.

Ik verwachte iets nieuws, in elk geval. En las in plaats daarvan vele fragmenten die ik al uit andere bundels kende van Karel van het Reve. In dit boek waren alleen de aantekeningen erbij gekomen die wel in ‘Hollands Maandblad’ hadden gestaan, maar verder nooit ingeboekt werden.

Maar kijk, een paar jaar verder is mijn parate kennis over zijn oeuvre wat weggezakt. Ineens ook zijn de VS en Nederland heel wat meer politiestaat geworden. En plots vind ik het wel heel erg interessant wat Van het Reve allemaal schrijft. Zelfs als dit over het leven in de Sovjet-Unie gaat. Vooral als het over die periode gaat.

Mede hierom vind ik herlezen belangrijker dan lezen. Ik kan een boek gewoon op het verkeerde moment tegenkomen, en dan verkeerd beoordelen. Daarbij is een onderschatting misschien ietsje erger nog dan een overschatting; als een boek me niets lijkt te kunnen bieden, herlees ik het niet gauw.

Een belangrijke gedachte formuleerde Van het Reve bijvoorbeeld op de pagina’s 133 en 134. Als hij over het mechanisme nadenkt dat journalisten, of historici, altijd een motief toeschrijven aan iedereen die iets opvallends doet. Terwijl schrijvers waarschijnlijk gewoon allereerst willen schrijven, niet eens zo zeer omdat hij of zij per se iets te zeggen heeft.

Al zijn er ook weer auteurs die wel menen iets te zeggen te hebben; dat compliceert Van het Reve’s idee weer wat.

Op bladzijde 243 formuleert hij een paar regels die ik tekenend vind voor zijn inzicht, en ook voor zijn werk:

Mijn nadeel is […] dat ik duidelijk ben. Je kunt wat ik zeg of schrijf begrijpen. En als dat het geval is ben je al half verloren. Ik begrijp het, denkt de lezer of toehoorder, dus kan het nooit wat zijn. Een tweede ding komt daarbij. Anderen zijn imitabel. Zij doen iets, en na een tijdje kunnen hun studenten dat ook. Na een tijdje kan een leerling van Maatje of Sötemann of Fokkema of Ibsch net zo’n boek schrijven als zij. Maar geen van mijn leerlingen zal ooit een boek schrijven zoals ik.

Het is alleen Van het Reve gegeven in zo’n luttel tal woorden te duiden waarom zo veel mensen onleesbaar schrijven, en waarom hun onzin toch bewonderd wordt.

Karel van het Reve, Ik heb nooit iets gelezen
en alle andere fragmenten
384 pagina’s
bezorgd door Ileen Montijn en David van het Reve

Leven op stand ~ Ileen Montijn

Op boeklog zondig ik vrij zorgeloos tegen basisregel nummer éen voor recensenten die in massamedia publiceren. Ik geef hier ook mijn ideeën over een boek weer, als dit het enige is dat ik ooit van een auteur heb gelezen. Terwijl ik daardoor niet weet wat er eigen aan zo’n schrijver is, en wat uniek aan het gelezene.

Maar geen massamedium zal mij toestaan een tien jaar oud boek te recenseren, dat misschien niet eens meer in de handel is, domweg omdat de auteur mij is gaan intrigeren.

Twee boeken heb ik van Ileen Montijn in handen gehad, en dat is genoeg om nu ook verder alles van haar te willen lezen. Zij kijkt op een manier naar de geschiedenis die me goed bevalt. Doordat ze steeds probeert te reconstrueren wat ooit normaal was, en hoe zeer dit toch afwijkt van wat wij in vrij korte tijd normaal zijn gaan vinden. Dit maakt geschiedschrijving zo veel interessanter dan wat standaard aan abstracties in de boeken en canons opduikt; die vervelende politiek altijd, of die toevallige oorlogen. In boeken als de hare wordt het verleden juist levend.

Leven op stand boeit me bijvoorbeeld als het beschrijft wat sociologen ‘gezonken cultuurgoed’ noemen. Wat ooit alleen voor de rijken was weggelegd, kon op den duur iedereen zich veroorloven. Zoals aparte slaapkamers, maar ook verwarming in elk vertrek, of een douche elke dag.

En anders wel: de luxe om met het licht op te kunnen schrijven, zoals nu, omdat het toevallig een erg grijze zondagmiddag is. Want, als iets opvalt aan het leven in de hogere kringen, zoals Montijn dat beschrijft, is dat rijk toen in vele opzichten niet aanvoelt als wat wij als rijkdom ervaren. Ook de gegoede burgerij in Nederland leefde lang erg zuinig.

Mooiste hoofdstuk voor mij in dit boek heeft de fraaie titel ‘pudeur’. Dat gaat onder meer over lichamelijke verzorging, en hoe het zat met de persoonlijke hygiëne een eeuw geleden [onze normen zijn erg veel strikter]. Zo had ik me nooit afgevraagd waarom onze voorvaderen zo verzot leken op het dragen van lange onderbroeken, en wij niet meer. Maar alleen al door Montijn’s uitleg hoe moeilijk het was om bovenkleding te wassen, is me meer duidelijk geworden. Als die wollen of zijden kleding maar niet in aanraking met de huid kwam, kon deze het langer zonder zo’n moeizame wasbeurt doen.

Aan het aloude cliché ‘in geuren en kleuren vertellen’, valt vooral op hoe zelden de reukzin eigenlijk wordt aangesproken in een boek. Montijn bracht die overdracht in dat ene hoofdstuk wel even tot stand. Enfin.

Ileen Montijn, Leven op stand
1890 – 1940

254 pagina’s
Thomas Rap, 1998

Naar buiten! ~ Ileen Montijn

Weten wilde ik waarom zo veel mensen ’s zomers ineens in een tent of caravan kruipen. Wanneer deze waan is ontstaan, en of daar ooit duidelijke redenen voor hebben bestaan.

En weten wil ik dit nog steeds, want de monografie Naar buiten! van Ileen Montijn gaat over iets heel anders. Zij gaat nu juist in op een net wat andere trend. Ooit is namelijk het idee ontstaan dat het leuk zou zijn om permanent buiten de stad te gaan wonen.

Verantwoordelijk daarvoor is een mechanisme dat nog altijd bestaat.

Mensen trekken naar de stad om daar geld te verdienen, zo niet carrière te maken. Zelfs in deze digitale tijden blijft het nodig om anderen daarbij ook echt te ontmoeten.

Maar wordt er eenmaal kapitaal gemaakt, dan heeft het leven in zo’n stad toch ook wel nadelen. Druk is het er. En vies. Niemand heeft er een aardige tuin bovendien.

En dus beschrijft Montijn een hele reeks ontwikkelingen in haar boek, die vooral begin twintigste eeuw plaatsvonden; al lag de start soms al eeuwen eerder. Over de rijken gaat het die vanouds gewoon ergens een buiten kochten, tot de komst van volkstuintjes voor de rest van ons aan de randen van de steden. En werden voor de wat minder gegoede lieden uiteindelijk tuinsteden gebouwd, elders kregen kapitaalkrachtigen hele villaparken ter beschikking op de heide.

Werd dus ook duidelijk hoe enkele kakdorpen in Nederland hun huidige karakter hebben gekregen.

Kwam daar veel later opnieuw een drang bij velen in de steden bij om buiten in een boerderette te willen wonen.

Een nadruk ligt in dit boek op architectuur. En wat ik in elk geval uit Naar buiten! meeneem is hoe in Nederland de welstandcommissies zijn ontstaan, in de jaren dertig. Want, er werd naar de mening van velen te fout gebouwd door degenen die iets buiten lieten neerzetten. Er zaten dan te veel nutteloze ornamenten aan zo’n huis, zoals, och arm, zelfs torentjes. Dit gaf vanzelfsprekend geen pas.

Bleef ik wel met het idee zitten dat er meer te zeggen zou zijn geweest over die drang de stad uit te willen. Maar een boek is nu eenmaal slecht te beoordelen op wat er niet in staat.

Ileen Montijn, Naar buiten!
Het verlangen naar landelijkheid in
de negentiende en twintigste eeuw

205 pagina’s
SUN, 2002

Over de tijd ~ Ileen Montijn

Toen het jaar 2000 naakte, dat zo dramatisch ronde getal, verschenen er aardig wat beschouwingen die als ondertoon hadden dat de tijd onverbiddelijk doortikte.

Gekeken werd er bijvoorbeeld, wat mensen hadden gehoopt dat het magische jaartal zou brengen. En de lol daarvan was dat die toekomstverwachtingen nooit klopten — te zeer gekleurd als ze waren door wat leefde op het moment van de uitspraak.

Het boek Over de tijd van de historica Ileen Montijn verscheen in 1999 tijdens de Wetenschaps & TechniekWeek. Die had dat jaar als thema ‘Tijd. Van even tot eindeloos’.

Dit essay is evenwel technisch noch wetenschappelijk. Montijn mijmert vooral hardop, over een onderwerp waar geen grenzen aan lijken te zitten. Slechts éen constante ziet ze. De tijd komt met veranderingen.

Dan gaat het over zaken als mode, dan komt er langs als dat we ooit allemaal over de jeugd van tegenwoordig zullen klagen. En nog zo veel meer.

Ook zoekt ze telkens hulp bij anderen, die zich met deelaspecten hadden beziggehouden die kleven aan het verstrijken van de tijd.

Zo blijkt de psycholoog W.A. Wagenaar ooit gedurende zes jaar dagboeken te hebben bijgehouden om nauwgezet vast te leggen wat er allemaal gebeurde. Enkel om later te kunnen controleren wat hij het best onthouden had.

En hoewel ik dat als experiment interessant vind, kleven er toch ook bezwaren aan — waardoor ik Wagenaar’s eigenlijke verslag nog eens moet opzoeken. Boeklog werkt nu eenmaal ook als een dagboek waarin telkens mijn ervaringen worden vastgelegd. En daaruit heb ik geleerd dat het opschrijven zowel de herinnering aan een boek kan versterken, als ook helemaal kan laten verdwijnen. Want wat eenmaal genoteerd is, hoeft niet altijd langer te worden onthouden, omdat het gegeven al op schrift bestaat. Bovendien komt het niet zelden voor dat ik dagen later pas besef dat een boeklogje node aanvulling verdient.

Iets noteren, hoe simpel ook, dwingt zich naar een vorm.

Dus hield ik aan dit boek vooral een nieuwsgierigheid over naar waar verwezen werd. En ben ik verder geneigd het als een gelegenheidswerkje te zien, dat past in een hele stroom gelegenheidsuitgaven met een vergelijk onderwerp die toentertijd verschenen.

Waarschijnlijk zal ik vrij gauw vergeten het ooit gelezen te hebben; behalve dan dat dit boeklogje anders bewijst.

Ileen Montijn, Over de tijd
105 pagina’s
Uitgeverij Contact, 1999

Pierre Cuypers ~ Ileen Montijn

Ik had een probleem met dit boek, maar dat lag absoluut aan mij. Ik verwachtte er blijkbaar iets anders van dan historica Ileen Montijn me leverde.

Maar wat waren die verwachtingen dan precies?

Schoonheid als hartstocht is de ondertitel van een vorstelijk geïllustreerd boek over het leven van Pierre Cuypers, die nu vooral nog bekend is als architect met een liefde voor Neo-Gothiek. Hij ontwierp het Rijksmuseum in Amsterdam, en het Centraal Station daar. Hij ontwierp menig katholieke kerk in Nederland, omdat die pas in de negentiende eeuw gebouwd mochten worden. Hij ontwierp dat merkwaardige kasteel de Haar bij Haarzuilens.

Het is het boek bovendien bij een tentoonstelling.

En ik geloof ook niet dat mijn teleurstelling erin zat dat me niet genoeg over Cuypers verteld werd. Ik denk iets aan context te missen. Simpele antwoorden op elementaire vragen, als: hoe werd er eigenlijk gebouwd in de negentiende eeuw? Mijn kennis over bouwkunde is iets te groot om niet te willen vergelijken met toen. Zelfs de beste architect zal soms niet meer kunnen zijn dan een schakel in het geheel. Kan hij nog zulke fraaie ontwerpen maken, kan hij zijn werklieden nog zo inspireren.

Ook werd me iets te weinig duidelijk over hoe Cuypers nu de opdrachten gegund werd die hij kreeg.

Ileen Montijn, Pierre Cuypers
1827 – 1921
Schoonheid als hartstocht

120 pagina’s
Stedelijk Museum Roermond, 2007

Tussen stro en veren ~ Ileen Montijn

Wat ben ik toch altijd blij om een boek te lezen waarin een historicus beheerst een onderwerp uit de cultuurgeschiedenis isoleert, en dat helder behandelt. Dat bed, wat daar niet al over te vertellen is. Bijna ieders leven begint erin, en dat van velen eindigt er ook; al zal dat zelden in precies hetzelfde bed zijn. Om dan nog maar te zwijgen over de tijd die wij allen er slapend in doorbrengen.

Prettig aan dit boek is dat Illeen Montijn veel feiten aandraagt, zoals wanneer huizen aparte slaapkamers kregen, en welke bedden en matrassen wanneer in gebruik kwamen. Maar ook beviel me dat de geschiedenis erdoor gaat leven. Want, niet alleen slapen wij nu korter dan de generaties voor ons, het bed was ooit veel meer dan nu een plek om ziek te zijn en te helen; gezien de primitieve geneeskunde van voor de penicilline.

Alleen, er groeit toch ook ergernis als een historicus beheerst een onderwerp uit de cultuurgeschiedenis isoleert, en ik het idee heb niet het hele verhaal te krijgen. Ook al passen de vragen die bij mij opkomen misschien niet per se binnen de strikte kader van het onderwerp; ze hebben er wel mee te maken.

Goed, dit boekje gaat over het bed, en dus niet over slapen, laat staan al het andere dat onder de dekens plaatsvindt. Maar dan nog. Opmerkingen die bij mij tijdens het lezen invielen, zijn onder meer:

  1. hoe zit het met de wieg, en de geschiedenis daarvan? Ik herinner me te veel verhalen over mensen die als kind in een kastlade sliepen.
  2. zijn er riten om de overgang te vieren van als een kindje uit de wieg naar een ledikant mag, of een nog groter bed?
  3. hoe zit het met die Groninger traditie om kleine kinderen buiten in een soort konijnenhokjes hun middagdutje te laten doen?
  4. het ziekbed apart in de huiskamer, was daar niet meer over te zeggen geweest?
  5. dan was er ook nog die opvallende Friese traditie waarin een meisje en haar vrijer geheel gekleed de nacht, of een gedeelte daarvan, samen in bed doorbrachten. Niet alleen het Franse Hof ontving in bed;

Enfin. Ernstig is het allemaal niet wat ik mis, en toch was het prettig geweest nog iets meer overdonderd te zijn over wat de schrijfster allemaal had uitgezocht.

Ileen Montijn, Tussen stro en veren
Het bed in het Nederlandse interieur

160 pagina’s
Inmerc bv, 2006