Alissa en Adrienne ~ Adriaan Morriën

Hoe uitgevers ook mogen denken over Google Print, ik zou er veel voor geven om de inhoud van al mijn boeken ergens elektronisch doorzoekbaar te hebben.

Dat scheelt zo veel tijd.

Alissa en Adrienne is een boekje met observaties over de dochters van Adriaan Morriën, van toen die nog klein waren. Het zijn de verwonderde en soms geamuseerde waarnemingen van een vader, die vastleggen wilde wat nu juist zo snel verandert.

Ik meende me te herinneren dat Morriën ergens in dit boek opmerkingen over het schrijversschap maakt, geïnspireerd door een kindergesprek dat hij opvangt. De wijsneus en dwarskijker in het gesprek is uiteindelijk toch de kunstenaar, zoiets.

Zo’n citaat was niet te vinden. Zal het wel bij Carmiggelt hebben gestaan, die ook zo liefdevol over zijn kinderen en kleinkinderen heeft geschreven.

Enfin. Een van de observaties uit dit aardige boek dan maar, waarin ik vooral dat ‘vanmorgen ook al’ prachtig vind:

Op een middag kwam Alissa bij mij en zei: Ik ben verliefd.

– Werkelijk? vroeg ik.

– Ja, vanmorgen ook al, antwoordde zij.

Zij vertelde mij dat een jongen uit haar klas haar had gevraagd of zij met hem wilde gaan.

– Wat betekent het, dat een jongen met een meisje gaat? vroeg ik haar.

Zij antwoordde: Zij gaan samen naar een park en gaan daar op een bank zitten.

– Hebben jullie dat al gedaan? vroeg ik.

– Wij zijn wel in een park geweest, antwoordde zij, maar er zaten allemaal oude vrouwen op de banken.

Adriaan Morriën, Alissa en Adrienne
96 pagina’s
Uitgeverij G.A. van Oorschot 1990 © oorspronkelijk 1957

Brood op de plank | 1 ~ Adriaan Morriën

Wat is me bijgebleven van ruim 1250 pagina’s aan kritisch proza, die Adriaan Morriën heeft geschreven tussen 1946 en 1973?

Meer dan het persoonlijke oog van boekbeoordelaar, of diens oordelen in Brood op de plank, viel me het landschap op dat hij tekende. Zou er tegenwoordig bijvoorbeeld nog weleens een criticus zijn die de betekenis van de Nederlandse literatuur, en wat daarin gebeurt, volkomen relativeerde?

Toch is dit wat Adriaan Morriën [1912 – 2002] verschillende malen doet. En natuurlijk was dat met de beste bedoelingen. Zo klaagde hij met regelmaat over het droeve lot van de vertaler, waarvoor zo weinig geregeld is, en die zo weinig verdient.

Tegelijk wordt een cultuur provinciaal zonder de inbreng van vertaalde buitenlandse meesterwerken.

En natuurlijk speelt op de achtergrond van alle opgenomen kritieken mee dat er eind jaren veertig misschien zestig literaire werken uitkwamen per jaar. Dat critici in hun eentje alles op hun gemak konden bijhouden. Of dat Morriën, in het door hem opgerichte Literair paspoort, ook zowat eigenhandig de Duitse en Franse literatuur van dat moment in Nederland kon introduceren.

Tegenwoordig verschijnen er in Nederland zeker zestig romandebuten per jaar op de markt.

Op dit moment is de status van schrijvers ook heel anders. Zoals Hans Vervoort schreef: tegenwoordig moet een auteur zo veel mogelijk op zichzelf gerichte publiciteit zoeken, in plaats een boek de wereld in te sturen, en juist daarmee aandacht op te wekken.

Morriën kon nog in een pamflet over Willem Frederik Hermans schrijven:

W.F. Hermans is een schrijver die van zich doet spreken. Bijtijds heeft hij ontdekt dat men in ons land met de publicatie van gedichten, verhalen of romans niet veel meer bereikt dan de belangstelling en waardering van een klein publiek. Aangezien W.F. Hermans eerzuchtig is en van de literatuur verwachtingen koestert die alleen op andere gebieden bevredigd kunnen worden, zoals in de sport, de politiek, de militaire dienst of het filmbedrijf, heeft hij geprobeerd de aandacht op zich te vestigen buiten deze kleine kring van mensen met belangstelling voor literatuur.

Aanvankelijk probeerde hij dat doel te bereiken door in zijn romans en verhalen ‘schokkende’ zaken te beschrijven en ‘vieze’ woorden te gebruiken. [444-445]

Doordat ik me ging afvragen wat er verschilt tussen het heden, en de perikelen die Morriën beschreef, kregen de twee bundels met kritieken grote waarde als spiegel van een tijdperk. Wat dan weer alleen kon, omdat Morriën zich zo lang in dienst stelde van zoiets ongrijpbaars als ‘een literatuur’.

Adriaan Morriën, Brood op de plank
Verzameld kritisch proza 1

red. Rob Molin
640 pagina’s
Uitgeverij G.A. van Oorschot, 1999

Brood op de plank | 2 ~ Adriaan Morriën

Ik meende altijd dat het oeuvre van Adriaan Morriën [1912 – 2002] wel in éen verzamelbandje paste. Of hoogstens in twee, als zijn poëzie gescheiden zou worden uitgegeven van het proza dat hij schreef, in al die honderden korte losse stukken.

Maar dat was toch niet helemaal waar. Morriën heeft ook een soort schaduwoeuvre gewrocht. Om het geld vooral. Tijdens de jaren dat hij verder niet aan zelfstandig schrijven toekwam, maar voor uitgevers manuscripten las, vertaalde, en daarnaast ook vele recensies schreef.

Een bloemlezing van dat ‘Kritische proza’ werd in 1999 in twee nette deeltjes dundruk uitgegeven. Die vond ik te duur, dus kwam ik er pas toe dat werk te lezen toen die druk verramsjt werd.

Van de bibliotheek lenen had misschien ook gekund, maar boeken met literaire kritieken zijn nu eenmaal geen uitgaven om even snel van kaft tot kaft te lezen. Zo’n boek moet je een tijd kunnen wegleggen.

Interessant aan Morriën is onder meer dat hij betrekkelijk veel schrijvers ‘ontdekt’ heeft, en ook dat hij signaleerde hoe de Duitse literatuur van na de oorlog zich ontwikkelde. Maar daar is meer over te schrijven zijn als ik, bij gelegenheid, ook het eerste deel van Brood op de plank heb uitgelezen.

Ik begon met het tweede, omdat me de vraag intrigeerde hoeveel recensies ik van Morriën gelezen had, toen hij nog leefde. Mij stond bij dat hij voor NRC Handelsblad en Vrij Nederland weleens iets deed. En dat laatste bleek te kloppen.

Deel 2 van Brood op de plank begint in 1958. Het laatste opgenomen stuk dateert uit 1994. Maar het zwaartepunt in dit boek ligt duidelijk op het einde van de jaren vijftig, en het begin van de jaren zestig.

Dus is bijvoorbeeld te lezen hoe Morriën als éen der eersten Ik, Jan Cremer las, en op diens erotische opschepperij reageerde [een woest soort groepsturnen]. Hoe Judith Herzberg debuteerde, of Voskuil. Die daarbij dan wel meteen met Musil wordt vergeleken, zelfs al had hij zich vertild aan de roman Bij nader inzien. Het nawoord uit een verzamelbundel met werk van Jan Hanlo staat erin — éen van de zeer weinige stukken die ik al bleek te kennen. Jonge Duitse schrijvers kregen een introductie. De Franse literatuur werd niet vergeten.

En ook was boeiend om te zien hoe Morriën de klassieker Nooit meer slapen besprak, of welk boek er maar uitkwam van W.F. Hermans, omdat hij nu eenmaal die brouille met hem had.

van belang is niet of een schrijver misantropisch of menslievend is. Van belang is of hij in de werkelijkheid doordring op een wijze die de lezer niet als een moedwillige vereenvoudiging registreert, zelfs al erkent hij ook de werkelijkheid als een illusie. Richard kijkt niet verder dan zijn neus lang is, en hij doet dat met een te grote zelfverzekerdheid. [418]

‘Studies in zelfbeklag’. Over: Een wonderkind of een total loss?

En toch las ik deze verzamelde kritieken niet zo zeer om hun oordelen. Morriën deed namelijk zo af en toe meer algemene uitspraken, over de roman, of over de dichtkunst. En juist die opmerkingen bleek ik te hebben aangetekend:

Kleine volken en haastige tijdperken bezitten het voorrecht van de poëzie, maar missen de steun van een romankunst of een toneeltraditie waardoor men brede lagen van de bevolking voor de literatuur kan interesseren en de literatuur, zoals in Frankrijk, tot een zaak van nationale betekenis kan maken. [164]

scheiding

Niet de regering of de uitgever, maar de schrijver zelf is de Mecenas van de Hollandse literatuur. [241]

scheiding

‘Er zijn geen goede schrijvers’, beweert Hermans aan het begin van zijn boek. Maar enkele tientallen bladzijden verder windt hij zich vreselijk op over de Nederlandse critici die volgens hem de gewoonte hebben elk Nederlands boek met een verwijzing naar een zoveel beter buitenlands boek dood te slaan [312]

scheiding

Poëzie is aan slijtage en veroudering onderhevig. Wat nieuw en door zijn nieuwheid verrassend was, wordt bekend, vertrouwd, achterhaald. [317]

scheiding

Woorden als ‘welhaast’, ‘bijkans’, ‘doorgaans’, ‘steevast’, ‘voorts’, ‘vooralsnog’, ‘in zekere zin’ zien niet van de lucht, afkoelende woorden die in de jaren zestig in zwang waren bij de toenmalige journalisten

Als ik Meijer was zou ik proberen ze af te leren. Een boek knapt er altijd van op als je dergelijke woorden schrapt. [535]

Adriaan Morriën, Brood op de plank
Verzameld kritisch proza 2

red. Rob Molin
710 pagina’s
Uitgeverij G.A. van Oorschot, 1999

Donderslagen op muziek ~ Georg Christoph Lichtenberg

Gemeten naar de Duitstalige boeken in mijn kasten lees ik in die taal vooral chagrijnen. Misschien omdat een stekelige opmerking in het Duits nog net even iets venijniger klinkt.

Humor zoek ik dan vooral weer bij Engelstalige schrijvers. Merkwaardig zijn dat soort mechanismen toch.

Georg Christoph Lichtenberg valt buiten dit soort overwegingen. Lichtenberg is hors concours. Al moet ik nu toch echt eens een mooie uitgave van zijn kladboeken kopen. Dit boek hier is een vertaald bloemlezinkje. Maar mijn Duitstalige versie van de Sudelbücher heeft weer teveel tekst op de bladzijde, en het papier daarvan is te dun en doorzichtig om prettig te lezen.

Lichtenberg leefde van 1742 tot 1799, en was om veel redenen een interessant mens. Een natuurwetenschapper was hij, hoogleraar in Göttingen, met een geweldige nieuwsgierigheid en een uitstekend observatievermogen. Een bij tijden gevierd en geliefd man, maar éen die toch niet in ijdelheid opsteeg. Hij had een bochel, en was mede daardoor nogal klein. Zijn gezondheid was zwak.

Mooi aan de aantekeningen in zijn kladboeken is dat hij éen van ons lijkt. Een tijdloos mens. Een hedendaags mens die met afschuw maar de grillen van zijn tijdgenoten kijkt. Die ziet dat het kerkleiders meer om macht en controle is te doen, dan om zieleheil. Die waarneemt dat wat zijn mede-hoogleraren doen niets met wetenschap te maken heeft, maar alles met hoogmoed.

Ik nam dit boekje weer eens ter hand omdat ik een citaat van hem zocht dat online niet te vinden was. Een citaat over lezen.

Het bleek een uitspraak over leren te zijn.

[…] Ik heb een auteur nooit werkelijk bestudeerd, maar alleen gelezen wat mij aanstond en onthouden wat zich, als het ware zonder mijn toedoen, althans zonder een bedoeling mijnerzijds, in mijn geheugen prentte. Maar omdat ik een zekere mate van zelfwaarneming heb betracht, kan ik misschien in de korte tijd, die ik nog heb te leven, van nut zijn door op levendige en krachtige wijze anderen te zeggen wat zij niet moeten doen. [532]

Maar voor ik deze woorden terugvond, was dit boekje alweer een paar dagen uit de kast. En proefde ik er steeds even van om me aan Lichtenberg’s wit en wijsheid te laven.

Waarnemen is slechts weinigen gegeven, lezen kan iedereen. [716]

Georg Christoph Lichtenberg, Donderslagen op muziek
Een keuze uit zijn kladboeken

213 pagina’s
Uitgeverij G.A. van Oorschot, © 1987
Vertaling en selectie door Adriaan Morriën en Henk Mulder

Ik heb nu weer de tijd ~ Adriaan Morriën

Morriën moest haast tachtig worden voor hij toch een keer een bestseller scoorde. Het deeltje Plantage Muidergracht uit de reeks privé-domein haalde vlot meerdere drukken. Mede daarom kwam er later nog een tweede deeltje privé-domein uit.

Het is ook niet dat Adriaan Morriën [1912 – 2002] daar veel voor hoefde te doen. Alle twee de boeken zijn grotendeels vergaarbakken van wat er al eens was uitgegeven aan persoonlijk gekleurd werk. In dit geval dan nog aangevuld met wat miniatuurtjes uit de krant, interviews met schrijvers, een oud dagboek, en de zoveelste herpublicatie van het pamflet De gruwelkamer van W.F. Hermans uit 1954.

Dat pamflet heb ik inmiddels wel vier keer, terwijl het me niet eens bijzonder interesseert. Noch is mijn Morriën-verzameling bijzonder compleet. Maar blijkbaar vond hij het telkens nodig dit stuk weer onder de aandacht te brengen.

De Morriën die maakte dat mij de schrijver ging interesseren, publiceerde tijdloze korte stukjes in de krant. Zijn manier van kijken trof me daarbij. Omdat die meer deed denken aan de impressies zoals een hele school schilders ooit trachtte vast te leggen op doek, dan wat de meeste auteurs proberen te bereiken met woorden.

Ik heb nu weer de tijd laat zien dat die manier van kijken er altijd al in zat. Tegelijk valt ook op aan de dagboekpassages uit de jaren rond 1950 dat Morriën later een stuk leniger schreef.

Misschien zit her verschil er in dat zijn mijmeringen van later datum voor een publiek zijn geschreven, en dat de wetenschap gepubliceerd te worden hem tot moeite dwong. Publicabele dagboekpassages schrijven, met het idee die veertig jaar later nog eens openbaar te maken, zal niet zo vaak voorkomen.

Mij valt op dat mijn waardering voor Morriën wisselt met de tijd. Het ene moment vind ik hem opvallend goed, om zijn kijken. Dan weer is alleen de blik van die vaak wat te geile man me lang niet genoeg, op zoek als ik op zo’n moment ben naar uitleg, of inzichten. En nog later blijkt hij toch wel weer mooi te kunnen schilderen met woorden, ondanks de beperktheid van zijn onderwerpen.

Ditmaal viel het meest recente werk in deze bundel goed. En vond ik al het vroege opgenomen werk en de schrijversinterviews nauwelijks de moeite van het lezen waard.

Adriaan Morriën, Ik heb nu weer de tijd
311 pagina’s
De Arbeiderspers, 1996
privé-domein nr. 188

Lieve rebel ~ Rob Molin

Deze biografie van Adriaan Morriën [1912 – 2002] heeft éen meteen opvallend kenmerk. Het boek is eigenlijk alleen leesbaar als de biograaf een ander citeert. Zelf schrijft Rob Molin bijzonder vervelend.

Bovendien is dit boek eerder een levenskroniek dan een levensportret. Hoofd- en bijzaken scheiden, is iets dat de lezer zelf maar moet doen. De biograaf heeft zich daartoe niet willen verlagen.

Verder roept dit boek éen vraag op. Molin acht Morriën een schrijver die uiteindelijk gefrustreerd bleef over zijn loopbaan, omdat hij er nooit in geslaagd is om een roman te schrijven. Terwijl verschillende jongere auteurs die Adriaan Morriën hielp, en soms zelfs ontdekt heeft, hun leermeester daarin zo nadrukkelijk overvleugelden.

Zo bezien moeten de vele soms bitse uitspraken van Morriën over de romankunst wel voortkomen uit een drang het eigen onvermogen te overschreeuwen, volgens Molin.

Een roman moet erg goed zijn wil hij leesbaar wezen.

zo schreef Morriën al in de vroege bundel Lasterpraat.

En goed, dan is Adriaan Morriën van alles aan te wrijven. Dat hij indolent was, vaak alleen op deadline werkte, en pas na veel aandrang teksten aanleverde, spreekt allemaal tegen hem. Terwijl het een enorme discipline vergt om zelfs maar een slechte roman te schrijven; zoals hij ook ergens opmerkte.

Alleen ligt daar het simpele gegeven dat Morriën alles gelezen heeft wat er in binnen- en buitenland verscheen, in de jaren veertig en vijftig. En de ideeën van veellezers over de roman zijn zeker niet altijd vleiend — laat staan dat de roman daardoor de meest voor de hand liggende tekst blijft om zelf te gaan schrijven. Deze wetenschap wordt me toch iets te makkelijk genegeerd door de biograaf.

Lieve rebel bleek slechts een boek te zijn dat me eindelijk informeerde over een paar zaken die ik me altijd had afgevraagd. Hoe kwam Morriën zo snel na de oorlog in contact met al die jonge Duitse schrijvers van de Gruppe 47? Hoe zat het nu precies met die incest van hem?[1]

Morriën’s leven bestond uiteindelijk ook negentig jaar uit veel van hetzelfde. Hij hield van de vrouwen, en had telkens vriendinnen. Wat hij publiceerde, kwam vaak terloops tot stand, en mist misschien daarom toch ook meestal iets. Slechts na zijn tachtigste werd Adriaan Morriën nog even weer bekend in Nederland — wat toen zeker ook om zijn leeftijd was. Maar een leven in de marge bleef het.

Rob Molin, Lieve rebel
Biografie van Adriaan Morriën

644 pagina’s
De Arbeiderspers, 2005
  1. Eén van zijn dochters werkte een tijd als prostituee. De andere dochter schreef spraakmakende reportages voor het kappersblad Nieuwe Revu. Dus als vader nu eens als klant bij de ene dochter langs ging, had de andere een mooi verhaal, zo is de mythe — die wat mij betreft net te uitgekookt gecomponeerd is. Ook al omdat deze reportage nooit gepubliceerd werd, vanwege te schokkend, en er dus geen ander bewijs bestaat van deze stunt dan ‘horen zeggen’. []

Plantage Muidergracht ~ Adriaan Morriën

De beide deeltjes privé-domein van Adriaan Morriën zijn merkwaardige boeken, bij tweede beschouwing. Zo staat er nauwelijks origineel werk in. Beide uitgaven zijn voornamelijk gevuld met een selectie van werk dat al eens eerder verscheen, in vaak allang niet meer verkrijgbare titels.

Dus kan de inhoud uit elk decennium na de Tweede Wereldoorlog stammen. Wat dan toch ook weleens stijlbreukjes toont. Morriën werd voor mij pas een schrijver toen hij de ergste maniertjes losliet — en dat was al ver nadat hij de AOW-leeftijd bereikt had.

Vergeleken met de eerste lezing eind jaren tachtig ben overigens ook ik veranderd. Toen kon Morriën me nog schokken met zijn vele sexueel getinte bekentenissen. Inmiddels interesseren mij die nauwelijks nog. De cultuur is op dit gebied misschien ook wel wezenlijk veranderd.

Bovendien, zolang Morriën een vrouw van afstand bewonderde, leverde dat memorabele waarnemingen op. Zodra hij verder gaat, stuit zelfs hij op het probleem dat geen mens goed over sex kan schrijven. Het particuliere genot blijft zo vaak allereerst dat; een persoonlijk plezier; eigengeilerij.

Ook geldt, juist omdat er zo veel vrouwengeschiedenissen zijn, wordt Morriën’s bewondering wat ongeloofwaardig. Even mocht een vrouw dan zijn persoonlijke Godin zijn. Maar daarna was het blijkbaar meestal snel over, en was er hup alweer een ander.

Zowel in Ik heb nu weer de tijd als in Plantage Muidergracht staan verder nogal wat stukken die over schrijvers gaan, of gesprekken met auteurs betreffen. Van dit werk uit de jaren vijftig en zestig blijft merkwaardig weinig over. Of de lezer moet wel een bovenmatig liefhebber zijn van de geportretteerde auteur. Maar juist dan is alles wat Morriën vertelde waarschijnlijk al bekend.

Dus blijkt dat er van die twee deeltjes privé-domein eigenlijk alleen Morriën’s eigen aantekeningen overleven. Daarin toont de auteur zich iemand met een eigen blik, en een opvallend gevoel voor taal. En daardoor is het dus zonde dat die waarnemingen slechts een selectie betreffen uit een groter geheel dat al eens is uitgegeven in een ander boek.

Herlezen is dus soms ook vernietigen. Ooit heb ik de deeltjes privé-domein met een blij gevoel aangeschaft. Nu zie ik nauwelijks reden om de boeken te bewaren.

Adriaan Morriën, Plantage Muidergracht
383 pagina’s
De Arbeiderspers, 1988
privé-domein nr. 145

Vinger van een dooie mof ~ Adriaan Morriën

Morriën schreef een tijd miniatuurtjes voor de achterpagina van NRC Handelsblad. En zo, als de schrijver over het kleine en doorgaans te zelden opgemerkte lees ik hem ook het liefst.

Of beter is misschien: als chroniqueur van de zinnenprikkeling in het alledaagse. Toen hij nog leefde viel hem vaak de kritiek ten deel een vieze oude man te zijn, omdat hij niet nalaten kon te schrijven over wat er mooi is aan vrouwen. Wij staan oudere mannen blijkbaar niet toe die gedachten te uiten.

Literatuurreceptie legt ook voor eeuwig vast waar een tijd zich druk om maakte.

Opvallend voor mij aan dit boek was dat Morriën’s poëzie in deze context, tussen de verhalen en miniatuurtjes door, zo’n stuk vlakker leek dan in zijn bundels. Blijkbaar kan ik niet zo maar poëzie lezen; is er een prozastand waarmee ik boeken doorneem.

Als verzameling vind ik zijn bundel Het kalfje van de gnoe waarschijnlijk rijker, hoewel dit boek mij toch ook weer vijf, zes momenten intens genoegen bood. Die taal! Dat kijken…

Adriaan Morriën, De vinger van een dooie mof
Verhalen, miniaturen, gedichten

238 pagina’s
Uitgeverij G.A. van Oorschot, 1994

Vreemdeling ~ Albert Camus

Adriaan Morriën’s vertaling van L’Étranger is al heel lang in mijn bezit. De uitgave ruikt inmiddels zelfs naar oud boek — andere geurtjes die het had kunnen absorberen uit mijn huishoudens zijn blijkbaar ongemerkt voorbij gegaan.

Ik kocht De vreemdeling nieuw in een tijd dat ik alleen boeken kocht die zich hadden bewezen aan mij. Meer budget was er niet. Maar dat ik een bibliotheek hoorde te hebben, met ‘echte’ boeken, was desalniettemin een gegeven.

Dus is vrijwel zeker dat ik deze klassieker minstens tweemaal eerder las. En voor een zo bekend boek, met een zo beperkt plot, viel bij herlezing tegen wat er van eerdere keren was blijven hangen.

Dat de moeder van de hoofdpersoon was gestorven, wist ik. Maar deze kennis telt niet, omdat de beginregel van L’Étranger in een heel bekende openingspassage staat; ook voor mensen die het boek nooit lazen.

Vandaag is moeder gestorven. Of misschien gisteren, ik weet het niet.

Verder had ik onthouden dat de hoofdpersoon ging zwemmen, dat het boek van een broeierige warmte doordesemd was, en dat het belangrijkste personage een Arabier doodt. Ik meende met een mes. Het bleek met een revolver te zijn; het mes was van de Arabier. Daarop volgde er straf.

Dus, hoewel L’Étranger een relatief kort boek is, waren hele passages totaal uit mijn herinnering verdwenen. Zo neemt de rechtszaak tegen de hoofdpersoon, Meursault, en diens gevangenisstraf vrijwel de hele tweede helft in van het boek in beslag. Daar stond me niets meer van bij. Hoogstens kan ik hopen dat het boek onbewust toch invloed heeft gehad.

Camus’ afstandelijke beschrijving van de hele rechtsgang kwam me in sfeer namelijk wel bekend voor. Hij beschrijft onder meer een verdachte die alles over zich heen laat komen, en een advocaat die heel ingenomen is met de retorische ronk in zijn betoog, daarvoor ook gefeliciteerd wordt, terwijl zijn verdediging nergens op slaat. Er is de vooringenomen aanklager. Er is de partijdige rechter, die ook al heel zeker weet hoe een mens zich hoort te gedragen.

Meursault rouwde niet zoals anderen om de dood van zijn moeder, van wie hij al jaren vervreemd was, en alleen dat al maakt hem tot onmens, en weegt zwaar mee in de rechtsgang.

Ik ben relatief kort rechtbankverslaggever geweest, maar toch lang genoeg om met regelmaat precies dezelfde vreemde mechanismen te hebben zien spelen in zaken. Om waar te nemen hoe iedereen aanwezig volgens starre bekende schema’s dacht. Wat vervolgens twijfel opriep over de juistheid van wat er voor mijn ogen plaatsvond.

Wat me voordien, toen, als jongen, precies in deze roman aantrok, lukt me niet meer om te achterhalen. De roman is in verhaal veel simpeler dan ik toen indrukwekkend vond. Misschien kocht ik het boek wel alleen omdat het volgens iedereen een klassieker was, en het daarom in mijn bezit hoorde te zijn.

Maar ondanks dat ik de inhoud grotendeels vergeten was, lukte het me niet meer de roman onbevangen te lezen. Daarvoor is er te veel kennis over Albert Camus bijgekomen, daartoe weet ik te veel over zijn nadruk telkens op hoe absurd het leven is. Zulke bagage maakt het vervolgens vrijwel onmogelijk nog vrij te manoeuvreren.

Dus bleef er afstand bij deze herlezing. Zag ik heel goed hoe Camus nauwelijks reliëf geeft aan Meursault, door hem niets te laten doen waar hij actief had kunnen handelen. Op wat reacties na dan, waaronder die ene fatale. De schrijver benadrukt ook vooral wat anderen over de hoofdpersoon denken, waardoor dus vooral aandacht uitgaat naar wat hij niet is.

Alleen de kracht van die aanpak al moet andere schrijvers hebben opgewonden toen dit boek pas verscheen.

Albert Camus, De vreemdeling
147 pagina’s
De Bezige Bij 1983, oorspronkelijk 1949
vertaling door Adriaan Morriën van L’Étranger, 1942