‘Alle cultuur is streven’ ~ H.L. Wesseling (inl.)

Eerder kwam op boeklog al de Huizinga-lezing van Rudy Kousbroek langs. Ook werd eens verwezen naar de voordracht die Karel van het Reve gaf. Dus lag het in de rede om te kijken of deze lezingen-cyclus meer spraakmakend materiaal had opgeleverd. En dan het liefst niet door van elk jaar apart het uitgaafje op te moeten speuren.

Deze bundel was wat dit betreft perfect. Het boek biedt een overzicht van wat de eerste vijftien sprekers brachten, vertelt iets over de achtergronden van de cyclus, en H.L. Wesseling geeft in zijn inleiding vaak ook al in bedekte termen een oordeel over het gebodene.

Sommige lezingen waren niet zo goed. Die van Mary McCarthy over de gothiek bijvoorbeeld.

Chomsky gaf de VS weer eens van alles de schuld, op een zo gechargeerde manier dat Europeanen er toch wat vreemd van opkeken.

En Mulisch, ach Mulisch kwam vanzelfsprekend de wereld uitleggen in het ene uurtje dat hem ter beschikking stond. Met alle kul over octaviteit die hem voor mij voor eeuwig hebben gediskwalificeerd als een serieus te nemen schrijver. Ik kan hem enkel nog lezen door in hem een charlatan te zien, die wil kijken tot hoe ver de wereld bedrogen kan worden.

Nu was Johan Huizinga een historicus. Wat er waarschijnlijk toe heeft bijgedragen dat nogal wat historici zijn uitgenodigd in de cyclus van dit boek. En hun lezingen zijn ook vaak het best houdbaar gebleken. Logischerwijs omdat een verhandeling over geschiedenis al gaat over iets dat verouderd is — daar krijgt de tijd veel minder extra greep op. In elk geval heb ik de historici met de meeste plezier gelezen. Zelfs al bracht alleen de verhandeling van Robert Darnton over sprookjes mij ertoe toch eens te kijken wat nog meer van hem te lezen is.

Sprookjes waren nogal wat ruwer, voor ze tot verhaaltjes voor kinderen bewerkt werden. Dat wist ik, in theorie. Maar zo veel ruwer?

‘Alle cultuur is streven’
De verzamelde Huizinga-lezingen 1972 – 1986

352 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 1987

Op het scherp van de snede ~ Jan Hendrik van den Berg

Waar op boeklog ook al niets meer van komt, is het voornemen om eens een maand enkel boeken te lezen die geschreven werden door de familie Van den Berg. Want weliswaar is dit een enorme familie; het Meertens Instituut zet de naam op 4 in zijn achternamen Top 100 [pdf]. Ik kwam in mijn vooronderzoek bedroevend weinig boektitels tegen die ik lezen wilde.

Daar was nooit een hele maand mee te vullen.

Vrijwel het enige boek dat me wel intrigeerde was de autobiografie van Jan Hendrik van den Berg [1914 — 2012]; die plots bleek te bestaan. Deze Van den Berg was een Nederlandse zenuwarts die daarnaast hobbyde in de filosofie. Zo bedacht hij de Metabletica; dat is ‘de leer van de veranderingen in de perceptie, en opvattingen van de mens’. Hub Zwart, die er een boek over schreef, omschrijft Metabletica dan weer als ‘historische fenomenologie’.

Jan Hendrik van den Berg had een publieke bestseller in de jaren vijftig met die Metabletica. Tegelijk veroorzaakte dit boek verwijdering op zijn eigenlijke werkkring, de universiteit. Collega’s groetten hem zelfs niet eens meer op straat.

Het autobiografische gedeelte van Op het scherp van de snede — er staan ook nog vier lezingen in dit boek — is mede daarom wat vreemd van karakter. De auteur lijkt heel zijn leven naar erkenning te hebben gehunkerd; alsof het voor hem bleef voelen dat hij iets extra’s te bewijzen had.

Zo heeft de auteur al zijn academische graden en huldeblijken op de titelpagina vermeld.

Van den Berg stamde uit een relatief eenvoudig milieu in Deventer, en ging in die stad naar de HBS — dat was wel het hoogste wat iemand van zijn stand aankon, zo dacht men toen — terwijl hij dolgraag naar de universiteit had gewild. Alleen liet indertijd de universiteit enkel degenen toe die naar het Gymnasium waren geweest. Dus moest hij na de HBS jarenlang ploeteren om via allerlei leraarsakten alsnog toegang af te dwingen.

Dit gebeurde dan meestal ook nog via onbetaalde betrekkingen. Hij bleef in leven door bijlessen wiskunde te geven.

Dus wordt in de eerste helft van de autobiografie de universiteit bijkans tot een heilig instituut gemaakt. Alle professoren die er werkten, en waar Van den Berg contact mee had, hoe kort en onbeduidend ook, worden genoemd en daarbij eerbiedig aangeduid met hun titel.

Alleen is er vervolgens dus die grote terugslag in zijn leven — toen hij eindelijk zelf hoogleraar was, waar hij zo streberig voor gewerkt had — dat zijn collega’s hem van de ene dag op de andere niet meer zagen staan. Om zijn ideeën nog wel.

Kwam daar later nog de democratiseringsgolf bij in het onderwijs, die van Jan Hendrik van den Berg ineens een wel erg ouderwetse rechtse man maakte.

Wat toen bovendien niet meehielp was dat hij les was gaan geven in Zuid-Afrika, en de apartheid daar niet zonder meer afkeurde — want er zaten ook goede kanten aan het gescheiden leven van zeer verschillende bevolkingsgroepen, volgens hem. Ook die ideeën stonden haaks op de tijdsgeest.

Mij ging het bij deze autobiografie er vooral om te zien hoe Jan Hendrik van den Berg tot zijn Metabletica gekomen is. Niet dat die leer me nu vreselijk interesseert. Ik heb alleen wel als wetenschapshistoricus moeten aanvaarden dat het nut hebben kan om kennis te nemen van de meest dubieuze theorieën. De aanhangers daarvan kunnen namelijk best vragen stellen waar de reguliere wetenschap tot dan wat makkelijk aan voorbij is gegaan.

Van den Berg werd in zijn leven eens getroffen door een overeenkomst waar een ander hem op wees. De ontdekking van de bloedsomloop, en dan vooral de betekenis van het hart daarin, door William Harvey in de zeventiende eeuw, zou samen hangen met de Barok. En ontstond de verering van het Heilig Hart in de Katholieke kerk niet in dezelfde periode? Zulke overeenkomsten konden niet helemaal toeval zijn, zo meende Jan Hendrik van den Berg. Waarop hij zijn theorie een kiem kreeg.

Nu zijn er meer mensen bezig geweest met dit verschijnsel.

Want, zulke parallellen komen veel vaker voor in de geschiedenis. Harry Mulisch heeft daar nog een dik boek over geschreven — dat volgens Jan Hendrik van den Berg duidelijk aan zijn Metabletica ontleend was. Van den Berg moest in zijn autobiografie ook even kwijt hoe het hem stak dat Mulisch daar nooit over heeft willen corresponderen.

Dat de Metabletica als leer verder voor mij oninteressant is, heeft verschillende oorzaken. Ten eerste poogde Van den Berg daarmee de rol van het toeval uit te schakelen. Daar is hij niet uniek in. Wij mensen kunnen slecht met de rol van toeval of willekeur omgaan. Alleen gaat het ontkennen van dat toeval dan zo makkelijk over in de notie dat er iets moet zijn dat…

Of de ontkenning van het toeval leidt al gauw tot waarom-vragen, waar al evenmin een zinnig antwoord op mogelijk is.

Komt daar bij dat Jan Hendrik van den Berg’s ideeën in een filosofische traditie staan, die voor mij een doodlopende steeg gebleken is in de intellectuele geschiedenis. Hij was van de fenomenologie. En Heidegger was zijn held daarbij.

Van den Berg wijdt in de autobiografie ook meer woorden aan zijn kortstondige en eenmalige ontmoeting met Martin Heidegger dan aan elk van zijn vier kinderen, of aan zijn tweede vrouw.

En goed, dan mag ik misschien Heidegger niet elke keer simpelweg afdoen als een zeer foute Nazi, zoals elders op boeklog gebeurd is. Hoewel hij dat wel degelijk was. Er zit in diens fenomenologie alleen eenzelfde fundamentele fout als in bijvoorbeeld alle monotheïstische religie. Die leren zijn te zelfzuchtig antropocentrisch. En dat schiet voor een beter begrip niet op.

Jan Hendrik van den Berg, Op het scherp van de snede
Memoires van een gewraakt schrijver

Aangevuld met vier essays over hedendaagse cultuur
Jacques De Visscher & Hub Zwart (ed.)
260 pagina’s
Pelckmans, 2013

Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap ~ Frits Staal

Ik had goede herinneringen aan dit boek. Maar die bleken meer met mijzelf te maken te hebben dan iets anders. Het was ook al een tijd geleden dat ik deze bundel essays van Frits Staal heb gelezen. Dat moet in het jaar van publicatie, of kort daarna zijn geweest. Midden tot eind jaren tachtig.

Zo was ik inmiddels vergeten dat dit geen monografie is, maar dat Staal een breed overzicht bood van artikelen die hij geschreven had. De lange inleiding tot het boek dient daarbij tegelijk als levensschets, en om de benauwdheid te tekenen op de faculteiten filosofie in het Nederland van de jaren zestig.

Ook geloof ik niet dit hele boek toentertijd kritiekloos omarmd te hebben. Daartoe staan er te veel stukken in over Staal’s werk als sanskritist. En over dit onderwerp volstaat voor mij eigenlijk wat hij daar elders over verteld heeft, zoals in de reeks marathoninterviews. Want meer kennis beklijft toch niet.

Wat ik toen evenmin gezien zal hebben, is dat nogal wat stukken in deze bundel inleidingen zijn. Werk geschreven, of gelezen, voor een algemeen publiek.

Een essay waarin bijvoorbeeld uitgelegd wordt wie Noam Chomsky is, en wat hij voor de taalkunde betekent, lees ik tegenwoordig toch anders.

Net zo keek ik niet heel neutraal naar het essay ‘Zinloze en zinvolle filosofie’, dat ooit grote betekenis heeft gehad, en me nu niets nieuws kon vertellen. Staal geeft hierin een beknopte inleiding in de twintigste-eeuwse filosofie, door de dan belangrijkste stromingen te behandelen. Daarbij komen de Duitse fenomenologie en hermeneutiek er slecht vanaf, heeft Staal evenmin iets goeds te zeggen over de Franse fenomenologie, en kan alleen de Angelsaksische analytische filosofie op zijn goedkeuring rekenen. Bij de analytici doet het er namelijk niet toe wat andere filosofen al eens hebben gezegd; maar gaat het om zelfstandig nadenken. En:

Helderheid is daarom niet een voldoende, maar wel een noodzakelijke voorwaarde voor filosofische werkzaamheid. Pas wanneer een zekere mate van helderheid is bereikt, kan men bepalen of het mogelijk is verder te gaan. Wie die helderheid niet nastreeft, draagt misschien bij tot de kleurrijkheid van de cultuur, maar niet tot de filosofie. [161]

Voor zover ik dit uitgangspunt nog niet had, werd dat het wel na het lezen van dit boek in de jaren tachtig. Met als gevolg ook dat ik in mijn latere onderwijskeuze heel wat van de aangeboden cursussen geweigerd heb te volgen. En daarmee heel wat boeken niet heb willen lezen, die toch wel degelijk tot een aantal canons behoren.

Frits Staal was de eerste die me op de beperkingen wees van zo vele filosofen, en, erger nog, de navolgers daarvan. Rudy Kousbroek deed dat later ook nog eens, maar dan al veel minder beargumenteerd. Beiden hebben me behoed voor grote verveling. En ergernis. Maar ik ben verder nu.

Frits Staal, Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap
413 pagina’s
Meulenhoff, 1986

Scherp van de snede ~ Pierre Vinken & Hans van den Bergh [sam.]

Beide samenstellers van deze bloemlezing zijn eind 2011 kort na elkaar overleden. En dat is jammer. Alleen al omdat ik best een polemiek met ze had willen aangaan over de samenstelling van de bundel Het scherp van de snede.

Doel van dit boek is nog het meest krachtig omschreven in de ondertitel. ‘De Nederlandse literatuur’ te tonen ‘in 100 en enige polemieken’. Alleen leggen de samenstellers dat dan wel erg eng uit. Niet enkel de teksten behoorden literatuur te zijn, ze mosten ook nog eens gaan over literatuur alleen.

Daarbij stamt het grootste deel van de opgenomen polemieken uit de twintigste eeuw — vanaf pagina 299 is zelfs de periode voor 1945 al voorbij. En daarmee zit er nog een rare onbalans in het boek.

Het lijkt of de samenstellers vooral belangrijk vonden wat zich tijdens hun bewuste leven heeft afgespeeld. Met een voorkeur voor wat het studentenblad Propria Cures door de decennia heen zoal heeft opgeleverd.

Zoals in elke bloemlezing is hun keuze een persoonlijke keuze. Alleen vind ik de beperking om in de laatste 500 bladzijden van het boek vooral schrijvers op andere schrijvers te zien schelden wat vreemd. Want hoeveel van die woordenwisselingen waren er nu werkelijk principieel. En hoeveel waren misschien nog net opwindend op dat moment?

Nut van het boek is wel dat een aantal befaamde teksten handig in éen band verzameld werd. Hermans die Weinreb als oplichter ontmaskerde. Mulisch’ ‘Ironische van de ironie’. Karel van het Reve’s ‘Raadsel der onleesbaarheid’. Brouwers litanie tegen de ‘jongetjesliteratuur’. Zwagerman’s ontmaskering van de criticus Arjan Peters’ gespleten tong. Piet Grijs tegen Renate Rubinstein, en omgekeerd. Het zijn inmiddels allemaal klassieke voorbeelden in het genre geworden.

Al zij opgemerkt dat de lange teksten steeds sterk zijn ingekort tot reeksen lange fragmenten. Zelfs als naslagwerk is het boek dus niet volledig.

En juist doordat bovenstaande voorbeelden al zo bekend zijn, viel me van de bloemlezing tegen dat er niet minstens even krachtige maar aanzienlijk minder beroemde voorbeelden naast zijn gezet.

Om slechts enkele voorbeelden van mogelijke polemiek te geven die op boeklog langskwamen. Joris Luyendijk heeft zowel de parlementaire pers in Nederland vrij grondig ontmaskerd, als de correspondenten in dictatoriaal regeerde landen. Daar is genoeg protest tegen gepubliceerd van journalisten die zich ten onrechte bekritiseerd voelden.

Zou daar echt geen materiaal tussen zitten met een zekere literaire kwaliteit?

De rechterlijke macht hier weet niets, en kan alleen in juridische sjablonen denken, volgens deskundigen uit andere wetenschappen.

En democratie bestaat niet in Nederland, aldus de politicologen. Al schijnt dat tegenwoordig beter te zijn, omdat er nu eindelijk parlementariërs zijn die uit de EU willen — of andere denkbeelden vertegenwoordigen die tot 2002 volstrekt taboe waren.

Me dunkt, onderwerpen volop en schrijvers genoeg die iets publiceerden dat de status quo aanviel. En dit ook met kwaliteit deden.

Polemieken van auteurs onderling zijn zo bezien wat klein in belang. Hoe pittig de formuleringen ook uitpakten. Hoe veel reuring de woorden misschien ook gegeven hebben in sommige kringetjes, op een gegeven moment.

Kortom, het ontbrak mij wat aan blije verrassing in het boek. Aan een volkomen andere kijk op zaken.

De opgenomen historische teksten zijn zo bezien misschien nog wel het interessantst. Of het losse feit dat Jan Eijkelboom voor hij als dichter debuteerde zich nog duchtig geweerd heeft als criticus.

En misschien is de grootste makke gewoon wel dat de opgenomen teksten elkaar te weinig versterkten. Weliswaar komen een enkele keer de twee strijdende partijen beide aan het woord; maar dat maakt de polemiek meestal juist onbenulliger. Dit is meer een boek om even iets in na te slaan, dan om te gaan lezen.

Enfin. Door de jaren heen is er ook heel wat geschreven tegen bloemlezingen, en de problemen die er aan de samenstelling van zo’n bundel kleven. Het ware wellicht aardig geweest als de samenstellers tenminste éen zo’n stuk hadden opgenomen.

Het scherp van de snede
De Nederlandse literatuur in 100 en enige polemieken

Samengesteld door Pierre Vinken & Hans van den Bergh
846 pagina’s
Prometheus, 2010.

Schrijven ~ Jan Brokken

Dertig jaar nadat Jan Brokken de belangrijkste schrijvers in Nederland interviewde — op Reve en Hermans na dan — zijn de meeste van hen dood of uitgeschreven.

Nu goed, Maarten ’t Hart publiceert nog weleens wat. Guus Kuijer ook. Mensje van Keulen. K. Schippers. En Remco Campert zelfs.

Toch maakte deze interviewbundel om een andere oorzaak een merkwaardig gedateerde indruk. Brokken was om éen of andere reden nogal gefascineerd door het materiaal waarmee de schrijvers hun ambacht uitoefenden. En eind jaren zeventig gebruikten auteurs hier nog geen computers.

Dus mocht Harry Mulisch zagen ‘het echte HB potlood’ te gebruiken voor de passages waar hij onzeker over is.

Wolkers legde uit vellen van zestig centimeter lengte in zijn typmachine te draaien.

Biesheuvel heeft zelfs een typmachine waarmee het schrijven eigenlijk te makkelijk gaat.

En Maarten ’t Hart kon maar met éen speciale pen schrijven, omdat hij van de andere kramp kreeg, ook als het werk per se nog door moest.

Zelden zal er zo veel aandacht besteed zijn aan zoiets onzinnigs. Ik bedoel, al zou een auteur elke ochtend een ader openrijten om het eigen bloed als inkt te kunnen gebruiken, dan nog is dat van secundair belang; en hoogstens interessantdoenerij.

Gelukkig had Brokken nog wel oog voor nuttiger informatie, zoals hoe vaak er herschreven werd; of hoe de auteurs de redactie inpasten in hun normale schrijfpatroon.

Ik herlas dit boek om het interview met Bob den Uyl, en knikte maar weer eens bij diens uitspraak:

Een verhalenbundel is een roman waaruit de vervelende stukken zijn weggelaten […]

Toen moest het gesprek met de zo zelden geïnterviewde F.B. Hotz ook maar. En voor ik het wist had ik tien van de negentien interviews gelezen, en moest het boek ook maar uit.

Maar waarom eigenlijk toch?

Jan Brokken, Schrijven
Interviews
230 pagina’s
De Arbeiderspers, 1980

* in het boek staan interviews met:

  • J.M.A. Biesheuvel
  • Willem Brakman
  • Remco Campert
  • S. Carmiggelt
  • Hugo Claus
  • Hella S. Haasse
  • Maarten ’t Hart
  • F.B. Hotz
  • Mensje van Keulen
  • Anton Koolhaas
  • Gerrit Krol
  • Guus Kuijer
  • Marga Minco
  • Harry Mulisch
  • Bert Schierbeek
  • K. Schippers
  • Bob den Uyl
  • Theun de Vries
  • Jan Wolkers

 


Wat er op het spel staat ~ Cyrille Offermans

De grootste bevrijding in mijn lezende leven kwam toen ik me niets meer aantrok van andermans meningen. De waarde van een boek toont zich pas onder eigen ogen. Te vaak had hooggeschreven of zelfs canonisch werk me werkelijk totaal onverschillig gelaten. En lezen mag best een keer een moeizame huiswerkopgave worden, alleen moest dat toch liever niet te vaak.

Van de weeromstuit ben ik inmiddels misschien te cynisch geworden over de kwaliteiten van de vaderlandse literatuur. Had men een charlatan als Harry Mulisch maar niet tot éen van de grootste schrijvers ooit moeten uitroepen, bijvoorbeeld. Eén van de eeuwig grote drie. Een cultuur die collectief zulke onzin voor waar aanneemt, heeft zich voor altijd ongeloofwaardig gemaakt, wat mij betreft.

Goed, in de kunsten is het niet anders dan op welk gebied ook. Slechts een enkeling kan pretenderen iets te hebben dat lijkt op een degelijk overzicht. De meesten zijn niet of amper geïnformeerd. Dus is het voor zo’n massa wel zo makkelijk om te gaan leunen op de overtuigingen van degenen die wel heel zeker lijken van hun zaak. En zo kunnen boeken, of zelfs schrijvers, belangrijk worden gemaakt — nee zelfs tot verplicht lezen leiden op de scholen.

‘Social proof’, heet dit verschijnsel in de psychologie.

Toegegeven, als er werkelijk geen kwaliteit te bespeuren is aan zulke schrijvers, of boeken, komt dat op den duur altijd uit. Dus als Harry Mulisch over enkele decennia nog altijd spontaan gelezen wordt in alle leeftijdsgroepen zit ik mis met mijn vooroordelen. Dat zal ik dan ook rustig beamen.

Heeft de meeste kunst alleen wel een houdbaarheidsdatum, die nogal eens wordt genegeerd..

Mulisch, of die andere twee van de grote drie, zullen natuurlijk ooit hun kwaliteiten hebben gehad, anders was het ze nooit gelukt om zo veel mensen te pakken. Alleen kwamen die kwaliteiten waarschijnlijk het best naar voren in de decennia ruim voor mijn geboorte. De emoties die zulke teksten ooit konden oproepen, zijn alleen daarom al nooit dezelfde als een schoolkind ervaart die dezelfde woorden opgedrongen krijgt, met de bedreiging daarbij dat dit nu literatuur is; dus waag het niet om daar al een eigen mening over te hebben; laat staan om het gebodene af te keuren.

Cyrille Offermans is een literatuurbeschouwer die ik graag lees. Hij weet veel, schrijft goed, en zijn argumentatie is altijd duidelijk. Evenmin vermoed ik verborgen agenda’s bij hem; zoals een Wil tot Macht.

Zij het dat er toch éen voorbehoud speelt. Als hij iets afkeurt, of zich beklaagt over de lage kwaliteit, dan ben ik dat vrijwel altijd met hem eens. Niet zelden is een vergelijkbaar oordeel trouwens hier op boeklog terug te vinden. Vindt hij iets of iemand goed daarentegen, dan komen onze voorkeuren aanzienlijk minder vaak overeen. Voor een deel zal dat smaak zijn, alleen vermoed ik eerder dat hier bij meeweegt dat Offermans [1945] ouder is, en in een andere tijd opgroeide.

Zijn essaybundel Wat er op het spel staat gaat volgens de ondertitel over “literatuur en kunst na 1945′. Al stelt Offermans daarbij meteen voorop dat de bundel niet pretendeert een overzicht te bieden. Hij gaat vooral in op ontwikkelingen en makers die hem interesseerden of intrigeerden.

Enig iconoclasme speelt er daarbij wel. Zo rekent hij in het essay ‘Over de lotgevallen van het Ander proza’ terloops af met de reputaties van Mulisch, Reve, en Hermans, van wie het voor hem aan het einde van jaren zestig al meer een plicht dan een lust was geworden om ook hun volgende boeken weer te lezen. Vastgeroest als ze toen al waren in hun eigen karikatuur.

Voor mij waren, wat de Nederlandse literatuur betreft, andere schrijvers dan de Grote Drie van meet af aan minstens zo belangrijk: de Vijftigers en geestverwanten — Leo Vroman en Paul Rodenko, Lucebert en Bert Schierbeek, Hugo Claus en Gerrit Kouwenaar, Remco Campert en Fritzi ten Harmsen van der Beek (en, iets later en vooralsnog alleen als essayist, Rudy Kousbroek.) Natuurlijk, ook zij waren gedesillusioneerd door crisis, oorlog en naoorlogs ‘herstel’, maar hun breuk met de literaire traditie was tegelijk radicaler en productiever dan die van de Grote Drie. De onttovering van de wereld had hen niet tot cynici gedegradeerd, uitsluitend nog in staat hun eigen achterdocht te projecteren op elk ‘idealistisch’ initiatief. Al deze schrijvers, veelal primair dichters, werden gemotiveerd door een tegenkracht die misschien nog het best met het woord ‘generositeit’kan worden omschreven. […]

Dus gaat een groot deel van de essays in deze bundel over de door Offermans bewonderde schrijvers, als onder meer ook Ivo Michiels, A.F.Th van der Heijden, of Joke van Leeuwen. Waarbij hij zelfs een poging waagt een lijn door te trekken naar het heden. Om daarbij, als het echt moet, met het geweer op de borst, te oordelen dat als op het moment een nieuwe Grote Drie aangewezen zou moeten worden, daar dan eerder Vlaamse auteurs voor in aanmerking komen dan die met een Nederlands paspoort. Zo toont Offermans zich nogal onder de indruk van het werk van Erwin Mortier.

En mij viel opnieuw op Offermans’ afkeurende oordelen veel makkelijker te accepteren dan zijn prijzende woorden.

Als hij negatief oordeelt over J. Bernlef, omdat deze veel te veel heeft uitgebracht, en zich veel meer had moeten beperken tot het goede en wel geïnspireerde, krijgt Offermans van mij zonder meer gelijk. Alleen al omdat Bernlef’s Pianoman het slechtste boek is in 14 jaargangen boeklog besproken [1]. Oordeelde Cyrille Offermans bovendien uit een veel groter overzicht dan ik. Hij had deze schrijver van nabij meegemaakt.

En toch, als hij vanuit dat grotere overzicht boeken aanprijst van schrijvers die mij nooit smaakten, lukt het hem niet om me te overtuigen.

Dat ligt dan niet aan zijn enthousiasme of argumentatie. Ik vermoed dat ik uit recalcitrantie over wat school aan mij opdrong, lang voor de boekenbijlagen van kranten en tijdschriften met al hun vooroordelen op mijn pad kwamen, zo mijn eigen criteria heb opgesteld over wat voor mij wel goede boeken zijn.

En dan staan in mijn persoonlijke hiërarchie romans niet per se bovenaan. Poëzie ligt al helemaal moeilijk. Als goed schrijven begint bij helder denken, dan hebben de meeste literatoren mij sowieso echt helemaal niets te vertellen.

Ooit, enkele jaren slechts, lang geleden al, heb ik ontiegelijk veel SF gelezen. Die was niet zelden maatschappijkritisch; en gauw eens geschreven vanuit een heel ander perspectief dan dat van literaire romans die het dagelijkse leven beschreven van éen of meerdere hoofdpersonen. En ik vrees dat ook dit type boeken een vooroordeel in mij heeft doen laten ontstaan dat niet meer wijken zal.

Als er werkelijk alles mogelijk is met woorden, als hele nieuwe werelden zijn op te roepen met een paar zinnen, waarom gebruiken dan zo weinig schrijvers die oneindige ruimte hen geboden? Waarom lijkt het lezen van een Nederlandse roman nog zo vaak op het heel traag uit elkaar pulken van andermans kleverige navelpluis?

Waarom lijk ik me over zo veel meer te verwonderen dan de schrijvers die op mijn pad komen?

Cyrille Offermans, Wat er op het spel staat
Literatuur en kunst na 1945

Essay
320 pagina’s
Cossee, 2014
  1. Echt slechte boeken lees ik niet uit, en worden daarom nooit geboeklogd. Bij die kort uitgevallen Pianoman was ik evenwel al over de helft gekomen; toendertijd het criterium om er een boeklogje aan te wijden. []

Zaak 40/61 ~ Harry Mulisch

In 1960 ontvoerde de Israëlische geheime dienst de voormalige Nazi-ambtenaar Adolf Eichmann uit Argentinië; het land waar hij naartoe gevlucht was. Een jaar later werd hij in Jeruzalem berecht, door een rechtbank waarvan alle leden oorspronkelijk uit Duitsland kwamen. Harry Mulisch was indertijd bij een aantal van de zittingen aanwezig. Hij schreef daar essayistische reportages over voor Elsevier; die gebundeld zijn in dit boek.

En ik geef toe deze klassieker uit de Nederlandse journalistiek nooit eerder te hebben gelezen. Maar ook daarmee niet vreselijk veel gemist te hebben.

De zaak 40/61 is in de eerste plaats een tijdsdocument, en als zodanig niet meer onbevangen te bekijken. Wat het gemiddelde schoolkind nu aan details over de Holocaust weet, is waarschijnlijk meer dan de doorsnee Nederlander in 1961 paraat had.

Mulisch vond het bijvoorbeeld nog nodig voor dit boek naar Auschwitz te reizen. En om daar de leegte in het kamp, begin jaren zestig, in zijn beschrijvingen te stofferen met geleende kennis over de ellende van toen.

Eichmann was een zeer nuttig radertje in het mechanisme dat de Eindoplossing in beweging zette. Maar, hij was in de eerste plaats een uitvoerder, die succesvol oplossingen vond bij het probleem dat al die joden weg moesten. Mulisch tekende met enige verbazing op dat Eichmann zich antisemiet noch jodenhater noemde. Bovendien begreep hij slecht dat Eichmann zich niet bijzonder schuldig leek te voelen.

Want, dit is het voornaamste dat opvalt aan het boek, of aan wat Hannah Arendt over dezelfde zaak schreef. De auteurs maakten er een probleem van dat Adolf Eichmann zo’n gewone ambtenaar leek. Heel primitief, omdat de gewoonheid van de man de gruwel van zijn werk zo veel minder begrijpelijk maakte.

Bovendien woog bij beide een ander historisch gegeven mee.

Duitsland was een democratie, en een cultureel rijk land, met een gedegen ontwikkelde wetenschap. En toch kon dit land zich binnen enkele jaren tot een totalitaire staat ontwikkelen. Die vervolgens meteen begon om specifieke delen van zijn bevolking uit te moorden.

Ik begrijp ergens wel dat Arendt alsook Mulisch toch aandrang voelden om deze ontwikkeling te willen verklaren, en niet enkel zo goed mogelijk te beschrijven. Alleen vluchtten ze daarbij in de metafysica, wat hun betogen vervolgens troebel maakte. En ik schrijf dit vanuit de genade van de late geboorte — mijn eigen verleden weegt al helemaal niet mee bij deze observaties, anders dan bij Mulisch of Arendt.

Vijftig jaar afstand tot Mulisch’s verslag bleek in dit geval alleen wel een erg grote afstand.

Harry Mulisch, De zaak 40/61
Een reportage
221 pagina’s
De Bezige Bij 2006, oorspronkelijk 1962

Zeven hoofdzonden van de biografie ~ Hans Renders

De biografie is een onmogelijk genre, zo heb ik herhaald op boeklog betoogd de afgelopen tien jaar. De enige portretten die me wel konden boeien, voldeden namelijk aan een hele reeks eisen.

Zo’n boek was dan op zich al goed geschreven; ongeacht de hoofdpersoon. Bovendien bleek er doorgaans een afstand in tijd te bestaan tot de periode waarin de geportretteerde leefde. Niet zelden werd zo’n gelukte biografie pas geschreven als er eerder al meerdere boeken over dezelfde persoon waren verschenen.

En dan wegen mijn eigen vooroordelen ook nog mee.

Van een biografie over Harry Mulisch bijvoorbeeld zou ik nogal wat eisen. Mulisch had een voor mij onverklaarbaar grote status als auteur in Nederland — ik kan hem namelijk niet serieus nemen omdat hij niet denken kon. [1].

De enige biografie over hem die ik daardoor zou lusten, moet dus ook verklaren hoe het kan dat zo’n ijdel warhoofd hier een enorme status kon krijgen; en zelfs hield nadat hij door mensen die wel iets wisten publiek toch grondig was ondergeschoffeld.

In De zeven hoofdzonden van de biografie geeft Hans Renders onder meer een beknopt overzicht van de soorten levensportretten die er zijn geschreven, en wie dat dan deden, de afgelopen honderd jaar. Dit boekje bevat een uitgebreide tekst van zijn intreerede, waarmee hij in 2008 bijzonder hoogleraar werd in de Geschiedenis en Theorie van de Biografie.

En Renders zag daarbij een tweedeling. Vanouds zijn er altijd al biografen geweest die iemand willen herdenken, en dit dan uit bewondering doen. Daarnaast staan dan degenen die pas een portret opstellen na kritisch bronnenonderzoek.

Beide hebben zo hun fouten. Want de bewonderaars is bijvoorbeeld te verwijten dat ze veel informatie over hun hoofdpersoon negeren. Ook al omdat ze nauwelijks onderzoek zullen verrichten.

Maar ook de ijverige onderzoekers maken vergissingen. Zo noemde Renders enkele biografen die veel te dikke boeken schreven, omdat ze teveel ruimte nodig hadden om de tijd te schetsen waarin de geportretteerde leefde.

Is er tegen beide genres volgens hem in te brengen wat voor alle geschiedschrijving geldt. Over enkele decennia heeft een nieuwe generatie weer andere vragen bij het verleden. Renders is nu eenmaal opgeleid tot historicus, oorspronkelijk. Geen enkel geschiedenisboek, en dus ook geen enkele biografie, kan in deze opvatting de definitieve beschrijving bieden van een leven.

Van Harry Mulisch vermoed ik bijvoorbeeld dat hij gewoon de tijd mee had; en dat buiten-literaire omstandigheden meehielpen om zijn reputatie te vestigen.

Alleen, zou hij over veertig jaar nog door velen worden gelezen, dan heb ik hierin dus ongelijk gehad.

Voornaamste pleidooi van Renders lijkt me zijn wens tot terughoudendheid bij biografen. Waarin ik hem niet helemaal ongelijk kan geven.

Een goede biograaf streeft niet naar compleetheid; niets is zo vervelend als een biograaf die elk gevonden feitje wil verwerken, maar wel probeert hij antwoorden te formuleren op de door hemzelf gestelde onderzoeksvragen. In die onderzoeksvragen is het maar beter bescheiden te zijn. Een biografie heeft een beperkte houdbaarheidsdatum en de houdbaarheid zal niet verlengd worden door almaar meer ambitieuze onderzoeksvragen te stellen. Bij een actuele vraagstelling is de kans het grootst dat de eigentijdse lezer een biografie waardeert, en zonder contemporaine waardering is er voor een biografie geen toekomst. [53]

Hans Renders, De zeven hoofdzonden van de biografie
Over biografen, historici en journalisten

64 pagina’s
Bert Bakker, 2008
  1. De door Wim Noordhoek aangehaalde radiouitzending staat hier []